U bent hier

Archeologie in Vlaanderen

Archeologie in Vlaanderen
Doorsnede van een tonwaterput uit Walraversijde

ARCHEOLOGIE EN ARCHEOLOGISCH PATRIMONIUM IN VLAANDEREN


door Guy De Boe en Frans Verhaeghe

 

Wanneer men handboeken over Europese archeologie raadpleegt, dan moet men zeer dikwijls vaststellen dat Vlaanderen een blanke vlek blijkt te zijn. Is ons archeologisch erfgoed dan onbelangrijk? Zeker niet! Gelegen in het hart van Europa, is Vlaanderen sinds enkele tienduizenden jaren steeds opnieuw een intens bewoond gebied geweest, een kruispunt waar culturen en machten elkaar hebben ontmoet, beïnvloed en bekampt. Die tienduizenden jaren van bewoning hebben op ontelbare plaatsen materiële getuigen in de bodem achtergelaten, materiële getuigen die samen het bodemarchief vormen. Alhoewel dit archeologisch erfgoed dikwijls wel minder spectaculair of monumentaal lijkt dan bijvoorbeeld in mediterrane streken, is het toch zeer rijk en gevarieerd, en dus zeker niet minder belangrijk dan wat onze buurlanden hebben.

 

Hoe valt het dan te verklaren dat ons archeologisch patrimonium zo weinig gekend is? Ongetwijfeld speelt de taal hierbij een rol. Onze publicaties zijn voor buitenlandse collega's vaak minder toegankelijk. Maar ook in eigen land bleef de rijkdom van ons bodemarchief zeer lang onderschat en zelfs miskend. Men ging er immers van uit dat Vlaanderen in het verre verleden tijdens verschillende periodes helemaal niet of nauwelijks bewoond was, zodat er niet veel te zoeken viel, of toch niets interessants. Heel wat periodes zijn dan ook nog zeer slecht gekend of blijken pas nu hun waardevolle informatie vrij te geven. De recente ontdekking van honderden grafheuvels uit de bronstijd in Oost- en West-Vlaanderen vormt daarvan een treffend voorbeeld, terwijl het nauwelijks enkele jaren voorheen - eerst in de Kempen, dan in zandig Vlaanderen - duidelijk werd dat ook Noord-België tijdens de Romeinse tijd intens bewoond was. Ook de rijkdom en het belang van ons middeleeuws en jonger archeologisch erfgoed kregen pas sinds relatief korte tijd meer aandacht.

 

Kan het ons dan nog verwonderen dat het archeologische verleden voor de eigen bevolking grotendeels een onbekende bleef en de groeiende publieke belangstelling voor de archeologie in eigen land slechts een vrij recent verschijnsel is? Vandaar dat ook de beoefening van de archeologie - zeker van de archeologie als wetenschap - in Vlaanderen eigenlijk nog geen duidelijk statuut verworven heeft. Velen zien archeologen nog eerder als zonderlingen en beschouwen archeologie nog steeds meer als een tijdverdrijf dan als een volwaardige wetenschap met strikte methoden en technieken. De algemene miskenning van de waarde van ons archeologisch patrimonium is bovendien tegelijkertijd oorzaak en gevolg van een totaal gebrek aan belangstelling vanwege de overheid. Zij moest de verantwoordelijkheid voor het beheer, de bescherming en het onderzoek van dat patrimonium op zich nemen, maar heeft dit in feite pas op zeer recente datum gedaan. Het lange uitblijven - tot 1993, tientallen jaren later dan in de buurlanden - van enige decreet- en regelgeving ter ondersteuning van een coherent beleid inzake archeologische monumentenzorg, heeft in grote mate de ontwikkeling van de professionele archeologiebeoefening gehypothekeerd en is er derhalve mede oorzaak van dat het archeologisch onderzoek een zeer grote achterstand heeft opgelopen, zeker op kwantitatief vlak, maar ook inhoudelijk. De stijging van deze achterstand is nu wel sterk afgeremd, maar van een reële inhaalbeweging kan nog niet worden gewaagd.

 

Nadat reeds vanaf de 16de eeuw een eerste belangstelling voor oudheidkundige resten kon worden genoteerd, kende deze vooral tijdens de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw een eerste bloeiperiode. Archeologie werd toen bijna uitsluitend beoefend door 'amateurs', verzamelaars of erudiete personen die actief waren in archeologische en historische verenigingen en uit belangstelling voor het verleden van hun streek zoveel mogelijk voorwerpen verzamelden. Dit leidde tot het ontstaan van de eerste archeologische musea in Brussel en in diverse provinciesteden. In die periode waren dergelijke kringen echter voornamelijk in Wallonië actief, in veel mindere mate in Vlaanderen, met figuren zoals J. De Bast, H. Schuermans, Fr Huybrigts, L. Galesloot en C.Van Dessel.

 

Samen met een groeiende concentratie van de activiteiten in het Museum voor Natuurwetenschappen en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (K.M.K.G.) te Brussel, betekende de erkenning van een Rijksdienst voor Opgravingen in 1903 een eerste stap naar een meer professioneel gerichte archeologie. De opgravingsdienst maakte aanvankelijk deel uit van de afdeling Oud-België van de K.M.K.G., maar toen J. Breuer in 1928 de functies van conservator en hoofd van de opgravingsdienst opnam, zag hij snel in dat de binding van deze dienst met één enkel centraal museum geen goede oplossing was en ijverde hij, in navolging van Duitsland en Nederland, voor de oprichting van een autonome instelling voor archeologische monumentenzorg en voor een uitbouw van de nationale archeologie aan de universiteiten. Op enkele uitzonderingen na, zoals het onderzoek in samenwerking met prof. H.Van de Weerd (Rijksuniversiteit Gent) in het Romeinse Tongeren in de jaren dertig, bleven de activiteiten van de Rijksdienst in grote mate op Midden- en vooral Zuid-België geconcentreerd. Bovendien was het onderzoek zeer museumgericht, dus zeer sterk op het object georiënteerd.

 

Aan de Vlaamse universiteiten zou H.Van de Weerd de nationale archeologie te Gent introduceren, maar ook hier zou de doorbraak pas na de Tweede Wereldoorlog plaatsvinden, met S.J. De Laet te Gent en eerst H. Draye, later J. Mertens te Leuven. Onder impuls van J. Breuer kende ook de Rijksdienst voor Opgravingen na de oorlog een groeiende activiteit, met M.E. Mariën, H. Roosens en J. Mertens. De creatie van een autonome opgravingsdienst zou evenwel pas onder Breuers opvolger, H. Roosens, worden gerealiseerd; in 1957 nog als afdeling van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en in 1963 dan eindelijk als autonome Nationale Dienst voor Opgravingen (N.D.O.). Ondanks de in vergelijking met de buurlanden altijd beperkte middelen en mankracht, die rond het midden van de jaren zeventig het hoogste peil van 23 medewerkers bereikte, kon deze N.D.O. toch heel wat onderzoek verrichten en ging het aantal opgravingen ook in Vlaanderen gestadig omhoog. Dankzij de mogelijkheden geboden door de parallelle tewerkstellingsmaatregelen (Bijzonder Tijdelijk Kader), konden vooral tijdens de tweede helft van de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig eindelijk ook grootschaliger nederzettingsonderzoek en ruimere onderzoeksprogramma's worden uitgevoerd. Dezelfde periode zag ook de ontwikkeling van onderzoeksactiviteiten aan de universiteiten en de oprichting van de eerste stedelijke en gemeentelijke archeologische diensten te Gent, Brugge en Antwerpen, en later ook in het Land van Waas, te Maaseik en te Leuven.

 

Ondanks de goede intenties die bij zijn stichting werden geformuleerd, volgde de N.D.O. nooit de uitbreiding die de overheidsdiensten voor archeologisch bodemonderzoek en monumentenzorg in de buurlanden kenden, eerst in Nederland en Duitsland, later ook in Frankrijk. Dit had uiteraard zijn directe weerslag op de Belgische archeologie in het algemeen, zodat de reeds opgelopen achterstand steeds maar groter werd. De middelen bleven schaars, de personeelsbezetting ondermaats. Bovendien kon er nog geen sprake zijn van een correct beleid inzake beheer en bescherming van het archeologisch patrimonium, vermits dit niet eens tot de specifieke bevoegdheden van de N.D.O. behoorde. Deze gebrekkige situatie werd mede bepaald door het uitblijven van een specifieke wetgeving ter bescherming van dat patrimonium. Herhaalde pogingen om deze lacune te verhelpen, strandden op politieke onverschilligheid en communautaire tegenkantingen. Nochtans was België een van de eerste landen die de 'Europese Conventie ter Bescherming van het Archeologisch Patrimonium' in 1969 ondertekende en zelfs ratificeerde. De bepalingen van de Conventie werden evenwel nooit toegepast. Vooraleer hierin enige beterschap kon optreden, werd de Nationale Dienst voor Opgravingen geleidelijk afgebouwd en uiteindelijk op 31 juli 1989, in het kader van de tweede fase van de staatshervorming, geregionaliseerd.

 

Na twee moeilijke jaren - Vlaanderen was immers nooit vragende partij geweest en had derhalve ook niets voorbereid - kwam dan eindelijk de kentering. De toenmalige minister bevoegd voor monumenten en landschappen, L. Waltniel, wenste de volledige verantwoordelijkheid inzake het beheer, de bescherming en het onderzoek van een intussen op dramatische wijze aangetast patrimonium, op te nemen. Op zijn voorstel werd door de Vlaamse regering op 5 juni 1991 een nieuwe Vlaamse wetenschappelijke instelling opgericht die hiervoor bevoegd werd: het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (I.A.P). Hij nam tevens het initiatief om een ontwerpdecreet ter bescherming van het archeologisch patrimonium op te stellen en in te dienen. Dit initiatief werd door zijn opvolger J. Sauwens, terug opgenomen en tot een goed einde gebracht, zodat Vlaanderen met zijn decreet van 30 juni 1993 en alle intussen genomen uitvoeringsbesluiten eindelijk over een decretaal instrumentarium beschikt om een concreet beleid inzake beheer en bescherming van zijn archeologisch erfgoed te voeren.

 

Het belangrijkste bestanddeel van dit decreet biedt de mogelijkheid tot wettelijke bescherming van archeologische zones of monumenten die, na inventarisatie en grondige wetenschappelijke evaluatie, als belangrijk kunnen worden bestempeld. Dit gebeurt via een beschermingsprocedure die aansluit bij de bestaande regelgeving voor monumenten en stads- en dorpsgezichten. Het grote verschil ligt in het tijdelijk karakter van de bescherming, die geen belemmering moet vormen voor elk nieuw, verantwoord bodemgebruik, maar moet garanderen dat een voorafgaandelijk archeologisch onderzoek kan worden uitgevoerd wanneer de bedreiging en vernieling van archeologische waarden niet kan worden afgewend. Verder voorziet dit decreet in een meldingsplicht inzake toevalsvondsten, met de verplichting om gedurende een termijn van minimum 10 dagen, die kan worden verlengd, een onderzoek toe te laten; een vergunningsplicht voor de uitvoering van opgravingen en prospecties met ingrepen in de bodem; een verbod op het gebruik van metaaldetectoren voor het opsporen van archeologische vondsten, en de verplichting om voor alle werken waarbij openbare besturen betrokken zijn, het bindend advies van het I.A.P te vragen, dat voorwaarden kan opleggen en voorschriften kan bevatten ter bescherming van het archeologisch patrimonium. In uitvoering van het decreet werd tevens een Vlaamse Archeologische Raad opgericht, die - conform de taken van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen met betrekking tot het monumenten- en landschappenbeleid - een belangrijke adviserende taak te vervullen heeft en waarin alle geledingen van het archeologisch onderzoek in Vlaanderen op evenredige wijze vertegenwoordigd zijn.

 

Dit decreet kan slechts een eerste stap in de goede richting zijn en neemt nu pas de elementairste bepalingen van de Europese conventie van 1963 op, die in nagenoeg alle overige landen van Europa reeds lang in wetteksten waren omgezet. Het lost evenwel zeker niet alle problemen op en beantwoordt lang niet op alle punten aan de noden van een efficiënt beleid inzake het archeologisch patrimonium. Ondertussen is immers de herziene Europese Conventie door de Raad van Europa goedgekeurd (1992) en in werking getreden. Deze neemt enkele belangrijke nieuwe bepalingen op, onder meer inzake de financiering van het archeologisch onderzoek en de archeologische monumentenzorg, waarbij het in sommige landen reeds toegepaste principe 'de veroorzaker (= vernieler) betaalt' centraal staat. België heeft deze Conventie van Malta van 1992 nog niet ondertekend!

 

De bescherming en het beheer van het archeologisch patrimonium zijn in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de Vlaamse Regering. De taken die hieraan verbonden zijn, vormen een van de hoofdopdrachten van de eigen wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Gemeenschap, met name het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. Het I.A.P. is het centrale, coördinerend en uitvoerend orgaan dat moet toezien op de toepassing van het decreet en daarvoor aan de beleidsbepalende overheid, de bevoegde minister en de Vlaamse Regering, verantwoording verschuldigd is. De taken van beheer en bescherming van het archeologisch erfgoed zijn daarom bij het I.A.P. gecentraliseerd, maar dat neemt niet weg dat regionale en lokale besturen, die mede hun verantwoordelijkheid in deze materie opnemen door de oprichting van stedelijke en (inter)gemeentelijke archeologische diensten, waardevolle bijdragen kunnen leveren tot beheer en bescherming en tot de archeologische monumentenzorg. Het I.A.P. kan de werking van deze instellingen, in toepassing van het decreet, ondersteunen.

 

Het is overigens geenszins zo dat het I.A.P. inzake het wetenschappelijk onderzoek, meer in het bijzonder de uitvoering van opgravingen, een monopoliepositie zou bekleden. Integendeel, met de toepassing van het decreet van 1993 wordt nu pas ten volle duidelijk, hoe dramatisch de aantasting van het archeologisch patrimonium tijdens de laatste tientallen jaren geweest is, hoe snel deze aantasting nog steeds doorgaat en hoe klein het percentage is van wat kan worden gered. Dit toont aan hoe groot de inspanning is die zou moeten worden geleverd om aan alle geledingen van het archeologisch onderzoek, op het niveau van gewest, provincies, steden en gemeenten, en aan de universiteiten de middelen en het personeel te verschaffen, die noodzakelijk zijn om een minimum internationaal peil te benaderen. Desondanks kan toch - zij het op een te kleine schaal - heel wat onderzoek worden verricht waarvan in dit themanummer slechts een beperkte weerslag kan worden gevonden.

 

Behalve voor het project Ename, uitgevoerd in het kader van een breder onderzoek naar de middeleeuwse bewoning in de Scheldevallei en mede ondersteund door de Stad Oudenaarde en de Provincie Oost-Vlaanderen, is het onderzoek door het I.A.P. bijna uitsluitend toegespitst op noodopgravingen van bedreigde sites. Daarbij moet constant - binnen de mogelijkheden van de beperkte middelen - een keuze worden gemaakt tussen wat kan en niet kan. Naast talrijke kleinere interventies is het accent verschoven van grootschalig onderzoek van bedreigde urnenvelden (bronstijd-ijzertijd) in de Kempen en diachronisch onderzoek van langdurig (onder meer in de Romeinse tijd) bewoonde nederzettingen in de Kempen en het Maasland (Donk en Neerharen-Rekem), naar de studie van depots uit de bronstijd (onder meer Heppeneert), naar intensief stadskernonderzoek in Romeins Tongeren en Tienen, naar de landelijke bewoning van de Romeinse tijd tot de middeleeuwen in het gebied Brugge, Oudenburg, Aartrijke, naar onderzoek in middeleeuwse steden zoals Aalst, Mechelen, Oudenaarde, leper, Diksmuide enVeurne, naar kerken en abdijen (onder meer Ename, Ninove, Zonnebeke), naar het laatmiddeleeuwse vissersdorp Walraversijde (Oostende), enz.

 

Op het niveau van de provincies is de situatie sterk verschillend. Limburg neemt zijn intermediaire rol inzake beheer en bescherming waar door de aanstelling (in samenwerking met het I.A.P.) van een provinciaal archeoloog en de ondersteuning van het I.A.P.-onderzoek te Tongeren, maar bouwde wel zijn opgravingsdienst aan het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren af.
Oost-Vlaanderen heeft eveneens een provinciaal archeoloog in dienst en ondersteunt in belangrijke mate het archeologisch onderzoek dat door het Provinciaal Archeologisch Museum Zuid-Oost-Vlaanderen - site Velzeke wordt uitgevoerd (hoofdzakelijk in de Romeinse vicus) en het project Ename van het I.A.P., mede in functie van de uitbouw van een tweede provinciaal archeologisch museum en een archeologisch park.

 

West-Vlaanderen verzekert sinds jaren een subsidiëring van opgravingen verricht door verenigingen, en ondersteunt op substantiële wijze het onderzoek van het laatmiddeleeuwse vissersdorp Walraversijde in het kader van zijn Toeristisch Recreatiepark Domein Raversijde.
In Vlaams-Brabant staat het archeologisch beleid nog in de startblokken, terwijl Antwerpen terzake nog geen volwaardige initiatieven nam.

 

Op het lokale niveau namen de steden Antwerpen, Brugge en Gent reeds in de jaren zeventig hun verantwoordelijkheid inzake het archeologisch erfgoed op, met de stichting van eigen archeologische diensten die instaan voor de archeologische monumentenzorg op hun grondgebied. De talrijke onderzoeken die aldus werden uitgevoerd, hebben belangrijke nieuwe informatie opgeleverd over ontstaan en ontwikkeling van deze steden, sommige van hun belangrijke monumenten, woningbouw, artisanale activiteiten en materiële cultuur.
Het goede voorbeeld werd later gevolgd door Maaseik, terwijl enkele andere steden en gemeenten - evenwel nog veel te weinig in aantal - voltijdse of halftijdse archeologen hebben aangeworven om een minimum aan archeologische monumentenzorg te kunnen verzekeren. Als intergemeentelijke v.z.w. neemt de Archeologische Dienst Waasland een bijzondere plaats in: zeven gemeenten hebben er hun krachten gebundeld om samen te realiseren wat voor hen elk afzonderlijk onmogelijk was, namelijk een autonome dienst die de zorg voor het archeologisch patrimonium kan verzekeren. Een voorbeeld dat zeker navolging verdient!

 

Naast deze openbare instellingen op verschillende bestuursniveaus vertegenwoordigen de universiteiten een tweede groep in het archeologisch onderzoek. Wetenschappelijk onderzoek vormt immers naast hun onderricht- en vormingstaken het tweede luik van hun opdracht. De universitaire opleiding wordt zowel aan de Universiteit Gent en de Katholieke Universiteit Leuven als aan de Vrije Universiteit Brussel verzekerd. Te Gent is het onderzoek de laatste jaren vooral toegespitst op de pre- en protohistorische grafheuvels en bewoning en op de Romeinse bewoning in zandig Vlaanderen, inclusief de militaire aanwezigheid te Maldegem. Er wordt eveneens actief aan prospectie, inventarisatie en luchtfotografie gedaan, wat een belangrijke bijdrage vormt voor het beheer.
Aan de KULeuven verzekert het Labo voor Prehistorie in het Instituut voor Aardwetenschappen het onderzoek van de steentijd op talrijke locaties in Vlaanderen. Verheugend is de groeiende samenwerking met het I.A.P., onder meer bij de archeologische begeleiding van ruilverkavelingsprojecten, waarbij de groeiende bekommernis vanwege de Vlaamse Landmaatschappij om ook de bedreigde archeologische waarden maximaal te sparen, een gunstige evolutie te noemen is. Aan de Afdeling Archeologie is het accent de jongste jaren, na heel wat werk op Keltische hoogtevestingen en de Romeinse site Kerkhove, komen te liggen op de studie van continuïteitsproblemen van prehistorie tot middeleeuwen, voornamelijk in Oost-Brabant.
Aan de V.U.B. gaat de aandacht vooral naar het artisanaat en de mobiele materiële cultuur van de middeleeuwen en latere tijden.

 

Als derde belangrijke agent in het archeologische bedrijf mogen zeker de talrijke 'amateurs' en 'amateurverenigingen' niet worden vergeten. Hieronder mogen speciaal worden vermeld: de VOBoW of Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen, de Archeologische Stichting voor Zuid-West-Vlaanderen te Kortrijk, de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (nauw betrokken bij ontdekking en studie van de Keltische Viereckschanze te Kontich), de Vlaamse Vereniging voor Archeologisch Onderzoek en vele andere, die vooral op lokaal vlak actief zijn, zoals bijvoorbeeld De Spaenhiers te Koekelare.

 

De Vlaamse archeologie heeft haar sterkten en zwakten. Met zeer karige middelen werd reeds enorm veel verwezenlijkt. Maar de af te leggen weg is nog zeer lang. Dit houdt niet alleen verband met de financiële mogelijkheden, maar ook wel met bepaalde inhoudelijke aspecten van het archeologisch onderzoek, zoals het hier te lande bedreven wordt. Met name de sterke verbondenheid met individuele sites en vondsten zorgt ervoor dat de resultaten van het onderzoekswerk niet altijd de internationale erkenning krijgen die ze verdienen. Ook op het vlak van het beheer valt nog heel wat te sleutelen. Ons archeologisch erfgoed heeft immers pas sinds een tweetal jaar een wettelijk bestaan en bij velen heersen dan ook nog altijd sterk verouderde of zelfs onjuiste beelden over de betekenis van dit erfgoed of zelfs van de archeologie. Er is dus duidelijk behoefte aan een mentaliteitsverandering. Daaraan zal dringend en continu gewerkt moeten worden. Dit themanummer wil daar alvast een bijdrage toe leveren.

 

8 vervolgillustraties
Voor een juiste interpretatie van hun bronnen moeten archeologen op de eerste plaats uitzoeken op welke wijze de archeologische sporen ontstaan zijn. Van de oorspronkelijke nederzetting ging immers zeer veel verloren en het is aan de archeologen om deze evolutie te reconstrueren.

  1. Oorspronkelijke situatie van de bewoning.

  2. Links: Vernieling van de bewoning door brand. De bovengrondse structuren en de bewoners verdwijnen.

  3. Rechts: De natuur neemt het terrein opnieuw in. Elk zichtbaar overblijfsel verdwijnt.

  4. Links: Het terrein wordt gedeeltelijk geëffend en opnieuw als akker ontgonnen.

  5. Rechts: Recente landbouw grijpt nog dieper in de bodem in. De erosie wordt steeds sterker.

  6. Via opgraving documenteren de archeologen de nog overblijvende sporen en resten, wat evenwel slechts een fractie vertegenwoordigt van wat er ooit was.

  7. Door grondige analyse van die informatie is het mogelijk een gedeelte van het verleden te reconstrueren. Deze reconstructie is geen doel op zich, maar een weg om de mens en zijn gedragingen te onderzoeken.

  8. Intensieve landbouw grijpt steeds dieper in de bodem in. Daardoor blijven meestal slechts de diepere structuren bewaard,... of is alles reeds verloren.

 


AANDACHT VOOR DE NATUUR
 

door Anton Ervynck en Marnix Pieters

 

Cultuur - Natuur

 

Het menselijk handelen in het verleden is uiteraard niet enkel in culturele termen te vatten. De natuurlijke omgeving (landschap, bodem, flora en fauna) beïnvloedde de manier waarop mensen bouwden, hun voedselvoorziening organiseerden, zich verplaatsten en hun samenleving organiseerden. Bepaalde de natuur deels het gedrag van de mens, dan was het omgekeerde evenzeer waar. De menselijke activiteiten wijzigden het landschap en de bodem. Planten- en diersoorten verdwenen terwijl nieuwe werden ingevoerd.

 

De studie van de wisselwerking tussen de mens en zijn omgeving kan niet enkel gebeuren aan de hand van culturele objecten of materiële resten en sporen. Plattegronden van gebouwen, werktuigen en huisraad vertellen, net zoals de sporen in het landschap, slechts een deel van het verhaal. De kenmerken van de bodem, de plantaardige en de dierlijke resten die op en rond een site worden gevonden, bouwen het beeld van een vroegere menselijke samenleving mee op. De informatie uit het onderzoek is samen te vatten in twee grote thema's: "de exploitatie van het milieu" en "het natuurlijke en door de mens beïnvloede landschap".

 

Het dagelijks brood

 

De voedselvoorziening was zonder twijfel een van de hoofdbekommernissen van de eerste mensen die in een ver verleden onze streken koloniseerden. Tot in recente tijden is dit trouwens weinig veranderd en het onderzoek naar de evolutie van voedselproductie en -consumptie is dan ook een hoofdtaak binnen de archeologie. De overgang van jagers-verzamelaars naar landbouwers-veetelers (in de prehistorie), of die van kleinschalige overlevingseconomie naar grootschalige markteconomie (in de middeleeuwen), behoren tot de belangrijkste stappen in de menselijke geschiedenis.

 

De bijdrage van de natuurwetenschappen tot de studie van de vroegere voedseleconomie is zeer verscheiden. Consumptiegewoonten kan men vrij getrouw reconstrueren aan de hand van de planten- en dierenresten uit archeologische afvalcontexten. Van dieren blijven na consumptie harde, oneetbare delen over zoals schelpen of beenderen. Van planten kunnen harde schillen, zaden of pitten bewaard blijven. Uit het onderzoek van deze resten blijkt dat de voeding binnen een bewoningskern nooit willekeurig was samengesteld, maar dat deze integendeel het resultaat was van regionale productiemogelijkheden, technische ontwikkeling, handelscontacten, koopkracht en status. Ook het religieuze, magische of mythische ideeëngoed bepaalde mee wat men kon of mocht consumeren. Na een analyse per vindplaats toont een vergelijking op grotere schaal de aanwezigheid van chronologische trends, of regionale, sociale of economische verschillen.

 

De productie van voedingsmiddelen wordt vaak indirect vanuit de consumptiepatronen gereconstrueerd. Nochtans zijn er ook directe informatiebronnen over vroegere landbouw en veeteelt. De stuifmeelkorrels van planten blijven in bepaalde, goed beschermde vondstcontexten bewaard en tonen aan welke gewassen men verbouwde. Skeletrestjes of eikapsels van de parasieten van huisdieren (én van hun uitwerpselen) tonen welk vee werd gekweekt.

 

In de bodem bleven vaak sporen van vroegere landbouwactiviteiten bewaard, vooral op plaatsen waar hij bedolven werd onder een dikke aanaarding zoals een dijk, wal of ophogingslaag. Spit- en ploegsporen en de ermee geassocieerde lagen zijn soms, in combinatie met andere gegevens (pollen bijvoorbeeld), te verbinden met specifieke praktijken (diepspitten, plaggen) of teelten (vlas, rogge). De intensiteit van de vroegere bemesting kan worden ingeschat aan de hand van het (verhoogd) fosfaatgehalte van de bodem of van de aanwezigheid in de ploeglagen van met bemesting aangevoerde niet-organische resten, zoals de ceramiek-scherven. Het bekalken of bemergelen van de velden is in zure bodems vaak dieper in het bodemprofiel geregistreerd door de afzetting van klei-humusbandjes. Het omzetten van akkerland in weiland en omgekeerd, of het overschakelen op tuinbouw vertegenwoordigt ingrijpende wijzigingen in het ecosysteem, waarop de bodemfauna onmiddellijk reageert. De dynamiek van aardwormen- en mollenactiviteit kan bijvoorbeeld rechtstreeks worden gekoppeld aan dergelijke wijzigingen in het grondgebruik. Naaktslakken laten bij het afsterven hun inwendige kalkschelp in de bodem achter; in kalkhoudende bodems blijven deze bewaard. Grote hoeveelheden van dergelijke kalkschelpen wijzen op tuinbouwactiviteit.

 

Een zeefstaal met voedselafval uit het middeleeuwse Ieper: beenderen en plnatenresten.

De kop van een middeleeuwse mensenvlo, 0'3 mm, Ieper

 

Het veranderend landschap

 

Menselijke activiteiten, zoals landbouw, wegenaanleg of woningbouw, laten hun sporen na in het landschap. Ingrijpender nog zijn inpoldering, het rooien van bossen, het ontginnen van delfstoffen, draineren van waterrijke gebieden, bedijking of andere waterbeheersende ingrepen. Door deze activiteiten veranderde niet enkel het landschap maar ook de flora en fauna. Ecologisch weinig tolerante soorten verdwenen wanneer hun leefruimte (biotoop) werd aangetast, terwijl andere soorten de door de mens geschapen nieuwe omgeving koloniseerden. De studie van dierlijk en plantaardig materiaal uit archeologische opgravingen kan aldus de vroegere veranderingen in de omgeving helpen belichten.

 

Goed archeologisch studiemateriaal voor landschapsreconstructie zijn in eerste instantie de resten van dieren en planten, die niet door de mens werden gekweekt en die zonder zijn medeweten vanuit de omgeving op een archeologische vindplaats terechtkwamen. Stuifmeelkorrels van in het wild groeiende hogere planten zijn opnieuw een goede informatiebron, net zoals de resten van insecten, mijten of de overblijfselen van lagere planten zoals kiezelwieren. Op basis van onze huidige kennis van de ecologische eisen van de soorten, aangetroffen in een archeologische vindplaats, kan een interpretatie van de omgeving worden gemaakt. Veel bos vertaalt zich in hoge percentages bossoorten, een open landschap in een hoge frequentie van graslandsoorten. Bovendien kan men, indien meerdere, chronologisch verschillende stalen beschikbaar zijn, de menselijke ingrepen doorheen de tijd volgen. Loopkevers die toevallig in een waterput nabij een middeleeuwse hoeve vallen, kunnen aldus een geleidelijke ontbossing van de omgeving weerspiegelen.

 

In perioden van rust in het landschap bereikt de bodem een aan het milieu aangepast evenwicht. De geringste wijziging in het landschap kan echter een ganse reeks processen starten, die op hun beurt bijvoorbeeld erosie-sedimentatie, uitloging of wijzigingen van de grondwatertafel tot gevolg hebben. Zo laat de aanwezigheid van afgeknotte bodemprofielen toe de graad van erosie in te schatten, terwijl de onder colluvium (door afspoeling neergezette leemgrond) begraven profielen de toestand voor de sedimentatie belichten. Daar archeologische sites zich vaak in door erosie aangetaste zones bevinden, is de bodemstudie van groot belang voor de reconstructie van het niveau waarop de toenmalige bewoners woonden en werkten (hun zogenaamde "loopvlak"). In laaggelegen rivier- en kustgebieden verschaft de opeenvolging van verschillende sedimenten en hun kenmerken een inzicht in de evolutie van het milieu in ruimte en tijd.

 

Ontginningen van delfstoffen (turf, klei, leem, zand, grind) hebben tot gevolg dat in de betrokken zones niet alleen de topografie maar ook de bodem volledig kunstmatig is. Het lokaliseren van dergelijke zogenaamd "artificiële" bodemprofielen is van groot belang voor het archeologisch onderzoek en de hieraan verbonden landschapsreconstructie.

 

 

Archeologie multidisciplinair

 

De steeds groeiende aandacht voor de studie van bodems en organische resten heeft de archeologie als onderzoeksdiscipline verruimd. Vermits alle vondstcategorieën aangetroffen op en rond een site relevante informatie leveren, en die categorieën best door vakspecialisten worden bestudeerd, is een samenwerking gegroeid tussen de klassiek geschoolde archeoloog en bodem-, plant- en dierkundigen. Waar men binnen de archeologie deze natuurwetenschappelijke disciplines vroeger nog wel eens aanduidde als "nevendisciplines" of "steunwetenschappen", is nu het inzicht gegroeid dat alle onderzoeken moeten worden geïntegreerd om tot een betrouwbaar beeld te komen van het vroegere leven. Dit heeft tot gevolg dat de onderzoeksmethoden van de bodemkunde en biologie deel zijn gaan uitmaken van het archeologisch bedrijf. Het onderzoek is daardoor complexer geworden, maar het eindresultaat, de archeologische reconstructie, is tegelijk ruimer en duidelijker.

 

Een doorsnede van maritieme afzettingen in Walraversijde.
De overwegend kleiïge wadsedimenten rusten onderaan op een veenpakket.

 

 


CAPITA SELECTA

 

RECENT ONDERZOEK NAAR DE STEENTIJD

door Marc De Bie en Pierre M.Vermeersch

 

Het laatste decennium werden in verschillende regio's in Vlaanderen belangrijke nieuwe steentijdsites (35.000 - 4.000 v.C.) onderzocht. Tegelijk kwamen ook nieuwe onderzoeksmethoden aan bod. In deze bijdrage zullen beide ontwikkelingen worden geïllustreerd met enkele voorbeelden.

 

Neanderthalers in de Kempen? Oosthoven.

 

Over de bewoning in Vlaanderen tijdens de laatste ijstijd is slechts zeer weinig bekend. Bovendien bevinden de nederzettingen uit deze periode zich meestal niet meer in situ. Vindplaatsen waar de stratigrafische context van de artefacten nog bewaard is, zijn daarom van het grootste belang. Een dergelijke site kon in 1993 in de Kempische gemeente Oosthoven (Oud-Turnhout) worden opgegraven.

 

Uit onderzoek van de bodemlagen bleek het archeologisch materiaal tussen 20.000 en 38.000 jaar oud te zijn. Uit de aard en samenstelling van de artefacten zelf kan een datering rond 35.000 jaar geleden worden vooropgesteld. Helemaal op het einde van het midden-Paleolithicum dus, een tijd waarin de Europese bevolking grote veranderingen heeft ondergaan. Inderdaad, iets later heeft de Neanderthaler plaats moeten ruimen voor de moderne mens.

 

In Oosthoven bestonden de werktuigen voor het grootste deel uit kleine vuistbijlen. Daarnaast kwam een zeer specifiek type spits voor. Beide suggereren dat de makers van deze werktuigen eerder met Centraal-Europese nederzettingen geassocieerd kunnen worden. In België zijn er naast vindplaatsen waar Oost-Europese invloed duidelijk is, ook talrijke sites die beter aansluiten bij Franse vindplaatsen. Waarschijnlijk was de regio in deze periode een contactzone tussen mensen afkomstig uit deze beide gebieden. De kampplaats te Oosthoven lag op dat moment op de zuidelijke rand van een klein moerassig meertje. Mogelijk was dit de drinkplaats voor allerlei diersoorten, waaronder de mammoet en de wolharige neushoorn, en verbleven de mensen er om zich van dierlijk voedsel te voorzien.

 

Jagers-verzamelaars op het einde van de laatste IJstijd: Rekem en Zonhoven

 

Waar in vroeger archeologisch onderzoek de meeste aandacht ging naar de vergelijkende studie van de vormen van de gebruiksvoorwerpen (typologie), en de verspreiding van deze vormen in ruimte en tijd, tracht men vandaag ook de activiteiten en de levenswijze van de prehistorische mensen te reconstrueren, zowel op regionale schaal als binnen de nederzettingen zelf. Nieuwe onderzoeksmethoden maken dit alsmaar beter mogelijk. Op basis van een zorgvuldige opgraving, het in detail intekenen van de vondstverspreiding, het opnieuw samenvoegen van de bewerkte gesteenten en het onderzoek van gebruikssporen op de vuurstenen artefacten, alles onderbouwd met resultaten uit experimentele archeologie, kunnen we de activiteiten en de interne organisatie van een steentijdkamp verregaand reconstrueren.

 

Een 13.000 jaar oude kampplaats die te Rekem werd opgegraven, maakt het onderwerp uit van dergelijk onderzoek. Met zestien verschillende concentraties vuurstenen artefacten, vormt deze site een van de grootste goed opgegraven nederzettingen uit het einde van de laatste ijstijd. De site bevindt zich op een uitgestrekte zandrug op de rand van de Maasvallei, een strategische ligging om zowel de alluviale vlakte van de Maas als het nabijgelegen terraslandschap van de Kempen te exploiteren voor pluk, jacht en visvangst. Bovendien bood de vallei ook het nodige vuursteen dat een basisgrondstof was voor werktuigvervaardiging.

 

Door scherven van vuursteen af te slaan bekwam men stukken met scherpe boorden, die verder omgevormd konden worden tot werktuigen. Door voorwerpen uit eenzelfde vuursteenkei opnieuw samen te kleven, kunnen we vandaag precies nagaan hoe de steenkapper daarbij te werk ging. In Rekem bijvoorbeeld werd een klassiek bewerkingsschema uit een vroegere periode (de klingtechnologie) in een vereenvoudigde vorm toegepast. De gereconstrueerde knollen suggereren bovendien dat de knowhow van de steenkappers erg varieerde. Ook resten van werktuigen kunnen worden samengekleefd. Verscheidene stadia in het gebruik en het aanscherpen van deze voorwerpen worden hierdoor opnieuw zichtbaar Sommige typen van werktuigen blijken tijdens dit proces talrijke transformaties te hebben ondergaan.

 

Via microscopisch onderzoek, met vergrotingen van 200 tot 400 maal, en aangepaste experimenten, kan daarnaast worden bepaald waarvoor de vuurstenen voorwerpen zijn gebruikt (snijden, boren, schaven, schieten...), of ze gevat waren in een handvat of een pijlschacht, en vooral welke materie ermee werd bewerkt: been, gewei, verse huid, leer, vlees, hout, planten, vis, enz. Aangezien op de meeste openluchtsites de organische materialen niet bewaard bleven, is deze kennis van het grootste belang.

 

De kartering van al deze informatie leert ons niet alleen welke activiteiten in het kamp plaatsvonden, maar ook hoe een dergelijke nederzetting duizenden jaren geleden georganiseerd was. Experimentele tests toonden aan dat het gebruik van de speerdrijver vanaf deze periode werd verlaten ten voordele van pijl en boog. Te Rekem werd opgemerkt dat de verschillende stappen bij het vervaardigen en het onderhoud van de pijlen in het kamp ruimtelijk gescheiden waren. Uit smalle langwerpige vuurstenen scherven (klingen) werden eerst de pijlspitsen gemaakt. Dit gebeurde in kleine kap-ateliers. Bij het schachten van deze spitsen had men echter vuur nodig om de kleefstof (dennenhars) te smelten. Deze activiteit vond dan ook nabij de kampvuren van de grotere woonzones plaats. We vinden er de resten terug van de oude, gebroken spitsen, die uit de hergebruikte pijlschachten waren gehaald. Op een behoorlijke afstand van beide plaatsen werd ten slotte allerlei afval gedumpt.

 

De overschakeling van speerdrijver naar pijl en boog kan worden gezien als een van de antwoorden van de toenmalige jagers op hun verblijf in een aangroeiende bosvegetatie op het einde van de ijstijd. De jacht op solitair levend kleinwild in dat nieuwe milieu vergde nieuwe aangepaste technieken. De komst van standwild maakte ook de grote seizoensgebonden trektochten overbodig en men kan zich afvragen in hoeverre de prehistorische mens een zekere controle op zijn omgeving begon uit te oefenen.

 

De opwarming van het klimaat werd echter nog één keer grondig onderbroken, tussen zowat 12.800 en 12.000 jaar geleden. Opnieuw werd het bitter koud, en pasten flora en fauna zich aan. Het exploiteren van migrerende rendierenkuddes werd in Noordwest-Europa opnieuw een belangrijke vorm van voedsel- en grondstof-verwerving. Het gebruik van pijl en boog bleef echter in voege. In Noord-Duitse sites uit die periode werden de eerste houten pijlschachten aangetroffen. De vormen ervan zijn wel geëvolueerd. Ook de wijze waarop vuursteen wordt bewerkt ondergaat veranderingen.

 

Van de bewoning in Vlaanderen in deze tijd was tot voor kort nagenoeg niets bekend. Sinds een vijftal jaar wordt in het Limburgse Zonhoven echter een jagerskamp opgegraven dat uit deze periode stamt. Ook hier gaat het om verschillende concentraties van vuurstenen artefacten die mogelijk samen horen, zoals blijkt uit de eerste resultaten van het samenkleven. Het zoeken naar gebruikssporen op de werktuigen werd er helaas bemoeilijkt door ernstige vormen van verwering op het vuursteen. Wel kon worden vastgesteld dat binnen dit kamp bewerking plaatsvond van droge huid, been en gewei. Dit wijst erop dat het kamp wellicht méér was dan een kortstondig verblijf van enkele jagers op doortocht. Toch werden ook talrijke gebruikte projectielen achtergelaten. Verdere opgravingen kunnen hopelijk aanduiden of we ook hier met een uitgestrekte nederzetting te maken hebben.

 

Een versterkt landbouwersdorp uit de jonge steentijd: Spiere

 

Waar de archeologie er in het algemeen naar streeft natuurwetenschappelijke analyses in het onderzoek te integreren, zijn de mogelijkheden in steentijdsites vaak beperkt door gebrek aan organisch materiaal. Te Spiere (West-Vlaanderen) wordt sinds een aantal jaren een steentijdnederzetting opgegraven waar de omstandigheden wat dat betreft gunstiger zijn. Het gaat om een landbouwersdorp van ongeveer 4.000 voor Christus, dat door een imposant verdedigingssysteem werd afgesloten. Het bestond uit een brede omheiningsgracht, een aarden wal en een palissade met daarin talrijke toegangen. Deze constructie sloot de nederzetting af op de plaats waar ze niet op natuurlijke wijze door de Schelde werd begrensd. Studie van de houtskool uit de palissade toonde aan dat ze volledig bestond uit eikenhouten palen. Uit de eerste resultaten van het stuifmeelonderzoek blijkt overigens dat de bewoners de omgeving grondig hebben ontbost. In tegenstelling tot de vroegere jagers-verzamelaars oefende de mens uit het Neolithicum dus reeds een duidelijke invloed uit op het milieu.

 

Verbrande beenderresten bleven eveneens in de gracht achter; waaruit blijkt dat de boeren veetelers waren, die zich toelegden op het kweken van runderen en varkens. De talrijke stenen voorwerpen en het aardewerk worden op dit moment nog onderzocht. Op sommige plaatsen zijn de potten nagenoeg volledig bewaard gebleven. Andere konden reeds verregaand worden gerestaureerd. Uit een eerste studie blijkt dat er ongetwijfeld contacten bestonden met Noord-Frankrijk. Voor het publiek zullen op deze site, naast enkele vitrines met archeologisch materiaal, ook reconstructies van het verdedigingssysteem te zien zijn.

 

 

De enkele voorbeelden die hier aan bod kwamen, zeggen zeker niet alles over het recent steentijdonderzoek in Vlaanderen. Ook uit de middensteentijd (Mesolithicum) werden de laatste jaren nieuwe bedreigde sites opgegraven, onder meer te Verrebroek, te Dilsen en te Weelde. Zij tonen mede aan dat het bodemarchief in Vlaanderen ook voor steentijdonderzoek nog heel wat te bieden heeft, maar tevens dat het op vele plaatsen snel met aantasting wordt bedreigd.

 

Het weer samenkleven van de vuurstenen artefacten geeft goed weer hoe deze steenkapper te Rekem te werk is gegaan.

Experimentele archeologie: de kampvuren te Rekem werden ondermeer gebruikt om hars te smelten. Zo werden oude, gebroken pijlspitsen uit de schachten gehaald en door nieuwe spitsen vervangen.

 

 

DE BRONSTIJD

Cirkelen over Vlaanderen: luchtfotografie en de bronstijd
door Jean Bourgeois

Onze kennis van de bronstijd (ca. 2.000 v.C. - ca. 750 v.C.) in Vlaanderen is de laatste jaren met grote schreden vooruit gegaan, niet het minst omwille van de totaal vernieuwende bijdrage van de luchtfotografische prospectie. Het basisprincipe bij het aanwenden van deze onderzoeksmethode is dat menselijke ingrepen in de ondergrond sporen nalaten die op naakte grond of meestal in het groei- en rijpingsproces van gewassen zichtbaar worden. Als een droge periode lang genoeg duurt en op het geschikte moment optreedt, gebeurt het wel eens dat de gewassen kleurverschillen vertonen die vanuit een vliegtuig duidelijk merkbaar zijn. Deze kleurverschillen worden met het blote oog, zonder behulp van speciale technische middelen, opgespoord.

Hoewel luchtfotografie reeds vele decennia in Europa wordt beoefend, heeft men moeten wachten tot het einde van de jaren zeventig vooraleer deze methode in westelijk Vlaanderen op systematische wijze werd toegepast, met name door J. Semey, eerst op eigen initiatief, later in samenwerking met de Universiteit Gent. Het systematisch overvliegen van Oost- en West-Vlaanderen - ongeveer 100 vlieguren per jaar - resulteerde in een bestand van meer dan 35.000 opnames die duizenden archeologische vindplaatsen omvatten, maar ook geomorfologische fenomenen aan het licht brengen. De archeologische sporen gaan van de neolithische periode (kampen), over de metaaltijden (grafheuvels, boerderijen, funeraire en religieuze monumenten), de Romeinse periode (wegtracés, kampen, gebouwen, perceelstructuren) en de middeleeuwen (sites met walgracht, perceelstructuren, mottes, gebouwen, enz.). Zelfs sporen uit een recenter verleden, zoals bijvoorbeeld uit de Eerste Wereldoorlog (loopgraven), werden opgemerkt.

Dit bestand vormt ongetwijfeld een meer dan belangrijke basis voor verder wetenschappelijk onderzoek - en de Universiteit Gent is daar volop mee bezig - maar het is ons inziens tevens van kapitale waarde voor het beheer van ons archeologisch patrimonium, dat in Vlaanderen toch nog altijd maar stiefmoederlijk behandeld wordt.

Eén van de meest opmerkelijke sporen in het bestand zijn cirkelvormige structuren. Dankzij kredieten van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en van de Onderzoeksraad van de Universiteit Gent was het mogelijk dit aspect van het archeologisch patrimonium meer in detail te onderzoeken. Binnen het gebied zijn niet minder dan 914 dergelijke monumenten aangetroffen. Daarvan zijn er een 25-tal - door grootschalige opgravingen of door proefsleuven - ook op het terrein onderzocht. Hierdoor kan men zich een zeker beeld vormen van de aard van deze sporen.

Het betreft cirkelvormige grachten aangelegd aan de voet van thans verdwenen grafheuvels. In 90% van de gevallen gaat het om één enkele, ononderbroken gracht. Zowat één op tien grafheuvels had twee concentrische grachten, waardoor hun monumentaal karakter nog werd benadrukt. Slechts in zeldzame gevallen zijn afwijkende vormen (als driedubbele grachten) aangetroffen. De diameter van deze monumenten schommelt van 10 tot 15 m voor de kleinste, tot 50 m en meer voor de grootste cirkels; het merendeel echter heeft een doorsnede van 20 tot 30 m. De grafheuvels bevinden zich veelal geïsoleerd in het landschap, maar dit heeft ongetwijfeld te maken met het medium van de luchtfotografie zelf. Soms werden meerdere cirkels bij elkaar aangetroffen. Doorgaans gaat het dan om kleine grafveldjes van 2 tot 5 heuvels. Grotere grafvelden, tot 12 monumenten, zijn niet onbekend, maar merkelijk minder talrijk.

Opgravingen in het centrale deel van deze grafheuvels hebben nog geen duidelijke aanwijzingen opgeleverd over de graven zelf. Vermoedelijk zijn de ondiep ingegraven grafkuilen sedert lang door de ploeg vernield. De grafveldjes zijn ingeplant in een licht golvend landschap, meestal op lichtjes hoger gelegen ruggen, zodat ze beter tot hun recht kwamen. Het landschap is vrij bebost of soms halfopen. De onmiddellijke omgeving van de monumenten werd gedomineerd door heide of grasland. Akkers komen in de nabijheid niet voor.

Het weinige materiaal dat in de grachten werd aangetroffen, bestaat uit scherven van aardewerk versierd met vingertopindrukken op de rand of op de schouder. Zowel door hun vorm als hun versiering kunnen deze potten in verband worden gebracht met de Hilversum-cultuur, die in westelijk België, maar ook in de Kempen, in de midden-bronstijd aanwezig was. Ook de dateringen van houtskoolfragmentjes wijzen er duidelijk op dat de monumenten aangelegd zijn in de vroeg- of de midden-bronstijd, tussen 2000 en 1100 voor Christus, met een piek rond 1700-1400.

Dit aspect van de menselijke samenleving in deze regio tijdens de bronstijd was vóór de toepassing van de luchtfotografie totaal onbekend. Hiermede wordt nogmaals duidelijk geïllustreerd dat deze prospectietechniek een belangrijke bijdrage kan leveren tot zowel het wetenschappelijk onderzoek als het beheer van het archeologisch patrimonium.

 

Maldegem-Vliegplein.
Meerdere cirkelvormige structuren zijn ook door opgravingen onderzocht. In dit geval betreft het een grote dubbele concentrische cirkel met een annex.

Een globale lokalisatiekaart van alle cirkelvormige structuren geregistreerd tot 31 december 1995.

 

 

Het bronsdepot van Heppeneert (Maaseik)
door Luc Van Impe

Eind 1990 leidde de vondst van een bronzen kokerbijl tijdens een aardappeloogst tot de ontdekking van het grootste bronsdepot uit de bronstijd dat ooit in ons land het licht zag: 47 kokerbijlen en één lanspunt. Aanvankelijk was het depot zeker groter. Verschillende stukken kunnen onopgemerkt verloren zijn gegaan. Minstens één bijl bevindt zich in privé-bezit en al in 1906 verwierf het Rijksmuseum te Leiden twee kokerbijlen uit Heppeneert, waarvan het vaststaat dat ze uit hetzelfde depot afkomstig zijn. Het depot dateert van de overgangsfase van de late bronstijd naar de vroege ijzertijd, van het eerste kwart van de 8ste eeuw voor Christus dus.

Op één exemplaar na zijn alle bijlen van hetzelfde type. De versiering bestaat vooral uit brede randlijsten, rechte en gebogen ribbels (imitatie-vleugels) en "pukkels". De in een holle gietvorm gegoten kokerbijl betekende het eindpunt van een technologische evolutie, waarbij er gestreefd werd naar een betere hechting van de steel aan de bijl zelf. In Heppeneert is vooral de Plainseau-bijl gevonden, zo genoemd naar de vindplaats van een groot depot bij Amiens (F.). Dit model werd meer dan waarschijnlijk massaal in Noord-Franse gieterijen geproduceerd en naar Noordwest-Europa uitgevoerd. De distributie verliep onder meer via de valleien van Schelde en Maas tot in het Nederlandse Grote Rivierengebied. De aanwezigheid in het depot van Heppeneert van een mooi sierlijk bijltje met waaiervormige snede en afgeboorde trechtermond, meer dan waarschijnlijk van Zuid-Engelse oorsprong, is zeker het gevolg van handelscontacten over het Kanaal heen. In eigen land werden gelijkaardige bronsdepots opgegraven in Hoogstraten, Antwerpen, Gent, Spiennes, Jemeppe-sur-Sambre, Eprave, Lutlommel en Han-sur-Lesse.

"Depots" vormen in de voorgeschiedenis een wat bizarre, moeilijk te duiden vondstengroep. De term slaat op verzamelingen waardevolle voorwerpen die intentioneel in de bodem begraven werden: wapens (zwaarden, lanspunten, bijlen), sieraden, werktuigen (sikkels en smidsgereedschap). In een aantal depots werden metaalschroot en bij de klant opgekochte stukken van gebroken voorwerpen gevonden, wat leidde tot de idee dat het om in veiligheid gebrachte voorraden van in nood verkerende handelaars of rondreizende smeden kon gaan.

De geografische spreiding, de inhoud en de keuze van de deponeringsplaatsen - vaak op goed uitgekozen plekken, moerassen en veengebieden, oevers van rivieren of doorwaadbare plaatsen - leiden tot een minder prozaïsche verklaring. Het verzamelen van zekere hoeveelheden metaal, het opzettelijk begraven of uit de omloop nemen van waardevolle voorwerpen, zou eerder een weloverwogen act van een leidende klasse zijn. Offering of vernietiging van waarde- en luxegoederen en statussymbolen zou voortvloeien uit een complex en subtiel socio-religieus gebeuren waarvan de diepere achtergrond ons ontgaat. Met dit offer- en/of vernietigingsritueel kon de proliferatie van statussymbolen worden verhinderd en tegelijkertijd de suprematie van de eigen leidende en van gelijkgezinde groepen tegenover de ondergeschikten, gedemonstreerd en bestendigd worden. Offering van intacte, ongebruikte voorwerpen en wapens duidt er op dat vele voorwerpen niet louter functioneel bedoeld waren, maar ook een symboolfunctie hadden. Mogelijk zijn er heel wat bij die een goddelijk attribuut waren.

 

Het depot van Heppeneert.

Een mooi voorbeeld van een Plainseau-bijl.

 

 

DE IJZERTIJD

Had Kontich een bijzondere betekenis in de Keltische samenleving?
door Rica Annaert

In het Zuid-Duitse landschap tekenen zich her en der nog restanten af van machtige, rechthoekige gracht- en walstructuren. Deze Viereckschanzen zijn opmerkelijke getuigen van een Keltisch verleden. Tot op heden werden slechts enkele ervan volledig onderzocht. Eerder dan verklaringen te bieden, doen de opgravingsresultaten nog meer vragen rijzen. Over de oorspronkelijke betekenis en functie van deze monumenten wordt dan ook reeds sedert jaren gespeculeerd.

In Frankrijk, in het gebied tussen Seine en Loire, werden gelijkaardige structuren onderzocht. Terwijl het gebrek aan vondsten in Duitsland voor interpretatieproblemen zorgt, werpen de massaal opgespitte wapens en menselijke en dierlijke botresten uit de Franse sites talrijke vraagtekens op.

Over het algemeen worden deze toch opmerkelijke archeologische sites in een religieuze sfeer geplaatst. Het zouden Keltische openluchtheiligdommen zijn geweest, waar druïden en Keltische adel rituele én ook juridische, politieke, economische en sociale handelingen verrichtten. Een grondige studie van de Keltische godsdienst maakt immers duidelijk dat al deze aspecten nauw met elkaar verweven waren. Ook het brengen van mensenoffers hoort thuis in de wereld van de Keltische krijgersaristocratie.

Bij recent archeologisch onderzoek kwam een dergelijk Keltisch openluchtheiligdom in Vlaanderen aan het licht. De site op de Alfsberg in Kontich is meteen het meest noordelijke op de verspreidingskaart van de Viereckschanzen. Ze werd in de jaren 1990-1995 onderzocht door de amateur-archeologen van de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (A.V.R.A.) in nauwe samenwerking met het gemeentebestuur van Kontich en het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (I.A.P.).

Talrijke kenmerken kunnen de site zonder veel twijfel als een Viereckschanze bestempelen. De belangrijkste daarvan zijn de topografische inplanting op een hoogte (de Alfsberg is met zijn 24 meter één van de hoogste punten uit de omgeving) en in de nabijheid van een moeras, bron of waterloop (in dit geval de moerassige laagte van het Broekbos); de rechthoekige vorm van de gracht met binnenwaarts opgeworpen wal (65 bij 55 m of 3.575 m2); de oriëntering van de vier hoeken naar de vier windstreken; de evolutie van een eenvoudige, rechthoekige palissade naar een gracht- en walstructuur; een toegang in het oosten of zuidoosten via een brug over de gracht; een lineaire palenstelling al dan niet gecombineerd met één of meerdere eenvoudige, eenbeukige gebouwtjes en de aanwezigheid van centrale kuilen.

Zoals ook elders vastgesteld werd, groeide het complex te Kontich uit een midden-ijzertijd-nederzetting. In de loop van de late ijzertijd vond een evolutie plaats van een tweevoudige gepalissadeerde ruimte tot een enkelvoudige immense gracht- en walstructuur. De uitzonderlijke afmetingen van de gracht, 8 m breed en 4 m diep, doen een strategische functie vermoeden en het is dus best mogelijk dat het complex in de bewogen periode van de late ijzertijd tevens fungeerde als vluchtburcht voor de bewoners van de omliggende dorpen. Wat zeker vaststaat is dat dit machtige geheel geen lang leven beschoren was: in het begin van de Romeinse periode werd het met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor bewoning van een geromaniseerde bevolkingsgroep.

 

(Rood)    Nederzettingssporen uit de midden ijzertijd.
(Groen)  Een tweevoudige palissade met lineaire palenstelling.
(Geel)    Het centrale gebouw binnen de Viereckschanze.
(Blauw)  Een rechthoekige gracht- en walstructuur uit de late ijzertijd.

Een reconstructietekening van de gracht- en walstructuur uit de late ijzertijd.

 

 

DE ROMEINSE TIJD

DE ARCHEOLOGIE VAN DE STAD TONGEREN
door Alain Vanderhoeven en Geert Vynckier

Atuatuca Tungrorum
In Tongeren bevond zich eertijds (ca. 10 v.C - 400) de enige Romeinse stad die op Belgische bodem werd gesticht: Atuatuca Tungrorum, de hoofdplaats van de civitas van deTungri. Slechts enkele bovengronds bewaarde monumenten herinneren daar nog aan. Zo kan men bijvoorbeeld nu nog aan de noord- en oostrand van de stad over een afstand van ongeveer anderhalve kilometer de overblijfselen van een monumentale stadsmuur uit de 2de eeuw bezichtigen. Al de rest is in de loop der eeuwen herleid tot een zogenaamd bodemarchief. Dit is de term die archeologen gebruiken om het geheel van de in de ondergrond bewaarde materiële resten uit het verleden aan te duiden. Een gedeelte daarvan is vernield, doordat zich op de puinen van de Romeinse nederzetting een middeleeuwse en moderne stad heeft ontwikkeld. Tot in een recent verleden waren deze vernielingen eerder kleinschalig, maar door de mechanisering van het graafwerk worden de archeologische resten van zowel Romeins als middeleeuws Tongeren in onze tijd in toenemende mate bedreigd. Indien het grondverzet aan het huidige tempo voortduurt, zullen omstreeks het midden van de volgende eeuw in het Tongerse centrum geen ondergronds bewaarde sporen uit het verleden meer bestaan.

Nochtans is het bodemarchief onze belangrijkste informatiebron om het verleden van de stad te reconstrueren. Geschreven bronnen zijn immers alleen voor de jongste eeuwen in voldoende mate beschikbaar en geven vaak een eenzijdig beeld van de stadsgeschiedenis. Sinds 1986 met tussenpauzen en permanent sinds 1991 voert het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium van de Vlaamse Gemeenschap daarom een programma van noodopgravingen uit. Het zet daarmee een traditie voort die sinds het einde van de vorige eeuw gedragen werd door instellingen als het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, de Nationale Dienst voor Opgravingen en het Provinciaal Gallo-Romeins Museum. Maar tegenover de grootschaligheid van de hedendaagse bouwprojecten staat het gebrek aan mankracht en middelen van de archeologische wereld. Het streefdoel van het I.A.P. - 10% documenteren van wat er per jaar verdwijnt, in de hoop dat dit zal volstaan om het verleden van de stad te kunnen reconstrueren - wordt op ver na niet bereikt.

Ondanks dit wat sombere perspectief, werd de afgelopen jaren een enorme hoeveelheid informatie ingezameld. Op twaalf opgravingsterreinen werden vele tienduizenden sporen geregistreerd en naar schatting twee miljoen vondsten ingezameld. Het uitwerken van die gegevens leidt tot een voortdurend herschrijven van de bewoningsgeschiedenis van de Romeinse stad Tongeren. Om richting te geven aan het onderzoeksproject zijn vier brede doelstellingen geformuleerd:
• de reconstructie van het bewoningspatroon in de onderzochte stadsdelen;
• de reconstructie van het consumptiegedrag in de stad en het landbouwsysteem op het platteland rond Tongeren aan de hand van ecologisch-archeologisch onderzoek;
• de reconstructie van sociale en economische processen die zich in het verleden op de opgravingsterreinen hebben voorgedaan door middel van statistisch onderzoek van het nederzettingsafval;
• het leveren van een bijdrage in de discussie over het ontstaan en functioneren van de civitashoofdplaatsen in Noord-Gallië.

De geschiedenis van de Romeinse stad, zoals wij ons die thans voorstellen, kende drie grote fasen die elk hun eigen kenmerken hebben: (1) de ontwikkelingen vanaf het ontstaan omstreeks 10 voor Christus tot de brand van 69/70; (2) de evolutie vanaf het laatste kwart van de 1ste eeuw tot de tweede helft van de 3de eeuw en (3) de situatie in de laatromeinse tijd vanaf het einde van de 3de eeuw tot het begin van de 5de eeuw.

 

Het ontstaan ca. 10 voor Christus en de ontwikkelingen tot 69/70
Voor zover we daar nu zicht op hebben, kende de stad in deze fase een gelijkmatige ontwikkeling over heel haar grondgebied. De oudste resten wijzen op de aanwezigheid van het Romeinse leger omstreeks 10 voor Christus. Slechts vage sporen herinneren daar nog aan, zoals langgerekte concentraties van kuilen en greppels, die afwisselen met zones waar geen grondsporen aan het licht zijn gekomen en waar waarschijnlijk ondiep gefundeerde houten gebouwen en tentenrijen hebben gestaan. De Romeinse troepen hebben onder meer gezorgd voor de uitbouw van het stratennet. De verkeersassen van het Tongerse dambordplan zijn immers op dezelfde wijze georiënteerd als de greppels en kuilenrijen van de militaire nederzetting.

In de loop van de eerste decennia van de 1ste eeuw werden langs de straten van de civitashoofdplaats zogenaamde tweebeukige woonstalhuizen gebouwd. Dit zijn boerderijen met een rechthoekige plattegrond, die door een rij diep ingegraven palen, die de nok van het dak ondersteunen, in twee beuken of schepen verdeeld zijn. Dergelijke constructies waarbij stal- en woongedeelte zich onder één dak bevinden, passen in de inheemse bouwtraditie. De eerste permanente bewoners van Tongeren behoren dan ook tot de lokale samenleving. Nederzettingsafval toont evenwel aan dat de meesten onder hen zich van bij hun vestiging in de stad een geromaniseerde levensstijl hebben aangemeten. Lokaal handgevormd aardewerk ontbreekt. Een hoog percentage van het tafelservies is uit de mediterrane wereld geïmporteerd. Hetzelfde geldt voor tot dan toe zeldzame of ongekende voedingsproducten als wijn, olijfolie en vissaus, waarvan de verpakkingen in de vorm van amfoorscherven tussen het afval werden teruggevonden. Het ziet er dus naar uit dat vooral de vooraanstaande leden van de inheemse samenleving zich in de stad zijn komen vestigen. Door het betrekken van een tweede residentie in de pas opgerichte civitashoofdplaats was het voor hen mogelijk goede contacten te onderhouden met de Romeinse overheid, waardoor zij zich in hun traditionele machtspositie konden handhaven. Omgekeerd was het op die manier voor het Romeinse bestuur gemakkelijk greep te houden op de inheemse samenleving.

Nog voor het midden van de 1ste eeuw worden de tweebeukige woonstalhuizen vervangen door meer geromaniseerde vormen van houtbouw. Deze constructies bestonden uit verschillende vertrekken die rond een centrale binnenplaats waren aangelegd. In dezelfde periode werden ook nieuwe bouwtechnieken geïntroduceerd, zoals het gebruik van houten funderingsbalken en het aanbrengen van muurschilderingen in de belangrijkste ruimtes van de woning. Deze technieken zijn waarschijnlijk geïnspireerd op de Romeinse legerplaatsen in het Rijnland. We zien met andere woorden een romanisering in de huizenbouw tot stand komen. In 69/70 komt op bruuske wijze een einde aan deze ontwikkeling. Als gevolg van de Batavenopstand wordt de hele stad in as gelegd. De weerslag van deze gewelddadige gebeurtenis vinden we terug in de vorm van een brandlaag, die zich over een oppervlakte van meer van 60 ha uitstrekt.

Onderzoek van dierlijke en plantaardige resten bracht aan het licht dat het landbouwsysteem rond Tongeren tot omstreeks 69/70 in vele opzichten geleek op dat van de voor-romeinse ijzertijd. De akkerbouw was gekenmerkt door het verbouwen van een breed spectrum aan graansoorten, wat als een vorm van risicospreiding kan worden geïnterpreteerd. Aanvankelijk gold hetzelfde voor de veeteelt, waarin zowel het rund als het varken en het schaap een belangrijke plaats innamen. Maar vanaf het begin van de 1ste eeuw is een tendens waarneembaar, die wijst op een toenemend belang van de rundveehouderij. Dit is waarschijnlijk het gevolg van een meer marktgerichte productiewijze.

 

De plattegrond van Romeins Tongeren met Kielenstraat en Hondsstraat.

Zo kan de situatie op het terrein aan de Kielenstraat zich ontwikkeld hebben tussen ca. 10 v.C. en de grote brand in 69/70 n.C.: de aanleg van het stratennet door een in tenten verblijvende legereenheid.

Tweeschepige inheemse woonstalhuizen.

Meer geromaniseerde vormen van houtbouw op funderingsbalken.

De reconstructietekening van de eerste steenbouw aan de Hondsstraat, opgericht na de brand van 69/70.
Alleen de fundering en het onderste gedeelte van de muren zijn in steen. De bovenbouw was in hout en leem. De galerij aan de achterkant had een mozaïekvloer. Deze vrij luxueuze residentie brandde af kort na het midden van de 2de eeuw.

 

 

De evolutie van het laatste kwart van de 1ste eeuw tot de tweede helft van de 3de eeuw.
Deze periode wordt gekenmerkt door een geleidelijke overgang van houtbouw naar steenbouw. Dit proces is nooit helemaal voltooid en verliep ongelijkmatig in de verschillende stadsdelen. Het waren op de eerste plaats de publieke gebouwen die in duurzaam materiaal werden omgezet. Daartoe behoorden een grote tempel aan de noordrand van de stad en een officieel graanmagazijn in het zuidwesten. In de loop van de 2de eeuw bouwde men ook de grote stadsmuur, waarvan vandaag nog aanzienlijke resten bewaard zijn. Het verschillend tempo waarin per stadswijk houtbouw evolueerde naar steenbouw, blijkt uit de confrontatie van de opgravingsterreinen aan de Kielenstraat en de Hondsstraat. Aan de Kielenstraat bleef houtbouw in gebruik vanaf de brand van 69/70 tot na het midden van de 2de eeuw. In die periode ontwikkelde er zich een ambachtswijk, die kort na 150 afbrandde. In dezelfde tijdsspanne bouwde en bewoonde men aan de Hondsstraat een vrij luxueuze residentie, waarvan een galerij aan de achterkant voorzien was van een mozaïekvloer. Nochtans was deze woning slechts gedeeltelijk in steen opgetrokken. Alleen de fundering en het onderste gedeelte van de muren waren in duurzaam materiaal. De bovenbouw was in hout en leem. Ook deze residentie ging in vlammen op, waarschijnlijk in dezelfde brand die de ambachtswijk aan de Kielenstraat had vernield. Na deze grote brand verscheen op beide terreinen echte steenbouw die bewoond bleef tot in de tweede helft van de 3de eeuw.

In de 2de eeuw kreeg Tongeren ook het officieel statuut van municipium, een Romeinse vorm van stadsrecht. Net zoals voor de 1ste eeuw kunnen ook voor deze periode uit de samenstelling van het stedelijk consumptieafval veranderingen in het landbouwsysteem rond de stad worden afgeleid. In de akkerbouw zien we een ontwikkeling naar de gespecialiseerde teelt van spelt. In de veeteelt neemt het belang van het rund, reeds te zien in de 1ste eeuw, alsmaar toe. Eveneens verschijnen er allerlei fruitsoorten. De teelt van sommige, zoals de appel, de peer en de druif, is door de Romeinen in onze streken geïntroduceerd. Andere soorten, zoals de vijg, werden rechtstreeks uit de mediterrane wereld ingevoerd.


De laat-romeinse stad
Het onderzoek van de laatste jaren heeft nauwelijks sporen uit de 4de eeuw aan het licht gebracht. Toch moet Tongeren in die tijd een aanzienlijke stad zijn geweest. Daarvan getuigen zowel de indrukwekkende nieuwe stadsmuur die onder keizer Constantijn werd opgericht als de talrijke laatromeinse graven in deTongerse necropolen. Rijke grafensembles, vaak met wapens, wijzen op een gegermaniseerde militaire aanwezigheid. In de Jaminéstraat ontdekte men de afgelopen jaren dan weer een grafveld van een belangrijke Christelijke gemeenschap. Maar op opgravingsterreinen binnen de laat-romeinse stadsmuur zijn bijna geen bewoningssporen uit die tijd teruggevonden. Omgekeerd treft men buiten de 4de-eeuwse stad soms wel aanwijzingen van menselijke activiteit aan. Hoe de bewoning van Tongeren in de 4de eeuw er ook moge uitgezien hebben, de stad schijnt het eerste kwart van de 5de eeuw nauwelijks overleefd te hebben.

We weten niet hoe de laatantieke nederzetting geëvolueerd is tot het middeleeuwse Tongeren. Het oudst bewaarde niet-Romeinse achitectuurfragment is dat van de verdedigingsmuur van het monasterium en dateert uit de 10de eeuw.

 

Een residentiestad
Het onderzoek van de laatste jaren in diverse woonwijken van de Romeinse stad bracht aan het licht dat de hoofdplaats van deTungri, naast bestuurlijk centrum, vooral een residentiële nederzetting was voor de vooraanstaande leden van de civitas. Sporen van ambachtelijke activiteiten komen slechts sporadisch aan het licht. Op de meeste opgravingsterreinen hebben we resten van luxueuze stadshuizen aangetroffen. De rijkdom die in dergelijke privé-woningen werd geïnvesteerd, was gebaseerd op de agrarische exploitatie van het omliggende platteland.

Een ander deel van de winsten heeft gediend voor de financiering van openbare monumenten zoals de tempel aan de noordrand van de stad en wellicht ook de 2de-eeuwse omwalling. Dergelijke prestigeprojecten reflecteren de onderlinge competitie onder de inheemse aristocratie. Ze versterkten immers de sociale status van de bouwheren. Vele openbare gebouwen van Romeins Tongeren zijn nog niet teruggevonden. De resten ervan liggen verborgen in de ondergrond.

 

Onder de honderdduizenden mobiele vondsten zijn gave stukken, zoals dit terracotta beeldje, eerder zeldzaam.

Een fragment van de mozaïekvloer.

Door intense recuperatie van bouwmaterialen bleven ook de muren van stenen gebouwen grotendeels slechts als verkleuringen in de bodem bewaard.

In een stedelijke context hebben de talrijke bouwfasen een ingewikkelde stratigrafie opgebouwd: hier vertegenwoordigen de talrijke lagen ca. 300 jaar bewoning.

 

 

HET ROMEINSE KAMP VAN MALDEGEM-VAKE
door HugoThoen

Een van de meest spectaculaire ontdekkingen die in Vlaanderen werd gerealiseerd door het luchtfotografisch onderzoek van J. Semey (Evergem), is ongetwijfeld die van de Romeinse versterking van Vake Maldegem (170 - 175 n.C.). De typisch rechtlijnige verkleuringen in de gewassen ("crop marks"), veroorzaakt door de humeuze vulling van de twee spitsgrachten, waren duidelijk zichtbaar vanuit de lucht. De ontdekking zelf klimt reeds op tot het eind van de jaren zeventig, maar het archeologisch bewijs voor een Romeinse versterking kwam er slechts door de opgravingen van de Gentse Universiteit in 1984-1992. Ongeveer een derde van de versterking werd systematisch onderzocht. Het multidisciplinaire onderzoek, waarbij vooral een beroep werd gedaan op de natuurwetenschappen, leverde een totaal nieuwe kijk op de Romeinse militaire aanwezigheid in deze regio. Wegens het belang van de vondst werd de archeologische site van Vake, op voorstel van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, op 22 juni 1994 als beschermd monument geklasseerd door de toenmalige bevoegde minister, de heer J. Sauwens.


De inplanting in het landschap
De versterking werd opgericht op een van de meest noordelijk gelegen droge zandheuveltjes van de zandrug Brugge-Maldegem-Eeklo, die de grens vormt tussen de zandstreek en de huidige Scheldepolders. Dit laatste gebied was in de Romeinse tijd een drassig veenlandschap. De ligging aan de overgang van hogere en drogere gronden naar nattere en lager gelegen gebieden, wordt duidelijk weerspiegeld in de door de Romeinen gebruikte houtsoorten. Zo werd de eik op de zandgronden gekapt voor de bouw van barakken en verdedigingswerken, terwijl els en den werden aangewend voor de constructie van drinkwaterputten (de els groeide op vochtige plaatsen, de den op de drogere zandgronden).

De plaats waar het kamp zou worden opgetrokken, was reeds volledig in cultuur gebracht. De site werd gebruikt door een bescheiden landbouwbedrijf, waarvan het erf omgeven was door een greppelstructuur. Bij de bouw van het kamp werd de greppel gedempt, verdwenen de bedrijfsgebouwtjes en... sneuvelden ook de laatste schaarse bomen.


De constructie van het kamp
Het Romeinse kamp heeft een vierkantig grondplan met een zijde van 157,5 m (500 Romeinse voet) en omvat een areaal van nagenoeg 2,5 ha. Het was een typisch Romeins castellum, dat bemand was door hulptroepen. Het was volledig opgetrokken in hout en omgeven door een aarden wal. Dergelijke kampen worden in de literatuur beschreven als Holz-Erde-ver sterkingen.

Een reconstructietekening van het Romeinse kamp.

 

Het klassieke maar imposante verdedigingssysteem bestond uit twee spitsgrachten (fossae) van 4 m breed en 2 m diep en een aarden wal bekroond met een houten palissade (vallum). Door een combinatie van bodemkundige en archeologische waarnemingen was het mogelijk vrij nauwkeurig de afmetingen van het wallichaam te berekenen: basisbreedte 6,4 m, hoogte 3 m en breedte voor het loopvlak bovenaan ongeveer 2 m. Langs de frontzijde was de wal nog voorzien van een houten palissade, waarvan de met kantelen bekroonde borstwering 2 m boven het wallichaam uitstak. De totale hoogte van de wal en de palissade moet derhalve zo'n 5 m hebben bedragen. Het kamp had vier hoektorens, waarvan de basis in het wallichaam was ingegraven.

Grachten en aarden wal waren in het midden van de vier zijden onderbroken voor een houten monumentale toegangspoort. Tot hiertoe kon alleen de oostelijke poort worden vrijgelegd. Het poortgebouw had een vierkant grondplan van ongeveer 9 m zijde (30 Romeinse voet) en was langs weerszijden geflankeerd door twee hoektorens die met elkaar verbonden waren door een bovengronds platform. De eigenlijke poortdoorgang was ongeveer 3 m breed (10 Romeinse voet) en afgesloten door twee draaipoorten van elk 1,5 m breed. De eerder kleine toegang pleit ervoor dat het vermoedelijk gaat om de porta decumana, de toegangspoort langs de achterzijde van de versterking. De toegang zelf was verder nog beveiligd door een grote (val)kuil of titulum van 13,8 m lang, 4,4 m breed en 2 m diep, die slechts een smalle, 3 m brede doorgang liet.

Van de houten gebouwen binnen het kamp konden drie barakken volledig worden onderzocht. Het betreft twee manschapsbarakken van 33 bij 6,5 m, waar telkens een centuria (= 80 man) was ondergebracht, en een dubbele barak van 33 bij 13 m, waarin ruiterij was gelegerd. Elke barak had een eigen drinkwaterput. Verder werden nog structuren aangetroffen van een toiletgebouw (latrina), een werkplaats (fabrica) en een hoofdgebouw, waarvan de juiste functie echter nog niet kon worden achterhaald.

 

De troepenmacht
Grondplan, afmetingen en bebouwing verschaffen aanwijzingen over de in het Maldegemse castellum gelegerde militaire eenheid. Tal van elementen pleiten voor de aanwezigheid van een gemengde hulptroep bestaande uit infanterie en ruiterij: een cohors equitata (milliaria). Het totaal aantal manschappen van een dergelijke eenheid, officieren inbegrepen, bedroeg 1056 man.


Datering en historische context
Het kamp kan vrij nauwkeurig worden gedateerd in de jaren 170 van onze jaartelling. Uit een passage van de Vita Didii Juliani (1, 6-9) weten we dat de provincie Gallia Belgica onder het gouverneurschap van Marcus Didius Julianus (later kortstondig keizer in 193 na Christus) te lijden had van plundertochten van de Chauci. Deze Germanen waren vanuit hun woongebied aan de Noord-Duitse kust via de Noordzee ons kustgebied binnengevallen. Dit gebeurde in de jaren 172-174 na Christus, een datum die perfect past bij de chronologie van het castellum van Maldegem. Vermoedelijk werd het kamp opgegeven in 175 na Christus, toen Didius Julianus door keizer Marcus Aurelius beloond werd met het consulaat.

Een van de belangrijkste gevolgen van de invallen van de Chauci was een drastische ommekeer in de Romeinse militaire politiek in deze regio. Voortaan zou ook Gallia Belgica, waar tot dan toe geen troepen waren gelegerd, door een permanente militaire bezetting worden beveiligd. De forten van Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen) en Oudenburg (bij Oostende), die als reactie tegen de invallen van de Chauci kort na 175 werden opgetrokken ter bescherming van het kustgebied, zouden de voorlopers worden van het groots opgezet verdedigingssysteem uit de laat-romeinse tijd: de Litus Saxonicum.

 

Grondplan en verdedigingssysteem van het kamp.

 

 

DE GALLO-ROMEINSE BEWONING IN ZANDIG VLAANDEREN
door Frank Vermeulen

Nadat in de jaren 69/70 een laatste Noord-Gallische opstand tegen de Romeinen in de kiem werd gesmoord, werd de romanisering van het platteland in deze noordelijke uithoek van het Imperium Romanum definitief ingezet. Benevens de directe omgeving van de stedelijke centra zoals Tongeren, werden vooral de vruchtbare leemgebieden van Midden-België in cultuur gebracht. De steeds toenemende vraag naar levensmiddelen voor de bevoorrading van de steden en de troepen aan de Rijngrens, leidde tot een goed georganiseerde ontginning van dit gebied, waar systematische landbouw een bron werd van welvaart en comfort. Het dichte netwerk van ruime en door zuiderse architectuur geïnspireerde landbouwbedrijven (villae rusticae), de beeldbepalende grafheuvels van welstellende grootgrondbezitters en de dichte en goed onderhouden wegeninfrastructuur, zijn de voornaamste archeologisch waarneembare tekenen van een ontwikkeling die tot in de volle 3de eeuw kan worden gevolgd.

In het minder vruchtbare, zandige en overwegend steenarme noordelijk België is een geheel andere evolutie vast te stellen (1ste - 3de eeuw n.C.). Zowel in de Kempen als in zandig Vlaanderen ten westen van de Schelde verloopt de romanisering trager en is ze minder diepgaand. In deze meer traditionele, inheemse context ontbreken nieuwe stichtingen van op Romeinse leest geschoeide landbouwdomeinen vrijwel helemaal. De evolutie van inheemse hoeve naar Gallo-Romeinse villa, die zich zuidelijker voltrekt, deed zich er niet voor. Doordat ook de andere tekenen van herorganisatie en Romeinse beïnvloeding (onder meer monumentale graven, stevige wegen, strakke landindeling) er schaars zijn en een minder blijvende indruk nalieten, kregen archeologen lange tijd geen greep op de situatie in zandig Vlaanderen in de Romeinse tijd. Systematisch onderzoek van de Universiteit Gent bracht de jongste twee decennia enige verandering in dit beeld. Door het sterk opdrijven van prospecties op het terrein en vanuit de lucht, gevolgd door sondages en opgravingen, kan men de aard van de romanisering in dit gebied stilaan beter inschatten.

Regionale studies, zoals deze uitgevoerd in de streek tussen Leie en Schelde, konden aantonen dat het platteland hier even dicht bewoond was als in zuidelijker streken, maar dat het bewoningspatroon op de armere zandgronden veel gevarieerder was. Aangegraven vindplaatsen als Asper, Destelbergen, Eke, Sint-Denijs-Westrem en Sint-Martens-Latem zijn typische voorbeelden van nederzettingen, waarvan de omvang en samenstelling varieert van alleenstaande boerderijen tot grote losse gehuchten van maximum een tiental wooneenheden. Men treft er vrijwel uitsluitend houtbouw aan, met op het erf rond de woningen eenvoudige stallingen, schuurtjes, werkplaatsen, kuilsilo's en hooimijten. Grachten en eenvoudige houten palissades begrenzen of verdelen de erven die door aarden wegen verbonden of toegankelijk gemaakt zijn. Het landschap rond deze overwegend agrarische nederzettingen omvat naast akkers en groententuinen, waar onder meer emmerkoren, gerst en hakvruchten werden verbouwd, vooral ook goede graasweiden en bosrijke delen. Dat deze landelijke omgeving gunstig was voor veeteelt blijkt onder meer uit de vondst van dierenbot van vooral runderen, varkens en geiten of schapen. De teelt van schapen leidde ertoe dat textiel, en vooral wolverwerking, uitgroeide tot één van de voornaamste huisnijverheden. Het bestendigen van deze en andere tradities - zoals funeraire gewoonten - bleven kenmerkend voor het gebied waar vanaf de woelige laat-romeinse tijd het minder uitgesproken Gallo-Romeinse element snel week voor de uit het noorden oprukkende Germaanse invloeden.

 

Het grondplan van een deel van de inheems-Romeinse nederzetting uit de 2de eeuw opgegraven in Eke: een erf met woonhuis en bijgebouwen wordt omgeven door kuilsilo's en werkruimten en begrensd door grachten en een drinkpoel.

Een selectie van traditioneel voor-romeinse versieringswijzen op Gallo-Romeins handgemaakt aardewerk uit het gebied tussen Leie en Schelde.

 

 

DE GALLO-ROMEINSE VICUS WAASMUNSTER-PONTRAVE: "STADDORP" AAN DE DURME
door Rudi Van Hove

De Gallo-Romeinse nederzetting van Waasmunster-Pontrave (1ste - 3de eeuw n.C.) is gelegen aan een meander van de Durme (zijrivier van de Schelde), op een zandrug met een gemiddelde hoogte van 5 m, die tot tegen de rivier loopt. De nederzetting heeft zonder twijfel het karakter van een vicus. In dit geval gaat het om een grotere agglomeratie, waarvan de oppervlakte op 15-20 ha kan worden geraamd en die een belangrijke, onder meer commerciële centrumfunctie vervulde voor een ruim hinterland. Het betreft hier een van de belangrijke vici in Vlaanderen, naast bijvoorbeeld Velzeke, Kortrijk en Gent. De archeologische resten getuigen van de relatieve welvaart van de bevolking die in een noordelijke uithoek van het Romeinse rijk leefde (binnen de civitas Menapiorum) en geleidelijk onder invloed is gekomen van de Romeinse cultuur (romanisering).

Het bestaan van de vicus situeert zich tussen omstreeks 70 en 275 na Christus. Mogelijk kan de teloorgang worden toegeschreven aan de Germaanse invallen van 270-275. Naar aanleiding van de plannen voor de bouw van een woonwijk werd door de Archeologische Dienst Waasland (A.D.W.) in 1989-1995 een onderzoek uitgevoerd in het noordoostelijke randgebied van de vicus, waar een oppervlakte van ongeveer 1 ha werd afgetast. Hierbinnen werden twee zones aangetroffen: een bewoningsareaal en een grafveldzone, die van elkaar gescheiden werden door een (niet-verharde) weg; deze liep over de Durme, waarschijnlijk richting Asse.

Het onderzochte bewoningsareaal heeft zich wellicht lintvormig ontwikkeld langs de weg en blijkt te dateren uit de 2de - 3de eeuw. Het betreft een latere uitbreiding van de kernbewoning, die zich in de onmiddellijke omgeving van de rivier gesitueerd moet hebben. De aangetroffen woonhuizen zijn steeds met de korte gevel naar de weg georiënteerd (oost - west). Het blijkt hier om een open bebouwing te gaan met erfbegrenzingen. In de directe omgeving van de woningen kwamen steeds diverse voorzieningen voor zoals houten waterputten, bedrijfsgebouwtjes, een bakoven, enz. Voordat deze strook werd benut als woongebied, situeerde zich hier een artisanale bedrijvigheid. In de opvullingslagen van een laat-prehistorische holle weg, die tijdens de Romeinse bewoning is opgegeven, kwamen vooral sporen van ijzer-smederij aan het licht. In de nabijheid bevond zich eveneens een pottenbakkersoven die gediend heeft voor de productie van terra nigra (zwart luxevaatwerk) en dateert van het einde van de 1ste of het begin van de 2de eeuw.

Het grafveld, dat van de woonzone was gescheiden door een weg, bestaat uit minstens twee afzonderlijke zones die een chronologisch onderscheid weerspiegelen: grafveld-oost (2de helft 1ste eeuw en 2de eeuw) en grafveld-west (wellicht 2de en 3de eeuw). In het totaal werden ruim 300 graven onderzocht. Deze behoren alle tot de crematieritus, die tot eind 3de eeuw de overheersende dodenritus was in de landelijke streken van Noord-Gallië. De dode werd met zijn eigen uitrusting (kleding, sieraden, enz.) en eventuele bijkomende offergaven op de brandstapel verbrand, waarna de resten (al dan niet selectief) in een kuil werden gedeponeerd, soms aangevuld met grafgiften.

Zoals ook elders in het Schelde- en Leiebekken, zijn brandrestengraven het in Pontrave meest voorkomende graftype (zeker 90%). In dergelijke graven werden de (meeste) brandstapelresten in een (veelal) rechthoekige kuil bijgezet. Daarnaast kwam een 30-tal urnengraven aan het licht. Merkwaardig is dat deze bijzettingsvorm voorbehouden was aan zeer jonge kinderen (pasgeborenen?). De kleine urne (steeds drinkgerei) bevat enkele verbrande beentjes, steeds vergezeld van een nagel (bescherming tegen het noodlot) en veelal van een bronzen munt (betaling van de overtocht naar het hiernamaals).

In Pontrave kwam ook het zeer uitzonderlijke type van de grafpijler voor. Het betreft een monumentale funeraire constructie - vrijwel steeds met grafkamer - die in principe torenvormig is opgebouwd (verschillende geledingen bekroond met een piramidaal dak). Dergelijke grafpijlers stonden in regel langs een weg (bijvoorbeeld langs de Via Appia) en wezen op een hogere sociale status van de overledene. Van één grafpijler was nog het fundament bewaard gebleven, waarin een grafkamer (90 x 90 cm) was uitgespaard. Het betreft de enige grafpijler die tot nog toe in Vlaanderen in situ is aangetroffen.

 

Groep van urnen waarin zich de gecremeerde resten van zeer jonge kinderen (pasgeborenen?) bevinden.
De vondst van deze urnen (een 30-tal) werpt een nieuw licht op de begrafenisritus van zeer jonge kinderen in de Romeinse periode; hierover is nog zeer weinig geweten. Deze urnengraven dateren uit de tweede helft van de 1ste eeuw en uit de 2de eeuw.

De pottenbakkersoven van Pontrave na het verwijderen van het rooster en van de vulling.
Te onderscheiden zijn: de haard, de tong (steun van het rooster) en het stookkanaal. Deze oven was, zoals gebruikelijk, in de grond ingegraven; enkel de koepel van de bakkamer (waar het vaatwerk werd gebakken) was bovengronds. Het bewaarde gedeelte (160 x 120 cm) is volledig vervaardigd uit klei die bij het stoken van de oven is meegebakken.

 

 

DE VROEGE MIDDELEEUWEN

Oudenburg. Boeren in de pagus Flandrensis.
door Yann Hollevoet

Lange tijd is onze kennis van het vroegmiddeleeuwse Vlaanderen (6de - 7de eeuw) beperkt gebleven tot wat in geschreven documenten werd vermeld en tot de resultaten van het onderzoek van enkele begraafplaatsen. Men kon zich aldus wel een beeld vormen van de soms zeer complexe rituelen die menselijke gemeenschappen hanteerden wanneer ze geconfronteerd werden met het fenomeen van de dood, maar over wat zich werkelijk afspeelde tijdens het leven van degene die men ter aarde bestelde, was de beschikbare informatie doorgaans ontoereikend en vaak ook vertekend. Het dagelijkse leven speelde zich niet af op de begraafplaatsen maar in de nederzettingen waarvan men de sporen zo moeilijk kon terugvinden.

Hoewel de eerste vroegmiddeleeuwse nederzetting reeds in de jaren zeventig werd onderzocht te Kerkhove (West-Vlaanderen), was het vrij problematisch de aldaar verkregen informatie in een ruimere context te situeren. De jongste jaren is het onderzoek van de vroegmiddeleeuwse nederzettingen in Vlaanderen in een stroomversnelling gekomen. Wel blijft het moeilijk verregaande conclusies te trekken omdat het aantal onderzochte sites nog steeds te beperkt blijft en daarenboven nagenoeg uitsluitend gelegen is in de regio Brugge-Oudenburg, de pagus Flandrensis, het kerngebied waaruit later het graafschap Vlaanderen zou ontstaan.

De sporen die werden aangetroffen op de verschillende sites, vertonen een vrij uniform beeld. Het gaat steeds om de resten van kleine landbouwexploitaties met constructies die uitsluitend zijn opgebouwd uit vergankelijke materialen: hout, stro en huttenleem. Deze gebouwen laten in het zand wel sporen na - in de eerste plaats paalkuilen en wandgreppels - maar vaak stelt hun interpretatie heel wat problemen. Soms is echter de beschikbare informatie voldoende om een reconstructie te wagen. Benevens de sporen van gebouwen treft men op de sites ook tal van andere structuren aan: afval- en/of voorraadkuilen, grachtjes of greppels alsook de restanten van waterputten. Deze laatste zijn in de vroege middeleeuwen nog vaak vervaardigd in hout, maar in enkele zeldzame gevallen werd ook Romeins bouwpuin aangewend, dat vooral afkomstig geweest moet zijn van de laatromeinse stenen versterking van Oudenburg.

Zoals vaak bij nederzettingscontexten is het vondstenmateriaal sterk gefragmenteerd. In de meeste sporen komen slechts kleine fragmenten aardewerk of glas voor alsook enkele schaarse metalen kleinoden of slakkig materiaal. De aardewerkfragmenten zijn zowel afkomstig van gewone gebruiksceramiek van lokale makelij - dat doorgaans handgevormd is en grote verwantschappen vertoont met bepaalde aardewerk-groepen uit Friesland en de Britse Eilanden - als van importstukken uit de kerngebieden van het Merovingische rijk, in de eerste plaats noordelijk Frankrijk en het Rijnland.

De vroegmiddeleeuwse sites in de regio zijn van groot belang omdat ze meestal een niet geringe hoeveelheid dierenbot opleveren. Het gaat hierbij doorgaans om slachtafval. Dit laat vooral toe beter inzicht te verwerven in de voedselpatronen van de vroegmiddeleeuwse mens en verschaft tevens heel wat informatie over de samenstelling van de veestapel. Verder hebben een aantal waterputten ook resten van kevers en kikkers opgeleverd. Samen met de zaden en de vruchten die erin werden aangetroffen, geven ze een beeld van het milieu waarin de sites waren ingeplant.

 

Een reconstructie van een woonstalhuis uit de 7de eeuw.

 

 

Ename: zorg om een middeleeuws erfgoed
door Dirk Callebaut

Zelden gebeurt het dat archeologie en geschiedenis elkaar zo sterk aanvullen als in Ename (974 tot 1793). Dit stelt onderzoekers in staat om het verleden op zeer diepgaande wijze bloot te leggen. Omwille van de eigenheid en rijke inhoud van het erfgoed beperkt men zich echter niet tot het onderzoek alleen. Ook het behoud en de ontsluiting van dit patrimonium krijgen de grootste aandacht en zorg.

Ename ligt op de rechteroever van de Schelde, die vanaf 925 de grens vormde tussen het Franse koninkrijk en het Duitse keizerrijk. Samen met Nederename vormde het een vroegmiddeleeuws domein met een agrarische bewoning, kouter- en weidegronden, hooiland en bos. De lotsbestemming van Ename wijzigde zich rond 974 bruusk, toen op een verheven stuk grond, omspoeld door Scheldewater een indrukwekkende burcht werd opgetrokken. Deze versterking kaderde, samen met die van Antwerpen en Valenciennes, in het grensverdedigingssysteem van markgraafschappen, dat de Duitse keizer in de Scheldevallei had uitgebouwd. Dit waren territoriale omschrijvingen met aan het hoofd een markgraaf die de bewaking van de rijksgrens moest verzekeren en daarom speciale militaire bevoegdheden kreeg. De verdedigingslinie was gericht tegen het opdringerige Vlaanderen dat zich aan de overzijde van de stroom bevond.

De familie Ardennen-Verdun, een roemrijk geslacht, bekend om zijn trouw aan de keizer, zou Ename uitbouwen tot een bijzondere plaats, "de voornaamste zetel van Lotharingen", zoals een historische bron getuigt. Het complex omvatte inderdaad meer dan een burcht. Er was ook nog een portus aan verbonden, een nederzetting die onder meer door de extra stimulans die de handelsactiviteiten ter plaatse kregen, een pre-stedelijke allure aannam. Twee kerken, toegewijd aan Sint-Salvator en Sint-Laurentius, markeerden de sterke groei van dit havenstadje. Ename onderging een ware metamorfose: voorheen ingebed in een wereld van meersen en groene heuvels, doorbrak het op merkwaardig korte tijd dit lokale kader om onbeschroomd deel te nemen aan het internationale gebeuren. Als bestuurlijk en militair centrum van betekenis zou het zelfs mee instaan voor de stabiliteit binnen het Lotharingse deel van het keizerrijk.

Lang duurde die internationale uitstraling van Ename echter niet. Reeds in 1047 nam Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, de burcht en het havenstadje in bezit. Om de Ottoonse site te demilitariseren, stichtte Boudewijn V ter plaatse in 1063 een benedictijnenklooster. Oorspronkelijk namen de monniken, die van de Sint-Vaastabdij van Atrecht afkomstig waren, hun intrek in de burchtgebouwen. Zeven jaar later verhuisden ze reeds naar een complex dat tegen de Sint-Salvatorskerk, een van de portus-bidplaatsen, aangebouwd was. Het andere stadskerkje dat Sint-Laurentius als patroonheilige had, evolueerde tot dorpskerk.

In de 12de en 13de eeuw kende de abdij een grote bloei. De bezittingen groeiden aan en er werd duchtig gebouwd en verbouwd. In de teksten uit die periode vinden we sporen terug van die activiteiten. Zo is er de melding dat het primitieve zaalkerkje, dat nog tot de portus-tijd terugging, in 1139 vervangen werd door een nieuwe kerk. Het gaat om een groots opgezette kruisbasiliek die tot de afschaffing van het klooster bleef bestaan. De godsdiensttroebelen tijdens de tweede helft van de 16de eeuw betekenden bijna de doodsteek voor het klooster. Toch kwam de abdij deze moeilijke periode te boven. Ze werd vanaf het begin van de 17de eeuw met grote luister hersteld. Het definitieve einde kwam er in 1794, toen ze onder het Franse bewind opgeheven werd.

Zoals de hierboven geschetste historische context aanduidt, vertoonde het middeleeuwse leven in Ename zich in zijn meest diverse aspecten: landelijke bewoning, adellijke burcht, pre-stedelijke nederzetting, abdij, dorpsgemeenschap. Op zich is dit reeds een zeer boeiend studiegegeven. Wat Ename echter zo uitzonderlijk maakt, is het feit dat de teksten die dit verhaal brengen, kunnen worden gekoppeld aan materiële bronnen. Dit erfgoed is rijk gevarieerd en bleef - alle normen in acht genomen - uitstekend bewaard. Drie elementen springen in het oog: (1) een 8 ha grote archeologische site, gesitueerd in de Scheldemeersen, waar de grondvesten bewaard zijn van de Ottoonse burcht, de handelsnederzetting en de benedictijnenabdij; (2) de Sint-Laurentiuskerk, het enige nog opstaande vroegmiddeleeuwse monument; (3) het "Bos t'Ename", een 180 ha groot natuurgebied dat historisch met Ename verbonden is en uitzonderlijk is omwille van zijn historisch-ecologische, natuurwetenschappelijke en esthetische waarde.

Dit gevarieerd patrimonium kan dankzij de geschreven en iconografische bronnen op bijna unieke wijze in zijn juiste context worden geduid. Begrijpelijk dan ook dat wetenschappers door Ename ten zeerste aangetrokken zijn. Zij bundelen hun krachten om dit culturele erfgoed maximaal te onderzoeken, te beschermen en te ontsluiten. Het onderzoek naar het verleden van Ename is diepgaand en sterk gedifferentieerd. Daarbij is het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (I.A.P.) verantwoordelijk voor de archeologische studie, terwijl het Bestuur voor Monumenten en Landschappen het historisch-ecologisch onderzoek van het "Bos t'Ename" op zich neemt. Diverse universiteiten (Amsterdam, Antwerpen, Brussel, Gent, Leiden, Leuven, Luik) alsmede het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, verlenen hun medewerking. Dit teamwerk maakt een echte samenwerking tussen archeologie en geschiedenis mogelijk: uit de geschreven teksten worden de verhaallijnen gedistilleerd, terwijl de studie van het bodemarchief en het bouwkundig erfgoed concreet weergeeft hoe het samenspel tussen de mens, zijn woonmilieu en de natuur verliep en evolueerde. Door de complementariteit van de onderzoeksvelden wordt het beeld van het vroegere Ename verrassend scherp.

Eén voorbeeld: de burcht die rond 974 in het rurale leven van Ename een ware omwenteling teweegbracht. De versterking werd ingeplant op het uiteinde van een landtong, in een meanderbocht van de Schelde. Uit de geschreven bronnen weten we dat Godfried de Gevangene, lid van de familie Ardennen-Verdun en zijn vrouw Mathildis, weduwe van de Vlaamse graaf Boudewijn III, de bouwheren waren. Verder is bekend dat zich binnen het burchtareaal een Onze-Lieve-Vrouwekapel bevond, waaraan een kapittel van kanunniken verbonden was en dat de burcht zelf als "buitengewoon sterk" omschreven stond.

De archeologie vertelt ons echter heel wat meer. Ze maakt bijvoorbeeld duidelijk waarom het versterkingssysteem zo indrukwekkend was, dat men er in een tekst op alludeerde. Vooreerst was er de efficiënte afscherming van de burchtflanken. Men maakte daarbij grotendeels gebruik van de Scheldebocht waarin de sterkte geïnstalleerd was. De landzijde werd afgesloten door een 140 m lange en 18 m brede gracht, waarop een weermuur aansloot. Wat de burcht echter zo bijzonder maakte, was een imposante verdedigingstoren. Hij mat binnenwerks 27 bij 10 m en had een funderingsbreedte die van 3 tot 4,4 m varieerde. Gelegen in de hoek gevormd door de burchtgracht en de Schelde, was deze meestentoren een uitdagende uiting van macht, niet alleen door zijn massief volume, maar ook door zijn nieuwe architectuur. De glorietijd van de donjons kwam immers pas later in de 11de en 12de eeuw!

Het bijzondere prestige dat de burcht genoot, stoelde voor een belangrijk stuk ook op de residentiële zaalbouw die centraal in de burcht was opgetrokken. De constructie in Doornikse kalksteen was binnenin 40 bij 10 m groot, bezat hoogstwaarschijnlijk een verdieping en bestond oorspronkelijk uit een zaal en een kapel. In dit gebouw - het stenen prestigesymbool van het markgraafschap - grepen de officiële ontvangsten plaats, werden bestuurszaken afgehandeld en gebeurde de rechtspraak. Later werd er een woonkamer voor burchtheren bijgebouwd. De opgravingen werpen ook een licht op het leven van de adel. Zo leert het keukenafval ons wat er werd gegeten. Maakte varkensvlees de hoofdmoot van de vleesconsumptie uit, dan was ook wild (bruine beer, edelhert, kraanvogel, ever) op het menu vertegenwoordigd. Dit laatste had uiteraard te maken met het jachtprivilegie dat enkel de adel toekwam. Ceramiek uit het Rijnland en het Maasgebied, zeevis waaronder walvis en zeeschildpad, en bouwstenen uit Doornik wijzen dan weer op handelsrelaties waarover de geschreven bronnen met geen woord reppen.

Ondanks de belangrijke informatie die de archeologie voor de kennis van de burcht bijbracht, waren de onderzoeksomstandigheden ver van ideaal. Tijdens de jaren veertig werd de versterkingszone immers grondig verstoord door uitgravingen voor een steenbakkerij. Gelukkig is het anders gesteld met het archeologisch areaal dat ten zuiden bij de versterking aansluit. Daar ligt het deel van de portus met het Sint-Salvatorskerkje, waarboven in 1063-1070 de benedictijnenabdij opgericht werd. Hier kan grondig onderzoek worden verricht omdat het terrein, na de afbraak van de kloostergebouwen in de loop van de 19de eeuw als wei- en akkerland gebruikt werd. Tot nu toe richtten de opgravingen zich op het kloostercomplex. Tussen en onder het drukke muurwerk vinden we de restanten van de handelsnederzetting terug. Volledige gebouwplattegronden konden we nog niet intekenen omwille van de bovenliggende abdijconstructies. Wel is duidelijk dat het vroegmiddeleeuwse terrein opgesplitst was in percelen die door grachten van elkaar gescheiden waren. Binnen deze wooneilanden komen houten gebouwen voor (huizen en bijgebouwen). Er zijn aanduidingen voor artisanale werkzaamheden en landbouwactiviteiten. Tijdens de komende jaren zal het onderzoek zich richten op de terreinen buiten de abdijgebouwen, waar we hopen intacte gedeelten van de portus aan te treffen, waaronder de haven.

 

Het museum dat centraal tussen beide groene dorpspleinen ligt, zal vanaf 1997 de geschiedenis van Ename late herleven. De Sint-Laurentiuskerk, een merkwaardig getuigenis van de Ottoonse geschiedenis, geeft het museumverhaal een authentiek decor.

 

In Ename bleef een belangrijk en gevarieerd monumtenbestand bewaard.
1. Een 8 ha grote archeologische site met de grondvesten van de vroegmiddeleeuwse burcht (vooraan), de handelsnederzetting en de benedictijnenabdij (achter de spoorweg).
2. De Sint-Laurentiuskerk. Het is het enige gebouw in opstand dat uit de Ottoonse periode dateert.
3. Het historisch landschap Bos t 'Ename.


Een algemeen gezicht op de abdijgrondvesten (zie ook blz. 44).
1. de Sint-Salvatorskerk;
2. de binnenkoer waarrond de pandgang en de vleugels van het kloosterpand liggen;
3. de abtswoning;
4. de artisanale sector;
5. de infirmerie;
6. de kapel die tot priorij werd omgebouwd.

 

Tijdens het vooronderzoek van de Sint-Laurentiuskerk werd een uiterst merkwaardige muurschildering ontdekt: een Majestas Domini waarvan de vormgeving naar een Byzantijnse oorsprong verwijst en de uitvoeringstechniek uniek is voor onze streken. C14-analyse dateert deze Tronende Christus in het eerste kwart van de 11de eeuw. Linda Van Dijck restaureerde de muurschilderingen in opdracht van de Afdeling Monumenten en Landschappen.

 

Van het klooster zelf werden reeds vier vijfden van het totale bestand opgegraven. De abdij heeft een klassieke plattegrond. Enkel de ligging van het kloosterpand ten noorden van de kerk is minder gebruikelijk. De periodes van bloei en verval die we uit de teksten aflezen, vertalen zich ook in de bouwactiviteiten. Zo werd het 11de-eeuwse kloosterpand tijdens de voorspoedige 12de en 13de eeuw twee keer volledig afgebroken en herbouwd, richtte men tijdens die periode een infirmerie met pandgang op en legde men de grondslag voor een complex areaal met bedrijfsgebouwen. Na de sloping van een groot deel van het klooster in de tweede helft van de 16de eeuw, deed zich in de 17de eeuw een krachtige heropleving voor. Een statige abtswoning, waarvan de plattegrond een drukke voorgeschiedenis verraadt, staat als het ware symbool voor deze riante fase in de abdijgeschiedenis.

Zoals we reeds voor de burcht aantoonden, poogt het archeologisch-historisch onderzoek - waar mogelijk - ook de gebouwen uit de portus- en de abdijfase in een zo ruim mogelijke context te duiden. Ze worden steeds beschouwd in hun relatie tot de mens die ze ontwierp en gebruikte. Ook de omgeving waarin ze ingeplant zijn, wordt vanuit diverse invalshoeken bestudeerd. Zo leveren bijvoorbeeld dierlijke en plantaardige resten uit grachtvullingen, afvalkuilen en latrines belangrijke informatie voor de reconstructie van het leefmilieu. Bij de "doorlichting" van het gebouwenbestand is het, zeker voor die constructies die boven het gewone uitstijgen, een intrigerende vraag wat de eigenlijke betekenis is van het architecturaal concept waarin de uitvoering gebeurde. Vaak ontbreken echter significante gegevens op archeologisch, historisch of monumentaal vlak om hierop een afdoend antwoord te geven.

In Ename is dat gelukkig niet het geval. Daar staat nog een monument recht dat ons op zeldzame wijze binnenvoert in de denkwereld van een vroegmiddeleeuwse bouwheer: de Sint-Laurentiuskerk. Het gebouw is des te merkwaardiger omdat pas onlangs "ontdekt" werd dat het hier om een van de best bewaarde vroegmiddeleeuwse kerken van ons land gaat. De Sint-Laurentiuskerk bevindt zich in het dorpscentrum van Ename. Naar aanleiding van verstevigingswerken aan de toren werden door het I.A.P. in samenwerking met het Bestuur voor Monumenten en Landschappen enkele controlesleuven getrokken. Dit vormde de aanzet tot een diepgaande studie waarbij archeologisch, historisch, bouwhistorisch en iconologisch onderzoek gekoppeld werd aan natuurwetenschappelijke dateringstechnieken (dendrochronologie, C14-analyses) en materiaalstudie. De resultaten van dit multidisciplinaire onderzoek waren dermate belangrijk dat de restauratieoptiek van de kerk erdoor bepaald werd. De constructie is uit meer dan één oogpunt relevant.

Opgestart als een eenbeukige kerk met vlak afgesloten koor schakelde men op een bepaald ogenblik (in welke fase?) over naar een basilicaal bouwschema met aan weerszijden van het schip een koor. Vooral de oostelijke koorpartij met haar twee altaarverdiepingen, dubbel gelede wanden en rijke lichtinval is opmerkelijk. De architecturale ornamentiek binnenin wordt gedomineerd door blindbogen die de wanden van beide koren sterk ritmeren. De kerk werd vermoedelijk omstreeks 1000 gebouwd onder de zoon van Godfried de Gevangene, Herman van Verdun. Van uitzonderlijke waarde zijn de nog bewaard gebleven middeleeuwse interieurelementen, zoals graffiti en muurschilderingen. Onder die laatste neemt een Majestas Domini in frescotechniek een speciale plaats in. De schildering dateert uit het eerste kwart van de 11de eeuw, toen Herman van Verdun over Ename regeerde, en werd in een Byzantijns geïnspireerde vormentaal uitgevoerd.

Op zich zijn dit alles uiteraard reeds belangrijke gegevens. Maar er is meer. De iconologische studie van het gebouw werpt een licht op de diepere beweegredenen die de opdrachtgever dreven om de Sint-Laurentiuskerk haar specifieke karakter te geven. Dat in het opstellen van het bouwprogramma gevoelens van plichtsbewustzijn en trouw aan het keizerlijke huis een essentiële rol speelden, was misschien nog de meest verrassende ontdekking. Ten tijde van Herman van Verdun werd er strijd geleverd om de grens tussen het Franse koninkrijk en het Duitse keizerrijk. Ename nam daarbij een strategische positie van eerste orde in. Een historische tekst stelt het heel duidelijk: Ename moest tegen vijandelijke aanvallen standhouden "voor de stabiliteit van het rijk en trouw aan de keizer". Om die trouw te symboliseren, koos Herman van Verdun voor een schema dat de directe band van de opdrachtgever met het Rijksgezag moest duidelijk maken. De aanwezigheid van een oost- en een westkoor herinnert aan de grote rijkskerken. De blindbogen zijn als architecturaal motief ontleend aan de bouwwerken in Ravenna, de ankerplaats van de Ottoonse keizers in Italië. Ook de patroonheilige, Sint-Laurentius, verwees naar de ideologie van de keizer. Om het elitaire van de constructie nog scherper naar voren te brengen, werd voor de beschildering van het interieur een beroep gedaan op kunstenaars van topniveau, die in Byzantijnse stijl werkten. Dit alles maakt dan ook dat de Sint-Laurentiuskerk een monument is dat, als stenen merkteken van keizerstrouw, nog op unieke wijze aan het Ottoonse verleden herinnert.

De verrassende resultaten van het vooronderzoek determineerden de keuzes die voor de restauratie werden gemaakt. Essentiële gegevens zijn uiteraard de uitstekende bewaringstoestand van de oorspronkelijke architectuur en het uitzonderlijke bouwconcept, waardoor de bidplaats in het Vlaamse kerklandschap een exceptionele plaats inneemt. De herkenbaarheid en de originaliteit van de vroegmiddeleeuwse bouw verantwoorden dan ook de optie om de centrale as van de kerk in haar primitieve vorm te herstellen. De zijbeuken behouden de latere ingrepen. Dit restauratieconcept werd door de Europese Commissie in 1995 erkend als modelproject met het oog op de instandhouding van het Europees architectonisch erfgoed.

 

De behoudswerken aan het Enaamse patrimonium beperken zich niet tot de Sint-Laurentiuskerk. Ook de opgegraven abdijgrondvesten worden geconsolideerd en aldus voor de toekomst beveiligd. Beide monumenten kaderen in een ruim en innoverend museologisch programma dat te Ename op initiatief van historicus Jean-Pierre Van Der Meiren opgezet wordt. Dit project voorziet de uitbouw van een archeologisch-historisch museum en een archeologisch openluchtpark. Het museum, een realisatie van het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, wordt ondergebracht in een 19de-eeuwse woning met atelier en tuin, vlak naast de Sint-Laurentiuskerk. De bedoeling is de bezoekers te confronteren met een aantal tijdsdoorsneden waarin de evolutie van het leven in Ename geprojecteerd wordt tegen de materiële achtergrond van zijn monumenten en zijn historisch landschap. Belangrijk in dit verband is de directe nabijheid van de Sint-Laurentiuskerk en het "Bos t'Ename". De opening van dit museum wordt gepland in de lente van 1997.

In de brede Scheldebocht die de site eertijds omsloot - thans is een groot gedeelte van de meander gedempt of gekanaliseerd - komt het openluchtmuseum. Aan de uitbouw van dit park werken de provincie Oost-Vlaanderen en de Stad Oudenaarde gezamenlijk mee. Net zoals bij het museum in het dorpscentrum het geval is, staat het I.A.P. in voor de wetenschappelijke verantwoording van het geheel. De geconsolideerde abdijgrondvesten zullen uiteraard een van de bijzondere blikvangers vormen. Tegen een kleurrijk decor van heraangelegde kloostertuinen en afgelijnd door het grijze watervlak van herstelde grachtenstelsels, vormt het areaal met de resten van gebouwen immers het concrete referentiepunt bij uitstek voor het abdijverleden van Ename.

Bij de ontsluiting van het monument stelt zich echter een probleem dat voor de meeste archeologische sites geldt, namelijk dat van de begrijpelijkheid. Omwille van de complexiteit en het ontbreken van bovenstructuren heeft de bezoeker immers de grootste moeite om oudheidkundige resten te begrijpen. Nog moeilijker kan hij zich een concreet beeld van het monumentenbestand vormen. Om hieraan te verhelpen poogt het archeologisch park Ename een oplossing aan te reiken met nieuwe presentatietechnieken die hoofdzakelijk op spitstechnologie steunen. De uitwerking van het basissysteem gebeurt door John Sunderland, een designer met internationale faam. De bedoeling is, met behulp van interactieve programma's en virtuele realiteit, boven de materiële werkelijkheid van de muurresten reconstructiebeelden van de gebouwen te schuiven. Het monumentaal verleden komt aldus concreet tot leven zonder dat aan het erfgoed zelf dient geraakt te worden.

Onder de abdijniveaus strekken zich de archeologische lagen van de portus uit. Om die vroegmiddeleeuwse fase te evoceren, zullen onder andere enkele houten gebouwen van de handelsnederzetting op ware grootte worden heropgericht. Hopelijk zal het daar echter niet bij blijven. Het "Europese moment" in de geschiedenis van Ename maakt het immers verantwoord verder te gaan dan die enkele reconstructies en een lokale duiding van het pre-stedelijke gebeuren. Een breder gezichtsveld opent zich wanneer men zich realiseert dat ten tijde van het Ottoonse Ename de drie middeleeuwse standen voor het eerst in geschriften klaar omschreven werden: zij die strijden, bidden en werken. Die drie klassen zijn in het Enaamse erfgoed goed aanwijsbaar. De archeologische herkenbaarheid van die maatschappelijke ordening in een site met internationale draagkracht, vormt dan ook de aanzet om de sociale gelaagdheid van het middeleeuwse leven te situeren in een Europees archeologisch-historisch kader. In het buitenmuseum zou een Archeo-Historium - een interpretatiecentrum waar onderzoeksresultaten naar het publiek toe vertaald worden - dit verhaal kunnen brengen. Om die geschiedenis zo volledig mogelijk uit te schrijven, zal een samenwerkingsverband met andere Europese onderzoekscentra noodzakelijk zijn. Om die geschiedenis bovendien ook zo concreet mogelijk weer te geven, zullen de archeologie en haar steunwetenschappen de blijvende pijlers moeten zijn.

 

Geen onderaardse vluchtgangen, maar gewelven van rioleringen.

 

 

DE VOLLE MIDDELEEUWEN

De verdwenen Sint-Michielsparochie in de "Verdronken Weiden" te leper
door Marc Dewilde en StephanVan Bellingen

Opgravingen buiten de huidige leperse vesten lijken op een eerste gezicht niet direct tot het domein van de stadsarcheologie te behoren. Toch is het tegendeel waar. De stad leper besloeg in de late middeleeuwen immers een veel grotere oppervlakte. Dit uitgestrekte gebied was in de 14de eeuw zelfs door een vestinggordel verdedigd. Het zuidelijke gedeelte van de stad werd toentertijd ingenomen door de Sint-Michielsparochie, die zich, net als de andere drie buitenwijken, langs enkele verkeersassen ontwikkeld had. In dit geval betrof het de Ieperlee, de Komenstraat en de Zuidstraat (nu Rijselstraat). Enkele secundaire straten verbonden deze hoofdassen. De Sint-Michielsparochie is al vóór 1249 vermeld. De bloeiperiode moet evenwel van 1275 tot 1350 worden gesitueerd. Toen de stad in 1383 door Engelsen en Gentenaars belegerd werd, werden de buitenwijken onder de voet gelopen en nooit meer heropgebouwd.

Het is een zeldzaam gegeven in het dichtbevolkte Vlaanderen dat een grote, open ruimte rechtstreeks aansluit op de historische binnenstad. Dit heeft alles te maken met de ingrepen van de Franse vestingbouwkundige Vauban in het laatste kwart van de 17de eeuw, waardoor het gebied onder water gezet kon worden. Dit bracht ook mee dat deze zone later nooit overbouwd raakte. Dat alsnog archeologisch onderzoek plaatsvindt, werd door de aanleg van een spaar- en wachtbekken genoodzaakt.

Het historisch onderzoek dat naar aanleiding van de opgraving werd heropgestart door O. Mus, toonde aan dat de wijk bevolkt was door ambachtslui. Meer dan drie kwart van hen was actief in de lakennijverheid. Uit een document van 1280 blijkt dat een vijfde van de leperse "drapiers" in deze parochie woonde. Archeologisch onderzoek kon dit beeld verder verfijnen en inkleuren. Substructies van eenvoudige huizen en ateliers bevestigen de idee van een artisanale wijk. Een laat 13de-eeuwse herenwoning laat evenwel doorschemeren dat in de wijk ook enkele rijke huizen stonden. Allerlei afval zoals loodstrips, ijzerslakken, slecht gegoten penningen en leersnippers wijzen op metaalbewerking en leerlooierij. Andere structuren, zoals ovenvloeren of al dan niet beschoeide kuilen, zijn zo weinig specifiek, dat ze niet met een of andere definieerbare activiteit geassocieerd kunnen worden. De verschillende bewerkingen binnen de productie van laken of een andere artisanale bedrijvigheid, zijn dan ook moeilijk toewijsbaar. De eerste resultaten van parasitologisch en botanisch onderzoek wijzen evenwel toch op lakennijverheid. Zowel het scheren, het kaarden als het verven van de wol wordt erdoor bewezen. Misschien zullen andere fasen in het proces, zoals het vollen, door chemische analyses aanwijsbaar worden.

In tegenstelling tot de bewoning in de eigenlijke stad, kan hier van een losse bebouwing worden gesproken. De huizen zijn niet tegen elkaar aangebouwd maar staan verspreid langs de straat. Er is dikwijls zelfs voldoende tussenruimte voor de inplanting van ateliers. Woon- en werkruimten zijn doorgaans in afzonderlijke gebouwen ondergebracht. Zowel huizen als ateliers staan nu eens met de korte, dan weer met de lange zijde naar de straat georiënteerd. De gemiddelde oppervlakte van de huizen schommelt rond de 55 m2. Het zijn hout- of vakwerkconstructies, gemonteerd op een bakstenen sokkel. Ongeveer centraal ligt een bakstenen haardplaat. De ateliers zijn lichter van constructie en vertonen ook open gedeelten, waarbij de pijlers op peren rusten. De ovenvloeren bestaan uit pannen of aardewerkscherven. Aan weerszijden van de straten lopen sloten, waarover bruggetjes liggen. Een historische bron uit 1326 vermeldt het kasseien van een straat. Via het archeologisch onderzoek zijn ook steenslag en ijzerzandsteen als wegdek gedocumenteerd.

Het dagelijkse leven is in ruime mate in het vondstenmateriaal weerspiegeld. Vele aspecten komen daarbij aan bod. Honderden munten wijzen op talrijke handelscontacten en een bruisend economisch leven. Uitbetaling voor gepresteerd werk gebeurde met penningen. Lakenloodjes met verschillende opdrukken wijzen op de strenge reglementering waaraan de lakenproductie onderworpen was. Zegelstempels en schrijfstiften ademen de sfeer van handelstransacties uit. Verlichtingselementen, gebruiksaardewerk, messen en houten kommetjes roepen huiselijke taferelen voor de geest. Een intacte houten deur, nokversieringen, ingegraven aspotten, enz. belichten de aankleding van de huizen. Bot-, vis- en fruitresten illustreren de eetgewoonten. Kammen en spiegeltjes komen niet zo vaak voor; dit laat veronderstellen dat het hygiënisch besef van de modale leperling in de late middeleeuwen niet zo groot was. Spelen deden de kleintjes toen al met in miniatuur uitgevoerde gebruiksvoorwerpen of tinnen soldaatjes. Speelschijfjes en -koten waren ongetwijfeld bestemd voor de ouderen. Pelgrimsinsignes en -ampullen wijzen op boetetochten tot in Italië of Spanje. Gespen, gordelbeslag, schoenen en beurzen verschaffen gegevens over de kledij. Allerlei wapentuig, zoals dolken, een helm, pijlpunten, enz., getuigt van minder vredelievende bezigheden. Uiteenlopende gebruiksvoorwerpen zoals hamer, boor, dissel, zaag vertellen over de zoveelste huishoudelijke klus.

Ook de afwezigheid van sommige elementen kan bepaalde implicaties hebben. Het ontbreken van beerputten bevestigt dat we inderdaad niet zo'n hoge hoed hoeven op te hebben van de dagelijkse hygiëne. Vooralsnog werden ook geen waterputten gevonden. Historische bronnen rapporteren wel over loden drinkwaterleidingen vanaf de vestinggracht. Mogelijk was het grondwater te vervuild om waterputten aan te leggen en werd de drinkwatervoorziening georganiseerd vanuit een gedeelte van de vestinggracht, dat men dan ook niet liet vervuilen.

Het moet duidelijk zijn dat de studie van de enorme hoeveelheid vondsten en van de vele structurele resten zal toelaten een indringend beeld op te hangen van leven en werken in een laatmiddeleeuwse ambachtelijke wijk.

 

Detail van een 17de-eeuwse gravure door Guillaume du Tielt.
Voorgesteld wordt het beleg van leper in 1383, vermoedelijk gebaseerd op een verdwenen eind 14de-eeuws document.
Het leger trekt de Sint-Michielsparochie binnen. Stedelijk Museum leper


Vereenvoudigd plan van de opgegraven sporen.
1. Uiterste veste; - 2. Komenpoort; - 3. Komenbeek; - 4. Komenstraat; - 5. Oostelijke gracht; - 6. Perceelgreppels; - 7. Woonhuizen; - 8. Groot vierkant gebouw; - 9. Ateliers; -
10. Artisanale kuilen.

 

De rand van de Komenstraat.
Een strook kasseien en de beschoeiing van de bermsloot bleven bewaard.


Ook in de middeleeuwen speelden kinderen met tinnen soldaatjes.

 

 

Walraversijde, een verdwenen middeleeuws vissersdorp nabij Oostende
door Marnix Pieters

Sinds april 1992 wordt door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (I.A.P.), het provinciebestuur van West-Vlaanderen en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (V.D.A.B.), uitvoerig archeologisch onderzoek verricht naar het verdwenen laatmiddeleeuws vissersdorp "Walraversijde". Van dit op het voormalige kusteiland Testerep gesitueerde vissersdorp is tot nu toe ongeveer 0,75 ha in detail onderzocht. Hierbij werd een 15-tal gebouwplattegronden geheel of gedeeltelijk vrijgelegd. Deze gebouwen en hun geassocieerde infrastructuur daterend uit de 15de eeuw, zijn ingeplant op drie zogenaamde wooneilanden, die van elkaar gescheiden zijn door een 3 tot 4 m brede gracht.

In de gebouwen, die overwegend NO-ZW zijn georiënteerd, is een basismodule te herkennen. Deze bestaat uit een rechthoekig geheel van 11 tot 13 m lang en 5 tot 6 m breed, dat op zijn beurt is opgedeeld in een grote en kleinere ruimte van respectievelijk 7 tot 9 en 3 tot 4 m lengte. In de grote ruimte werd waarschijnlijk gewoond. De verwarmingsvoorzieningen bevinden zich in elk geval meestal in dit gedeelte. Het betreft enerzijds de sokkels waarop de oven of de kachel geplaatst was en anderzijds ingegraven doofpotten en kuiltjes gevuld met as.

Bij een van de grootste gebouwen was een vierkante latrinekoker aangemetst. Dit was de enige gemetste latrine van de onderzochte zone. De bewoners van dit huis beschikten ook over een kleine ronde ingegraven bakstenen structuur die waarschijnlijk een koelruimte was. Van de aangegraven gebouwen zijn er slechts twee die opvallen door hun oppervlakte. Als beide bovendien ook over comfortverruimende structuren beschikken, ligt het voor de hand deze gebouwen toe te wijzen aan de best bemiddelde bewoners van de onderzochte zone. De gebouwen zelf waren waarschijnlijk opgetrokken in hout, bovenop een sokkel in baksteen, en afgedekt met galigaan, een eertijds in de natte duinvalleien veelvuldig voorkomend cypergras dat hiervoor geschikt was. Tussen de gebouwen zijn op diverse plaatsen de druipsporen van het dak teruggevonden, waarlangs het regenwater wegstroomde naar het grachtenstelsel of naar een van de grote in het terrein aanwezige depressies.

Behalve allerlei afval- en andere kuilen, zijn ook reeds heel wat tonwaterputten onderzocht. Het betreft waterputten waarvan de bekisting is opgebouwd uit boven mekaar geplaatste bodemloze eiken vaten. Deze voor de toenmalige bewoners vitale structuren zijn ook van kapitaal belang voor het archeologisch onderzoek. Niet alleen leveren zij via het jaarringenonderzoek van de eiken duigen een zeer precieze datering, maar tevens verschaffen ze heel wat vondsten in organisch materiaal, die anders boven de grondwatertafel nooit bewaard zouden zijn. Bovendien bieden deze voor de kuststreek typische waterputten een inzicht in het omringende landschap. De talrijke loopkevers die er immers in terecht zijn gekomen toen de putten nog in gebruik waren, tonen aan dat ze zich in een met gras begroeide omgeving bevonden.

In het grondplan vallen twee grote kuilen op. De meest oostelijke ervan, minstens 40 bij 18 m, is minstens aan twee zijden omgeven met gebouwen. Uit het onderzoek is gebleken dat het grote veenwinningskuilen zijn, die na het stopzetten van de ontginning als stortplaats werden herbruikt. Na het uitgraven van de ongeveer 1 m dikke veenlaag bleven lichte, vochtige depressies in het landschap over die geleidelijk aan werden opgevuld met allerhande afval en door de wind aangebracht duinzand.

De mobiele vondsten tonen aan dat de leefgemeenschap toegang had tot allerlei producten die erop wijzen dat hun socio-economische positie waarschijnlijk iets boven die van de gemiddelde plattelandsbewoner uitstak. Niet alleen is er de consistente aanwezigheid van importaardewerk als Rijnlands steengoed en Spaans-Moorse majolica, maar bovendien werden ook reeds verschillende kammen in ivoor aangetroffen. In dit kader past ook de recente vondst van een benen brilmontuur. Benen brillen zijn in de late middeleeuwen vrij dure objecten, onder meer omwille van de lange tijd die hun productie in beslag nam. Ook andere gegevens tonen aan dat Walraversijde opgenomen was in het netwerk van de toenmalige internationale handel. Er zijn houten pekelvaten uit de streek van Gdansk (Polen), natuursteen van de Oostkust van Engeland, steenkool uit Newcastle-upon-Tyne (Engeland) en een schelp (Charonia nodifera) uit het Middellandse-Zeegebied.

Het onderzoek toont verder ook aan dat de bewoners van Walraversijde wel degelijk belang hechtten aan hygiëne en niet de traditionele vuilikken waren, waarvoor men de middeleeuwer gewoonlijk aanziet. In waterputten waarvan de bodem vervuild was, werd regelmatig een laag filterend zand aangebracht, zodat men opnieuw een tijd zuiver water kon putten. De woningen en hun omgeving werden regelmatig gebezemd zoals sommige kuilvullingen en de aanwezigheid van bezems suggereren.

De site Walraversijde levert ook heel wat dierlijk en plantaardig materiaal. De natte kalkhoudende klei vormt immers een ideaal bewaringsmilieu voor dit soort resten. Naast het klassieke spectrum van dierlijk bot (rund, schaap of geit en varken) zijn visresten uiteraard zeer goed vertegenwoordigd. Onder de reeds gedetermineerde zeevissoorten vindt men haring, platvissen, schelvis, kabeljauw, wijting, stekelrog, haai en tonijn. De collectie zeevis kenmerkt zich door de aanwezigheid van zowel ondermaatse vis, als rariteiten zoals haaien. Deze vaststellingen passen in een op de markt gerichte vissersgemeenschap die voor zich houdt wat men minder gemakkelijk kwijt kon.

 

Een overzicht van de opgravingen, die nu evenwel opnieuw bedolven zijn.
Te zien zijn de grondvesten van de gebouwen 3, 4 en 5 uit het grondplan.

 

Een tonwaterput uit de 15 de eeuw.
De eiken vaten zijn vervaardigd uit hout uit de omgeving van Gdansk (Polen).


Tijdens de opgravingen.

 

Vereenvoudigd grondplan van de opgegraven 15de-eeuwse woonzone van Walraversijde met de plattegrond van de gebouwen (rood) en de lokalisatie van twee grote veenwinningsputten (bruin).

 

 

STADSARCHEOLOGIE

Van vel tot leer: Brugse leerlooiers tijdens de middeleeuwen
door Bieke Hillewaert

Niettegenstaande de talrijke literatuur over het artisanaat tijdens de middeleeuwen, is de bijdrage van de archeologie op dit domein meestal gering. Ambachtslieden hebben immers nauwelijks sporen in de bodem achtergelaten. Uitzondering vormen die ambachten die hetzij over een vaste installatie beschikten die in de bodem is bewaard, hetzij grote hoeveelheden herkenbaar afval hebben geproduceerd, of beide.

Te Brugge kon naar aanleiding van grootschalige graafwerken langs de Eekhoutstraat en de Garenmarkt, heel wat informatie worden ingezameld over het looien van huiden tijdens de late en post-middeleeuwen. Uit de geschreven bronnen is bekend dat een grote groep leerlooiers hun woon- en werkterrein had in de omgeving van de Eekhoutstraat. Historisch onderzoek heeft aangetoond dat reeds voor 1300, maar vooral gedurende de 14de en 15de eeuw, het hoofdkwartier van de leerlooiersindustrie hier gevestigd was. Evenals andere milieuhinderende ambachten vestigden de leerlooiers zich in de 13de eeuw aan de buitenzijde van de toenmalige stadsomwalling. Onmisbaar voor het looien van huiden was de aanwezigheid van stromend water, in dit geval een aantal Reienarmen, zoals de Eekhoutrei en de Houtrei.

De archeologische gegevens omvatten in de eerste plaats de materiële uitrusting van de leerlooiers, namelijk de vaste installaties, zoals de houten kuipen, bedoeld als preparatie- en looibaden, en het losse gereedschap. De kuipen die teruggevonden werden, zijn doorgaans ronde houten vaten met bodem. Ze hebben een diameter die varieert tussen ca. 80 cm en meer dan 2 m. De hoogte van de houten kuipen was moeilijk na te gaan vermits de bovenzijde van de kuip hetzij weggerot was, hetzij reeds machinaal afgegraven was, vooraleer enige opmetingen konden worden gedaan. In veel gevallen was de kuip uitgebroken en wellicht als brandstof gerecycleerd, waardoor enkel nog een negatief spoor overbleef.

De verspreiding van de kuipen over het terrein heeft wellicht te maken met de organisatie van de leerlooiersactiviteiten. Het lijkt logisch te veronderstellen dat de kuipen op een soort binnenplein geplaatst waren, eventueel onder een of andere vorm van afdak, met goede verluchtingsmogelijkheden. Over de woningen en eventueel winkels van de leerlooiers kon geen informatie worden verkregen.

In een van de kuipen werden enkele werktuigen gevonden die vermoedelijk thuishoren in het leerlooiingsproces. Een eerste voorwerp is een smeedijzeren haak die aan een stok bevestigd was en waarmee mogelijk de huiden in de kuipen werden bewogen of eruit werden gehaald. Daarnaast werd er een schraapijzer aangetroffen. Dit instrument, een lang gebogen mes met ijzeren lemmer en twee vermoedelijk houten handvatten, dat op een gebogen ondergrond, een looibok, werd gebruikt, diende om de huiden af te schrapen, ze te zuiveren van vet en vleesrestanten en ze uit te persen. Ook werden een aantal zware stenen teruggevonden, die gebruikt werden als gewichten om de huiden in de kuip onder de vloeistof te houden.

Een volgende vondstencategorie die bij het archeologisch onderzoek aan het licht kwam, is het afval van het leerlooiingsbedrijf. Bijzonder opvallend zijn de duizenden hoornpitten waarmee een aantal afgedankte leerlooierskuipen, maar ook enkele kuilen, gevuld waren, of die her en der over het terrein verspreid lagen. Het is bekend dat aan de huiden die de leerlooiers toekregen nog de hoorns en een deel van het schedeldak van het geslachte dier vastzaten. Misschien dienden de hoorns als garantiemerk of om een indruk te geven van het geslacht en de ouderdom van het dier. De hoorns en de staart en vermoedelijk ook de poten werden vrijwel zeker voor het looiproces verwijderd.

Merkwaardig is dat er in de oudste contexten, te dateren in het midden van de 13de eeuw, runder-én geitenhoornpitten te vinden zijn, terwijl vanaf de 14de-15de eeuw nog enkel runderhoornpitten voorkomen. Technisch gezien was het mogelijk om ook schapen- en geitenhuiden te looien met echter een mindere kwaliteit leder als resultaat. Het is mogelijk dat de reglementering van het ambacht tijdens de 13de eeuw nog minder streng was en dat zowel runder-, als schapen- en geitenhuiden werden gelooid. De aanwezigheid van verschillende paardenschedels doet trouwens veronderstellen dat er ook paardenhuiden werden gelooid.

Een volgend afvalproduct is de kalk. In enkele kuipen werd een witachtige slecht riekende substantie aangetroffen waarin duidelijk brokken kalk voorkwamen. In andere kuipen bevond zich op de bodem, onder ander afval, een aangekoekte kalklaag. Een mengsel van kalk en water diende om het haar en de opperhuid van de huiden te verwijderen. In de omgeving van de Eekhoutstraat en de Garenmarkt werd ook run of gemalen eikenschors aangetroffen. Ten gevolge van de chemische inwerking van de run verandert de huid in leer. De gemalen eikenschors werd in de kuipen tussen de te looien huiden gelegd en daarna werd er water aan toegevoegd. De restanten - een soort donkerbruine pulp - zijn overal te vinden: in de kuipen, rond de kuipen — sommige waren er zelfs in ingegraven - en als opvulling van grachten of depressies.

Ten slotte werden tussen de eikenschors af en toe ook lappen gelooid leder gevonden. Vermoedelijk gaat het om afgescheurde fragmenten die in de kuipen waren achtergebleven. Af en toe werden ook leerfragmenten aangetroffen die mogelijk afschraapsels van de binnenzijde van de huid zijn. Ze doen zich voor als concentraties uitgerafeld vellerig materiaal waaruit geen enkele vorm af te leiden valt. Plukken haar kunnen afkomstig zijn van de huid of eventueel van de staart van de dieren.

Een heel uitzonderlijk geval vormt één kuip die onderaan een pakket lederresten bevatte. Het betreft de afgesneden zijkanten - met de aanzetten van de poten - en de kopstukken van een groot aantal huiden. Hieruit kan worden afgeleid dat er uit de huiden een grote lap werd gesneden die dan verder werd behandeld.

Al lijkt de informatie die op de werven aan de Eekhoutstraat en de Garenmarkt gesprokkeld kon worden, op het eerste zicht overvloedig, toch mag niet uit het oog worden verloren dat veel meer onopgemerkt verloren is gegaan. Bij gebrek aan middelen was het onmogelijk de bedreigde terreinen systematisch op te graven voor de aanvang van de bouwwerken. De waarnemingen werden verricht tijdens het uitgraven van de bouwputten. Alle sporen die zich in de bovenste lagen bevonden - waaronder resten van de woningen en de ateliers van de leerlooiers - werden gewoon weggegraven. Wat in de ons omringende landen een uitzondering aan het worden is, blijft in Vlaanderen jammer genoeg nog steeds de regel.

 

Een afgedankte leerlooierskuip, gevuld met runderhoornpitten.

Met een schraapijzer werden de huiden afgeschraapt en uitgeperst.

 

 

 

Een klooster komt weer tot leven: Archeologisch onderzoek in de Antwerpse Sint-Pauluskerk
door Johan Veeckman

Antwerpen in de 13de eeuw. Aan de noordzijde van de stad bevond zich de Dries: een drassig en nat, laaggelegen terrein. Op deze zompige gronden, aan de rand van de stad, vestigden de dominicanen zich en startten met de bouw van een kerk en een klooster. Over de oorsprong en de vroege ontwikkeling van dit monastiek complex bleven maar enkele historische bronnen bewaard. Archeologisch onderzoek voegde een nieuw hoofdstuk toe aan het rijke verleden van dit belangrijk kloostercomplex. Medio 1995 begonnen in de kerk en de aanpalende kloostergebouwen de voorbereidende werkzaamheden voor de aanleg van een verwarmingssysteem. De graafwerken werden door de afdeling Opgravingen van de stad Antwerpen begeleid, waarbij al gauw tal van interessante archeologische gegevens aan het licht kwamen.


De voorganger van het huidige kerkgebouw
In het midden van de 13de eeuw startten de predikheren met de bouw van een klooster en een kerk, toegewijd aan Sint-Paulus, die volgens de bewaarde wijdingsoorkonde in 1276 in gebruik werd genomen. Over de exacte ligging en het uitzicht van kerk en klooster is weinig bekend. Tijdens het archeologisch onderzoek bleek dat de architecturale resten in de bodem van de huidige kerk bijzonder goed bewaard bleven. Onder de viering van het huidige gebouw werden zowel de noordelijke als de zuidelijke koormuur van de oorspronkelijke kerk teruggevonden. Van het 8 m brede koor in Doornikse kalksteen bleef, naast de funderingen, plaatselijk tot bijna drie meter opgaand muurwerk bewaard. Over de grootte en de vorm van het schip van de eerste Sint-Pauluskerk zijn noch historische, noch archeologische gegevens bekend.

 

Het oorspronkelijke klooster gelokaliseerd!
In het kader van de aanleg van het verwarmingssysteem werd ten noorden van de kerk, in de kelder onder de huidige sacristie, een technische ruimte voorzien. Bij de voorbereidende werkzaamheden kwamen belangrijke en zeer monumentale muren in Doornikse kalksteen te voorschijn. Ongetwijfeld gaat het hier om fragmenten van de oorspronkelijke kloostergebouwen uit de 13de eeuw, waarvan de juiste ligging tot op heden volstrekt onbekend is. In deze kloostermuur die te volgen is tot aan het koor van de eerste kerk, werden de resten van drie portalen aangetroffen. Eén ervan kan worden geïnterpreteerd als de oorspronkelijke toegang tot het klooster. In de bestaande keldermuur komen na gedetailleerd onderzoek de resten van een zeer goed bewaarde, geprofileerde omlijsting in natuursteen te voorschijn, met sporen van rode beschildering. In de huidige kerk, tussen het oorspronkelijk kloosterpand en de eerste kerk bevindt zich een derde, later toegevoegd portaal, mogelijk te interpreteren als de toegang vanuit het klooster naar de kerk. Dit portaal, waarschijnlijk te dateren op het einde van de 14de of in het begin van de 15de eeuw, is opgetrokken in baksteenmetselwerk dat bepleisterd en beschilderd werd. Een prachtig stuk gotisch beeldhouwwerk dat in de nabijheid werd aangetroffen, namelijk een kraagsteen met de afbeelding van een engel die een banderol in de hand houdt, is waarschijnlijk van dat portaal afkomstig.

 

Een nieuwe kerk wordt gebouwd
In het begin van de 16de eeuw kregen de plannen vorm om een nieuwe, grotere kerk te bouwen. In tegenstelling tot wat in andere kerken het geval is, begon men niet met de bouw van een nieuwe koorpartij, maar met het schip, waarvan het vloerniveau bijna 4 m hoger ligt dan in de eerste Sint-Pauluskerk. Terwijl de nieuwe kerk werd gebouwd, werd de oude systematisch afgebroken. Toch bleef het oude koor nog gedurende een aanzienlijke periode in gebruik. Het archeologisch bewijs hiervan wordt gevormd door tal van verbouwingssporen aan de 13de-eeuwse koorpartij, waardoor de continuïteit in het gebruik van de kerk wordt verzekerd. Pas als ook het nieuwe koor in de loop van de 17de eeuw voltooid was, verloor het oude zijn functie en werd het afgebroken. De resten van de 13de-eeuwse kerk verdwenen dan definitief onder de grond tot de archeologen uit de 20ste eeuw ze opnieuw blootlegden.

 

Kerk... maar ook begraafplaats
Zoals in al onze kerken is het ook in de Sint-Pauluskerk eeuwenlang de gewoonte geweest om mensen in de kerk te begraven, een praktijk waar pas op het einde van de 18de eeuw, onder het Oostenrijks bestuur, een einde aan kwam. Naast gewone grafkuilen werden in de kerk ook bakstenen grafkelders aangelegd, bestemd voor meerdere bijzettingen. Een aantal van deze grafkelders is reeds verstoord en opgevuld met bouwpuin of beenderen, enkele andere zijn nog intact, zodat de bijzettingen onderzocht kunnen worden. De gunstige bewaringsomstandigheden in enkele grafkelders zorgden voor een zeer goede conservering van organische materialen, zoals hout en textiel. In enkele gevallen is het hout van de doodskisten perfect bewaard, waardoor deze volledig kunnen worden gereconstrueerd. Bij enkele priestergraven werden ook zeer goed bewaarde textielresten verzameld, afkomstig van het ambtsgewaad waarin deze begraven zijn. Bij verschillende personen, zowel priesters als leken, worden resten van houten kruisbeeldjes en rozenkransen teruggevonden. Deze gegevens zorgen voor een belangrijke aanvulling van onze kennis over de begrafenisgebruiken in het verleden.

 

Een gotische kraagsteen met de afbeelding van een engel, waarschijnlijk afkomstig van het portaal tussen klooster en kerk.

Resten van de gesculpteerde omlijsting rond de toegang tot het 13de-eeuws klooster.

Een overzicht van de opgravingen vanuit de viering van de kerk.

 

 

 

Stadsarcheologie in Gent
door Marie-Christine Laleman

In Gent hebben de opgravingen in de oostelijke buitentuin van de Sint-Pietersabdij geleid tot het ontstaan van een Dienst voor Stadsarcheologie, die op 1 juni 1975 officieel werd opgericht. Net zoals in andere historische steden van Noordwest-Europa, waar stadsarcheologisch onderzoek wordt verricht, wordt ook in Gent totaliteitsonderzoek beoogd: de reconstructie van het Gentse verleden, vanaf de oudste pre-stedelijke occupaties op het grondgebied van Groot Gent tot aan de vorming van de moderne industriële grootstad.

De materiële sporen die in het bodemarchief of in het bestaande gebouwenpatrimonium kunnen worden geregistreerd, vormen steeds het uitgangspunt. De terreininterventies worden beïnvloed door de aantasting van het archeologisch erfgoed door infrastructuurwerken, nieuwbouw, restauraties of renovaties. Meestal worden de materiële sporen in samenhang met natuurwetenschappelijke inlichtingen en geschreven bronnen verder uitgewerkt en worden zo nieuwe hoofdstukken stadsgeschiedenis ge(re)construeerd. Rondom verscheidene projecten worden onderzoeksprogramma's opgezet, die tot doel hebben bepaalde thema's in een ruimer perspectief verder uit te werken. Dit leidt tot nieuwe vraagstellingen die de richting aangeven voor toekomstig terreinonderzoek.

Tot de onderwerpen die al nader konden worden uitgewerkt, behoren het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van de middeleeuwse stad, het ontstaan en de uitbouw van zowel de Sint-Pietersabdij als de Sint-Baafsabdij, de middeleeuwse stenen stadshuizen, de perceelsontwikkeling in de middeleeuwse stad, de verdediging van de stad van de 9de tot de late 17de eeuw, en zo veel meer. In het licht van die thematische onderzoeken kan men zich bijvoorbeeld ook afvragen wat de bijdrage was van de stadsarcheologie voor de kennis van de ziekenzorg in Gent. Verschillende projecten, gespreid over zo'n twintig jaar hebben gegevens in dit verband aangereikt.

 

Een gezicht op de opgravingen in de oostelijke buitentuin van de Sint-Pietersabdij, 1975.
(Archiefopname). In deze sector van de voormalige benedictijnerabdij werden onder meer de restanten van drie opeenvolgende abdij-infirmerieën en van de pitantie-priorij opgegraven. De oudere bodemsporen verschaffen inlichtingen over Gent in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen tot de heroprichting van de abdij na de Noormannentijd.

Zalfpotjes of albarelli in majolica afkomstig uit de infirmeriesector van de Sint-Pietersabdij

 

De opgravingen in de oostelijke buitentuin van de Sint-Pietersabdij brachten de restanten aan het licht van drie opeenvolgende abdij-infirmerieën. De oudste was opgebouwd met Doornikse kalksteen en moet van de 12de-13de eeuw dateren. Een tweede, kleiner infirmeriegebouw uit de 15de eeuw was opgetrokken in baksteen. Een derde ziekengebouw werd in de tweede helft van de 15de eeuw op dezelfde plaats gebouwd en kende verschillende aanpassingen in de 16de en 17de eeuw. Toen de infirmerie in 1761-1781 gesloopt werd en er op die plaats een imposante terrastuin werd aangelegd, werden heel wat gebruiksvoorwerpen ter plaatste achtergelaten. Het merendeel van het opgegraven materiaal lijkt gewoon gebruiksgoed. Daartussen bevonden zich ook geïmporteerde en versierde stukken. Voorwerpen zoals urinalen, medicijnflessen, distilleerkolven en distilleerhelmen verwijzen naar de infirmeriefunctie. Ook het grote aantal zalfpotten en kamerpotten kan met die functie verband houden. Mogelijk geldt dit ook voor een scheerbekken. In een hospitaal stond een barbier in voor het scheren, het knippen van het haar en het aderlaten. Of de grote hoeveelheid pijpen typisch zijn voor een dergelijke ziekenhuiscontext, blijft onzeker.

In het kader van een restauratie-opdracht konden de infirmerie en de brouwerij van het voormalige klooster van de geschoeide karmelieten, in het Patershol ten oosten van het Gravensteen, nader worden onderzocht. Deze infirmerie werd in 1658-1661 opgetrokken. De bakstenen constructie is kenmerkend voor de rijkere barokarchitectuur in de lage landen.

Het onderzoek van de stenen stadshuizen van middeleeuwse origine leidde tot gegevens over secundaire functies in deze gebouwen. Enkele begoede patriciërs stelden in de 12de-13de eeuw één van hun huizen ter beschikking voor de oprichting van een hospitaal. Materieel werden geen sporen teruggevonden die voor die tweede functie als typisch kunnen worden herkend. Dit geldt ook voor het huis van de familie Uten Hove naast de Sint-Michielskerk, waar kort voor 1204 het Mariahospitaal werd opgericht. Deze vroege godshuizen verdwenen immers na korte tijd en werden vervangen door instellingen die specifiek voor die functie werden opgetrokken.

Sedert 1990 wordt archeologisch onderzoek verricht in het Bijlokehospitaal. De grote middeleeuwse ziekenzaal werd gebouwd met Doornikse steen en bakstenen van groot formaat. Een imposante sporenkap overdekt de zaalruimte. Dendrochronologisch onderzoek van het hout wees uit dat het wellicht uit de Ardennen geïmporteerd werd en laat toe de afdekking van de zaal 1251-1255 te dateren. De archeologische bevindingen stemmen overeen met de geschreven inlichtingen, waaruit blijkt dat in 1228 werd besloten het Mariahospitaal van Onderbergen te verhuizen naar de Bijlokemeersen, toen nog buiten de middeleeuwse stad. Tussen 1265 en 1276, werd nabij de zuidwesthoek een rechthoekige kapel in Doornikse steen opgericht. Hoewel deze kapel later meermaals verbouwd werd, bleef de 13de-eeuwse structuur goed bewaard. Gedetailleerd muuronderzoek bracht de restanten aan het licht van een unieke wanddecoratie uit de late 13de of de vroege 14de eeuw. Ten oosten van de middeleeuwse ziekenzaal kon een tweede bouwvolume worden onderzocht. Het gaat om een bakstenen zaalgebouw dat in het begin van de 16de eeuw was opgetrokken. De verschillende hospitaalgebouwen lagen binnen een areaal dat door een muur was omgeven. Resten van de omheiningsmuur in Doornikse steen werden door opgravingen gelokaliseerd.

Dit beknopte overzicht geeft slechts enkele aspecten van wat stadsarcheologisch onderzoek over twee decennia voor een bepaald onderzoeksthema kan bijbrengen.

 

 

 

MUSEA
(Aangepast maart 2013)

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis
Jubelpark 10, 1000 Brussel, 02/741.72.11
Open: dagelijks van 9u30 tot 17u - gesloten op maandag

Provinciaal Gallo-Romeins Museum
Kielenstraat 15, 3700 Tongeren, 012/67.03.55
Open: dagelijks van 9 tot 17u - op zaterdag en zondag 14 tot 18u - gesloten op maandag

Provinciaal Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen
Paddestraat 7, 9620 Zottegem-Velzeke, 09/360.67.16
Open: dagelijks van 9 tot 12u en van 14 tot 17u - zaterdag en zondag 14 tot 18u.

Museactron
Lekkerstraat 5, 3680 Maaseik, 089/56.68.90
Open: 1 april tot 30 september 10 tot 17u - daarbuiten 10 tot 12u en 14 tot 17u - gesloten op maandag.

Intergemeentelijke Archeologische Dienst "Raakvlak"
Komvest 45, 8000 Brugge, 050/44.50.44 - Open tijdens de kantooruren

Cultureel Centrum van de Duinenabdij en de Westhoek
Koninklijke Prinslaan 8, 8670 Koksijde, 058/53.39.50 Open: dagelijks van 10 tot 18u.

 

Daarnaast vindt men ook archeologische verzamelingen in vele stedelijke, regionale en lokale musea zoals bijvoorbeeld: Stedelijk Museum Oud-Hospitaal, Aalst; Museum Vleeshuis, Antwerpen; Vleeshuismuseum, Dendermonde; Zuidwestbrabants Museum, Halle; Museum Kempenland, Lommel; Archeologisch Museum, Oudenburg; Stedelijk Museum, Sint-Niklaas; Stedelijk Museum "Het Toreke",Tienen; Stedelijk Museum Hof van Busyleyden, Mechelen; Archeologisch Sitemuseum, Werken (Kortemark).

Provinciaal Archeologisch Museum Ename
Lijnwaadmarkt 20, 9700 Oudenaarde-Ename, 055/30.90.40
Open dinsdag tot en met zondag 9.30-17u - Geleid bezoek duurt 2 uur.
Het Tijdsvenster in het archeologisch park is open van 1 april tot 31 oktober dinsdag t.e.m. zondag 9.30 - 16.30u.
Het Park is gratis toegankelijk.

Walraversijde, Provinciaal Domein Prins Karel, Oostende
Nieuwpoortsesteenweg 636, 8400 Oostende, 059/70.22.85
Open 24 maart tot 11 november 14 tot 17u.
Een bezoek aan dit verdwenen Middeleeuwse dorp start met een audiovisuele voorstelling over de opkomst, bloei en ondergang van het vissersdorp, genoemd naar ene Walraf. Van het museumgebouw wandelt men naar vier gereconstrueerde vissershuizen.

 

 

 

HERKOMST VAN DE ILLUSTRATIES

  • Archeologische Dienst Waasland, Sint-Niklaas: blz. 24, 25.
  • G. De Brabant en W. Steyaert: blz. 21.
  • Bieke Hillewaert: blz. 37 (boven).
  • Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, Asse (Zellik): blz. 4, 5, 8, 9, 10, 13, 14 (onder), 15, 16, 18, 19, 20, 26, 30, 31, 33, 35.
  • Stad Antwerpen, Kunsthistorische Musea, Afdeling Opgravingen: blz. 38, 39, 40, 44.
  • Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie: blz. 41, 42.
  • J. Semey, Universiteit Gent: blz. 14 (boven).
  • Stedelijke Fotografische Dienst, Brugge: blz. 37 (onder).
  • Stedelijk Museum leper: blz. 34.
  • HugoThoen: blz. 22.
  • R.Timmerman, Wilrijk: blz. 1, 2, 28, 29.
  • Van Meenen (I.A.P): blz. 6.
  • Vermeulen Frank: blz. 23.

 

 

INHOUDSOPGAVE

Archeologie en archeologisch patrimonium in Vlaanderen, Guy De Boe en Frans Verhaeghe
Aandacht voor de natuur, Anton Ervynck en Marnix Pieters

CAPITA SELECTA

  • Recent onderzoek naar de steentijd, Marc De Bie en Pierre M. Vermeersch
  • De bronstijd
    • Cirkelen over Vlaanderen, luchtfotografie en de bronstijd, Jean Bourgeois
    • Het bronsdepot van Heppeneert (Maaseik), Luc Van Impe
  • De ijzertijd: Had Kontich een bijzondere betekenis in de Keltische samenleving? Rica Annaert
  • De Romeinse tijd
    • De archeologie van de Romeinse stad Tongeren, Alain Vanderhoeven en Geert Vynckier
    • Het Romeinse kamp van Maldegem-Vake, Hugo Thoen
    • De Gallo-Romeinse bewoning in zandig Vlaanderen, Frank Vermeulen
    • De Gallo-Romeinse vicus Waasmunster-Pontrave, "Staddorp" aan de Durme, Rudi van Hove
  • De vroege middeleeuwen
    • Oudenburg. Boeren in de pagus Flandrensis, Yann Hollevoet
    • Ename: zorg om een middeleeuws erfgoed, Dirk Callebout
  • De volle middeleeuwen
    • De verdwenen Sint-Michielsparochie in de "Verdronken Weiden" te leper, Marc Dewilde en Stephan Van Bellingen
    • Walraversijde, een verdwenen middeleeuws vissersdorp nabij Oostende, Marnix Pieters

STADSARCHEOLOGIE

  • Van vel tot leer. Brugse leerlooiers tijdens de middeleeuwen, Bieke Hillewaert
  • Een klooster komt weer tot leven. Archeologisch onderzoek in de Antwerpse Sint-Pauluskerk, Johan Veeckman
  • Stadsarcheologie in Gent, Marie-Christine Laleman

 

 

AUTEURSIDENTIFICATIE

  • Prof. Dr Guy De Boe studeerde Archeologie aan de K.U.Leuven. Hij is directeur van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en deeltijds hoofddocent aan de K.U.Brussel.
  • Prof. Dr Pierre M. Vermeersch studeerde Geografie aan de K.U. Leuven en is gewoon hoogleraar aan de K.U. Leuven, hoofd van het Laboratorium voor Prehistorie.
  • Prof Dr Frans Verhaeghe studeerde Geschiedenis en Archeologie aan de Rijksuniversiteit Gent. Hij is onderzoeksleider bij het N.F.W.O. en deeltijds hoofddocent aan de V.U.Brussel Hij is eveneens voorzitter van de Vlaamse Archeologische Raad.
  • Prof. Dr Hugo Thoen studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Gent en is hoofddocent aan de Universiteit Gent.
  • Prof. dr. Jean Bourgeois studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Gent en is hoofddocent aan de Universiteit Gent en deeltijds hoofddocent aan de V.U.Brussel.
  • Prof. Dr Frank Vermeulen studeerde Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde aan de Universiteit Gent en is onderzoeksleider bij het N.F.W.O. en gastprofessor aan de Universiteit Gent.
  • Luk Van Impe studeerde Geschiedenis aan de K.U.Leuven en is werkleider aan het I.A.P.
  • Dirk Callebaut studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Gent en is werkleider aan het I.A.P, leider van de buitendienst te Ename.
  • Dr Anton Ervynck studeerde Biologie aan de Universiteit Gent en promoveerde aan de Universiteit Amsterdam en is wetenschappelijk medewerker aan het I.A.P
  • Marc Dewilde studeerde Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis aan de K.U.Leuven en is attaché aan het I.A.P, leider van de buitendienst te Diksmuide-Woumen.
  • Marie-Christine Laleman studeerde Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde aan de Universiteit Gent en is verantwoordelijke voor de Dienst Stadsarcheologie, Gent.
  • Rudi van Hove studeerde Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde aan de Universiteit Gent en is diensthoofd van de Archeologische Dienst Waasland.
  • Johan Veeckman studeerde Kunstgeschiedenis en Archeologie, en Geschiedenis aan de Universiteit Gent en is archeoloog bij de Afdeling Opgravingen, Stad Antwerpen.
  • Bieke Hillewaert studeerde Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde aan de Universiteit Gent en is archeologe bij de Stedelijke Archeologische Dienst Brugge.
  • Alain Vanderhoeven studeerde Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis, en Geschiedenis aan de K.U.Leuven, Archeologie aan de Universiteit Amsterdam en is wetenschappelijk medewerker aan het I.A.P., leider van de buitendienst Tongeren.
  • RicaAnnaert, Marc De Bie en Geert Vynckier studeerden Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis aan de K.U.Leuven, Yann Hollevoet Geschiedenis aan de Universiteit Gent, Marnix Pieters Geschiedenis en Bodemkunde aan de Universiteit Gent, Stephan Van Bellingen Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis aan de V.U.Brussel, en zijn wetenschappelijk medewerker aan het I.A.P.