U bent hier

Caritas keert terug naar de Zavel - Een kapel in puur zwart-wit

Caritas keert terug naar de Zavel - Een kapel in puur zwart-wit
Sint-Ursulakapel, Onze-Lieve-Vrouw ten Zavel, Brussel. Het achthoekige interieur van de Sint-Ursulakapel.

 

Toen de keizerlijke postmeester graaf Lamoral II de Tassis het recht verkreeg de naam van de roemrijke Torriani (de la Tour) te dragen, vierde hij dat met een ontzagwekkende kapel. De ontdekking van de zeventiende-eeuwse beeldengroep Caritas wekt deze geschiedenis weer tot leven.

 

 

KERKSCHENNIS

 

Reisgidsen uit de zeventiende en achttiende eeuw laten ze niet onvermeld: de grafkapel van Tour et Tassis gewijd aan Sint-Ursula in de Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk in Brussel. “Geen betere combinatie voor een grafkapel denkbaar,” luidde het. De sculpturen van vermaarde kunstenaars in Toscaans Carrara-marmer staken prachtig af tegen de achtergrond van zwart marmer waarmee de kapel metershoog bekleed was. Privékapellen van rijke kooplieden vond men destijds in een stad als Antwerpen, maar voor Brussel was het uniek. Hier hoefden het hof en de belangrijkste aristocratische families hun sociale status allang niet meer te bewijzen.

 

Toen we met Anne De Breuck van de Koning Boudewijnstichting (KBS) de Sint-Ursulakapel wilden betreden, verzocht een schoonmaker ons vriendelijk: “Soyez discrètes.” In 1795 ging het er hier tijdens een mis minder discreet aan toe. Toen verschaften zogezegde vertegenwoordigers van de Franse overheid zich toegang tot de Sint-Ursulakapel en ontvreemdden twee beelden uit hun nissen: Caritas van Jan van Delen (?-1703) en Fides van Gabriël Grupello (1644- 1730).

 

In een verslag uit 1883 van historicus Charles Piot aan de Minister van binnenlandse zaken komen we meer te weten over de omstandigheden van de roof: “Men vertelt ons dat een deel van de mensen die de mis volgden de kerk hebben verlaten, ongetwijfeld om geen getuige te hoeven zijn van wat zij als kerkschennis beschouwden. En men voegt eraan toe dat meerdere werklieden hebben geweigerd aan deze roof mee te werken.” Ook de crypte onder de kapel, waar een twintigtal familieleden begraven ligt, werd ooit geschonden. De sedert lang uitgeweken en verduitste familie Thurn und Taxis liet er in 1928 nog een restauratie uitvoeren.

 

In 2012 dook Caritas plots weer op bij Christie’s in Londen. Het Erfgoedfonds van de Koning Boudewijnstichting kocht het beeld voor zo’n 450.000 euro, waardoor de terugkeer naar ons land gegarandeerd was. Pogingen om de geschiedenis van het sedert lang verdwenen beeld te reconstrueren, leverden nog maar weinig op: volgens de vorige eigenaren werd het beeld Caritas in de jaren 1930 door hun grootvader aangekocht om de hal van zijn appartement in Parijs te sieren. Zijn erven brachten het op de markt. Van Fides is er geen enkel spoor. Slechts één beschrijving biedt houvast: Fides wordt verpersoonlijkt door een zittende, gesluierde vrouw die een kelk vasthoudt.

 

Intussen is Caritas door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) onderzocht en gereinigd in functie van de andere beelden die de kapel niet hebben verlaten. Minuscule mossporen wezen erop dat Caritas zelfs ooit een buitenleven kende. Ze zal naar haar oorspronkelijke nis terugkeren van zodra de kapel gerestaureerd is. Eens opgeblonken zal deze parel van de barok in de Lage Landen, volgens de voorzitter van de kerkfabriek Daniel van Steen berghe, een trekpleister worden van de Zavel. De KBS vroeg aan Léon Lock, voorzitter van de Low Countries Sculpture Society, zijn eerste bevindingen over de aanwinst neer te schrijven in Caritas. Jan van Delen (KBS, 2013).

 

 

PROPAGANDASTUNT

 

De familie Thurn und Taxis is afkomstig van het Italiaanse dorpje Cornello nabij Bergamo in Lombardije. Vanaf de late dertiende eeuw verzorgde de familie di Tasso (‘van de das’, het dier dat in de Lombardische bergen leefde) de koeriersdiensten van Venetië en Rome. Twee eeuwen later zette de familie vanuit Mechelen het postnet uit tussen de Habsburgse residenties in Innsbruck en Mechelen. In 1990 werd de 500-jarige verbinding tussen Mechelen en Innsbruck met een estafette van ruiters overgedaan, in een poging om het record van 5,5 dagen te evenaren.  

 

Vanaf 1501 verkreeg François de Tassis van aartshertog Filips het erfelijke monopolie van postmeester met als opdracht de postlijnen te onderhouden tussen de hofresidenties in de Lage Landen, Duitsland, Frankrijk en Spanje. De eerste West-Europese georganiseerde postdienst opereerde voortaan vanuit Brussel, vlakbij de Zavelkerk in de Regentschapsstraat, op de plaats van het huidige Koninklijk Muziekconservatorium. 

 

Op etsen van de stadsresidentie, die o.a. in het British Museum bewaard worden, is de bedrijvigheid van postpaarden en karossen te zien. Pronkstuk was het beroemde standbeeld van Minerva, beschermster van de paarden, van de hand van Hiëronymus II Duquesnoy. Tegenwoordig staat het in de traphal van het vorstelijk familieslot Sint-Emmeram in Regensburg.

 

In de Belgische periode deden de Tassis er alles aan om hun aanzien te vergroten. Voor de Zavelkerk werden vier grote wandtapijten besteld, gebaseerd op kartons van Barend van Orley, o.a. met de Historie van het Lievevrouwbeeld van de Zavel. De familie verwierf stadspaleizen in Mechelen, Antwerpen en Brussel en kastelen in Buizingen, Kasteelbrakel en Hemiksem. 

 

In 1646 ging het familiebezit over naar graaf Lamoral II de Tassis. Zijn vader Léonard II mocht zich graaf noemen na zijn huwelijk met gravin Alexandrine de Rye. Hoewel de familie zich inhuwde met de lokale hoge adel, bleef ze met haar burgerlijke komaf worstelen. Daarom riep de gravin de hulp in van genealogen om aan te tonen dat de familie de Tassis afstamde van het Milanese adellijke huis van de Torriani (of della Torre). Genealogisch gemanoeuvreer noemen Isabelle Leirens en Géraldine Patigny dat in De Onze-Lieve-Vrouw-ten-Zavelkerk uit de reeks Geschiedenis & Restauraties van het Brussels Gewest (2004). Het resulteerde in 1645 in de Plantijndruk Les Marques d’honneur de la maison de Tassis van Jules Chifflet. De gevolgen bleven niet uit. Zowel koning Filips IV van Spanje als keizer Ferdinand III van Oostenrijk verleenden de familie de toestemming om voortaan de naam en de wapens van deze Milanese voorouders te dragen.

 

Graaf Lamoral II ‘de la Tour et Tassis’ vierde dat meteen door de blijde intrede op het kasteel Hemiksem, al jaren in zijn bezit, pas nu te laten doorgaan en door een grafkapel te bestellen bij de hooggeschatte beeldhouwer en architect uit Mechelen, Lucas Faydherbe, leerling van Rubens.

 

In de koepel kwam het wapenschild van Lamoral II omringd door acht keer de letter L en zestien wapenschilden van de families gelieerd aan de Torriani.

 

 

FAMILIEDEUGDEN

 

Voor de grafkapel liet Lamoral II een kapel uit de vorige eeuw ombouwen als vestibule voor een nieuwe, achthoekige kapel links van het koor. Rechts van het koor bevindt zich nog een andere familiekapel, de Sint-Markulfkapel, die pas dertig jaar later en in imitatiemarmer werd opgetrokken. 

 

In de Sint-Ursulakapel daarentegen is marmer prominent aanwezig. In het contract uit 1651 tussen Lamoral II en Faydherbe werd bepaald dat de grafkapel bekleed moest worden met “pierre de touche”, de toen gebruikelijke naam voor zwart marmer, “afkomstig uit de beste steengroeven zoals Boutenbancq, Couptalon of Baudeclou.” Het blijft een mysterie waar deze groeven zich bevonden, maar de streek van Dinant was in die tijd een grote leverancier van zwart marmer. De identificatie is des te moeilijker omdat het om zo’n zuivere soort gaat.

 

Ook voor de sculpturen was alleen het witste Carraramarmer goed genoeg. Ze zijn religieus geïnspireerd, zoals de door een pijl geraakte Sint-Ursula van Hiëronymus II Duquesnoy, omringd door tal van relieken, maar ze verwijzen ook naar welbepaalde familieleden. Dat valt vooral op bij de vier beeldengroepen in de nissen links en rechts van het altaar in de kapel. Van Jan van Delen zijn dat Caritas ((goddelijke) liefde) en Veritas (waarheid), en van Gabriël Grupello Spes (hoop) en het verloren gegane Fides (geloof). Het zijn allegorieën van de drie goddelijke deugden en van de waarheid. De combinatie met epitafen, die in de mode waren omdat lezen steeds belangrijker werd, brengt Léon Lock tot interessante vaststellingen. 

 

Bij Veritas is het epitaaf van Lamorals vader te vinden, want hij was de eerste die de relatie met de Torriani of de ‘waarheid’ omtrent hun familie had ontdekt. De putti bij de grafschriften van Lamorals ouders houden de fakkel naar beneden, symbool voor de dood. Fides verwees dan weer naar het devies dat de postmeesters van Filips II hadden gekregen: Perpetua Fide (Eeuwige trouw). 

 

Caritas en Spes zouden zinspelen op de toekomst. In de beeldengroep Spes is het kind waarschijnlijk Lamoral. Daarboven houden twee engelen het boek met Chifflets genealogie open, dat de familie een hoopvolle toekomst gaf. 

 

Caritas vergezelt het epitaaf van prinses Anna Adelheid von Fürstenberg-Heiligenberg, echtgenote van Lamorals zoon Eugène-Alexandre, die later tot prins verheven werd. Was liefde de hoofddeugd van deze prinses? Het eerder profane onderwerp krijgt door de druiventros toch ook weer een diepere, katholieke betekenis.

 

Het grafmonument van Lamoral II zelf bevindt zich in de vestibule en is een uitbeelding van de titelpagina van Chifflets boek met Virtus (deugd), Chronos (tijd) en Fama (roem), het werk van Mattheus van Beveren. Rond het epitaaf van zijn echtgenote Anne Françoise de Hornes is door Jan van Delen een indrukwekkend canvas in gordijnstof gesculpteerd. Draperingen zijn bij Van Delen een duidelijk medium: bij de ernstig kijkende Veritas vallen ze hoekiger, bij de minzame Caritas zijn ze zachter.

 

 

DE NATUUR ZELF

 

Van Jan van Delen zijn sculpturen met fraaie draperingen en materialen zoals wit en zwart marmer ook te vinden in de Sint-Goedelekerk en de Kapellekerk in Brussel. Hij werd er in 1644 geboren. Zijn vader Hendrick van Delen was een valkenier in dienst van het hof. Zijn schoonvader was niemand minder dan Lucas Faydherbe. Hij woonde met zijn dochter Anna Barbara in de Brusselse Sint-Goriksparochie waar hij leerlingen opleidde.

 

In de Sint-Ursulakapel staat voorlopig een Caritas in karton, voor de echte moet u naar de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (KMSKB) op drie minuten van de SintUrsulakapel. Caritas is er vergezeld van kunstwerken door tijdgenoten zoals Grupello en Van Beveren.

 

Had de beeldsnijder Jan van Delen zich gebaseerd op prenten van een zittende Caritas, vraagt Léon Lock zich af, want in steen werden ze voornamelijk staand afgebeeld?

 

Een universeel thema, zo kunnen bezoekers vaststellen, een moeder die zich letterlijk in bochten wringt voor haar twee kinderen die om aandacht vragen. Heeft ze zojuist de baby op haar schoot gezoogd of is ze dat van plan, want er is een bijna half ontblote borst te zien? Wil het zusje, dat haar handje uitsteekt, ook gezoogd worden of ook zogen? Trekt ze haar jurkje daartoe al niet op? De huiduitzakkingen zijn een sculpturaal equivalent van de Rubensiaanse putti. Als we onze blik over Caritas laten glijden, blijken ze van een verwarrende echtheid.

 

In 1842 noteerde de historicus Félix-Victor Goethals: “De Hoop (Spes) is geestelijk verbeeld, maar zeer inferieur aan de Liefde (Caritas), de meest volmaakte van de vier. Laatstgenoemde is mooi van karakter, concept, uitvoering – alles is verdienstelijk: het geheel is bewonderenswaardig en de details zijn interessant; de uitdrukking is waarachtig, het is die van de natuur zelf.” Bijzonder is dat Caritas toen al bijna een halve eeuw spoorloos was, het beeld bleef waarachtig nawerken. 

 

An Devroe

 


Info

Boek van de Koning Boudewijnstichting

Reeks Erfgoedfonds

Léon Lock

Caritas, Jan van Delen

54 blz., geïllustreerd

5 euro

ISBN: 978-87212707-8