U bent hier

Adriaen Brouwer - Drinkebroers aan tafel

Adriaen Brouwer - Drinkebroers aan tafel
Adriaan Brouwer (1605/6-1638), Drinkebroers aan tafel - De Bolspelers, Olieverf op hout, 22.5 x 21 cm, gesigneerd links onderaan: Brouwer, Koninklijke musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.

 

Adriaan Brouwer is, evenals Pieter Bruegel, een haast legendarische figuur in de geschiedenis van de Vlaamse schilderkunst. Zo populair is hij zelfs, dat hij als het ware bij de lokale folklore kon worden ingelijfd. In talloze semi-literaire verhalen en blijspelen, die hun volwaardige literaire bekroning vonden in de Brouwerroman van Felix Timmermans, wordt hij ten tonele gevoerd - samen met zijn trawant de bakkerschilder Joos van Craesbeeck - als een pallieteriaanse spuiter die in zijn werken de levensechte weergave gaf van zijn ervaringen onder de drinkebroers, kroeglopers en vechtersbazen, die in de dertiger jaren van de zeventiende eeuw de Antwerpse achterbuurten onveilig maakten.

 

Mogen bepaalde documenten deze zienswijze gedeeltelijk billijken, toch zou het onrechtvaardig zijn uit de voorstellingsinhoud van Brouwers schilderstukken af te leiden dat hij net zo'n vagebond was als het gemeen dat er de figuratie van vormt. Brouwer was, ondanks alle compromitterende getuigenissen nog wel iets meer dan een verlopen bohémien, namelijk een der zeldzaam begaafde en oorspronkelijke schilderstalenten die onze zeventiende eeuw heeft opgeleverd. Deze eer werd hem trouwens gegund door een Duits kunsthistoricus die Brouwer noemde : 'een Adonis in lompen, een filosoof met de zotskap, een cynisch epicurist', welke benamingen op zichzelf nog niet onverzoenlijk mogen zijn met de wijze waarop in zijn geboortestad Oudenaarde op gezette tijden te zijner ere aan Bacchus wordt geofferd, maar waardoor toch wel enige wijdere perspectieven op zijn betekenis worden geopend.

 

De 'Drinkebroers aan tafel' - ook wel eens als de 'Bolspelers' aangeduid - zijn het enige, onbetwistbaar authentieke schilderij van Brouwer dat zich in een Belgische verzameling bevindt. Wie Brouwer ten volle wil leren kennen, moet immers naar München, waar het merendeel van zijn rijpere werken wordt bewaard - ca. achttien schilderijen!

 

Over deze 'Bolspelers' gaat een aardig verhaal dat door de achttiende-eeuwse levensbeschrijver Houbraken in omloop werd gebracht. Volgens hem zou Brouwer in hechtenis gehouden op het vroegere kasteel, een Spaanse vesting, voor de hertog van Arenberg tot staving van zijn schilderschap een schilderijtje hebben gekonterfeit, waarna de schilder op voorspraak van Rubens in vrijheid werd gesteld. Als model daarvoor had hij genomen 'sommige Spanjaarden die zich om een hoek neerzetten om een kaartje te spelen'.

 

Door geloof te hechten aan deze onwaarschijnlijke geschiedenis heeft menigeen zich laten verleiden tot vrij fantastische interpretaties van deze voorstelling, waarbij de tegenstelling tussen de figuren binnen de omheining - de vermeende gevangenen - en de twee minuscule figuurtjes op de heuveltop - de vermeende bewakers - werd verklaard als een door Brouwer uitgedrukte symboliek van vrijheid en gebondenheid!

 

Uiteraard hebben we hier niet te doen met een gezicht binnen de Spaanse vesting, maar eenvoudig met de weergave van de hof van een uitspanning (de herberg zelf is buiten het blikveld gesitueerd) aan de voet van een heuvel, waar enkele lanterfanters rokend en drinkend - dat ze kaartspelen blijkt niet! - verpozen van het bolspel. Twee houten bollen en de metalen ring waarnaar dient geschoten (op zichzelf een fraai stilleven) liggen rechts op de voorgrond, tijdelijk ongemoeid gelaten door het gezelschap. Tegen het planket dat de hof omsluit is een gammele latrine aangebouwd, waarvan de openstaande deur een blik gunt op een mannetje dat gehurkt zijn gevoeg doet, terwijl vlak ernaast, met de rug naar ons toegekeerd, een ander tegen de wand urineert: twee haast onvermijdelijke sujetten op dergelijke genrevoorstellingen.

 

Deze en andere scatologische aardigheden zijn bij Brouwer en zijn navolgers schering en inslag en dienen begrepen te worden als blijk van een visie op de mens die de lagere functies van zijn natuur benadrukt.

 

Het zwijn rechts bij de trog kan dan ook slechts gelden als een illustratie te meer van die ontluisterende opvatting van de mens. Aangestipt zij hier evenwel dat dergelijke bijzonderheden, die door onze smaak als platitudes worden aangevoeld, minder als wansmakelijkheden op de in dat opzicht meer gewende tijdgenoten inwerkten, terwijl anderdeels ze hier toch op eerder discrete wijze zijn aangebracht. Anders dan in vroegere werken geeft Brouwer in de 'Drinkebroers' blijk van een mildere visie op de mens. Deze wordt niet meer voorgesteld als een groteske zwelger, een bedwelmde door tabakmisbruik of een wildebras, vlug op het mes bij kaart- en dobbelspel, maar als een meer bezadigde, genoeglijke genieter van een pijpje of een kroes bier. Onze 'Bolspelers' hebben helemaal geen kwade dronk; zo dadelijk staan ze weer op om het vreedzaam bolspel te hervatten en wie onkans heeft zal hoogstens enkele vriendelijke scheldwoorden naar het hoofd van zijn tegenstander slingeren - geen kruiken of messen!

 

Deze mildere instelling leidt niet enkel tot een gematigde humoristische uitbeelding van de mens (Brouwer doet zich hier voor als een lichtelijk geamuseerd waarnemer van het dagelijkse leven), maar leidt bovendien tot een gewijzigde verhouding tot de natuur.

 

Waar hij in enkele aangrijpende nachtelijke landschappen op gedurfde en onthutsende oorspronkelijke wijze de duistere dreiging van een voor de mens vijandige natuur oproept, treft in dit miniatuurwereldje der 'Bolspelers' de meesterlijke manier waarop een verzoening tot stand wordt gebracht tussen een weids gesuggereerde natuur en de eigenwaarde van de mens die er zich in beweegt. Hoe luttel ook de hem toegemeten rol, toch heeft elk figuurtje een eigen leven als een zelfstandig individu, tot zelfs de twee minuscule wezentjes op de heuveltop toe die zo prachtig afgetekend staan tegen het grijs-wit-blauw-akkoord van lucht en wolken. Waar in vroegere werken het menselijke gebeuren hoofdzaak was en de natuur slechts decor, wordt hier tussen beide elementen een evenwicht bereikt: noch is de mens stoffage in een landschap, noch is de natuur coulisse voor de dramatische handeling. Mens en natuur zijn gelijkberechtigd in een harmonisch geheel opgenomen, een klassiek moment als het ware in Brouwers ontwikkeling.

 

Evenals in het vroeger besproken genrestuk van Adriaan van Ostade, werd in de 'Bolspelers' door Brouwer gestreefd naar een zorgvuldig overwogen compositie, wat eerst duidelijk opvalt bij nadere ontleding, maar die hier niettemin onopvallend de indruk wekt van een hechte en rustige opbouw der voorstelling, waar ze bij Van Ostade afgestemd was op de beklemtoning van de dramatische handeling. In de 'Bolspelers' overheersen rustige horizontalen en vertikalen respectievelijk aangegeven door de zitbank, de tafel en de schutting.

 

De vlakverdeling werd haast mathematisch uitgebalanceerd. Trekt men de denkbeeldige diagonalen, dan valt hun snijpunt precies in de linker bovenhoek van de deur der latrine.

 

Het beeldvlak wordt voor de bovenste helft in haast gelijke mate ingenomen door de heuveltop en de lucht, waar de onderste helft gevuld wordt door de omheinde ruimte met aan de linkerkant de hoofdgroep der personages, contrasterend met het vacuüm van de voorgrond rechts, maar in evenwicht gehouden door de aanwezigheid op het middenplan van de latrine met de twee ongegeneerde heerschappen en het zwijn bij de trog.

 

Ontleedt men de voorstelling nog iets verder, dan merkt men op hoe over het beeldveld als het ware een aantal aanknopingspunten voor het oog zijn aangebracht die als blikvangers de indruk van ruimtelijkheid moeten bewerken. Deze zijn zowel van koloristische en lumineuze, als van vormelijke en lineaire aard en geven bovendien door middel van herhaling of tegenstelling een bijzondere ritmiek aan de compositie als een soort muziek voor het oog.

 

Zo vindt o.m. de tegen de ton aanleunende stok een herhalingsmotief in de rechts naast de latrine boven het planket uitstekende staak; zo wordt het lichtaccent op de rug van de zittende man vooraan hernomen op de openstaande deur van de latrine; zo vormt de latrine zelf een overgangsmotief tussen de twee zones van de voorstelling: het verhakkelde silhouet ervan wordt uitgespeeld tegen de volle zwelling van de heuvel die op zijn beurt weerklank vindt in de wolk erachter.

 

Ook de kleurverdeling over het beeldveld is meesterlijk te noemen: de dominanten zijn bruin, groen, grijsblauw, van onderen naar boven toe in fijne schakeringen over de verschillende zones van de compositie aangebracht. De gedempte tonaliteiten worden door enkele kleuraccenten verlevendigd.

 

De wijze van penseelvoering getuigt van een uitzonderlijk briljante hand: met een opvallende economie aan middelen, zonder enige wijdlopigheid, worden mensen, dingen en natuur genoteerd, dit alles met korte, nerveuze penseelslagjes haast impressionistisch maar toch met een nooit falende zekerheid. Handig wordt hierbij partij getrokken van het bruin geprepareerd fond dat op vele plaatsen doorschemert en waarover nu eens doorschijnende, dan weer dekkende kleur wordt aangebracht. De schetsmatigheid van de korte penseeltoetsen - bijna arceringen! - wekt niet alleen een indruk van bijzondere spontaneïteit maar geeft aan het geheel een dynamisch karakter.

 

Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat herhaaldelijk kon worden gewezen op het 'modernisme' van Brouwers oeuvre, noch dat zijn volwaardige erkenning als begenadigd 'schilder' (als personage in folkloristisch getinte verhalen was hij immers steeds in ere gehouden !) samenviel met de doorbraak van het impressionisme naar het einde toe van de vorige eeuw.

 

Spijtig voor ons, bezit België slechts dit éne, authentieke schilderijtje van zijn hand, maar ach - als dat een troost kan zijn - het is dan toch een onbetwistbaar meesterwerkje !

 

Drs. J. F. Buyck

Attaché bij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen