U bent hier

Besloten wereld, open boeken - Vlaamse cisterciënzerhandschriften en -miniaturen

Besloten wereld open boeken

 

Besloten wereld, open boeken.

‘Vlaamse cisterciënzerhandschriften en -miniaturen'

 


INHOUD:

  • Besloten wereld, open boeken - Laurent Busine.

  • De abdij Ten Duinen in Brugge: de onvoltooide droom van abt Bernard Campmans - Brigitte Beernaert.

  • Drie Vlaamse cisterciënzerabdijen en hun bibliotheken - Noël Geirnaert.

  • De middeleeuwse kosmos: bron van goddelijke openbaring - Sofie Leyts.

  • Artistieke productie  - Sofie Leyts.

  • De middeleeuwse boekvorm - Ludo Vandamme.

  • Cisterciënzers als boekengebruikers - Sofie Leyts.


 

Besloten wereld, open boeken

 

 

De “Brugge 2002"-tentoonstelling 'Besloten wereld, open boeken' plaatst, in een monumentale abdijsite in de Brugse binnenstad, een middeleeuwse boekenschat en hedendaagse kunst tegenover elkaar. Monument, handschriften en hedendaagse kunst gaan er als evenwaardige componenten een dialoog aan met elkaar. Deze tentoonstelling loopt van 16 augustus tot 17 november in het Grootseminarie in Brugge.

 

In de buitenrand van de middeleeuwse Brugse binnenstad bevindt zich een monumentale abdijsite. Hier bouwden de cisterciënzermonniken van Ten Duinen in de zeventiende en de achttiende eeuw een nieuwe abdij; kort voordien hadden ze hun oorspronkelijke middeleeuwse site aan de Vlaamse westkust moeten opgeven. Ten Duinen was een abdij van Europees formaat; haar rijkdom was verantwoordelijk voor haar suggestieve bijnaam 'een berg van zilver'. Op haar hoogtepunt leefden er 400 monniken en lekenbroeders en werd er een landbouwareaal van 10.000 hectare beheerd. De abdij had een gezaghebbende stem in de internationale politiek en gold als een intellectueel centrum van Europees formaat.

 

De abdijgebouwen in de Brugse binnenstad vormen een hoogtepunt van monastieke architectuur uit de zeventiende en achttiende eeuw en verwijzen ten volle naar die grote geschiedenis. Vandaag fungeren deze gebouwen als Grootseminarie, waar jonge mannen tot priester worden opgeleid. Wie, na een flinke stadswandeling, onder de poort van de lange, hoge kloostermuur door stapt, treedt een andere, besloten wereld binnen. Men wordt getroffen door de barokke grootsheid van een abdij van Europese allure maar evenzeer door de authentieke monastieke sfeer van subtiel invallend licht en ingetogen stilte.

 

Via deze tentoonstelling worden de abdijgebouwen in hun maximale integriteit aan de bezoeker aangeboden: abdijkerk, monumentale pandgang, kamers en kamertjes, de ruime refter, de binnentuin, het aloude monastieke patroon gebouwd in een periode dat de oorspronkelijke soberheid verre geschiedenis was. De kunstverzameling van de abdij en het huidige Seminarie vindt discreet een plaats in het circuit. Een reeks laatmiddeleeuwse grisailles op paneel zijn hier de blikvangers.

 

Ze fungeerden in de oorspronkelijke, middeleeuwse site van de abdij Ten Duinen als de kastdeuren van de bibliotheek. Het betreft een reeks grisailles, want de middeleeuwse bibliotheek was uitzonderlijk rijk en omvangrijk.

 

De middeleeuwse bibliotheken van de Vlaamse cisterciënzerabdij Ten Duinen (°1128, Koksijde, later Brugge) en haar stichtingen Clairmarais (°1137; nabij Saint-Omer, Frankrijk) en Ter Doest (°1175, Lissewege bij Brugge) stonden in nauwe relatie met elkaar; in de late Middeleeuwen telden deze bibliotheken samen meer dan duizend handgeschreven boeken of manuscripten. Vandaag blijven er ruim zevenhonderd handschriften bewaard, het merendeel in situ, enkele tientallen verspreid over bibliotheken in binnen- en buitenland. Honderd uitzonderlijke handschriften krijgen een plaats in de tentoonstelling.

 

Het komt zelden voor dat een kwalitatieve middeleeuwse bibliotheek zo intact bewaard is. Deze uitzonderlijke rijkdom wordt in de tentoonstelling ten volle gevaloriseerd. In de grote refter met zijn fantastische dieptewerking wordt een middeleeuwse bibliotheek uitgewerkt. Middeleeuwse boeken worden er getoond vanuit hun oorspronkelijke functie: een bibliotheek als kenniscentrum voor monniken die hun monastieke roeping diepgang gaven, maar evenzeer priester waren, student of hoogleraar, wetenschapper of bibliofiel verzamelaar. Tentoonstellingsarchitect Christian Kieckens pakt deze uitdaging met buitengewone creativiteit aan.

 

Op deze manier spreekt niet alleen de esthetische waarde van het individuele manuscript de bezoeker aan; maar ook en vooral de brede wereld aan teksten en kennis staat centraal. Antieke teksten, bijbels, bijbelcommentaren en kerkvaders, de scholastieke scherpslijperijen van de dertiende en veertiende eeuw, de humanistische nieuwlichters: met andere woorden het grote intellectuele parcours van de westerse Middeleeuwen ligt in deze boekenverzameling besloten. Zonder uitzondering worden juweeltjes van middeleeuwse boekkunst getoond: manuscripten uit het eigen scriptorium, uit Parijse commerciële ateliers of uit het Italiaanse universitaire milieu; ook prestigieuze luxe handschriften uit de meest vooraanstaande handschriftencentra van de vijftiende eeuw. Een besloten verzameling met een wereld aan teksten wordt hier opengelegd. De bezoeker krijgt een geprivilegieerde kijk op de kennis van de middeleeuwse mens over zichzelf, de wereld en God.

 

Kunstenaars gaan ook vandaag nog steeds met deze vragen om. Ze zijn op zoek naar een voorstelling van de wereld, doorleefd en eigenzinnig. Alleen de taal van die bevraging en de vorm van die expressie veranderen doorheen de eeuwen. Men engageerde kunstenaars die vanuit hun subjectieve achtergrond op zoek gaan naar antwoorden op deze universele vragen, vragen naar hun plaats in de wereld en naar de perceptie van de wereld in het algemeen. David Claerbout, Jose Maria Sicilia en Giuseppe Penone gaan zeker deze uitdaging aan.

 

Bij deze drie kunstenaars speelt het element 'natuur ' een cruciale rol in hun werk. Door de natuur binnen te brengen in de besloten wereld van het Grootseminarie wordt de complexe verhouding tussen het sacrale en het profane getoond.

 

Een kijk in de 17de-eeuwse pandgang van de cisterciënzerabdij Ten Duinen in Brugge, nu in gebruik als bisschoppelijk seminarie. De grootsheid van sobere barok.

 


 

De abdij ten Duinen in Brugge: de onvoltooide droom van abt Bernard Campmans

 

 

De verstedelijking van de monastieke beweging

 

Tijdens de Contrareformatie bouwden middeleeuwse en nieuw opgerichte orden talrijke kloosters in de steden van de Zuidelijke Nederlanden. De verstedelijking verklaart waarom in het zeventiende-eeuwse Brugge niet minder dan 22 kloosters of abdijen nieuw werden gebouwd.

 

Sommige van de kloosters werden om financiële overwegingen nog in een traditionele gotische architectuur opgetrokken maar de ongeschoeide karmelieten, de jezuïeten, de kartuizers en de cisterciënzers bouwden grootse complexen in de nieuwe barokstijl.

 

Ook de cisterciënzermonniken van Ten Duinen verlieten het platteland om zich in Brugge te vestigen. Het abbatiaat van Bernard Campmans (1623-1642) zorgde in het begin van de zeventiende eeuw voor een nieuwe intellectuele bloeien financiële adempauze Doordat de kuststreek nog steeds onveilig g bleef, keek Campmans uit naar een rustige en veilige stedelijke vestiging. Nadat pogingen in Veurne mislukten, koos hij resoluut voor Brugge.

 

De cisterciënzerabdij Ten Duinen had sinds eeuwen een vaste stek in deze stad. Recente opzoekingen wezen uit dat Spiegelrei 4 (Ten Dune Ezel), 5 en 6 (De Witte Muenynck) in de dertiende en veertiende eeuw door de Duinenabdij als refugehuis werden gebruikt. Vóór het einde van de vijftiende eeuw werd dit eigendom van de hand gedaan. Intussen bouwden de Duinheren in de Snaggaardstraat een tweede refugium, dat ze echter op het eind van de zestiende eeuw aan de cisterciënzerinnen van Spermalie verkochten.

 

Door een overeenkomst met de bisschop van Brugge, de sinds 1561 over de bezittingen van de opgeheven abdij Ter Doest in Lissewege beschikte, kregen de Duinheren in 1624 het refugehuis van Ter Doest aan de Potterierei in bezit. Deze locatie maakte het plan zich in Brugge te vestigen meteen haalbaar. Op 3 mei 1627 namen de monniken er definitief hun intrek. Reeds in april 1628 werd gestart met de bouw van een nieuwe abdij. Het zou de meest monumentale abdijsite in Brugge worden. De dynamische Campmans was toen 47 jaar oud en reeds 4 jaar abt.

 

Het ontwerp voor deze Duinenabdij vergde een volledig nieuwe stedenbouwkundige benadering van de wijk. Vooreerst werden delen van het voormalige refugehuis van Ter Doest in de nieuwbouw geïncorporeerd. Vervolgens kochten de Duinheren minstens 90 huizen op in de buurt, lieten die slopen en breidden hun site uit. Ook een achttal aanpalende steegjes werden in de nieuwe abdij geïntegreerd. Een zeventiende-eeuws voorbeeld van stadsplanning.

 

Marcus Gheeraerts, Geschilderd plan van Brugge, 1562 Brugge, Stedelijke Musea

Stedelijk netwerk vóór de inplanting van de Duinenabdij, met het refugehuis van Ter Doest rechts naast de kerk van het hospitaal Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie

Duinenabdij, in Antonius Sanderus, Flandria lllustrata, Keulen, 1641 Gent, Universiteitsbibliotheek. Wellicht gebaseerd op goedgekeurde bouwplannen, met de oorspronkelijk geplande grote abdijkerk.

 

 

'Dat schoon en vermaert clooster van Duynen, twelcke aen alle mensen dient tot verwonderinghe'

 

De eigenlijke bouwgeschiedenis van de nieuwe Duinenabdij reconstrueren blijft een onmogelijke opdracht omdat de bouwrekeningen uit de periode van abt Campmans niet bewaard zijn. Hoogstwaarschijnlijk berust de afbeelding van de abdij in Antonius Sanderus' Flandria Illustrata (1641) op reële ontwerpen of goedgekeurde bouwplannen. Ook de naam van de bouwmeester is niet bekend. Wellicht was hier een talentvol Brugs meester aan het werk die een beroep deed op bekwame meester-metselaars en meester-timmerlieden uit de stad.

 

De monniken lieten oude bouwmaterialen afkomstig van de abdijruïne in Koksijde en de gesloopte abdij Ter Doest in Lissewege, aanvoeren en verwerken in de nieuwbouw. Grote, wellicht dertiende-eeuwse moefen, zijn overal herkenbaar en in de kelders werden zuilen hergebruikt. Als natuursteen werd vooral nieuwe Avennesteen gebruikt.

 

Het grootse ontwerp voorzag onder meer de bouw van een grote en kleine pandgang en woonvleugels, een afzonderlijk gebouw met de refter en de bibliotheek, een gastenkwartier en een monumentale kerk met toren.

 

Een omheiningmuur diende de abdij van de buitenwereld af te sluiten. Het ontwerp was duidelijk geïnspireerd op het ideaalplan van de cisterciënzers.

 

In de periode 1628-1642 werd de grote pandgang met de abtskapel als kern van de abdij gerealiseerd. Aansluitend werden aan de oost- en zuidzijde kloostervleugels van drie bouwlagen hoog opgetrokken. Aan de noordzijde kwam een gebouw van twee bouwlagen en aan de westzijde werd een gebouw met enkel een gelijkvloerse verdieping opgetrokken. De monumentale refter met daarboven de bibliotheek bouwde men loodrecht op die zuidvleugel, er enkel van gescheiden door een atrium. Op de zuidoosthoek kwam een carillontoren met 26 klokken. Monastieke architectuur van hoge kwaliteit. Slechts één vleugel van de geplande kleine pandgang werd gerealiseerd, aansluitend op de bestaande constructie van het oude refugium van Ter Doest. De dood van de dynamische Campmans in 1642 en de economische neergang verklaren de bouwstop die langer dan een eeuw duurde en de droom van Campmans onvoltooid liet.

 

Aan de kant van de Potterierei en aansluitend bij de hoofdingang van de abdij werd in de zeventiende eeuw wel nog een voorlopige en bescheiden eenbeukige kerk gebouwd. Deze werd gesloopt toen er in het laatste kwart van de achttiende eeuw opnieuw voldoende middelen vrij kwamen om een grote abdijkerk te bouwen.

 

De opdracht werd toevertrouwd aan architect Emmannuel van Speybrouck-Coutteau (1726-1787). Hij was op dat ogenblik de belangrijkste bouwmeester in Brugge, met een duidelijke voorkeur voor een rationele architectuur, eigen aan het classicisme. Dertien jaar lang werd er gebouwd aan de kerk van de Duinenabdij. De architect baseerde zich op het oorspronkelijke ontwerp, maar maakte de kerk minder diep. Toch is deze abdijkerk het meest monumentale gebouw in classicistische stijl in Brugge en een bewijs dat bouwmeester Van Speybrouc k het particularisme en het provincialisme van het toenmalige Brugse architectuurgebeuren oversteeg.

 

Pieter Pourbus, Plan van de Duinenabdij,1580 Brugge, Stedelijke Musea inv. nr. 0.1534 Gedetailleerd plan van de 'middeleeuwse' abdij in Koksijde, misschien gemaakt in functie van een latere heropbouw

De deuringangen en de zo vindingrijke natuurstenen omlijstingen geven toegang tot de besloten cisterciënzerwereld.

Hergebruik van bouwelementen uit Koksijde: middeleeuwse zuiltjes omgekeerd gebruikt in de kelder onder de grote pandgang

Het oude refugehuis van Ter Doest geïntegreerd in de nieuwe Duinenabdij: vroeg 16de eeuwse kraagstenen met het wapenschild van abten van Ter Doest

Binnenzicht van de monumentale abdijkerk, een ontwerp van Emmannuel van Speybrouck

Jozef Suvée, Portret van architect Emmannuel van Speybrouck Brugge, Stedelijke  Musea, inv. nr.  0458

 

In 1796 volgde de opheffing van de abdij. Het gebouwencomplex onderging tal van functiewijzigingen en werd in 1833 bisschoppelijk seminarie, een bestemming die tot vandaag is behouden. Het is het Provinciebestuur van West-Vlaanderen dat sinds de negentiende eeuw zorg draagt voor het architecturaal patrimonium.

 

Het volledige complex kan bogen op een nog zeer grote architecturale authenticiteit. Enkel de verbouwingen uit 1949-1950 bepalen het huidige, wat harde uitzicht van de westvleugel, waarlangs de meeste bezoekers de abdij betreden. Die vleugel werd toen in een pseudo-barokstijl verbouwd. De harde verbouwing van de oude bibliotheek in 1959 valt eveneens te betreuren evenals de sloop van het gastenkwartier in dezelfde periode.

 

Het volledig ommuurde complex van de voormalige Duinenabdij, samen met de verrassende tuin en boomgaard, behoort tot de topstukken van het Brugse architecturale en culturele erfgoed uit de zeventiende en achttiende eeuw. Sober gebouwd maar met oog voor de juiste proporties en gebruikmakend van een fantastisch spel van licht en schaduw in de interieurs, de barok en het classicisme waardig. Zelfs deze onvoltooide droom van Campmans bezit Europese allure.

 

Nergens in Vlaanderen werd in de zeventiende eeuw een andere cisterciënzerabdij van die omvang gebouwd.

 


 

Drie Vlaamse cisterciënzerabdijen en hun bibliotheken

 

 

De Duinenabdij aan de kust bij Koksijde, Clairmarais in het moerasgebied bi j Saint-Omer, en Ter Doest in de polder streek bij Lissewege, ten noorden van Brugge: drie twaalfde-eeuwse abdijen van de orde van Cîteaux, die door hun gedeeltelijk gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur en spiritualiteit, ook samen kunnen worden voorgesteld. De Duinenabdij (Sancta Maria de Dunis) is de oudste van de drie, Clairmarais en Ter Doest zijn haar dochterstichtingen. Ten Duinen ontstond in het begin van de twaalfde eeuw als onderkomen van Ligerius, een kluizenaar. Hij en zijn volgelingen kwamen in contact met Fulco, een Franse monnik, die daar in 1128 een abdij stichtte. Tien jaar later sloot deze gemeenschap aan bij de nieuwe cisterciënzerorde. Deze orde verspreidde zich toen over heel Europa onder impuls van Bernardus van Clairvaux (+1153).

 

De cisterciënzers wilden de oude regel van Benedictus in zijn oorspronkelijke opvatting toepassen armoede, soberheid, gemeenschapsleven moesten in hun zuiverste vorm worden beleefd De vele intellectuelen die Bernardus kon begeesteren, brachten echter ook hun culturele bagage mee naar de nieuwe abdijen. Robertus, de eerste cisterciënserabt van de Duinenabdij, was niet alleen een van de beste vrienden van Bernardus, hij was ook een gewezen docent van de kathedraalschool van Laon, in die tijd een van de belangrijkste scholen van West-Europa. Daardoor waren de meeste abdijen ook van meet af aan centra van intellectueel leven. Binnen de 'besloten wereld' van het klooster werden de bronnen van de westerse christelijke cultuur verzameld en bestudeerd.

 

De stichting van de Duinenabdij in 1128 valt samen met het begin van de regering van graaf Diederik van de Elzas, die als de wereldlijke stichter van de abdij mag worden beschouwd. Hij geldt ook als de initiatiefnemer voor de stichting in 1137 van de abdij van Clairmarais, vanuit Ten Duinen Clairmarais werd ongeveer tegelijkertijd met de Duinenabdij in de orde van Cîteaux opgenomen. Net als in de Duinenabdij was de eerste abt, Gunfridus, afkomstig uit de abdij van Clairvaux in Bourgondië.

 

Ter Doest in Lissewege is als cisterciënzerabdij veel jonger. Ze verving een veel oudere en vervallen benedictijnenpriorij. Drijvende krachten waren hier de bisschop van Doornik en het Sint-Donaaskapittel van Brugge. De eerste monniken en lekenbroeders van Ter Doest kwamen in 1175 vanuit de Duinenabdij naar Lissewege. Ze werden geleid door Haket, die toen drie jaar ingetreden was in de Duinenabdij, maar die voordien meer dan twintig jaar deken was geweest in Sint-Donaas. Het Brugse kapittel zou van bij het begin mee zijn stempel drukken op de abdij.

 

Robertus, Gunfridus en Haket, de eerste cisterciënzerabten van Ten Duinen, Clairmarais en Ter Doest, waren intellectuelen van hoog niveau. Het spreekt vanzelf dat hun aandacht niet in de laatste plaats zou gaan naar de uitbouw van het boekenbezit, meer bepaald de abdijbibliotheek. Uiteraard bewaarden de abdijen ook nog buiten de eigenlijke bibliotheek een aantal boeken voor de eredienst en de refterlezing. In de loop van de geschiedenis zouden ook verscheidene abten en monniken boeken bij zich bewaren. De inhoud van de bibliotheken komt elders in deze publicatie aan de orde. Hier wordt stilgestaan bij hun opbouw en geschiedenis.

 

De abdij van Clairmarais leidde een zelfstandig bestaan tot aan het einde van de achttiende eeuw. Ze had wel heel wat te lijden onder de talrijke oorlogen in het gebied. Clairmarais onderhield nog nauwe relaties met de Duinenabdij tot in 1678 toen Clairmarais definitief bij Frankrijk werd gevoegd. Sporen van de betrekkingen van de Duinenabdij met haar dochterstichting bleven bewaard, onder meer in het boekenbezit.

 

Zo is het Legendarium van Clairmarais, een monumentale collectie waarvan nu nog vijf boekdelen bewaard zijn (Saint-Omer, BM, ms. 716), gebaseerd op een nu verloren legger uit de Duinenabdij. Van hetzelfde Legendarium bevond zich nog een exemplaar in Ter Doest.

 

Daarvan zijn nu nog twee boekdelen bewaard (Brugge, OB, ms. 403-404). Deze grote Vlaamse collectie heiligenlevens werd rond 1150 in de Duinenabdij samengesteld uit allerlei bronnen, en ter beschikking gesteld van de andere Vlaamse kloosters, in de eerste plaats de dochterstichtingen van Ten Duinen. Daaraan is het o.m. te danken dat de oudste levensbeschri jving van de Heilige Godelieve van Gistel (+1070) bewaard is gebleven, in het exemplaar van Clairmarais.

 

De reeks grisailles uit de vijftiende eeuw, paneelschilderijen met graven van Vlaanderen en abten van de Duinenabdij is afkomstig uit de bibliotheek van de abdij (nu: Brugge Grootseminarie).

Bijbel van Ter Doest, ca.1265-1275 Brugge, Grootseminarie (GS), nrs5/191 Lekenbroeder Henricus van Ter Doest kopieerde in de 13de eeuw verscheidene codices. Hij is een van de weinige kopiisten die zich kenbaar maakt.

 

Al even spectaculair is de dertiende-eeuwse codex van Clairmarais met werk van Hugo van Fouiloy (+kort vóór 1174). Dit handschrift met verscheidene miniaturen (Saint-Omer, BM, ms. 94) is duidelijk gekopieerd van een codex met dezelfde teksten en illustraties uit de Duinenabdij van rond 1200 (Brugge GS ms. 89/54). De werken van Hugo van Fouiloy waren zeer geliefd bij de cisterciënzers en ook in andere abdijen kwamen ze al heel vroeg voor. Dat het exemplaar van Clairmarais gekopieerd is van dat van de Duinenabdij wijst op de heel nauwe relaties tussen beide abdijen.

 

Ook tussen de Duinenabdij en Ter Doest bestond een dergelijke relatie. Maar bijna even belangrijk, zeker in de aanvangsjaren, waren de schenkingen van verscheidene kanunniken van het Brugse Sint-Donaaskapittel. Vijftig jaar geleden meende de Nederlandse geleerde G.I. Lieftinck zelfs dat de bibliotheek van Ter Doest rond 1200 zo goed als volledig was opgebouwd met handschriften uit het scriptorium van Sint-Donaas. Lieftincks hypothese is nu achterhaald. Ter Doest had net als de andere cisterciënzerabdijen een eigen scriptorium. De lekenbroeder Henricus, de eerste bij naam gekende kopiist in Ter Doest, die actief was in de dertiende eeuw, staat in een lange traditie, die zich overigens zou handhaven tot ver in de vijftiende eeuw.

 

Toch kreeg Ter Doest tot ver in de dertiende eeuw boeken van de Brugse kanunniken. Rond 1200 ging het hoofdzakelijk om bijbels, bijbelcommentaren en theologische standaardwerken. Hun oorspronkelijke herkomst blijkt uit hun eigendomsmerken. In 1291 kreeg Ter Doest van Gervasius, kanunnik van Sint-Donaas en academisch geschoold jurist, al zijn juridische handschriften, 24 boekdelen met alle toenmalige basiswerken. Cisterciënzers mochten aan de universiteiten geen recht studeren, maar door schenkingen en aankopen kwamen ze in de loop van de dertiende eeuw wel in het bezit van de nodige teksten om op de hoogte te zijn van deze zeer belangrijke wetenschap.

 

Gervasius' schenking is bekend dankzij de bewaarde oorkonde waarin hij zijn beslissing liet registreren en waarin alle door hem geschonken boeken werden opgesomd. Boekenlijsten, inventarissen en catalogi van de bibliotheken van Ten Duinen, Clairmarais en Ter Doest zijn heel zeldzaam. De oudste 'catalogus' van een gedeelte van de bibliotheek van Ter Doest is misschien de dertiende-eeuwse boekenlijst op het einde van een twaalfde-eeuws handschrift (Brugge, OB, ms. 55). De lijst somt de boeken op 'van de kleine boekenkast', en bevat 25 titels: heiligenlevens, Bijbelboeken, liturgische, tijdrekenkundige, filosofische en theologische teksten, zonder enige systematiek.

 

Voor de Duinenabdij is geen enkele oude catalogus beschikbaar. Wel is een merkwaardig document bewaard, waaruit blijkt dat Johannes Snidewint, monnik van de Duinenabdij, in het begin van de veertiende eeuw een aantal filosofische en theologische boeken van Ter Doest levenslang in bruikleen had. Snidewint doceerde toen aan het Sint-Bernarduscollege in Parijs. Hij had de boeken, alles samen een twintigtal codices, overgenomen van Johannes de He, van Ter Doest, die tot aan zijn dood in 1311 eveneens docent was in Parijs.

 

Het boekenbezit van de Vlaamse cisterciënzerabdijen bleef dus niet noodzakelijk gelokaliseerd in de bibliotheek: boeken werden soms voor lange tijd uitgeleend aan een confrater uit een andere abdij, die ze dan nog gebruikte voor zijn leeropdracht in Parijs.

 

Over de materiële inrichting van de Vlaamse cisterciënzerbibliotheken bestaan heel weinig bronnen. De handschriften zelf waren zowel in Ten Duinen als in Clairmarais en Ter Doest voorzien van eigendomsmerken, dikwijls met een bezweringsformule die de gebruiker waarschuwt het boek terug te brengen. In de Duinenabdij werden de handschriften al heel vroeg voorzien van een zeer eigen foliëring met letters en puntjes in rode inkt. De handschriften van Ter Doest kunnen worden herkend aan de laat middeleeuwse titels die oorspronkelijk op de achterplatten van de boekband in een hoornen venstertje ('fenestra') zichtbaar waren. Enkele keren is het wapenschild van de Duinenabdij bewaard op de metalen klamp van een boekband (Brugge, OB, ms. 102 en 476). De boekbanden van Clairmarais uit de twaalfde en dertiende eeuw zijn zeer herkenbare en karakteristieke cisterciënzerbanden.

 

Het eigendomsmerk van Ter Doest, gecombineerd met het 17de eeuwse “Duinenkruisje” Brugge GS, ms. 8

Een van de oudste afbeeldingen van het wapenschild van de Duinenabdij is bewaard op een metalen klamp van een boekband, 14de eeuw, Brugge OB ms 476

De codex met de werken van Hugo van Fouiloy, rond 1200 gekopieerd in de Duinenabdij werd twintig jaar later op zijn beurt gekopieerd in Clairmarais, Brugge G5 m 89/54

De handschriften van Ter Doest kunnen worden herkend aan de laatmiddeleeuwse boektitels in een venstertje (fenestra) op de achterkant van de boekband, ca. 1200, Brugge OB ms 113

 

Van veel abdijen is bekend dat ze in de tweede helft van de vijftiende eeuw meer aandacht besteedden aan hun bibliotheek. Ook in Ter Doest en Ten Duinen kreeg de bibliotheek toen hernieuwde belangstelling. De abten Henricus Keddekin van Ter Doest (1478-1491) en vooral Johannes Crabbe van de Duinenabdij (1457-1488) zijn bekend gebleven als enthousiaste boekenliefhebbers.

 

In de Duinenabdij liet abt Crabbe nieuwe kasten vervaardigen voor de boeken. De nog bestaande panelen met de graven en gravinnen van Vlaanderen en de abten van de Duinenabdij vertonen sporen van sleutelgaten en ijzeren voegen. Ze fungeerden oorspronkelijk als kastdeuren van de bibliotheek. Deze 'nieuwe' bibliotheek van de Duinenabdij besloeg de helft van de graanzolder van het dertiende-eeuwse abdijcomplex. Tijdens de Beeldenstorm van 1566 liep deze bibliotheek grote schade op. Een beschrijving van de schade die kort daarna is opgemaakt, hangt een somber beeld op van de aangerichte verwoestingen. Niet alleen een groot aantal boeken, ook verscheidene kunstwerken waren onherstelbaar vernield.

 

Veel handschriften van de Duinenabdij zijn verloren gegaan in de Tachtigjarige Oorlog, tijdens en na de Beeldenstorm. Ook voor Ter Doest zal dit het geval zijn geweest. De bibliotheek van Clairmarais, die in het tweede kwart van de zestiende eeuw nog heringericht en verrijkt was, werd al in 1558 geplunderd en vernield samen met de hele abdij. De opgelopen schade in de drie abdijen valt moeilijk te meten, maar het staat vast dat die zeer aanzienlijk is geweest. Voor Ter Doest kwam daar nog bij dat deze abdij sinds 1561 haar zelfstandigheid verloren had. Haar patrimonium moest dienen om de bisschop van Brugge en zijn administratie te onderhouden. De kloostergemeenschap zou uitsterven. Deze situatie duurde meer dan een halve eeuw. In 1624 werd het vermogenscomplex van Ter Doest overgedragen aan de Duinenabdij. Daardoor kon Ten Duinen in 1627 verhuizen naar het refugehuis van Ter Doest aan de Potterierei in Brugge, waar een volledig nieuwe abdij werd opgetrokken.

 

Uiteraard fuseerden daardoor ook de bibliotheken van beide abdijen. Carolus de Visch (1596-1666), een monnik van Ten Duinen die zich zou ontpoppen als een van de voornaamste historici van de zeventiende eeuw, stelde in 1628 een catalogus op van de handschriften van de nieuwe Duinenabdij. Deze catalogus werd in 1641 gepubliceerd door Antonius Sanderus. Alle boeken kregen een nieuw eigendomsmerk: een stempeltje in de vorm van een Bourgondisch kruisje. Veel boeken werden opnieuw ingebonden. De nieuwe zeventiende-eeuwse banden kregen dikwijls een gouden stempel met het wapenschild van de Duinenabdij en abt Bernardus Campmans (1623-1642).

 

Thomas van Cantimpré, Liber de noturis rerum, begin 16de eeuw, Brugge, OB, ms. 411 De wondere wereld van mensen, dieren en monsters in kaart gebracht in een middeleeuwse encyclopedie. Encyclopedieën vormen een bibliotheek op zich, waar alle wetenschappen op een georganiseerde manier samenkomen

 

De handschriftencollectie van de zeventiende­ eeuw se Duinenabdij bestaat dus uit wat er rest van de middeleeuwse bibliotheken van Ten Duinen en Ter Doest. Dit fonds kan gelden als voorbeeld van een bibliotheek van een belangrijke cisterciënzerabdij net vóór de doorbraak van de boekdrukkunst in de vijftiende eeuw. Deze collectie was het resultaat van vier eeuwen monastieke cultuurgeschiedenis. De Visch klasseerde de honderden hand schriften in elf rubrieken: van bijbel en bijbelcommentaren (rubriek 1) tot aan humanisten en boeken in de volkstaal (rubriek 11). Deze zeer rationele indeling, met de hele wetenschappelijke kennis van de westerse Middeleeuwen, is ook gebruikt voor de presentatie van de handschriften in de tentoonstelling 'Besloten wereld, open boeken'.

 

De handschriften van de Brugse Duinenabdij berusten nog gedeeltelijk ter plaatse dankzij de spitsvondigheid van de laatste monniken. De afschaffing van de abdij in 1796 heeft geen fundamentele schade toegebracht aan het handschriftenbezit De handschriften vormen de kern van het Historisch Fonds van de Brugse Openbare Bibliotheek, net zoals die van de afgeschafte abdij van Clairmarais ondergebracht zijn in de Bibliothèque de l'Agglomération van Saint-Omer. De handschriften die elders zijn terechtgekomen, waren waarschijnlijk al vóór 1796 uit de abdij verdwenen.

 


 

De middeleeuwse kosmos: bron van goddelijke openbaring

 

 

De uitbouw van een omvangrijke bibliotheek waarin de belangrijkste bronnen en teksten van het westerse denken vertegenwoordigd waren, was voor de kloostergemeenschappen een bestendige zorg.

 

Van oudsher benadrukten vooraanstaande geestelijke leiders het belang van een degelijke intellectuele vorming. Die vorming beperkte zich niet tot de studie van de bijbel (het Boek der boeken en de kern van het christelijk geloof) en de kerkvaders, maar omvatte heel wat uiteenlopende vakgebieden. In de catalogus van de Duinenabdij zijn talrijke traktaten over wiskunde, geneeskunde, sterrenkunde, muziek en de natuurwetenschappen opgenomen, zowel van christelijke als antieke joodse en Arabische auteurs. Dergelijke wetenschappelijke teksten lijken vanuit een modern standpunt heel wat minder relevant voor de studie van de goddelijke openbaring. Voor de middeleeuwse mens echter konden alle wetenschappelijke disciplines, sacraal of profaan, bijdragen tot een beter godsbegrip. Meer nog, de studie van de natuur, de sterren, het menselijk lichaam en de muziek vormde een essentieel onderdeel van het theologisch onderzoek.

 

In de twaalfde-eeuwse abdijscholen en later aan de grote middeleeuwse universiteiten behoorde de kosmologie tot het vaste onderwijsprogramma.

 

De kosmos, beschouwd als een harmonisch geordend geheel waarin wereld, mens en God een vaste en zinvolle plaats bekleedden, werd het voorwerp van intense studie. Om die 'geordende verzameling van schepselen' (Willem van Conches, twaalfde eeuw) in kaart te brengen was de middeleeuwse theoloog genoodzaakt om een beroep te doen op diverse bronnen.

 

De bijbel (zowel het Oude als het Nieuwe Testament) had immers bitter weinig te vertellen over de organisatie van het heelal en de positie van de mens daarin. Daarom grepen de middeleeuwse vorsers terug naar de natuurwetenschap van de Griekse Oudheid en meer bepaald naar het Platonische wereldbeeld en de aanvullingen daarop in het werk van Aristoteles, Ptolemaeus en de joodse en Arabische geleerden.

 

Hoewel sommige sterrenkundigen vóór Plato al het heliocentrisme verdedigden plaatste de filosoof in zijn dialoog Timaeus de aarde en dus ook de mens in het centrum van het heelal. De aarde zelf en al haar verschijningsvormen zijn samengesteld uit vier elementen: aarde, vuur, lucht en water. Daaromheen bevinden zich zeven sferen die de zeven planeten dragen (maan, zon, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus) en een achtste sfeer met de vaste sterren.

 

In tegenstelling tot al wat op aarde leeft, zijn de planeten onveranderlijk en onvergankelijk. Ze bewegen in cirkelvormige banen rond de aardbol, waaruit Plato afleidt dat het heelal bezield is en met verstand begaafd.

 

Voor de filosoof is de kosmos een harmonieus en hiërarchisch geordend geheel (hoe dichter bij de sterrenhemel hoe waardiger en zuiverder) dat in het leven werd geroepen door een goddelijke schepper. De kosmos krijgt aldus een religieuze en een ethische dimensie. De volmaakte orde van het heelal getuigt van de onmetelijke wijsheid van de Schepper. Wanneer de menselijke ziel zich weerspiegelt aan de wereldziel volgt zij de weg naar God en het volmaakt zuivere leven. Microkosmos en macrokosmos zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aristoteles en Ptolemaeus (en vele geleerde denkers na hen) namen het Platoonse wereldbeeld grotendeels over en vulden dit met hun eigen accenten aan. Zo postuleerde Aristoteles het bestaan van een 'Onbewogen Beweger' als eerste oorzaak van alle bewegingen in het heelal.

 

Codex Aldenburgensis, 15de-18de eeuw, Brugge, GS, ms. 127/5, De aarde onderverdeeld in de drie gekende continenten (Azië, Europa en Afrika) en omgeven door de hemelsferen

Codex Aldenburgensis, 15de - 18de eeuw, Brugge, GS, ms. 127/5, Gedetailleerde afbeelding van de heilige stad Jeruzalem

Links: Anonymus, Leven van Gregorius de Grote, vroege 12de eeuw, Brugge, OB, ms. 406, Een voorbeeld van Romaanse boekverluchting: Christus als Salvator Mundi

Rechts: Galenus, Opera selecta, 13de eeuw, Brugge, GS, ms. 93/61, Golenus (130-ca 210), na Hippocrates de grootste geneesheer van de oudheid

 

Deze voorstelling van het heelal was gebaseerd op de theorieën van de meest vooraanstaande auteurs uit de Griekse Oudheid. Bovendien sloot een dergelijk wereldbeeld uitstekend aan bij de middeleeuwse voorliefde voor orde en structuur. Toch konden de middeleeuwse theologen hun beweringen niet zomaar letter lijk overnemen. De klassieke auteurs schreven immers vanuit een niet-christelijk perspectief waardoor zij onmogelijk de volledige structuur en de ultieme betekenis van het heelal konden vatten. Hun theorieën moesten dan ook in overeenstemming worden gebracht met de bijbelse leer. Daarvoor gingen de twaalfde- en dertiende-eeuwse theologen vooral te rade bij de grote auteurs uit het patristische tijdperk zoals Origines, Augustinus, Isidorus van Sevilla, Beda Venerabilis en vele anderen. Stuk voor stuk behielden zij het geocentrische wereldbeeld. Zij verwierpen Plato's idee van de wereldziel en herkenden in de Onbewogen Beweger van Aristoteles' geschriften de eigen christelijke godheid: de hoogste ordenende instantie en eerste oorzaak van alles. Aan de zeven hemelsferen en de sterrenhemel werd het  caelum empyreum  (de sfeer van de engelen en de zaligen)  en later het caelum cristallinum  (de kristallijnen hemel) toegevoegd. Dit harmonisch geordend geheel (de vier aardse elementen, de zeven hemelsferen en de drie hoogste hemelen) getuigden van een welbepaalde hiërarchie waarbij het hogere steeds een invloed uitoefende op het lagere, God op de engelen, de engelen op de kosmos en de kosmos op het aardse leven. De invloed van de kosmos op de mens beperkte zich echter tot 'materiële' zaken zoals leven en dood of de terugkeer van de seizoenen. De menselijke ziel (een zuiver geestelijk gegeven) was niet aan de planeten maar rechtstreeks aan de goddelijke voorzienigheid onderworpen.

 

Aristoteles, De anima en andere traktaten,13de eeuw, Brugge, GS, ms. 102/ 125

 

Deze synthese van Grieks gedachtegoed en bijbelse openbaring vormde de kern van het middeleeuws wereldbeeld en het uitgangspunt voor diverse wetenschappen. De stroom aan vertalingen uit het Grieks en Arabisch in de twaalfde en dertiende eeuw kon deze interesse enkel versterken. Vertalers zoals Gerardus van Cremona, Michael Scotus en Robertus Grosseteste maakten de Griekse geschriften opnieuw toegankelijk. De natuurwetenschappelijke traktaten van Aristoteles (Metaphysica, Physica, De anima, De caelo et mundo etc.), de Almagest van Ptolemaeus en de werken van Plato werden in de abdijscholen en vooral aan de universiteiten druk bestudeerd en becommentarieerd. In de scholastiek vond de studie van de macrokosmos en de microkosmos haar hoogtepunt. Hevige discussies werden gewijd aan de invloed van de kosmos op de mens, de plaats van het paradijs in het heelal, het aantal engelen en hun functie in Gods heilsplan, etc.

 

De hiërarchie in de kosmos werd toegepast op alle kennisdomeinen. De getallensymboliek vervulde hierin een cruciale rol. Zo werd bijvoorbeeld in de drie hoogste hemelen een weerspiegeling van de Heilige Drievuldigheid vastgesteld of werd het aantal dagen in de week gel inkt aan de zeven planeten.

 

De middeleeuwse mens kon dus niet enkel door de studie van de Heilige Schrift maar ook door een diepgaand onderzoek van de schepping zelf de goddelijke openbaring leren kennen. Augustinus sprak van twee boeken: het Boek der boeken (de bijbel) en het Boek der natuur (de schepping). Alles in de natuur werd ervaren als een manifestatie van het goddelijke. Door deze 'geordende verzameling van schepselen' nauwkeurig te bestuderen kon men dan ook op het spoor komen van Gods heilsplan. De hoeveelheid natuurwetenschappelijke traktaten in de bibliotheek van de Duinenabdij hoeft dan ook helemaal geen verwondering te wekken. De monniken bestudeerden deze teksten niet uit zuivere interesse voor de exacte wetenschappen. Slechts door de synthese tussen wetenschap en geloof kon men de schepping doorgronden. Zelfs de studie van de afwijkende menselijke verschijningsvormen - zoals de cyclopen (eenogige reuzen), de blemmyae (die bij gebrek aan hoofd hun gezicht op hun borst hadden) of de Ethiopiërs (wiens gezicht volledig verbrand was) - kon daartoe bijdragen.

 

Hoewel de goddelijke orde in de hele natuur (en dus ook in de samenstelling van het menselijk lichaam en de menselijke ziel) aanwezig was, had bij het ontstaan van de monstermensen blijkbaar een verstoring van die orde plaatsgevonden. Ook die verstoring van de orde had een welbepaalde betekenis. Een vol maakte God maakt immers geen schoonheidsfoutjes.

 

Thomas van Cantimpré, Liber de noturis rerum, begin 16de eeuw, Brugge, OB ms. 411, Mensen etende reuzencycloop

Bijbel, Oude Testament: tekst en commentaar (Ecclesiasticus, Spreuken en Hooglied), ca. 1200, Brugge, OB, ms. 26, Het Boek der boeken: eerste bron van alle wijsheid

 


 

Artistieke productie

 

 

Sobere cisterciënzerhandschriften uit de beginperiode (tot 1200)

 

In het twaalfde-eeuwse Europa was zowel de productie als de consumptie van handschriften nog grotendeels een monastieke aangelegenheid.

 

De benedictijnen waren echter niet meer de enigen die de pen ter hand namen. Religieuze hervormingen leidden in die periode tot het ontstaan van nieuwe orden (zoals de kartuizers, de cisterciënzers en de premonstratenzers), en bijgevolg ook tot een enorme toename aan kloosterscriptoria. Deze nieuw opgerichte kloosters hadden boeken nodig: de sacra scriptura op de eerste plaats, maar ook teksten van de kerkvaders en boeken voor de dagelijkse liturgie.

 

De orde van Cîteaux, opgericht door de benedictijnen abt Robertus van Molesmes in 1098, is een duidelijke exponent van de toenmalige drang naar monastieke vernieuwing. Uit onvrede met de al te luxueuze levensstijl van de benedictijnen op het einde van de elfde eeuw, streefden de monniken van Cîteaux een terugkeer naar het oorspronkelijke armoede-ideaal van Benedictus na. Die resolute keuze voor eenvoud en soberheid bleek niet alleen uit hun levenswijze maar ook uit hun handschriften. Waar de benedictijnen tot meerdere eer en glorie van God indrukwekkende kerken bouwden en rijkelijk versierde handschriften vervaardigden, betoonden de cisterciënzers hun eerbied door eenvoud.

 

Die eenvoud in de decoratie van handschriften werd voorgeschreven door Bernardus, abt van Clairvaux (1114-1153): litterae unius colarisfiant et non depictae (ze mogen letters schilderen in één kleur, doch onversierd). Dit voorschrift moet worden begrepen in de geest van het armoede-ideaal van de cisterciënzers.

 

Bij hun intrede verlieten zij de wereldse pracht en praal om te leven zoals Christus. Codexen vol goud en zilver pasten niet binnen een leven van nederigheid en onthechting. Bovendien konden overdadige initialen en fantasierijke marginalia de aandacht afleiden van de inhoud van de tekst, waarin uiteindelijk de echte schoonheid van het boek te vinden was. Initialen en andere vormen van decoratie dienden op de eerste plaats om het boek van een overzichtelijke tekstindeling te voorzien en aldus hanteerbaar te maken. Een toonbeeld van strenge soberheid is Brugge, Openbare Bibliotheek, ms.257 (Sermoenen van Augustinus, twaalfde eeuw). De grote, eenkleurige initialen en de overzichtelijke lay-out laten de schoonheid van de tekst volmaakt tot haar recht komen

 

Hoewel het voorschrift van Bernardus goed gekend en wijdverspreid was, weken heel wat handschriften algauw af van deze rigide regel. Velen hielden zich weliswaar nauwgezet aan het kleurverbod, maar lieten hun fantasie de vrije loop in de opsmuk van de initialen met gestileerde bloemen en rankwerk. Al heel wat verder verwijderd van de oorspronkelijke nederigheid zijn de vier delen van Augustinus’ homilieën op de psalmen uit de bibliotheek van Ter Doest (Brugge, Grootseminarie, ms. 16/ 196 tot en met 19/193). Deze vier volumes - een vijfde deel ging verloren - werden vervaardigd rond 1200 en bevatten Augustinus' commentaren op de psalmen 1-118. De initialen, die telkens een nieuw psalmencommentaar inluiden, zijn steeds meerkleurig en versierd met gevlochten blad- en rankwerk. Het belang van de eerste initiaal in het eerste volume werd extra in de verf gezet: in het sierlijke rankwerk zijn drie medaillons met leeuwen verwerkt. De twee laatste volumes bevatten vooraan een sierbladzijde waarop het incipit in rode, blauwe en groene letters is weergegeven.

 

Vanaf omstreeks 1200 boetten de monastieke scriptoria ia aan belang in en namen professionele lekenateliers het roer van hen over. Dit was zowel te wijten aan economische en politieke moeilijkheden binnen het kloosterleven zelf als aan fundamentele veranderingen in de samenleving daarbuiten.

 

Het ontstaan van de steden en de emancipatie van de burger creëerden een nieuw lezerspubliek en dus een nieuwe markt. In tegenstelling tot de abdijen waren de stedelijke ateliers wel in staat om aan de stijgende vraag naar boeken te voldoen.

 

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, ca. 1200 Brugge, GS, ms. 16/196 Cisterciënzers gingen handig om met het voorschrift enkel sobere handschriften te produceren, met verluchting in één kleur

Augustinus, Sermones, 12de eeuw Brugge, OB, ms. . 257 De strenge eenvoud van de cisterciënzers

Justinianus, lnfortiatum, met glossen, ca. 1300 Brugge, OB, ms. 352 Romeins recht in een cisterciënzerabdij, Handschrift uit Bologna, geschreven in een Italiaanse rotunda, en in de karakteristieke vormgeving voor juridische handschriften

 

 

Parijse handschriften uit de lekenateliers

 

Vanaf het einde van de twaalfde eeuw ontwikkelde zich in Parijs een uitgebreid commercieel boekencircuit. Talrijke boekhandelaars, perkamentmakers, kopiisten en verluchters vestigden zich langs de Rue Neuve Notre­Dame en de Rue des Ecrivains. Parijs was op dat moment, meer dan alle andere West-Europese steden van formaat, een ideale voedingsbodem voor een bloeiend boekenbedrijf. De koning had er zijn residentie samen met zijn hele hofhouding, en ook de bisschoppelijke zetel was te Parijs gevestigd. Deze wereldlijke en geestelijke prelaten behoorden tot de belangrijkste klanten. Bovenal echter zorgde de aanwezigheid van de universiteit voor heel wat bestellingen.

 

De oorsprong van de Parijse universiteit moet worden gezocht in de kathedraalscholen - op de eerste plaats de school van Notre-Dame - waar niet enkel theologie maar ook grammatica, retoriek en andere vakken onderwezen werden. De lezingen van Hugo van Sint-Victor en Petrus Abelardus lokten in de eerste helft van de twaalfde eeuw heel wat jonge mannen uit alle hoeken van West-Europa naar Parijs. Voor velen onder hen was een belangrijke functie in de kerkelijke hiërarchie weggelegd. De Parijse boekhandelaars deden gouden zaken: de studenten bestelden rijk gedecoreerde handschriften, waaronder geglosseerde boeken van de bijbel. Een van hen was Petrus Lombardus ( 1160).

 

Hij werd zelf een van de befaamdste magisters van de kathedraalschool van Notre-Dame en eindigde zijn carrière als bisschop van Parijs. Een exemplaar van zijn Collectanea in epistalas Pauli belandde in de bibliotheek van de Duinenabdij (Brugge Openbare Bibliotheek ms. 85). Het handschrift werd vervaardigd in een Parijs' lekenatelier. De volmaakte verhoudingen tussen glossen en basistekst zijn kenmerkend voor het geroutineerde commerciële boekbedrijf. Hoogstwaarschijnlijk werd het boek meegebracht door een monnik die tijdelijk als student of magister te Parijs verbleef.

 

Bijbel, Nieuwe Testament: Brieven van Paulus en commentaren van Petrus Lombardus, 13de eeuw Brugge, OB, ms. B5 Een Parijs' handschrift in een Vlaamse cisterciënzerbibliotheek: product van het nieuwe commerciële boekenbedrijf

Euclides, Elementa, 14de eeuw, Brugge, OB, ms. 52 1 Meetkunde op universitair niveau

 

 

De pecia-methode

 

In de loop van de dertiende eeuw - de Parijse universiteit was ondertussen een zelfstandig leven gaan leiden - volgden de lekenateliers de noden van de studenten op de voet. De vier grote faculteiten (artes, recht, geneeskunde en theologie) vereisten hun eigen teksten. Grote hoeveelheden handschriften moesten aan een snel tempo worden vervaardigd om aan de behoeften te voldoen. De pecia -methode bracht hier de oplossing. Het woord peciae (letterlijk: 'stukken') duidt op de afzonderlijke katernen waaruit een handschrift bestaat alvorens het ingebonden wordt. Vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw konden studenten bij boekhandelaars losse genummerde peciae lenen en (laten) kopiëren. Nadat ze een pecia voltooid en teruggebracht hadden konden zij het volgende nummer ontlenen. Op die manier kon één handschrift op een snelle en goedkope manier tegelijkertijd door verschillende studenten afgeschreven worden.

 

De universiteiten controleerden jaarlijks de originele exemplaren van de boekhandelaars op fouten.

 

De bibliotheken van de abdijen Ten Duinen en Ter Doest bevatten een aantal pecia-handschriften met medische en taalkundige traktaten. Brugge OB ms. 521 (meetkundige traktaten van de Griekse wiskundige Euclides) is een mooi voorbeeld van een universitaire tekst. Anders dan in de haastig neergeschreven pecia-handschriften zijn tekst en meetkundige figuren hier binnen de bladspiegel tot een harmonisch geheel samengebracht.

 

 

Artistieke vormgeving

 

Niet alle handschriften van de Vlaamse cisterciënzerbibliotheken getuigen van dezelfde strenge eenvoud. Naast de sobere (en minder sobere) cisterciënzerhandschriften kwamen immers ook heel wat andere boeken via het tweedehandse circuit of via schenkingen in de abdijbibliotheek terecht. Bovendien werden sommige handschriften weliswaar in de abdij zelf geschreven, maar voor de verluchting aan een lekenatelier toevertrouwd. Ondanks de grote uiterlijke verschillen had de decoratie in deze handschriften eenzelfde hoofdbedoeling: de teksten van een duidelijke structuur voorzien en op die manier de leesbaarheid bevorderen. Vergrote aanvangsletters (initialen, lombarden, hoofdletters) hadden de bedoeling een tekst of een tekstonderdeel in te leiden. Uit hun formaat en de mate van versiering kon de hiërarchische geleding van de tekst worden afgeleid.

 

Augustinus, De civitate Dei, 15de eeuw Brugge, OB, ms. 106 Augustinus als bisschop (mijter en staf) en kerkleraar (boek)

 

In de loop van de dertiende eeuw ontstond uit de uitlopers van de initialen in de marges een nieuwe vorm van decoratie: de randversiering. De eerste sobere omlijstingen maakten al gauw plaats voor weelderige bloemenranken, realistische of satirische tafereeltjes en fantastische figuren Miniaturen konden net zoals de aanvangsletters en de randdecoratie de tekst structureren, maar daarnaast werden ze ook voor heel wat andere doeleinden aangewend: de tekst illustreren of synthetiseren, via schematische voorstellingen moeilijke tekstpassages verduidelijken, de lezer door middel van aangrijpende taferelen tot bezinning aanzetten etc. Dit geheel van illustratieve en decoratieve elementen maakte - in een tijd waarin nog geen gebruik werd gemaakt van titels, ondertitels en witbladzijden – de tekst op een functionele en artistieke manier toegankelijk voor de lezer.

 

Augustinus, De civitate Dei, 15de eeuw Brugge, OB, ms. 108 Dubbelminiatuur ter illustratie van de Civitas eterni supplici (links: Kaïn wordt hardhandig de hel ingesleurd) en de Civitas paradisi voluptatis (rechts: Abel in de Stad Gods)

 


 

De middeleeuwse boekvorm

 

Boeken en bibliotheken houden een tegenstelling in. Ze bevatten geestelijke, intellectuele inhouden die worden gedragen door natuurlijke materialen: perkament, leder en hout, inkten, pigmenten en goud, hoorn en metalen. Het lezen van deze materiële sporen vraagt tijd en deskundigheid maar biedt een onverhoopte toegang tot de middeleeuwse wereld.

 

 

Het verhaal van de materiële sporen

Codex of rol

 

Middeleeuwse handschriften in Vlaamse abdijen zijn in codexvorm. De codex (oorspronkelijk 'caudex') verwijst naar het hout van de houten wastafeltjes waarop in de Oudheid en ook nog een stuk in de Middeleeuwen werd geschreven. Het samenbrengen van een aantal van die wastafeltjes zorgde voor de boekvorm of codex. Het is deze vorm die zich in de westerse Middeleeuwen kon doorzetten als vaste boekvorm, weliswaar niet met houten tafeltjes maar met bladen perkament. Deze vorm van het boek heeft zich tot op vandaag gehandhaafd. Dit was geen evidente keuze want de antieke boekrol, waarbij bladen papyrus of perkament aan elkaar werden genaaid en op een rol bewaard, leek aanvankelijk voorbestemd om op grote schaal teksten te dragen en te ontsluiten.

Boëthius, De musica, 10de eeuw Brugge, OB, ms. 531 Het oudste Duinenhandschrift vertoont nog een 'vierkant' formaat

 

 

Perkament

 

In zijn elementaire vorm bestaat een codex uit een aantal gevouwen bladen perkament (het boekblok), genaaid op meerdere bindingen die in (houten) platten werden vastgezet. Perkament was het basismateriaal, de schrijfstof. Het werd vervaardigd van ongelooide dierenhuiden, die ontvleesd en onthaard in de zon werden opgespannen. Na een bewerking met krijt en puimsteen kon perkament inkt vasthouden.

 

Bladen perkament hadden de rechthoekige vorm van de oorspronkelijke dierenhuid, en werden verder gevouwen naargelang het gewenste boekformaat. Antieke codices gaven de voorkeur aan een bijna vierkante vorm en dit werd nog tijdens de Karolingische renaissance nagevolgd. Het oudste bewaarde (tiende eeuw) handschrift uit de Duinenabdij (Brugge, OB, ms. 531) staat dicht bij deze traditie.

 

De aanmaak van grote codices noopte per definitie tot het gebruik van kalfsperkament; uit één vel verkreeg men na éénmaal plooien twee bladen of vier bladzijden. Sommige teksten zoals de driedelige bijbel uit Claimarais of psalmencommentaren van Augustinus waren zo volumineus dat bijna automatisch werd geopteerd voor grote formaten met een hoogte van bijna een halve meter. Geiten en schapen waren in de Middeleeuwen aanzienlijk kleiner dan vandaag, te klein om uit hun huid een groot dubbelblad perkament af te leiden. Daarenboven leverden ze een perkament van mindere kwaliteit op, met groot kleurverschil tussen de haar- (geel) en vleeszijde (wit). Vooral de goedkope studentenhandschriften maakten er vanaf de dertiende eeuw gebruik van. Ze bevatten teksten met lestoepassingen (quodlibets, quaestio's, enz. op Aristoteles) en werden door monniken uit Parijs en andere studia naar hun abdij meegebracht. Maar zelfs hier hadden boekenmakers oog voor het esthetisch aspect. Pas in de negentiende eeuw 'ontdekte' de codicoloog Gregory dat steeds twee pagina's van dezelfde kleur tegenover elkaar liggen. Italiaanse handschriften tenslotte bevatten overwegend geitenperkament

 

Meermaals gevouwen en/ of in elkaar geschoven vellen perkament leverden een katern op; opeengestapelde katernen uiteindelijk het boekblok. Elk atelier had zijn eigen gebruiken maar een katern van vier dubbelbladen (quaternio: acht folio's of bladen; 16 bladzijden) was in de Middeleeuwen de regel.

 

De binder slaagde erin de goede volgorde te bewaren via signaturen en/ of bladwachters die de scriptor had aangebracht. Signaturen in de vroege Duinenhandschriften hebben een typische vorm, een Romeins cijfer centraal onderaan het blad.

 

Conradus Holtnicker, Sermones, 14de eeuw Brugge, OB, ms. 286 Het klein formaat van sermoenbundels verwijst naar hun gebruik: niet vastgeketend in de librije maar meeneembaar door de bezitter

Augustinus, Enarrationes in psalmos (95-118), ca. 1200 Brugge, GS, ms. 19/193 Scriptoriumwerk in Ter Doest: grote codices vragen kalfsperkament

 

 

Vormgeven en schrijven

Schrijven kon enkel op gelinieerde bladen.

 

In manuscripten waarvan het boekblok door latere inbindingen niet werd bijgesneden, zijn in de buitenste marges van de bladen prikkingen te zien; ze waren een hulpmiddel om te liniëren en om de vormgeving van een blad uit te tekenen. Vóór 1200 werd er doorgaans 'blind' gelinieerd; een puntig metalen voorwerp liet een spoor in reliëf na. Nadien werden loodstift of zelfs (purper) inkt gebruikt. Het complexe lijnenspel, zowel de schrijflijnen als de afbakening van de schrijfoppervlakte, droeg bij tot het esthetisch aspect van de pagina.

 

Handschriften uit de cisterciënzerbibliotheken sluiten perfect aan op het gotische kunstgevoel van de latere Middeleeuwen, vanaf 1200. Gotisch zijn de textuur van de schrijfletter (de littera textualis en zijn currens (vlotte) en formata (stijve) varianten), de verticaliteit van de bladspiegel in twee kolommen en de horror vacui. Met deze angst voor de lege ruimte kwamen twee opvallende kenmerken in verband worden gebracht. Vóór ca. 1200 begon een schrijver zijn tekst bovenop de bovenste lijn en schreef hij verder op de lijnen. Vanaf de dertiende eeuw is dit niet langer zo en zit elk woord, elke geschreven regel, gevat tussen een lijn boven en onder. Het gebruik van kolommen verhoogde de leesbaarheid, zeker bij het compacte gotische schrift. Cisterciënzers lazen veelal in stilte.

 

In een vroeger stadium, in de laat-Romeinse tijd, had de overgang van het luidop naar het stil lezen reeds aanleiding gegeven om woorden los van elkaar te schrijven, wat in de vroegste manuscripten niet het geval was.

 

Vincent van Beauvais, Speculum doctrinole, einde dertiende eeuw Brugge, OB, ms. 251 Het complexe lijnenspel in loodstilt (schrijflijnen, bladspiegel) draagt bij tot het esthetisch aspect van de pagina

Bijbel, Lucasevangelie en Handelingen van de Apostelen: tekst en commentaar, eind 12de eeuw Brugge, OB, ms. 71 Een vroeg geglosseerd handschrift: deze vormgeving ontwikkelde zich binnen een halve eeuw tot een compacte verticaliteit

 

Middeleeuwers hadden een groot respect voor gezaghebbende basisteksten. Hun spirituele en wetenschappelijke zoektocht richtte zich in eerste instantie naar het becommentariëren en verklaren van deze teksten: de bijbel, vanaf de twaalfde eeuw Aristoteles. Het samenbrengen van basistekst en commentaar was een continue zorg. In de vroegste cisterciënzerhandschriften wisselen tekst en commentaar elkaar af; aanduidingen in de marges wezen op het onderscheid. De open, luchtige Romaanse bladspiegel kwam op deze manier niet in het gedrang. Vanaf de late twaalfde eeuw kwamen boekschrijvers uit op een complexe vormgeving met een centrale basistekst, en glossen (uitleg) tussen de lijnen en in de rand. In druk becommentarieerde bijbelboeken zoals de psalmen en de brieven van Paulus was het een heksentoer om beide tekstniveau ‘s parallel aan te bieden. In elk geval leidde dit tot esthetische vormschema's met verticale tekstblokken en een uitgesproken beslotenheid van de pagina. Bepaalde genres zoals Romeins en kerkelijk recht ontwikkelden vanuit Italië hun eigen vormschema's, met glossen rondom.

 

Decretalen (Bonifatius VIII) met glossen van Joannes Andreae, 1 4de eeuw Brugge, OB, ms. 361 Rechtshandschriften vertonen een eigen vorm met glossen rondom

lbn Butlan, Tacuinum Sanitatis, 14de eeuw Brugge, GS, ms. 94/65 Een Arabische erfenis: de originele presentatie van een medische handleiding

 

Het schrijfwerk in commerciële ateliers heeft deze vormen tot standaard verheven. Aanzetten tot vernieuwing kwamen vanuit de Arabische wereld.

 

Het Tacuinum Sanitatis, een overzichtswerk over hygiëne en dieet, werd door de Arabische geneesheer Ibn Butlan gepresenteerd in een rastervorm op basis van vijftien kolommen. Ook de Latijnse vertaling, aanwezig in de Duinenabdij, en zelfs de zestiende-eeuwse gedrukte versies, hield deze originele vormgeving aan.

 

Boeken schrijven vormde een onderdeel van de dagindeling van de monnik of lekenbroeder. Kopieerwerk was hard labeur in soms oncomfortabele omstandigheden. Hoe gestaag dit werk vooruit ging, is moeilijk te achterhalen. Carla Bozzolo en Exio Ornato, wetenschappers die het middeleeuwse boek met meetlat en statistiek benaderen, ramen de schrijfcapaciteit van een beroepskopiist op gemiddeld drie bladen per dag. Recent onderzoek van E. Overgaauw (1995) met betrekking tot schrijvende monniken in de Nederlanden komt uit op een tot anderhalve folio per dag. De schaarse notities van kopiisten achteraan in handschriften getuigen van 'een onmenselijke taak' maar 'graag opgedragen aan God'.

 

 

 

De juiste pagina

 

Het pagineren of foliëren, een hulp bij het lezen van teksten, was in de Middeleeuwen nauwelijks ingeburgerd. Vlaamse cisterciënzers hebben wel naar oplossingen gezocht om adequaat teksten te kunnen naslaan. Via een ingenieus spel van letters en puntjes vonden de monniken van Ten Duinen de gewenste passage in geen tijd in de exacte kolom van die bepaalde pagina. Hoewel men in Clairmarais en Ter Doest gevoelig was voor de scriptoriumpraktijken van de moederabdij, werd deze zogenaamde Duinenfoliëring niet nagevolgd.

 

In Vaucelles, eveneens in contact met de Vlaamse cisterciënzerabdijen, hanteerden de monniken dan weer een eigen numeriek stelsel.

 

 

Gesloopte manuscripten

 

Middeleeuwse bibliotheken waren in beweging. Teksten werden herschreven, nieuwe en betere tekstoverleveringen maakten oude tekstgetuigen overbodig en ook de interesse verschoof met de eeuwen. In onbruik geraakte handschriften werden gesloopt en ook het duurzame perkament werd hergebruikt als dek­ en schutbladen en rugversteviging in boekbanden. Vooral gebeden- en liturgieboeken leden onder dagelijkse manipulatie. Fragmenten van een elfde-eeuws prekenboek (homiliarium) komen voor in meer dan tien vroege Ter Doest-handschriften. De verspreiding van fragmenten van het Legendarium flandrense, levendige hagiografische verhalen in zeven volumes, in boekbanden van Clairmarais wijst op de actieve manier waarop de monniken daar met deze heiligenlevens omgingen. Aanvullingen en aanpassingen leidden tot een nieuwe (vandaag nog bewaarde) redactie; de oude versie werd gesloopt en hergebruikt. Maar ook de 'geleerde' Parijse handschriften gingen niet vrijuit. 'Membra disiecta' van een Ethica van Aristoteles (Ethica ad Nicomaclum) worden getraceerd in veertiende-eeuwse Duinenhandschriften. Dit gebeurde wellicht toen een nieuwe (en vandaag bewaarde: Brugge, OB, ms. 357) vertaling van de Oxfordse magister Robertus Grosseteste werd verworven.

 

 

De boekband: de jas van het handschrift

 

Maculatuur verwijst naar boekbanden. Een manuscript was een kostbaar bezit dat beschermd werd door een boekband. Monniken naaiden de beschreven katernen in de rug op bindingen, stroken perkament, leder of touw, die werden vastgezet in een voor- en een achterplat uit eikenhout. Deze boekconstructie werd in latere eeuwen niet meer gewijzigd, wel verfijnd. In de twaalfde eeuw bekleedden de binders platten en rug met ruw bewerkte, onversierde huiden van herten en reeën. Vooral uit Clairmarais zijn veel van deze authentieke banden bewaard, naar verhouding veel meer dan de enkele procenten die volgens de bandenkenner J. Szirmai uit de Middeleeuwen tot ons zijn gekomen. Enkele eeuwen later werd veelal gekozen voor een bekleding in fijn kalfsleder, gedecoreerd met losse en paneelstempels. Bibliofiele abten zoals Jan Crabbe (1457-1488) lieten dit uitvoeren door exquise boekbinders in de laatmiddeleeuwse metropool Brugge. De zeventiende­ eeuwse reorganisatie van de Duinenbibliotheek onder leiding van abt Bernard Campmans (1623-1642) zorgde ten slotte voor herinbinding van honderden manuscripten in een aantal verwante bandtypes; de zogenaamde Campmansband bevatte op voor- en achterplat de wapenschilden en -spreuken van de abdij en de abt in goudstempeling.

 

Oorspronkelijke boekbanden bevatten sporen van middeleeuws bibliotheekgebruik In de vroegste periode werd onderaan op het achterplat een venstertje aangebracht. Daarin zat, vervat achter een hoornplaatje, een strookje perkament met de verkorte titelgegevens, op zijn plaats gehouden door een kadertje in messing. Bovenaan het voorplat zijn er sporen van kettingklampen. Dit alles verwijst naar de horizontale plaatsing van manuscripten in de middeleeuwse bibliotheek.

 

Hugo de Fouilloy, De volucribus, ca. 1200, Brugge, GS, ms. 89/54 Een vroeg cisterciënzerhandschrift uit de Duinenabdij met Duinenfoliëring

 


 

Cisterciënzers als boekengebruikers

 

 

Monnik

 

Toen de bibliotheken van Ten Duinen en Ter Doest in de zeventiende eeuw werden samengevoegd, stelde Carolus de Visch (1596-1666) een systematische catalogus van de handschriftencollectie samen. Uit deze inventaris blijkt de universele rijkdom aan kennis waarover de monniken van de Duinenabdij konden beschikken. Naast een schat aan religieuze teksten ­ bijbelboeken, de kerkvaders, summa's, sermoenen en liturgische teksten - zijn in de catalogus haast alle disciplines uit de westerse Middeleeuwen vertegenwoordigd: recht, geschiedenis, geneeskunde, filosofie (met onder andere wiskundige, aardrijkskundige en astronomische teksten), scholastiek, etc. Eeuwenlang schrijven, kopiëren en verzamelen leidde tot een fabelachtige intellectuele en artistieke boekenschat. Uit deze veelheid aan teksten is duidelijk af te lezen dat de cisterciënzers een gezonde interesse aan de dag legden voor de ontwikkelingen buiten hun abdijmuren.

 

Bijbels en bijbelcommentaren namen vanzelfsprekend een groot deel van de abdijbibliotheek in beslag. Voor de middeleeuwse monnik was de bijbel de meest fundamentele tekst. De lezing van de Heilige Schrift nam in het dagelijkse leven van de monnik dan ook heel wat uren in beslag. Exemplaren zoals de Bijbel van Ter Doest, met monumentale afmetingen en een groot en duidelijk lettertype, waren op de eerste plaats bedoeld om voor te lezen. Voor de lectio divina (de overwegende lezing) maakten de monniken gebruik van afzonderlijke bijbelboeken, die in de marges voorzien werden van de zogenaamde glossa ordinaria: een geheel van glossen, samengesteld uit commentaren van kerkvaders en Karolingische auteurs, dat in het begin van de twaalfde eeuw gestandaardiseerd werd.

 

De Lectio divina beperkte zich echter niet tot de studie van de bijbel. Zoals alle middeleeuwse abdijbibliotheken van formaat bevatte de bibliotheek van de Duinenabdij talrijke teksten van de kerkvaders. Met maar liefst 120 werken is Augustinus het sterkst vertegenwoordigd.

 

Ook de eigen cisterciënzerauteurs zijn talrijk aanwezig. Bernardus van Clairvaux neemt na Augustinus met zeventig werken een eervolle tweede plaats in.

 

Ook teksten met beschouwingen over het monastieke leven hoorden op de boekenplank van de monnik thuis. In dat verband moet een verzameling teksten van Hugo van Fouilloy vermeld worden (Brugge, GS, ms. 89/54). Hugo van Fouilloy, overste van de priorij van reguliere kanunniken van Sint-Augustinus te Saint-Laurent-au-Bois en vurig verdediger van de Gregoriaanse hervorming, was in het cisterciënzermilieu een bijzonder geliefde auteur. In zijn traktaat De pastoribus (f. 114v-142r) behandelt hij het thema van het geestelijk leiderschap. Om de inhoud verstaanbaar te maken, maakte hij gebruik van schematische voorstellingen.

 

Bijbel, Oude Testament: Genesis en Exodus met glossen, 13de eeuw Brugge, GS, ms. 7/43 Bijbel met glossa ordinaria. In de initiaal die het boek Genesis inleidt, wordt de schepping uitgebeeld

Hugo van Fouilloy, De pastoribus en andere teksten, ca. 1200 Brugge, GS, ms. 89/54Allegorische voorstelling van het geestelijk leiderschap

Augustinus, De civitate Dei, 15de eeuw Brugge, OB, ms. 108 Augustinus: het hart in zijn honden symboliseert zijn vurige liefde tot God en de medemens

 

 

Priester

 

In het dagelijks leven van de monniken nam de liturgie een vaste plaats in. De middeleeuwse liturgie bestond uit twee hoofdbestanddelen: het koorgebed en de eucharistieviering. Het koorgebed, de dagelijkse gebedencyclus op de canonieke uren, begon 's nachts om drie of vier uur met de metten en zette zich op regelmatige tijdstippen verder met de lauden, terts, sext, noon, vespers en completen. Naast dit koorgebed vierden de monniken een of meerdere malen per dag de eucharistie, een van de belangrijkste sacramenten van de Kerk en symbool van het offer van Christus.

 

Het belangrijkste liturgische boek voor de monniken, het breviarium, ontstond uit het samenvoegen en verkorten van een aantal afzonderlijke boeken die gebruikt werden bij het koorgebed. Het  woord breviarium is afgeleid van het  Latijnse brevis, wat 'kort' betekent. Deze verzameling teksten groeide uit tot één gebedenboek, bestaande uit een aantal vaste onderdelen: een kalender, het psalterium (het geheel van de 150 psalmen), het temporale (lezingen en gebeden voor gewone dagen) en het sanctorale (lezingen en gebeden voor de feestdagen van de heiligen). Het breviarium van Duinenabt Petrus Vaillant (1488-1492), bewaard in het Grootseminarie, bestaat uit drie afzonderlijke codices. Het eerste deel (ms. 59/67, kalender en psalterium) werd met zekerheid geschreven tijdens zijn abbatiaat. Zijn initialen zijn verwerkt in talrijke sierlijke tafereeltjes die weinig te maken hebben met de religieuze inhoud van de tekst. Zo houden op f. 97r van het handschrift twee naakte zeemeerminnen de initialen PV vast.

 

Sint-Bemardus zou vreemd opgekeken hebben bij het zien van al dat schoons in een cisterciënzerhandschrift Een tweede liturgisch boek dat in geen enkel middeleeuws koor mocht ontbreken is het antifonarium.

 

Het antifonarium bevat het gezongen gedeelte van het breviarium. Het is gewoonlijk erg groot van formaat omdat het hele monnikenkoor uit één handschrift zong. In het hier afgebeelde antifonarium (Brugge, GS, ms. 73/32) is de oude neumen-annotatie op een notenbalk van vier lijnen te zien.

 

Uiteraard waren alle monniken ook priester, waardoor ze gemachtigd waren om de Heilige Mis op te dragen. Missalen, de boeken die gebruikt werden bij de viering van de eucharistie, bevatten net zoals de breviaria een aantal vaste onderdelen: een kalender, het temporale (de veranderlijke misteksten voor de gewone vieringen van het hele kerkelijke jaar), de Ordo Missae (het vaste en onveranderlijke gedeelte van iedere misviering met onder andere de prefatie en het canongebed), het sanctorale (de veranderlijke misteksten voor de feestdagen van heiligen) en eventueel nog een aantal andere teksten, zoals de dodenmis. Gradualen bevatten de gezongen gedeelten van het missaal. Gewoonlijk zijn missalen slechts in beperkte mate gedecoreerd. Vaak bevat enkel de Canon, de kern en het hoogtepunt van de eucharistie, een miniatuur van bijvoorbeeld de kruisiging. Het vijftiende-eeuwse missaal van Ter Doest (Brugge, GS, ms. 49/18) is een van die uitzonderingen die de regel bevestigen. Maar liefst 27 miniaturen sieren deze prachtig verluchte codex.

 

Breviarium voor breviergebed, 15de eeuw Brugge, GS, ms. 59/67 Breviarium van een bibliofiele abt: Petrus Voillant

CisterciënzermissaaI, 1478-1492 Brugge, GS, ms. 49/18 Missaal vanTer Doest: links Sint­Bernardus bij het begin van een aan hem opgedragen hymne, rechts het Laatste Oordeel

CisterciënzermissaaI, 15de eeuw Brugge, GS, ms. 52/46 De cisterciënzermonnik als priester: de zegening van wijn en brood

Antifonarium, 16de eeuw Brugge, GS, ms. 73/32 Antifonarium van de Duinenabdij geschreven door Jan van Vreckem

 

 

Student/magister

 

Het ontstaan van de eerste universiteiten veroorzaakte grondige wijzigingen in het middeleeuwse intellectuele klimaat. De grote kloosterorden verloren hun positie als centra van wetenschappelijke activiteit en veel monniken verlieten de abdij voor enkele jaren om hun opleiding te voltooien aan de universiteit. Daartoe richtten zij hun eigen colleges op. Het eerste college van de cisterciënzers, het Sint-Bemarduscollege te Parijs, werd in het begin van de dertiende eeuw gesticht door de abten van Clairvaux, Raoul de la Roche-Aimon, Evrardus van Oairvaux, en vooral Stephanus van Lexington. Naar het voorbeeld van Parijs volgden al gauw nieuwe colleges te Montpellier, Estella, Toulouse, Oxford en Metz. De monniken van de abdij Ten Duinen en haar twee dochterabdijen Ter Doest en Clairmarais trokken hoofdzakelijk richting Parijs.

 

Het verblijf van deze student-monniken in een universiteitsstad als Parijs had vanzelfsprekend grote gevolgen voor de samenstelling van het boekenbestand van de abdij. Studenten en magisters (zoals Jan van Weerde, Franciscus de Keysere en Jan Snidewint van Ten Duinen en Jan van He van Ter Doest) brachten na hun jarenlange verblijf aan het Sint-Bernarduscollege heel wat codexen mee naar de moederabdij- De abdijbibliotheken bevatten aast een aantal haastig geschreven studentencursussen met medische, wiskundige en taalkundige traktaten van de traditionele auctoritates (Euclides, Hippocrates, Galenus, ...) heel wat handschriften die getuigen van de nieuwe universitaire tendensen.

 

In de twaalfde en dertiende eeuw laaide de interesse in de antieke filosoof Aristoteles opnieuw hoog op. Zijn monumentale oeuvre werd het uitgangspunt voor nieuw onderzoek, niet alleen in de natuurwetenschappen, de logica en de filosofie, maar ook in de theologie.

 

Zijn argumentatieleer werd de grondslag voor een nieuwe wetenschappelijke discipline en de ultieme verzoening tussen filosofie en theologie: de scholastiek. Vooral de Duinenabdij blonk uit met een uitgebreide collectie academische Aristotelescommentaren.

 

Een tweede vakgebied door de universiteiten in het leven geroepen was het kerkelijk recht. Monastieke instellingen van formaat zoals de Duinenabdi j hadden veelal een belangrijke stem in het maatschappelijk, politiek en economisch debat. Heel wat cisterciënzer­monniken die zich toespitsten op de studie van het kerkelijk en wereldlijk recht maakten carrière in dit vakgebied. Dit ging zelfs zover dat paus Benedictus XII de cisterciënzers in 1335 verbood zich nog langer met de rechtenstudie in te laten. De juridische teksten van Ten Duinen en Ter Doest zijn veelal geschreven in een littera rotunda. Dit karakteristieke schrifttype duidt op een Italiaanse herkomst. De universiteit van Bologna was op dat moment de plaats bij uitstek voor de studie van het recht.

 

Cicero, De officiis; Boëthius, De consolatione philosophiae, ca 1473 Brugge, GS, ms.  112/111 Een parel van humanistische boekkunst in opdracht van abt Jan Crabbe (met diens wapenschild in de initiaal)

 

Een  sprekend voorbeeld is Brugge, Grootseminarie, ms.  112/111. Deze codex bevat teksten van de klassieke auteur Cicero (De officiis) en van Boëthius (De consolatione philosophiae). De verzorgde letter, het fijne perkament, de luxueuze band en de sobere sierlijkheid van de verluchting zijn typisch voor de bibliofiele smaak van het Italiaanse humanisme.

 

De eenvoud van de decoratie staat haaks op de pracht en praal waarmee Bourgondische bibliofielen hun luxe handschriften lieten opsmukken.

 

Valerius Maximus, Facta et dicta memorabilia, ca. 1470-1475. Brugge, GS, ms. 158/189 Luxeboek besteld door de Duinenabt Jan Crabbe (1457/59-1488) versierd met miniaturen en ronddecoratie. Dit is werk van de Meester van het Dresdens getijdenboek, werkzaam in Brugge.

 

 

Bibliofiel

 

Het Italiaanse humanisme ging aan het vijftiende-eeuwse Brugge niet stilzwijgend voorbij. De aanwezigheid van Italiaanse kooplieden en hun entourage in de bloeiende handelsmetropool zorgde ervoor dat ook hier de interesse in de Latijnse klassieken opnieuw aangewakkerd werd. Dit uitte zich zowel in de keuze van teksten en auteurs als in de vormgeving van de handschriften. Johannes Crabbe, abt van de Duinenabdij (1457/59 tot 1488) en verwoed bibliofiel, participeerde volop in deze vernieuwende beweging.

 

De handschriften die door abt Crabbe werden besteld, getuigen van een grote belangstelling voor de Latijnse klassieken (Vergilius, Cicero, Julius Caesar en Sallustius) en de moderne Italiaanse humanistische auteurs zoals Petrarca en Boccaccio. Een groot aantal van deze handschriften werd naar alle waarschijnlijkheid vervaardigd in een te Brugge gevestigd Italiaans scriptorium. Karakteristiek is het humanistische schrift waarin vele (seculiere) Crabbehandschriften zijn opgesteld. Het humanistisch schrift greep terug naar de Karolingische minuskel, het schrifttype waarin de vroegst gekende klassieke teksten waren overgeleverd. Door imitatie van het Karolingische lettertype probeerden de humanisten het klassieke schrift van de Romeinse oudheid te doen herleven.

 


Beknopte bibliografie

 

Over middeleeuwse handschriften en specifiek cisterciënzermanuscripten bestaat een uitgebreide literatuur. De bijdragen in dit nummer zijn geïnspireerd op de tentoonstellingscatalogus Besloten wereld, open boeken, Tielt 2002, met name de bijdragen van Brigitte Beernaert, Fernand Bossier, Jos Decorte (+), Albert Derolez, Noël Geirnaert en Ludo Vandamme. De beste algemene inleiding blijft Christopher de Hamel, A history of illustrated manuscripts, Londen, 1994. Een breed overzicht van de (Vlaamse) miniatuurkunst geeft Maurits Smeyers, Vlaamse miniaturen van de 8ste tot midden van de 16de eeuw: de middeleeuwse wereld op perkament, Leuven, 1988.

 

Materiële aspecten van de miniatuurkunst bij Jonathan Alexander, Mediëval illuminators and their methods of work, New Haven en Londen, 1992.

 

Max Wilders, Kosmologie in de Westerse cultuur, (2de druk), DNB/Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1989.

 

Het meest recente overzicht over de Vlaamse cisterciënzerabdijen bieden Anselm Hoste, Michiel Nuyttens en Geert Van Bockstaele, De glans van Cîteaux in de Nederlanden: 900 jaar cisterciënzerabdijen 1098-1998, Oostkamp, 1997 met alle verdere bibliografie. Recent werden enkele belangrijke cisterciënzerbibliotheken bestudeerd: Villers (Brabant) door Thomas Falmagne (Un texte en contexte: les 'Flores Paradisi' et le milieu culture/ de Villers-en-Brabant dans la première moitié du 13e siècle, Turnhout, 2001) en Ponligny door Monique Peyrafort Huin (La bibliothèque médiévale de l'abbaye de Pontigny (Xle-XIXe siècles): histoire, inventoires anciens, manuscrits, Paris, 2001).


Samenstelling: Sofie Leyts

Werkten mee aan dit nummer: Brigitte Beernaert, Laurent Busine, Noël Geirnaert, Sofie Leyts en Ludo Vandamme


Herkomst foto's:

Hugo Maertens (Brugge) behalve p. 9: Stad Brugge (Jan Termont & Dirk Van der Borght)


Auteursidentificatie:

Brigitte Beernaert is kunsthistorica en als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Dienst Monumentenzorg en Stadskernvernieuwing van de stad Brugge.

Laurent Busine is kunsthistoricus en directeur van het nieuwe Musée des Art Contemporains Grond-Hornu (MAC’s). Hij is curator van de tentoonstelling 'Besloten wereld, open boeken '.

Dr. Noël Geirnaert is historicus en archivaris van de stad Brugge. Hij promoveerde in 2001 op een proefschrift over de Duinenabdij ten tijde van abt Jan Crabbe (1457-1488)

Sofie Leyts is licentiaat Germaanse taal- en letterkunde en als projectmedewerker voor de tentoonstelling 'Besloten wereld, open boeken' verbonden aan de Openbare Bibliotheek Brugge.

Ludo Vandamme is historicus en beheert als wetenschappelijk medewerker de historische collecties van de Openbare Bibliotheek Brugge. Hij is commissaris van de tentoonstelling 'Besloten wereld, open boeken'.