U bent hier

Academisch Erfgoed K.U.Leuven - Verba Docent, Exempla Trahunt (Woorden wekken, voorbeelden strekken)

Academisch Erfgoed K.U.Leuven
Grafbeeld, Yombe (West-Kongo), hout, pigmenten en vezels, h.78 cm.

 

INLEIDING

 

 

Een mens kijkt er even van op: 2.150. Zoveel musea en collecties telt UMAC, de databank van het internationale subcomité bij ICOM, de wereldwijde behartiger van museumbelangen, dat zich inlaat met universitaire verzamelingen. De grote helft daarvan bevindt zich in Europa, en in Europa spant Duitsland overduidelijk de academische kroon. Met een thema als 'universitaire musea en collecties' - en zelfs binnen de strikte beperkingen die we onszelf hebben opgelegd - kies je er dus voor om te gaan zwemmen in een mer à boire. Universiteiten als Gent en Leuven bezaten en bezitten veel collecties met kleinere of grotere museale potenties. We hebben voor dit themanummer dan ook een selectie moeten maken. Bewaarbibliotheken en archieven sloten we uit. Het hoeft geen betoog dat juist dankzij hun bibliotheken universiteiten vaak een unieke positie bekleden als het gaat om (papieren) erfgoed. Stof genoeg voor een paar themanummers.

 

We beperken ons tot collecties die organisch verbonden zijn met de kerntaken van een universiteit en haar studierichtingen (onderzoek en onderwijs) en/of met haar geschiedenis. Kunstcollecties - vaak schenkingen, maar het kan ook om een politiek gaan die kunst op de campus aanwezig wil stellen - blijven om die reden onbesproken. Essentieel was het criterium dat de besproken collecties minimaal toegankelijk moesten zijn en dat er een vorm van publieksbegeleiding is. Dit betekent bijvoorbeeld dat de collecties in een (min of meer) eigen ruimte staan en dat groepen er op afspraak terecht kunnen voor een deskundige rondleiding. In deze bladzijden maken we eerst een kleine tour d'horizon en snellen we tegen een onverantwoorde snelheid door de geschiedenis: hoe zijn dergelijke collecties ontstaan? Hoe zijn ze geëvolueerd? Hoe staat het er vandaag de dag mee? Daarna belichten we vijf verzamelingen van de Katholieke Universiteit Leuven.

 

Verba docent, exempla trahunt

woorden wekken, voorbeelden strekken

 


INHOUD

1.      Van mouseion tot museum

2.      Het Didactisch Museum Archeologie

3.      De Afrikaverzameling

4.      Laboratorium Experimentele Psychologie

5.      Thermotechnisch Instituut

6.      Archief en Museum van het Vlaams Studentenleven

7.      Praktische informatie


 

VAN MOUSEION TOT MUSEUM - HET ONTSTAAN VAN UNIVERSITAIRE VERZAMELINGEN

 

 

De eerste collecties die universiteiten bij hun onderwijs en onderzoek inzetten - want daar hebben we het hier over, niet over bijvoorbeeld de portretgalerijen van de rectoren of over de kunstcollecties die haar en cours de route toevielen - bestonden voorspelbaar uit boeken. Het tweede type waren de tuinen, de befaamde academische horti, de opvol gers van de kloostertuinen. Onder meer Padua, Pisa en Leiden zijn op dit vlak pioniers. Bij ons hebben Gent en Leuven er beide een die tot op vandaag bloeit. De Leuvense hortus dateert al van 1740. Met de tuinen bevinden we ons in de medisch-farmaceutische sfeer én we belanden in de zestiende eeuw, de eeuw van de micro- en de macro-ontdekkingen waardoor zowel het kleine menselijk lichaam als de grote wereld hun geheimen prijs beginnen te geven.

 

Echte universiteitscollecties duiken aan het eind van die zestiende eeuw op, opnieuw in de medische maar ook in de zoölogische en de antiquiteiten sfeer: er worden collecties aangelegd van wassen modellen, fossielen en exemplaren uit het dierenrijk, er ontstaan rariteiten kabinetten. De officiële geboorte van het voor het publiek toegankelijke universiteitsmuseum - die toegankelijkheid is noodzakelijk om van een museum in onze betekenis van het woord te kunnen spreken; veel universitaire collecties zullen overigens nooit die ambitie hebben - vindt plaats in 1683: dan opent in Oxford het nog altijd befaamde Ashmolean Museum zijn deuren.

 

Het tussentijdse besluit kan kort, krachtig en misschien verrassend zijn: universiteitsmusea waren de eerste bewoners van museumland. En dan zijn we eigenlijk nog bescheiden: al in het Alexandrië van de hellenistische Oudheid werden collecties aangelegd, bestudeerd en gebruikt in het Mouseion, dit is de Academie. Universitaire musea zijn met andere woorden met enige goede wil zo oud als het woord 'museum' zelf. Het zijn pioniers die zijn ontstaan lang voor het erfgoeddenken in de negentiende eeuw ingang vond. Ze kwamen dan ook met andere bedoelingen tot stand.

 

 

DE NEGENTIENDE EEUW: INCONTOURNABLE

 

Zoals op zoveel vlakken is de onvermijdelijke negentiende eeuw een periode waarvan de keuzes die toen werden gemaakt en de ontwikkelingen die toen plaatsvonden, tot in onze dagen nazinderen en zichtbaar blijven. Dit is zoals bekend de eeuw van de encyclopedische kennis (en de bijbehorende verzamelingen), de eeuw van de archeologie, de eeuw ook van de ontluikende antropologie, van de etnografie, van de beginnende moderne geneeskunde en van de psychologie met wetenschappelijke pretenties. Het is ook de eeuw van de specialisatie én de eeuw van het object-based research.

 

Gevolg: een exponentiële groei van de universitaire collecties, en wel in de twee grote groepen die vandaag de dag nog altijd te onderscheiden zijn: de natuurwetenschappen en de cultuurgeschiedenis. Vooral in disciplines waarin het opstapelen van 'bewijsstukken' nieuwe kennis produceert, ontstaan er veel onderzoeksverzamelingen: geologie, de antropologie van toen, dierkunde, archeologie... Typerend voor deze verzamelingen is dat objecten van belang zijn in zoverre ze (nieuwe) informatie bevatten, niet in hun hoedanigheid van object als zodanig. Als de informatie verwerkt of achterhaald is, verliest het object (een deel van) zijn waarde. En dan kan het wel eens het slachtoffer worden van een ruwe, niet-museumwaardige behandeling. Het wás dan ook voor zijn gebruikers geen museumstuk. Zoals al gezegd: academische collecties zijn aangelegd met andere dan museale bedoelingen. Die kregen ze pas na de feiten.

 

 

DE TYPES COLLECTIES

 

Het korte verhaal van de geschiedenis van deze academische objectcollecties liet het al uitschijnen: je kunt in de collecties enkele grote groepen onderscheiden: een groot aantal is ooit aangelegd als een instrument bij het onderwijs. Aan de basis ligt de oude pedagogische gedachte dat aanshouwelijk onderwijs aan de hand van levensechte, driedimensionale objecten (specimina, afgietsels, modellen of the real thing) sprekender is dan - of een noodzakelijke aanvulling is bij - papieren uiteenzettingen of tweedimensionale afbeeldingen. Deze didactische collecties waren (en zijn) middelen, geen doelen op zichzelf. Het betekent bijvoorbeeld concreet dat veel objecten aangeraakt mochten (en mogen) worden. Daar dienden ze zelfs voor. Dit vormt uiteraard een groot verschil met gewone musea.

 

Het betekent ook dat het begrip 'universitaire collecties' inhoudelijk potentieel even ruim en heterogeen is als er studierichtingen en disciplines zijn. Tal van collecties kwamen tot stand op grond van een wetenschappelijke vraagstelling (bijvoorbeeld om proeven te doen, om hypothesen uit te proberen). Ze zijn vaak verbonden met een persoonlijkheid, in de gedaante van een ondernemende hoogleraar. Als de vraagstelling beantwoord en /of voorbij gestreefd is - en als hun bezieler er niet meer is - verliezen ze hun direct nut en worden ze in het beste geval erfgoed dat wordt gekoesterd. In een slechter geval verdwijnen ze of belanden ze in een achterafhoekje. Deze collecties horen vooral thuis in de sfeer van de positieve wetenschappen, maar ook in de geneeskunde en de experimentele psychologie.

 

Een academische collectie kan met name in de negentiende en twintigste eeuw ook bewust zijn aangelegd op grond van een gevoeligheid voor erfgoed, bijvoorbeeld om de historische ontwikkeling van een wetenschapstak of een onderdeel daarvan te illustreren. Of om het verhaal van de eigen universiteit te documenteren.

 

 

TUSSEN TWEE STOELEN

 

Veel van deze collecties kregen in de loop van hun bestaan een andere functie. Meestal is een onderwijs- of onderzoekscollectie geëvolueerd naar een erfgoed- en dus museale collectie, die men om wetenschapshistorische, onderwijshistorische of soms ook om esthetische motieven bewaart. Of ze bleef (deels) bewaard als referentiecollectie, wat betekent dat ze nog representatieve stalen bevat voor een bepaald domein. Of ze werd functieloos en verdween. De bewaarde universitaire verzamelingen zijn vandaag getuigen van hoe mensen wetenschappelijke kennis opdeden, op grond van welke concepten ze dat deden en hoe ze die kennis wilden overbrengen. Dat maakt hun eigenheid uit. Maar juist door die eigenheid vallen ze institutioneel en politiek bekeken in veel gevallen tussen twee stoelen: ze maken deel uit van een onderwijs- en onderzoekscontext, waar ze overigens niet prioritair zijn in het beleid, maar als museum(collectie) vallen ze eigenlijk onder erfgoed en /of cultuur. Dat dubbele gezicht brengt de nodige problemen met zich mee. Waar moet je het eerst naar kijken?

 

 

LEUVEN

 

In Leuven waren ook aan de oude universiteit al verzamelingen aangelegd, zoals de hortus. In het verhaal van de academische collecties speelt koning Willem I, die zich intens inliet met onderwijspolitiek, een belangrijke rol. Onder zijn bewind werden in Leuven, Gent en Luik rijksuniversiteiten opgericht. Ze moesten volgens een bepaling uit 1816 onder meer voor hun onderwijs in de natuurlijke historie beschikken over 'un cabinet pour l'histoire naturelle des animaux et pour leur anatomie comparée'. Verzamelingen van echte, tastbare objecten dienden het onderwijs te ondersteunen. In Leuven, waar in 1835 de nieuwe Katholieke Universiteit de plaats innam van Willems rijksuniversiteit, worden in een notitie uit 1851 meer dan veertig verzamelingen vermeld. Hun geschiedenis moet nog worden geschreven en een heel aantal collecties bestaan nu niet meer of zijn grondig getransformeerd. Er is onder meer sprake van een natuurkundekabinet, een scheikundekabinet, het onvermijdelijke kabinet voor dierkunde en vergelijkende anatomie, een kabinet voor mineralogie, een voor anatomie, enzovoort.

 

Tegen het einde van de negentiende eeuw en in het begin van de twintigste eeuw komen er heel wat collecties en musea bij, onder andere een Museum voor Huidziekten, een Museum voor Metaalkunde en het Geologisch Museum van de Belgische Steenkoolbekkens. Zoals bekend waren de twee wereldoorlogen - en was in de jaren 1960 de splitsing - rampzalig voor het Leuvense erfgoed. En ook hier verloren veel collecties door de vooruitgang in de betrokken wetenschappen hun nut als onderwijs- of onderzoeksverzameling. Dat gebeurde in een tijd waarin het erfgoedklimaat niet meteen gunstig te noemen was in onze contreien. Van een grootscheepse sensibilisatie van de bevolking en van een ernstig beleid is er eigenlijk pas sinds kort sprake.

 

Aan de K.U.Leuven is de jongste jaren gewerkt aan een overzicht van de universitaire collecties en de cultuurschatten die onder de noemer 'academisch erfgoed' vallen: kunstcollecties en historische verzamelingen, bijzondere collecties in bibliotheken en archieven, wetenschappelijke en didactische objectcollecties. Het bouwkundig erfgoed en immaterieel erfgoed blijven hier buiten beschouwing. Momenteel wordt er nagedacht over en gewerkt aan een universitair erfgoedbeleid. Als we ons beperken tot de technische, wetenschappelijke en didactische verzamelingen, zoals in dit themanummer het geval is, gaat het in Leuven om 15 tot 20 kleine en grotere collecties. Die zijn lang niet allemaal (meer) toegankelijk.

 

 

BLIK OP DE WERELD

 

De databank van UMAC vermeldt collecties in vijftig landen. Daar zitten mastodonten en lilliputters bij, verzamelingen in eeuwenoude giga-universiteiten en in bescheiden jonge zusjes. Door de teksten van de UMAC-conferenties lopen enkele dikke rode draden. Zo is de klacht bij de verantwoordelijken van de collecties algemeen: dit universitaire bezit is geen prioriteit voor de meeste academische overheden, wat overigens ook wel begrijpelijk is. Het is vechten om een plaatsje te veroveren in de academische organigrammen (en om ruimte te behouden c.q. te verwerven). Anderzijds is er ook een veralgemeende gevoeligheid merkbaar voor de waarde van het academisch erfgoed. Universiteiten lijken meer en meer te gaan beseffen dat ze het zich als speerpuntinstellingen van een samenleving niet kunnen veroorloven slordig om te springen met hun eigen geheugen. En bovendien is dat erfgoed in een aantal gevallen best wel bruikbaar als visitekaartje. Dat blijkt uit de nieuwe universiteitsmusea, die onder meer bij onze noorderburen zijn opgericht.

 

Nog eind 2005 heeft het Ministerieel Comité van de Raad van Europa aan de lidstaten een uitgebreide aanbeveling gericht om het beheer en management van het erfgoed van Europese universiteiten goed te verzorgen. Ze richtte zich tot de regeringen, maar uiteraard ook tot de academische overheden. Het is nog eens een symptoom van hoe de gevoeligheid voor erfgoed stilaan tot op het hoogste niveau doordringt. Er is dus hoop voor het academisch erfgoed en zijn enthousiaste pleitbezorgers.

 


 

HET DIDACTISCH MUSEUM ARCHEOLOGIE - DE ODYSSEE VAN EEN AFGIETSELVERZAMELING

 

 

De befaamde Laocoöngroep, de Venus van Milo (voor de hellenofielen: de Afrodite van Melos), de discuswerper van Myron... Allemaal staan deze iconen van de westerse kunst in Leuven. In de gedaante van hoogstaande afgietsels. Ooit stonden die in de Universiteitshal, maar sinds de tijden in de jaren '60 zijn veranderd en afgietsels in de ogen van velen quantité négligeable werden (die tijden zijn intussen ook weer veranderd), gingen ze ondergronds. In de kelderruimtes van de Faculteit Letteren bevindt zich vandaag de dag het Didactisch Museum Archeologie.

 

Al 35 jaar draagt professor Arnold Provoost, sinds kort een jonge emeritus, er zorg voor. Ik spreek met hem in de bewuste kelders, herinner me foto's van de afgietsels in de hallen en heb er moeite mee Venus in een kelderhoek te zien staan. Alsof ze gestraft is. "Ik weet het, de ruimte is benepen en ver van ideaal - we tonen hier bovendien ook nog originele archeologische objecten en een verzameling maquettes - maar dat belet niet dat ik bezoekers in een halfuur de hele evolutie van de Griekse beeldhouwkunst kan tonen. Van de archaïsche kouros-beelden tot de kunst uit de hellenistische tijd. Eigenlijk is dat altijd de functie van afgietsels geweest. De kunst tonen, aan den lijve als het ware. Meer nog: mensen met een visuele handicap mogen onze beelden betasten! Ik heb de collectie trouwens niet opgesloten in de kelder: her en der in de gebouwen hangen en staan er nog een heel aantal. Daar komen dagelijks tientallen studenten langs. Tot noemenswaardig vandalisme heeft dat nog niet geleid. En elk jaar weer zijn er stukken van ons te zien in tal van scholen die hun opendeurdag houden. Veel leraren kennen de verzameling nog van in hun studententijd. Je moet je schatten vooral niet bang opsluiten."

 

 

LANGE TRADITIE

 

Collecties van gipsen afgietsels hebben een lange traditie aan universiteiten en als oefenmateriaal in kunstscholen en academies. Ze speelden een belangrijke rol in de opleiding. Ook de Leuvense universiteit bezat al voor de Eerste Wereldoorlog een verzameling. De oudste verwijzing naar het oudheidkundig museum dateert van 1864, maar vooral het jaar 1905 is belangrijk: toen richtte professor Fernand Mayence een Museum voor Klassieke Archeologie op, met archeologische objecten en afgietsels van antieke kunstwerken.

 

De collectie ging in august us 1914 gedeeltelijk op in de vlammen die ook de universiteitsbibliotheek hebben verteerd. Na de oorlog werden de Duitsers verplicht tot restitutie; een onderdeel daarvan was een belangrijke verzameling afgietsels van Griekse en in mindere mate ook Romeinse, Egyptische en Hittitische beeldhouwwerken. Daar bleef het niet bij: in maart 1920 besliste de Griekse regering om aan de Leuvense universiteit een belangrijk aantal afgietsels te schenken. Die bereikten Leuven in 1925, net zoals de Duitse werken. Net op tijd voor de viering van het 500-jarig bestaan van de universiteit.

 

 

OORLOG EN SPLITSING

 

Wie 'Leuven' zegt, zegt oorlogsschade, zoals hierboven al bleek. Na de Eerste Wereldoorlog kwam bij het toenmalige ongeluk het 'geluk' van de restitutie, maar dat was na de aanzienlijke schade van de Tweede Wereldoorlog niet meer het geval. In de nacht van 10 op 11 mei 1944 vernielde een luchtbombardement van de geallieerden een groot deel van de collectie. Wat restte, werd in 1953 deels overgebracht naar het Hoger Instituut voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis in de Vlamingenstraat.

 

In de jaren 1960 raakten op veel plaatsen de afgietsels in de verdrukking. Niemand was nog te vinden voor 'gipsen namaak '. Dat was ook in Leuven het geval: zo belandde een deel van de collectie pal in een auditorium, wat in april 1968 leidde tot een omvangrijke diefstal. Er werd in die periode ook beslist om de Universiteitshal museumvrij te maken. En er is het bekende verhaal: ook deze Leuvense verzameling werd bij de splitsing van de universiteit gehalveerd. Het is vooral de verdienste van professor Paul Naster dat ze desondanks toch bewaard bleef en zelfs een nieuw onderdak vond.

 

 

MEER DAN AFGIETSELS

 

De collectie afgietsels telt meer dan 200 objecten. De nadruk ligt op de Griekse kunst, om de eenvoudige reden dat de Romeinse beelden het slachtoffer zijn geworden van de TweedeWereldoorlog. Van de collectie maken veel bekende beelden deel uit, die behoren tot de canon van de Griekse beeldhouwkunst.In de twee kelderruimtes bevindt zich trouwens veel meer dan afgietsels. Er zijn archeologische objecten uit erg diverse gebieden die bij expedities van leden van de K.U.Leuven zijn opgegraven of als relatiegeschenk aan de Leuvense universiteit werden geschonken; een beperkt aantal stukken werd aangekocht. Het gaat van voorwerpen uit het Leuvense Begijnhof tot Griekenland, Italië en de Oost-Mediterrane wereld.

 

Verder herbergen de kelders een omvangrijke verzameling terracotta olielampen, een groot aantal maquettes, zowel in verband met de Grieks-Romeinse oudheid (Parthenon, Trier,...) als met de kerkbouw sinds het vroege christendom. De verzameling is een permanente bruikleen van het Sint-Jozefcollege in Turnhout, waar ze onder de bezielende leiding van Robert Hermans S.J. werd gemaakt.

 

 

OMZWERVING EN VAN EEN COLLECTIE

 

Het rijke Museum van de Kunst van de Klassieke Oudheidkunde (of ook wel het Museum voor Klassieke Archeologie) bevond zich op de eerste verdieping van de Universiteitshal. De didactische opstelling was de verdienste van professor Fernand Mayence. Vanaf 1953 belandde ze in de Vlamingenstraat, in het Instituut voor Elektromechanica, en nog later in het oude Kolenmuseum. Aan haar Odyssee kwam in 1975 en 1986 een eind: sindsdien staan de Leuvense afgietsels deels in de kelderverdieping van het Mgr. Sencie-instituut (sinds 1986) en deels in het keldermuseum van het Erasmushuis (sinds 1975), twee gebouwen van de Faculteit Letteren. Nog andere vind je in 'Sencie' in de gangen, op de verdiepingen en in de hal.

 


 

DE AFRICAVERZAMELING -  PROFESSOREN ZENDEN MISSIONARISSEN UIT

 

 

Schande! Natuurlijk was ik al vaker in de Jubileumzaal van de Leuvense universiteit, een glas in de ene hand, geleerde papieren in de andere en de blik gericht op de tijdelijke gesprekspartners voor wie je doorgaans naar recepties gaat. Maar die blik viel nog nooit op wat er aan de lange muur van de zaal te zien is: de Afrika-collectie van de universiteit, een van de al bij al niet zo talrijke etnografische collecties in Vlaanderen die (min of meer vast) toegankelijk zijn. Ik schrijf deze regels de dag nadat mijn (groot)nonkel pater is overleden en denk aan onze minuscule privécollectie 'africalia', aan de exotische foto's die me als kind bovenmatig intrigeerden en aan de dikke enveloppen vol kleurige postzegels die hij me uit het onbereikbaar verre Congo stuurde.

 

 

EDOUARD DE JONGHE EN LEO BITTREMIEUX

 

In 1908 droeg Leopold II de onafhankelijke Kongostaat, sinds 1885 zijn privé-eigendom, over aan de Belgische Staat. Dat leidde spoedig tot allerlei initiatieven, ook in de academische wereld. In Leuven werd aan het Handelsinstituut - de voorloper van de huidige faculteit Economische en toegepaste economische wetenschappen - de School voor Koloniale Wetenschappen opgericht, met een bijbehorend museum: het Museum voor Kongolese Ethnographie. Dat was het eerste in zijn soort aan een Belgische universiteit. Doel was een staalkaart te laten zien van de culturen in het Belgische deel van Centraal-Afrika, waar toentertijd ook in academische kringen veel belangstelling voor bestond. De leiding van de school en het museum kwam in handen van Edouard De Jonghe, die de colleges Ethnologie générale en Ethnographie du Congo verzorgde. Missionarissen in de kolonie kregen de opdracht om objecten te verzamelen. Dat verzoek kwam van rector Hebbelynck en de voorzitter van de Handelsschool, Jules Van den Heuvel.

 

De eerste Belgische minister van Koloniën werd in 1908 Jules Renkin. Hij deed een beroep op Edouard De Jonghe om hem het jaar nadien te vergezellen op een reis door de nieuwe kolonie, en vroeg hem later om een hoge functie op het ministerie te vervullen. Dat belette De Jonghe niet zijn leeropdracht in Leuven te blijven verzorgen. Hij bleef het tijdschrift Congo, dat hij had opgericht, leiden en bouwde ook een Kongobibliotheek uit. De Jonghe was onder meer verantwoordelijk voor het onderwijs en de missie in de kolonie. In die hoedanigheid had hij veel contacten met zendelingen in Kongo.

 

Een van die missionarissen was scheutist Leo Bittremieux (1881-1946) , die sinds 1907 bij de Yombe (in Mayombe) werkte. Hij was een belezen man met een buitengewone talenkennis, die erg vertrouwd was met de cultuur van de Yombe. Behalve veel verhalen en tradities verzamelde hij ook waardevolle voorwerpen. De Jonghe moedigde die verzamelzucht sterk aan en stimuleerde Bittremieux tot tal van publicaties. De objecten waren bestemd voor het museum in Tervuren én voor de etnografische collectie van de Leuvense universiteit.

 

 

WAARDEVOLLE YOMBE·OBJECTEN

 

Tegen de Eerste Wereldoorlog bezat de universiteit een verzameling etnografica. In 1911 publiceerde Leo Bittremieux over Yombe-stukken die dat jaar al in haar bezit kwamen. Bittremieux, die tot ongeveer 1935 bleef verzamelen, verwierf de meeste waardevolle Yombe-objecten die zich tot op vandaag in de collectie bevinden. Ze vormen er het meest coherente onderdeel van. Wat hij verzamelde, documenteerde hij uitgebreid en ook die documentatie bleef bewaard. Behalve Bittremieux verzamelden ook confraters van hem in hetzelfde gebied, én paters van andere orden in andere gebieden in Kongo (later Zaïre): witte paters in het Merengebied, trappisten in het evenaarsgebied...

 

Na De Jonghe nam professor Guy Malengreau de zorg voor de collectie waar en leidde hij het in 1951 opgerichte Afrika-instituut bij de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren. Het was de tijd waarin de Leuvense universiteit veel energie investeerde in de eerste Kongolese universiteit. Ook na de onafhankelijkheid van Kongo bleef de collectie in Leuven. Net als alle andere verzamelingen werd ook deze collectie bij de splitsing van de universiteit verdeeld over Leuven en Louvain-la-Neuve. Ongeveer een derde verhuisde mee met de franstalige universiteit. Omdat de congregatie van Scheut wenste dat schenkingen van haar en haar leden Leuven niet zouden verlaten, bevindt tot op vandaag ook het grootste deel van de Yombecollectie zich aan de K.U.Leuven. De Leuvense verzameling telt ongeveer 1500 stukken. Van didactische collectie is ze geëvolueerd naar een waardevolle (in dit geval: etnografische) verzameling.

 

 

OPMERKELIJKE STUKKEN

 

Een Nkisi is een krachtbeeld of spijkerbeeld. Een indrukwekkend specimen komt uit Mayombe. In dergelijke figuren - ze werden gemaakt door een beeldhouwer en een nganga, een ritueel expert - werden nagels en andere ijzeren voorwerpen gedreven om hun energie te activeren. De concentratie van metalen voorwerpen getuigt van de vele eden, vloeken en verzoeken tot wraak waarmee deze (boosaardige) figuur werd geconfronteerd.

 

Een andere blikvanger is een danssscepter of Ntafu maluangu uit Mayombe, met een snoer van calabarbonen. De twee rug-aan-rug geplaatste figuren zijn de tweeling Matundu en Malanda. Dergelijke rammelaars speelden een belangrijke rol in de initiatieschool Nkimba voor jongens in het westelijke Kongogebied.

 

Ontroerend is het grafbeeld of herdenkingsfiguur van een knielende Yombe-vrouw. Ze houdt haar handen voor haar lichaam, alsof ze een offer brengt. Deze sculptuur had een plaats op een graf van een belangrijke persoon of maakte deel uit van een voorouderaltaar. De witte kleur (phembe) geldt hier als de kleur van de doden, of staat voor het leven dat na de dood wordt voortgezet. Een alternatieve rouwkleur, zou je kunnen zeggen.

 

 

NAAR EEN PRESTIGIEUZE PLEK

 

De collectie bevond zich aanvankelijk op de zolder van het toenmalige Handelsinstituut in de Dekenstraat, maar verhuisde in de tijd van het Afrika-instituut naar de Vlamingenstraat. Na de opheffing van het instituut belandde de verzameling in kelderruimten in de Bériotstraat en werd ze toevertrouwd aan het Instituut voor Oudheidkunde en Kunstwetenschap. Sinds de jaren 1980 worden de mooiste stukken getoond in de prestigieuze Jubileumzaal in de Universiteitshal (Naamsestraat), een locatie waar nogal wat ontvangsten en recepties plaatsvinden. Vanwege de renovatie van de Jubileumzaal zal de collectie vanaf juli 2006 een goed jaar lang niet te zien zijn. Nadien komt ze terug op haar huidige stek.

 

 

ETNOGRAFICA OP REIS

 

'Het wereldje' kent de verzameling Leuvense etnografica. Als het mogelijk en verantwoord is, worden er stukken uitgeleend. Zo belandden er al in Antwerpen, Gent, Washington, Londen, Brighton... en enkele jaren geleden ook in het Duitse Herford (in het museum van Jan Hoet, voor de tentoonstelling Schwarz-Weiss, waar ze geconfronteerd werden met hedendaagse kunst uit Kongo). Recent maakten enkele beelden deel uit van de expositie Missie en wetenschap in het Leuvense Kadoc, waar een portret van pater Bittremieux de affiche sierde.

 


 

LABORATORIUM VOOR EXPERIMENTELE PSYCHOLOGIE - HET LEVENSWERK VAN ALBERT MICHOTTE

 

 

In de Leuvense bibliotheek van de psychologen beleef ik een onvervalst, letterlijk te nemen déja vu bij de collectie-Michotte. Een week eerder zag ik in Gent in het Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde de collectie-Van Biervliet. Deze twee autoriteiten waren tijdgenoten en hun verstilde collecties van werkeloze instrumenten bevatten identieke of zeer vergelijkbare apparaten met dezelfde, voor een buitenstaander enigmatische namen: de chronoscoop van Hipp, de ergograaf van Mosso, de tamboer van Marey, de olfactometer van Zwaardemaker, de tachistoscoop... Meten was weten in het begin van de twintigste eeuw. Zowel in Gent als in Leuven. Dit is psychologie volgens het natuurwetenschappelijke model. Eén verschil: Albert Michotte en zijn technicus Roland staken zelf instrumenten in elkaar, Van Biervliet nauwelijks. En voor de volledigheid: niet alle Leuvense toestellen zijn door Michotte vervaardigd of aangekocht.

 

 

PIONIER MET WERELDFAAM

 

Aan het begin van de twintigste eeuw vond baanbrekend onderzoek plaats naar de werking van de zintuigen, het geheugen en de motoriek. Psychologen deden tal van experimenten en probeerden 'prestaties' te meten; onder meer de studie van reactietijden op prikkels genoot veel belangstelling. Ze deden dat met speciaal daartoe ontwikkelde apparatuur die dit soort onderzoek voor het eerst mogelijk maakte. Het was de pionierstijd van de wetenschappelijke psychologie. De grote naam in Leuven op dat vlak was Albert Michotte (1881-1965), een internationaal erkende pionier in zijn vakgebied en een van de stichters van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. In zijn Laboratoire de psychologie expérimentale gebruikte én ontwikkelde Michotte de modernste apparatuur voor zijn onderzoek.

 

Brusselaar Albert Michotte was filosoof, studeerde ook zoölogie en publiceerde al op jonge leeftijd over neurologie. Als student onderging hij de invloed van de latere kardinaal Mercier, de oprichter van het Institut de Philosophie in Leuven en een man die er zijn levenswerk van maakte de filosofie en de positieve wetenschappen dichter bij elkaar te brengen. De psychologie, toentertijd een wetenschap die om erkenning vocht, kon volgens hem die link leggen. In 1891 richtte Mercier de leerstoel experimentele psychologie op. Daar zou spoedig een laboratorium voor worden geïnstalleerd, in zijn wijsgerig instituut. De eerste onderzoeken gingen over de toonhoogte en de melodie van de gesproken taal. De toenadering tussen het 'positivisme' en de filosofie was overigens een zorg van het Vaticaan zelf.

 

De eerste directeur van het laboratorium en docent experimentele psychologie (toen nog genoemd 'psychofysiologie') werd Armand Thiéry (1868-1955), die in de jaren 1890 in Leipzig bij Wilhelm Wundt werkte over optische illusies. Wundt had in 1879 in Leipzig het eerste lab voor experimentele psychologie ingericht. Op aanraden van Mercier legt ook Michotte zich daarop toe. Hij publiceert in 1905 over de tastgewaarwording en ontwikkelt daarvoor een nieuwe meettechniek. Drie jaar lang werkt hij vervolgens tijdelijk in Duitsland. In 1912 wordt hij in Leuven gewoon hoogleraar en vanaf eind 1913 superviseert hij al het onderzoek in het lab.

 

Dat gaat vooral over cognitieve en associatieve processen en over de problematiek van de vrije keuze. Michotte wordt een autoriteit - met name ook over de visuele waarneming van causaliteit - en breidt na de Eerste Wereldoorlog het onderzoek en het onderwijs in de experimentele psychologie sterk uit. Hij richt in Leuven een instituut voor toegepaste psychologie op dat zich bezighoudt met de opvoedings- en onderwijsproblematiek en in 1944 het Instituut voor Psychologie. Michotte, een internationaal bekende en veelgevraagde psycholoog, blijft ook na zijn emeritaat in 1952 actief. Hij overlijdt in 1965. In 2005 werd in Leuven een internationale studiedag gewijd aan het werk van Michotte.

 

 

INVENTIEF EN CREATIEF

 

De experimentele psychologen van Michottes generatie waren pioniers en zijn verzameling instrumenten - een deel maakte hij zelf, andere werden aangekocht - laat dat ook zien. De experimentele psychologie is in die periode nog sterk verweven met de fysica en de fysiologie. Dat blijkt als je de instrumenten bekijkt en hun functies leert kennen. Met schaarse technische middelen maar ook met veel inventiviteit en creativiteit ontwierpen Michotte en zijn collega's én de fabrikanten van die tijd meetapparatuur. Michotte deed dat samen met een technicus. Een van zijn opvolgers, Joseph Nuttin, schreef daarover: "Zijn laboratorium omvatte onder meer twee grote zalen. Het gaf de indruk van het atelier van een kunstenaar of een ambachtsman te zijn, waar volgens de noden van het moment apparaten werden gemonteerd of uit elkaar gehaald."

 

De verzameling bleef in goede staat bewaard , onder meer dankzij de goede zorgen van Nuttin. Een deel verhuisde wel naar Louvain-la-Neuve en Pellenberg. Een aantal tentoongestelde apparaten komt van het atelier 'Fabrik für wissenschaftliche Apparate' van Emil Zimmerman, opgericht in 1887 in Leipzig en later ook actief in Berlijn. Zimmerman leverde met zijn apparatuur een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van de experimentele psychologie. Michotte kocht in zijn atelier toestellen aan. Opvallend is de precisie, betrouwbaarheid en duurzaamheid van de apparatuur én de opmerkelijke esthetiek van de instrumenten. Andere belangrijke ateliers waren er in Neuchâtel, Göttingen, Giessen, Utrecht en Parijs.

 

 

HISTORISCH WAARDEVOL

 

De tentoongestelde apparaten dienen voor de studie van de zintuiglijke gewaarwording, om de reactietijd te meten en om te registreren. In de categorie varia treffen we onder meer een passer voor schedelmetingen aan, een bloeddrukmeter uit 1914 en projectietoestellen. Over de historisch waardevolle experimentele onderzoeksapparatuur in het departement Psychologie vond recent een wetenschappelijk project plaats. De verzameling toestellen waarmee Michotte heeft gewerkt, in totaal 210 stukken, maakte daar uiteraard prominent deel van uit. Ze zijn historisch en materieel belangrijk én ze doen nog dienst in de opleiding van de studenten. Een selectie wordt sinds kort permanent tentoongesteld in de (prachtige) faculteitsbibliotheek. Het project boog zich over de inventarisering, de bewaarproblematiek en het publiek toegankelijk maken van de collecties.

 

 

ENKELE OPMERKELIJKE STUKKEN OFD COLLECTIES

 

Een koffer van bouwer König bevat 67 genummerde stemvorken met een houten handvat om de trilfrequentie constant te houden. Stemvorken zijn bijzonder waardevolle instrumenten omdat ze nagenoeg zuivere tonen voortbrengen. Ze werden gebruikt om te registreren hoe en wat mensen horen. De collectie bevat er een aantal, waaronder ook elektromagnetisch geactiveerde exemplaren. Die laatste maakten behalve de constante trilfrequentie ook de intensiteit controleerbaar.

 

Voort s is er de perimeter. Een gekleurd voorwerp nemen we perifeer - aan de rand van ons blikveld - waar in een nuance van wit of zwart. Als het voorwerp centraler in ons gezichtsveld komt, zien we de kleuren wel, maar niet altijd correct. Pas als het voorwerp op de 'gele vlek' wordt geprojecteerd, wordt de kleur juist benoemd. Dit instrument - een ervan is gemaakt door Wilhelm Wundt - gaat na vanaf wanneer een kleur juist wordt benoemd.

 

Tenslotte is er de esthesiometer, waarvoor Michotte een nieuwe techniek ontwikkelde. Een esthesiometer meet tactiele gewaarwordingen. Die verschillen kwalitatief naargelang van de zone van het lichaam die wordt gestimuleerd. Na voldoende metingen kun je esthesiometrische kaarten van het lichaam opstellen.

 

 

INVENTARIS

 

Al in 1904 verscheen er een inventaris van de apparatuur in het laboratorium. Het meeste van wat daarin staat, bestaat niet meer. Dat komt door de beschadigingen tijdens de Eerste Wereldoorlog (Michotte werkte toen in Nederland) en omdat apparaten uit elkaar werden gehaald als er stukken voor een ander experiment nodig waren.

 


 

THERMO TECHNISCH INSTITUUT, ALIAS MUSEUM OF HISTORICAL ENGINES - ONDER STOOM GEBRACHT

 

 

Ik heb geluk in het Museum of Historical Engines, een naam die meer zegt dan die van het eigenlijke Thermotechnisch Instituut. Als ik met professor ir. Eric Van den Bulck het Instituut bezoek - "het erfgoed van de vroege ingenieurs in Leuven"; de hoge schoorsteen vertelt dat hier machines werken - zijn er net studenten aanwezig. Zij krijgen in het loodsachtige gebouw vol imposante machines een practicum. Een technicus zal voor de gelegenheid een van de stoommachines 'in gang zetten'. Het blijft een prachtig spektakel voor oog en oor: het gesis en geblaas, het pompen en zuigen, de op en neer gaande en de draaiende bewegingen, de wolkjes stoom. Maar we leven anno 2006 en een van de studenten vraagt wat het rendement van de machine is . "5 tot 10%," weet de professor. De jonge gasten zijn gewend aan 50% en meer. Er wordt hoorbaar gegniffeld. Dit is voor deze jongelui de prehistorie, een neanderthalmachine. Ze wordt dit jaar 105 en het instituut zelf is in 2006 75 jaar jong. Eric Van den Bulck praat met een opvallende piëteit en veel respect over wat zijn voorgangers hier hebben gerealiseerd.

 

 

SPUTTERENDE MOTOR

 

21 oktober 1931. Vlak bij het Arenbergkasteel en aan de Celestijnenlaan wordt bij de opening van het academiejaar ook het Thermotechnisch Instituut ingewijd. Voor het eerst laat de grote stoommachine van zich horen. Dit begin is het einde van een moeizaam proces van jaren. Al in 1910 lanceerde de Union des Ingénieurs sortis des Écoles Spéciales de Louvain het idee bij de toenmalige rector Ladeuze om een nieuw instituut met laboratoria op te richten. De Alma Mater was volgens hen achterop geraakt in het praktisch, aanschouwelijk onderwijs van de stoommachines en de motoren met inwendige verbranding.

 

De oorlog betekende uitstel voor het plan, maar toen in 1921 de universiteit eigenaar werd van het landgoed Arenberg in Heverlee, was het duidelijk: dáár zou het nieuwe instituut komen. Het oude Institut Electromécanique in de Vlamingenstraat uit 1901 - het stond vol elektrische machines - zou spoedig worden verlaten. Dacht men. Men zou er nog tien jaar op moeten wachten. De nieuwe instituten waren maar een van de vele naoorlogse projecten van de universiteit. Dát ze er zijn gekomen, was mede te danken aan de steun van tal van industriëlen. Bezielers aan de universiteit waren de professoren Paul Daubresse en Albert Coppens (1885-1966).

 

 

VAN STOOMMACHINE TOT STRAALMOTOREN

 

Begin twintigste eeuw is de stoommachine, ondanks de opkomst van krachtige elektromotoren, nog altijd intens in gebruik voor de mechanische aandrijving van locomotieven, drijfassen voor weefgetouwen en constructiewerkplaatsen, en lieren voor mijnliften en hijsinstallaties. In de industrie en het transport maakt ook de inwendige verbrandingsmotor opgang. Wat er in het instituut aan machines kwam - en er tot op vandaag ook is blijven staan - was goed uitgekiend: enkele zijn uniek omdat ze op allerlei manieren aangepast zijn aan hun didactische functie. Generaties studenten hebben er het vermogen en het rendement van gemeten. En als rector Van Waeyenbergh prominent bezoek over de vloer kreeg, kwam hij wat graag naar hier om een demonstratie te laten geven. De practica van professor Coppens, die vóór zijn academische loopbaan bij F. N. in Herstal had gewerkt als hoofd van de onderzoeksafdeling voor voertuigen en motorrijwielen, en van professor Theo Van der Waeteren bezorgden het Instituut zijn uitstraling en faam.

 

Welke machines stonden en staan in het Thermotechnisch Instituut? Een grote stoommachine Compound Jumelle, 170 PK van Les Nouvelles Usines Bollinckx S.A. Ze bleef voor practica in gebruik tot 1972 en is nog altijd in werking. Daarnaast een kleine stoommachine Rider uit 1901 door dezelfde constructeur en een gasmotor van 25 PK die na een ombouw op diesel is gaan werken. De volgende drie hebben als bouwjaar 1926: een semi-verplaatsbare stoommachine, een Winterthur-compressor en een gemetselde stoomketel die in 1972 werd vervangen door een modern exemplaar. Sindsdien was het gedaan met kolen scheppen.

 

Uniek is de Whittle W2-700 straalmotor (1945) die in 1947 vanuit Engeland naar Leuven werd gebracht, de eerste straalmotor op het Europese vasteland. Dat werd plechtig gevierd en veroorzaakte grote opwinding. De schenking was het resultaat van een studiereis die de professoren Coppens en Houberechts hadden ondernomen op aanstichten van de Koninklijke Vereniging van Ingenieurs en Industriëlen. De motor is vandaag de dag zeldzaam geworden.

 

Ook machines hebben een geschiedenis: aan het eind van zijn loopbaan 'kreeg' professor Coppens in 1954 een nieuwe straalmotor: de Rolls Royce Derwent VIIII (1950; stuwkracht: 1.630 kg). Die werd nog in 2000 gratis gereviseerd door de diensten van Electrabel. Verder zijn er nog diverse vliegtuigmotoren uit de jaren 1935-1945.

 

 

BLIJVEN DRAAIEN

 

Het is zelden muisstil in de hoge hal met de monumentale machines. De straalmotor draait nog tijdens practica van de ingenieursstudenten, en ook de dieselmotor en de kleine stoommachine doen nog dienst in het onderwijs om bepaalde verschijnselen te illustreren. Essentieel voor de machines - en dus voor het behoud van het Instituut als zodanig - is uiteraard dat ze aan de praat en in goede conditie blijven. Daar zorgen vandaag de dag enkele technici voor. "De machinezaal is een belangrijk stuk industrieel en cultureel erfgoed dat staat tussen de paarden-met-karren en de wind- en watermolens en onze hoogtechnologische samenleving," aldus Eric Van den Bulck.

 


 

ARCHIEF EN MUSEUM VAN HET VLAAMS STUDENTENLEVEN - O VRIJ-Studentenheerlijkheid

 

 

Mark Derez van het Leuvense Universiteitsarchief formuleert het haarscherp: "In dit museum worden de wilde haren van opeenvolgende studentengeneraties bewaard. Dit is de pendant van de officiële papierberg die het eigenlijke universiteitsarchief uitmaakt. Zonder verzamelaar Mon de Goeyse, die aan de basis ligt van dit archief en museum, was de K.U.Leuven maar heel slecht ingelicht geweest over het verleden van haar eigen studentendom, toch nog steeds haar meest primordiale geledng. En nog minder dan de universiteit zelf heeft de studentenbeweging last van veel historisch bewustzijn. Als er een studentenarchief bestaat, is dat dus te danken aan het privé-initiatief van De Goeyse, die vooruitziendheid koppelde aan een bewaargeest en een zeker 'conservatisme'. Hij verfoeide soms wat hij verzamelde, maar hij dééd het wel. Je vindt hier Ludo Martens en Wilfried Martens samen in één museum."

 

 

MON DE GOEYSE, VERWOED VERZAMELAAR

 

Het museum is gegroeid uit de collectie en documentatie (boeken en tijdschriften, prenten en tekeningen, archivalia, objecten... ) van Mon de Goeyse. De Goeyse verzamelde al vanaf het eind van de jaren 1920 systematisch alles in verband met het Vlaamse studentenleven, zowel materieel erfgoed als wat vandaag de dag 'immaterieel erfgoed' wordt genoemd. Hij schuimde ook antiquairs en antiquaren af op zoek naar ouder materiaal, en beperkte zich niet tot stukken over de Leuvense studentenbeweging. De Goeyse collectioneerde ook over Gent en over overkoepelende verenigingen, gewestelijke clubs, verbonden van oud-hoogstudenten, enzovoort. Hij liet het ook niet bij officiële stukken: ook folkloristische uitingen van studentikositeit kregen zijn belangstelling, lang voor er sprake was van zoiets als 'mentaliteitsgeschiedenis' of 'de geschiedenis van het leven van alledag'.

 

De Goeyses droom was aanvankelijk een Institut für Hochschulkunde, zoals hij dat in Würzburg had bezocht, of een universiteitsmuseum zoals men dat in Nederland in die tijd al kende. Maar dat bleek een verre utopie. Toch bleef hij verzamelen en riep hij studenten en afgestudeerden op om zijn collectie te doen aangroeien. Hij was zich erg bewust van zijn maatschappelijke veranwoordelijkheid voor een memorabel cultuurgoed. Mon de Goeyse (1907-1998) speelde vanaf de jaren 1920 een belangrijke rol in het Vlaamse studentenleven, waar hij in diverse verenigingen van (oud-)studenten verschillende functies vervulde. Hij studeerde als germanist af in 1933, werkte als een van de eerste radiojournalisten in Vlaanderen bij de N.I.R., was vanaf 1958 beroepshalve weer actief aan de K.U.Leuven (waar hij dus de boedelscheiding meemaakte) en zette zich in voor diverse organen en genootschappen van (oud-)academici. De Goeyse was ook de vader van de befaamde 'codex' van studentenliederen. In 1972 legde hij op z'n 65ste zijn functie als hoofd van de public relations van de K.U.Leuven neer, maar hij bleef tot op zeer hoge leeftijd actief voor 'zijn' archief en museum, dat hij altijd al toegankelijk wilde maken voor het publiek.

 

Ook na de verhuizing naar de universiteitsbibliotheek en zijn pensionering in 1972 was De Goeyse zelf nog zowat elke namiddag aanwezig in het museum. In die jaren 1970 werd zijn Archief en Museum van het Vlaams Studentenleven gebruikt door studenten geschiedenis en deed 'de universiteit' er een beroep op voor de viering van haar 550ste verjaardag (1975). Onder aanvoering van Louis Vos staken jonge historici een tentoonstelling ineen. Het museum raakte hierdoor bekend in academische kring. In 1978 werd de collectie officieel toevertrouwd aan de universiteit - en werd ze dus institutioneel ingebed - en was ze voortaan een van de bevoegdheden van de archivaris (in casu professor Jan Roegiers). Mon de Goeyse zelf was tot diep in de jaren 1990 de eigenlijke en zeer aanwezige 'conservator' van zijn levenswerk.

 

 

MET TIJD EN VLIJT, BLAUWVOETERIJ, MEI 68...

 

De collectie, duizenden items groot en met honderden objecten, wordt vandaag de dag nog steeds beheerd door het Universiteitsarchief, dat minimaal bestaft is en vele andere taken heeft. Ze groeit nog aan, in de eerste plaats dankzij schenkingen van studentenverenigingen maar ook door nu en dan iets aan te kopen. Behalve 'papieren' stukken - archivalia, tijdschriften, brochures, liedboeken, pamfletten, stencils, affiches en vooral veel foto's - zijn er ook tal van 'tastbare' relicten: schilderijen en pentekeningen van Gustaaf van de Woestijne en Joe English, vaandels, petten, linten, bierpotten, keramiek, wapens... Het gaat van de Blauwvoeterij van Albrecht Rodenbach - de jaren 1870; het originele manuscript ligt er - over de studentenglorietijd in de belle époque tot en met de revolte van de woelige jaren 1960 en verder. Zeer gegeerd en verrassend zeldzaam zijn onder meer twee eenvoudige wassen popjes van niet of nauwelijks geklede studentes, gadgets die in de jaren 1930 'onder de toonbank' werden verkocht.

 

Een ander opmerkelijk stuk is 'de kassei'. Als het bij geschiedenis gaat om de historische sensatie, dan wordt die in dit museum erg tastbaar bij het zien van 'de kassei' die deel uitmaakt van de collectie. Volgens het bijschrift van De Goeyse werd deze straatkei van de Oude Markt tijdens de revolte in de nacht van 15 op 16 mei 1966 door het raam van de Franstalige vice-rector van de universiteit gegooid. Op 13 mei was het fameuze mandement bekend geworden waarin de bisschoppen pleitten voor de ene en onverdeelde Leuvense universiteit.

 

Bij de vele vlaggen springt het vaandel van Met Tijd en Vlijt, toegeschreven aan baron Jean de Béthune, in het oog. Met Tijd en Vlijt was de zinspreuk van de eerste Vlaamse studentenvereniging te Leuven. De werking van het genootschap lag helemaal in de lijn van de beginnende Vlaamse Beweging, die zich kort na 1830 onder invloed van de romantiek manifesteerde in allerlei letterkundige verenigingen. De leden hielden voordrachten over taal- en letterkunde. Later roerden ze ook de politieke grieventrommel.

 

Het museum bezit een drieluik door de Leuvense student Jozef de Beule die in de jaren 1929-1933 bekendheid verwierf als tekenaar van het studentenblad Ons Leven. Opdrachtgever was Mon de Goeyse, die een synthese van het studentenleven verbeeld wou zien. Hij had kennelijk de rederijkerstrilogie in 't sotte, in 't vroede en in 't amoereuze voor ogen of, zo men wil, een variatie op het Duitse Wein, Weib und Gesang, waarbij gezang dan wel als een strijdzang uit de Vlaamse Beweging moet worden begrepen.

 

In de 'vestimentaire collectie' valt de verzameling kleurrijke (zij het soms al wat verschoten) petten op. Mark Derez: "De evolutie van een onmiskenbaar studentikoos attribuut als de pet vormt een serieuze brok politieke geschiedenis... Er zit een hele semiotiek achter: elke pet heeft zijn ideologische verwijzing."

 

De verzameling-De Goeyse bevond zich tot in de jaren 1970 op een tot documentatieruimte omgetoverde zolder van de Universiteitshal. Nadien verhuisde ze naar de universiteitsbibliotheek aan het Mgr. Ladeuzeplein, waar de tweede verdieping altijd al bestemd was om als museumruimte dienst te doen. Daar bevindt ze zich in enkele (overvolle) ruimtes, een beetje 'verloren' in een uithoek, "onder de hanenbalken" (Mark Derez). Het is een collectie die smeekt om deel uit te maken van een overkoepelend Universiteitsmuseum, bijvoorbeeld in een voormalig Leuvens college.

 


VERZAMELING UIT VELE HOEKEN

 

In 1960 kreeg verzamelaar De Goeyse de morele steun van niemand minder dan Ernest Claes, die oud-studenten publiekelijk opriep om "hun dierbare oude rommel toe te vertrouwen aan het archief van het Vlaamse universitair leven. Uw namen zullen er opgetekend worden, uw zonen en dochters zullen u daar komen opzoeken." Belangrijke donateurs waren Carlos Van Louwe, Jef Dauwe, Didier Houberechts en Reginald Hambrouck. Een aantal collectiestukken werden bij nacht en ontij verzameld, ook door de opeenvolgende 'conservators': affiches werden van muren en borden verwijderd, pamfletten van obscure groupuscules in woelige omstandigheden verzameld, 'uitrustingsstukken' voor betogingen buitgemaakt,...


 

PRAKTISCH

 


ILLUSTRATIES

Grafbeeld, Yombe (West-Kongo), hout, pigmenten en vezels, h.78 cm

De Universiteitsbibliotheek midden de negentiende eeuw met enkele bezoekers die de boeken, de beelden en de bustes bewonderen. Lithografie in Guide des étrangers à Louvain. Orné de 22 jolies gravures, Leuven, 1852 K.U.Leuven, Centrale Bibliotheek, Tabularium.

Het Koningscollege aan de Naamsestraat huisvest sinds 1818 het Zoölogisch Instituut. Met de kermis kregen de Leuvenaars gratis toegang tot het museum.

De huidige kruidtuin is de rechtstreekse erfgenaam van de hortus van de Leuvense universiteit. De fraaie oranjerie en halfronde kassen (1819) zijn een ontwerp van hofarchitect Charles van der Straeten.

De Jubileumzaal in de Universiteitshal, tussen de twee wereldoorlogen het museum voor klassieke oudheidkunde, tegenwoordig de grote ontvangstzaal van de universiteit, met in de vitrines porselein uit de Spoelberchcollectie en beelden uit de Afrikaverzameling.

Prof. dr. Arnold Provoost bij de maquette van de Dom te Keulen

De antieken in de kelder

Het Didactisch Museum Archeologie bevat orginele objecten, zoals deze asurne, uit de tijd van keizer Nero (54-68 nC) gemaakt voor een zekere Voluntillius. Carrara -marmer, h. 31,5 cm

Een archeoloog in de tekenkamer, foto ca. 1970

Het Museum voor Christelijke Oudheidkunde op de gelijkvloerse verdieping van de Universiteitshal in de jaren 1950

Een bijbels beest uit het Heilig Land: de wezel (Deut. 14:7 en Lev. II:29/30)

Dieren en planten uit Jezus' tijd.
In 1913 werd aan de Leuvense universiteit een Bijbels Museum opgericht, een initiatief van rector Paulin Ladeuze, die zelf bijbelgeleerde was. De verzameling wilde het dagelijks leven illustreren in het land waar Jezus leefde. Daar hoorden onder meer een reeks opgezette dieren bij die in de Bijbel voorkomen, en een herbarium met planten uit het Heilig Land. Het Leuvense deel daarvan bevindt zich vandaag de dag ook in het Didactisch Museum Archeologie. Een curiosum.

Scheutist Leo Bittremieux (1881-1946) met Yombe-beeld

Beeltenis van een onbekende missionaris, Yombe (West-Kongo), hout, h.35 cm

Spijkerbeeld (Pfula Nkombe), Yombe (West-Kongo) Hout, pigmenten, metaal, hars, veren, glas, schelpen, h. 58 cm

Groot spijkerbeeld, Yombe (West-Kongo) Hout, metaal, pigmenten, vezels, hars, glas, h.144 cm

Dansscepter (Ntafu Maluangu), Yombe (West-Kongo) Hout, pigmenten, calabarbonen, h.41 cm

De Leuvense universiteit in Kongo. Een panoramische kaart van Kongo uit 1942, geschilderd door Dom Paul Duez (1909-2002) met een bloemlezing van destijds goed ingeburgerde visies op Belgisch Kongo. Bemerk de kopermijnen in Shaba en de Sedes-figuur die refereert aan Fomulac, de voorloper van de Katholieke Universiteit Lovanium op het plateau van Kimuenza bij Leopoldstad (Kinshasa).

Prof dr. Albert Michotte (1881-1965) was doctor honoris causa van de universiteit van Nijmegen (1949), Cambridge (1951) en Montréal (1954)

Binoculair oogspiegelmodel, gebruikt bij onderricht over de werking van de oogspieren

Dieptevergelijking tussen een perspectieftekening en een bestaand voorwerp, 1957

Kinesimeter in het Laboratorium voor Experimentele Psychologie, 1957

Professor Michotte demonstreert het onderzoek over de perceptie van causaliteit, waarvoor hij nog steeds bekend staat

Esthesiometer die tactiele gewaarwordingen meet

Phonautograaf, een apparaat voor het registreren en weergeven van geluidsgolven

Stemvork

De recente opstelling van de instrumenten in de bibliotheek Psychologie en pedagogische wetenschappen aan de Dekenstraat

Grote perimeter

Albert Coppens doceerde van 1910 tot 1955 thermotechniek. Prentbriefkaart uit de reeks 'Schetsen der bijzonderste drijfstangkoppen' K.U.Leuven, Studentenarchief

De regelkranen van de La Meuse stoomturbine.

Injectiepomp in-lijn van de Paxman scheepsdiesel

De machinezaal anno 2006

De machinezaal met professor en studenten anno 1970

De compressor en verbrandingskamers van de Whittle W2-700 straalmotor uit 1947

Hij mag niet werken! De enige machine van het Instituut die het niet meer doet is de Orenda, een Canadese straalmotor uit 1954. Theo Van der Waeteren redde hem op de valreep van de sloophamer toen hij vernam dat het Belgisch leger de motoren ging vernietigen. Hij mocht er ééntje mee naar huis nemen, op voorwaarde dat hij onbruikbaar werd gemaakt. We zaten immers in volle Koude Oorlog.

Plaat van Pieter Dierckx uit het Studentenliederboek (Brussel, 1899) waarmee studentenleider Karel Heynderickx de eeuwige Mie Katoens de wereld uit wou helpen. Afgebeeld zijn de Universiteitshal, de emblemen van de faculteiten en de student in vier 'toestanden': de verstokte blokker, de studentikoze, de gebuisde en de triomferende student

Een student, poedelnaakt, met een hamer, een kaars, een schedel en een nachtspiegel, het sinistere decorum van een studentendoop bij de Vlaamse maar Franstalige studentenclub La Malinoise. Olieverfschilderij van Tony Blickx uit 1952, Schenking D. Houberechts

Pentekeningen van Gustaaf van de Woestijne ter illustratie van de studentenroman Ons Leven door professor Jozef De Cock, Leuven-Amsterdam, 1907

Affiche voor de feesten ter gelegenheid van het twintigjarige bestaan van het studentenblad Ons Leven te Leuven in 1908, kleurenlithografie van Karel Verhoeft

Rondgang op de tentoonstelling 'Leuven Universiteitsstad 1908' in de Jubileumzaal van de Universiteitshal, 1978. Vlnr: gemeenteraadslid Vanden Eynde, burgemeester Vansina, Mon de Goeyse en rector De Somer


PRAKTISCHE INFORMATIE (Bijgewerkt in 2013)

 

Overkoepelend: Academisch Erfgoed Vlaanderen, http://academischerfgoed.be

 

HET DIDACTISCH MUSEUM ARCHEOLOGIE

De collectie wordt van oudsher in de eerste plaats gebruikt door de studenten archeologie en kunstgeschiedenis. Het gaat met andere woorden om een bij uitstek didactische verzameling. Ook leerkrachten en scholieren, en andere geïnteresseerden vinden de weg naar de Leuvense afgietsels.
Prof. dr. Philip Van Peer, philip.vanpeer@ees.kuleuven.be

Grote (en kleine) broers:

In België
Collections de moulages de l'Université Libre de Bruxelles, Section d'histoire de l'art et d'archeologie (Brussel)
Collections de moulages du Musée de Louvain-la-Neuve. Université catholique de Louvain, Louvain-la-Neuve.

In de buurlanden speelt vooral Duitsland een belangrijke rol met collecties aan liefst 24 universiteiten o.m. Berlijn, Bonn, Dresden, Göttingen, Halle, Heidelberg, Leipzig, München (Museum für Abgüsse Klassischer Bildwerke), Tübingen. Verder zijn er het Victoria & Albert Museum (Londen) en de 'gipszolder' van het Allard Pierson Museum (Amsterdam).

In Europa: in de rest van Europa zijn er vaak aanzienlijke collecties aan enkele universiteiten in Oostenrijk, Groot-Brittanië, Denemarken, Estland en Spanje.

In de wereld: in de rest van de wereld doen vooral Argentinië, Australië, Canada, Chili en Cuba mee.

 

Publicaties
Arnold Provoost, De afgietselverzameling klassieke sculpturen aan de Katholieke Universiteit Leuven, Leuven, 2004. - Volledige catalogus met beschrijvingen. Eigen uitgave.

 

AFRIKA-COLLECTIE

Universiteitshal, Jubileumzaal, Naamsestraat 22, 3000 Leuven - Dienst Kunstpatrimonium K.U. Leuven, Universiteitsbibliotheek. - Mw. Anne Verbrugge - Tel. 016.32.46.46

Grote (en kleine) broers

In België
Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (Tervuren; Bittremieux verzamelde ook voor dit museum).
Het Etnografisch Museum (Antwerpen) en academische collecties aan de Universiteit Gent, de Université Catholique Louvain-la-Neuve en de Université de Liège (met de collectie Charles Firket).

 

Publicaties
Vioka Vana Lumoni Lu Nkisi. Zoeklicht op de west-Kongo. Kunst uit de verzameling van de K.U. Leuven, Leuven, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, 1981.
C. Petridis (ed.), Frans M. Olbrechts, 1899-1958. Op zoek naar kunst in Afrika, Antwerpen, 2001.

 

LABORATORIUM EXPERIMENTELE PSYCHOLOGIE

De inventaris, met foto's en uitleg bij de toestellen, zal in de toekomst op een website consulteerbaar zijn. Die zal dan ook dienstig zijn om een bezoek aan de collectie voor te bereiden. Bibliotheek Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Dekenstraat 2, 3000 Leuven
Labo Experimentele Psychologie, Tiensestraat 102, 3000 Leuven
Prof. dr. Verfaille Karl www.2arts.kuleuven.be/info/erfgoed/psy

Grote (en kleine) broers

In België
Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde, collectie Van Biervliet (Gent).

In de buurlanden
In het universiteitsmuseum van Groningen gaat er aandacht naar de experimenten van Gerard Heymans (1857-1930), een van de grondleggers van de psychologie in Nederland.

In Europa
Optik Galerie aan de Universität Innsbruck.
Het laboratorium voor experimentele psychologie aan de universiteit van Belgrado.

In de wereld
Museum of the history of Psychological Instrumentation, Montclair State University (VS)
The Museum of Brass Instrument Psychology at the University of Toronto (Canada)
The Barnard College Psychology Department, Columbia University (VS).

 

Publicaties
H. Luyten en E. Van denbussche, De onderzoeksapparatuur uit het 'Laboratoire de psychologie expérimentale van prof A. Michotte. Een inventaris, Leuven, Acco, 1981

 

THERMOTECHNISCH INSTITUUT

Het grote publiek kan op bepaalde evenementen de machines zien draaien: opendeurdagen, nu en dan een Open Monumentendag.
Prof. dr. Van den Bulck, Departement Werktuigkunde, Celestijnenlaan 300 A box 2421, 3001 Heverlee
Tel. +32 16.32.25.11  - www.mech.kuleuven.be/tme/museum

Grote (en kleine) broers

In België
De verzameling in het Instituut heeft in België haar gelijke niet wat diversiteit betreft. En er staan enkele erg zeldzame exemplaren.

In de buurlanden
Deutches Museum (München), een prachtige verzameling prille motoren.

In Europa
In het Science Museum (Londen) staat een sublieme draaiende stoommachine.

In de wereld
Henry Ford Museum en Greenfield Village (Dearborn Michigan, VS) met de allereerste elektriciteitscentrale van Thomas Alfa Edison. Henry Ford verzamelde reeds oude machines uit Europa voor in Europa zelf het besef doordrong dat ze voor het nageslacht moesten worden bewaard.

 

Publicaties
M. Derez, 'Een gebouw onder hoogspanning. Het elektromechanische instituut in de Vlamingenstraat', in: VILV-blad, jg. 21 (maart 2001), p. 4-5. Nog diverse artikels in VILV.

 

ARCHIEF EN MUSEUM VAN HET VLAAMS STUDENTENLEVEN

De opstelling is die van een publieksmuseum. Een bezoek met een beslagen gids (vooralsnog de enig mogelijke vorm van bezoek) is sterk aan te raden. En enige voorkennis over de meer recente geschiedenis en de Vlaamse beweging is daarbij zeer gewenst. Rondleidingen vinden plaats op verzoek. Het museum neemt vaak deel aan evenementen als Erfgoeddag en Open Monumentendag.
Universiteitsarchief, Mgr. Ladeuzeplein 21 - 3000 Leuven
Tel. 016.32.46.48  - http://bib.kuleuven.be/universiteitsarchief/collecties/archieven-en-verz...

Grote (en kleine) broers

In België
Museum en archief van het studentenleven (Antwerpen; particulier).

In de buurlanden
De universiteitsmusea van Groningen en Utrecht.
Institut für Hochschulkunde (Würzburg).

In Europa
Museo Europeo degli Studenti (Bologna).

 

Publicaties
Mon de Goeyse, O Vrij-studentenheerlijkheid. Historisch-studentikoze schetsen, Universitaire Pers, Leuven, 1987.
Louis Vos, Mark Derez e.a., De stoute jaren. Studentenprotest in de jaren zestig, Lannoo, Tielt,1988. - Een voorbeeld van een publicatie die zonder dit archief-museum ondenkbaar was. Louis Vos, Bart de Wever, Wilfried Weets (red.), Vlaamse Vaandels, rode petten. Honderd jaar Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond, Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 2002.
Mark Derez, Les archives et le musée de la vie estudiantine flamande, in: C. Schoukens (ed.), Archives, universités, monde étudiant: une mémoire en construction, Louvain-la-Neuve, 2003, 69-79.
Muren spreken. Collages van studentenaffiches door Noël Lommers, Archief en Museum van het Vlaams Studentenleven, Leuven, 2006.


AUTEUR

 

Patrick De Rynck ( 1963) is redacteur-publicist. Dat betekent in zijn geval dat hij teksten schrijft over alles wat van ver of nabij met cultureel erfgoed te maken heeft. Hij werkt mee aan Open Monumentendag en Erfgoeddag, schreef zo'n veertig audiotours voor vaste museumcollecties en tentoonstellingen in Vlaanderen en Nederland, en werkt voor individuele musea, uitgevers en (erfgoed)instellingen. Patrick De Rynck schreef de teksten voor De Museumgids Vlaanderen & Brussel, een uitgave van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. Verder is hij ook auteur en/of vertaler van een dikke tien boeken die alles te maken hebben met de klassieke oudheid, van Alexander de Grote tot de Styx. Momenteel werkt hij aan een complete en eigentijdse hervertelling van alle Griekse mythen.


HERKOMST FOTO'S

• K.U. Leuven, Bruno Vandermeulen: p. 3, 4, 5, 6/7, 9, 10, 11, 12 (links), 13 (rechts), 21, 24, 25 (onder), 26, 32, 33, 34, 35, 40, cover 1 en 3.

• K. U. Leuven, Kunstpatrimonium: p. 19.

• K. U. Leuven, Kunstpatrimonium, D. Beaulieux: cover 2, p. 15, 16, 17, 18.

• K. U. Leuven, Verzameling Lab Experimentele Psychologie: p. 20, 23.

• K. U. Leuven, Universiteitsarchief: p. 13 (links), 26, 37, fotoverz. Robert Martin: p. 12, 22, 31, fotoverz. Raoul van den Boom: p. 29 (onder).

• K.U. Leuven, Kadoc: p. 14.

• Saskia Vanderstichele: p. 8, 9, 25 (boven), 27, 28, 29 (boven), 30, 36.

Met de medewerking van Mark Derez, Universiteitsarchief, en Anne Verbrugge, Dienst Kunstpatrimonium van de K.U.Leuven

Met de steun van de Commissie Cultuur en de dienst Communicatie van de K. U.Leuven.