U bent hier

Cesar Bovetius van Everdingen en Pieter Post - Handvestverlening door Willem II van Holland aan het Hoogheemraadschap van Rijnland

 Handvestverlening door Willem II van Holland aan het Hoogheemraadschap

Het is maar weinig bekend dat in een gedeelte van de oude suikerfabriek bij Halfweg, aan de spoorlijn Amsterdam-Haarlem, een van de fraaie voorbeelden van een 17de eeuws openbaar gebouw geïncorporeerd is. In de jaren zestig van de vorige eeuw deelde het huis Zwanenburg het lot van zoveel bouwwerken, die door de veranderingen in de politieke of juridische structuur van dit land, als nutteloze monumenten ontmanteld of afgebroken werden. Beroofd van zijn fraaie interieurs, waaronder de schoorsteen met het hier te bespreken schilderij van Cesar van Everdingen, en een deel van zijn gevels is het nog maar een zwakke afspiegeling van zijn oorspronkelijke luister. Van 1645 af bouwde Pieter Post, vermaard architect van Frederik Hendrik, in opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland, dat ook al een vestiging in Leiden bezat en nog heeft, nabij Halfweg een nieuw Gemeenlandshuis. In dat openbaar gebouw hield men de periodieke vergaderingen van dit college, dat de waterhuishouding in het zogeheten gebied van Rijnland onder zijn hoede had. In de waterrijke gebieden in het westen van ons land werd tot aan de 13de eeuw nog nauwelijks georganiseerd opgetreden tegen de herhaaldelijk terugkerende springvloeden en overstromingen. Toenterdijd viel de zorg voor de waterhuishouding onder het gezag van de landsheer. Die kon naar eigen goeddunken de werkzaamheden aan bedijkingen, oeverbeschoeiingen of sluisbeheer al dan niet laten uitvoeren of delegeren. De rechtspositie van de openbare lichamen, die zich in de loop der tijden plaatselijk met het waterbeheer gingen belasten, was ten opzichte van de landsheer onduidelijk. Toen op instigatie van graaf Willem II van Holland ter bescherming van zijn Hollandse gebieden de Zwammerdam opgeworpen werd, had dit grote overstromingen in het Sticht Utrecht tot gevolg. In 1254 handelde de graaf opnieuw op eigen initiatief toen hij de stad Haarlem toestemming gaf om in de Spaarndam een schutsluis te laten aanleggen. Onder druk van de zogeheten gemenelandsraadslieden - waterdeskundigen - van Rijnland, verbond Willem II zich in een handvest om nooit meer zonder overleg te plegen met het Hoogheemraadschap, sluizen in Zwammer- of Spaarndam te laten aanbrengen. Het handvest dat in 1255 op een perkamenten charter geschreven deze afspraak bezegelde bevindt zich als oudste document in het Leidse archief van het Hoogheemraadschap. Van toen af aan grondvestte het zijn erkenning en al zijn later handelen op dit privilege. Het was de reden om in 1655 bij het vierhonderdjarig bestaan van het handvest dit historisch gebeuren door Cesar Bovetius van Everdingen in een schilderij te laten vereeuwigen. Het uitbeelden van mythische of semi-historische gebeurtenissen uit de geschiedenis van de jonge Republiek had juist in deze jaren een grote vlucht genomen. Steden en bestuurslichamen voelden behoefte zich te identificeren met feiten en figuren uit een roemrijk verleden. Ze wilden er hun oorsprong en de legitimiteit van hun gezag van afleiden. In Van Everdingen's Handvestverlening is deze historische gebeurtenis duidelijk benadrukt. De perkamenten charterbrief, het jaartal 1255 en het marmeren reliëf op de zijkant van de troon, zo opvallend in het beeld, expliceren de voorstelling. Op het reliëf beeldde de schilder de bewuste Spaarndammer sluisdeuren af, die door Mercurius en Minerva, voor het geweld van de aanstormende Neptunus gesloten gehouden worden. Met hun attributen de haan en de uil symboliseren zij de waakzaamheid en de wijsheid van het Hoogheemraadschap in het reguleren van de Rijnlandse wateren. Door de toenemende macht van de Hoogheemraadschappen en de verkiezing van hun besturen uit de leden van de Hollandse ridderschap of het regentenpatriciaat ontstonden ook hier de oligarchische colleges, waarin immers het hele gezag in ons land geconcentreerd was. Zoals de meeste leidinggevende besturen van juridische, sociale of religieuze instellingen, aanvaardde men het als vanzelfsprekend, dat de ruimten waarin vergaderd, gedineerd of geslapen werd, aangepast waren aan de eigen vaak luxueuze leefgewoonten van deze maatschappelijke toplaag. Fraaie schilderijen, vaak in allegorische toelichtingen op de functie of de doelstellingen van het college wijzend, harmonieerden met de thema's op de beschilderde houten zolderingen. Goudleren behangsels, fraaie meubels en pronkzilver completeerden dit hele huishoudelijke arsenaal van de zichzelf respecterende 17de eeuwse elite. Een groot deel van de activiteiten van het Hoogheemraadschap speelde zich af in de grote twee verdiepingen hoge zaal aan de noordzijde van het huis Zwanenburg. Ook voor de interieurs was Pieter Post verantwoordelijk geweest. De wanden en houten gewelfde zoldering boden ruimte voor beschilderingen. Voor het decoreren van de monumentale schoorsteen en de 'viercante vacken' in het plafond was ondermeer Van Everdingen aangeworven. Volgens de nog bewaarde 'Memorie op het schilderen van de Sael tot Halfwegen' zou deze schilder het grote middenvak op het 'gewulst' (plafond) met putti en vruchten vullen. Een van de vliegende kindertjes zou met de beroemde 'hens' van Halfweg komen aanvliegen. Dit was de veel gebruikte nu verloren pronkbeker, die bij feestmaaltijden gebruikt werd. Andere voorbeelden van dergelijke bokalen behoren nog tot het Rijnlandse bezit in Leiden. De overige vakken op het plafond moesten door de Haarlemse decoratieschilder Adriaen de Valck gevuld worden. Op de smalle banden, die de vierkanten markeerden werden Theorie, Praktijk, Landbouw en Bouwkunst, de werkzaamheden van het Hoogheemraadschap symboliserend, voorgesteld. Op vijf halve ronden (zie de afbeelding van het interieur van de zaal - twee halve ronden op het wandvlak rechts van de schoorsteen en op het tegenoverliggende, drie halve ronden op de lange wand tegenover de drie vensters -) moesten de landbouw bedrijvende putti geschilderd worden. De Valck ontving voor zijn werk 250 gulden, aanzienlijk minder dan Van Everdingen die voor zijn schoorsteenstuk 1200 gulden kreeg. In 1655 had Post een betaling ontvangen van het Rijnlandse Hoogheemraadschap voor het schilderen van het 'perspectyeff' met sijn omstaene ciraden' in het schoorsteenstuk op de grote zaal. Het is waarschijnlijk de reden, waarom Van Everdingen's 'Handvestverlening' lange tijd op naam van Pieter Post stond. Overigens beheerste Post het metier van het ontwerpen en uitvoeren van schoorstenen en hun decoraties volledig. Getuige hiervan is zijn bekende 'Schoorsteenwercken', dat vol staat met voorbeelden van zijn werken in paleizen en openbare gebouwen uit zijn tijd. Het is niet alleen de compositie van het schilderij, die zo opvallend werkt, maar vooral de perspectivische werking van de door Post geschilderde achtergrond. Kennelijk is met de hoge plaatsing van het schilderij in de schoorsteen rekening gehouden. De toeschouwer kijkt schuin van beneden in de paleisachtige ruimte, waarvan de geschilderde achtergrond zich aansluit bij de architectonische decoraties van de grote zaal. De boogvormige bekroning boven de poort met het jaartal 1255 in de achtergrond op het schilderij vindt men namelijk terug in het gebogen fronton, dat Post als bekroning van de geplande schoorsteen ontwierp. Op die manier ontstond een illusionistisch samenspel tussen geschilderde en reële architectonische elementen. Van achter de borstwering van een galerij zien nieuwsgierige toeschouwers neer op het plechtig gebeuren beneden hen. Daar overhandigt Willem II het gezegelde document aan een der Rijnlandse hoogheemraden. De Hollandse graaf zetelt op een vergulde troon, die op een kostbaar tapijt staat, dat over een podium gelegd is. Achter hem een hoge stenen overhuiving op korintische kolommen. Het Rijnlandse wapen bevindt zich tegen de achterwand. Aan weerszijden van dit gestoelte zijn marmeren gebeeldhouwde balustrades, waartussen de toekijkende hovelingen zich hebben opgesteld. Het grote reliëf op de troon neemt als clou van het verhaal een belangrijke plaats in. Links en middenachter staan de raadslieden in hun fraaie mantels rond de estrade, waarop de plechtigheid plaats vindt. De perspectivische werking van het schilderij wordt niet alleen gesuggereerd door de vlak achter elkaar opgestelde toeschouwers, maar ook door trucages als de in het oog vallende rand met franje van het tapijt, dat als het ware buiten het beeld steekt. Met zijn bijzonder gedetailleerde en realistische schildertechniek trachtte Van Everdingen dit effect nog te versterken. Schitterend karakteriseerde zijn minitieuze penseel de stofuitdrukking en kleur van de fluwelen en brokaten mantels en het Perzische tapijt. De gloed van de paarse, bruinroze en rode mantels contrasteert sterk tegen de egale achtergrond. Hier zijn we ver verwijderd van een tijdgenoot als Rembrandt, die soortgelijke motieven op een zo geheel andere manier verwerkte. Technisch sluit Van Everdingen hier meer aan bij de Leidse fijnschilders als Gerard Dou. Maar in zijn compositie en formaat komt het schilderij meer overeen met het werk van de zogeheten Haarlemse klassicisten De Bray en De Grebber. Via de Utrechtse caravaggisten hadden deze kunstenaars hun composities en technieken van Italiaanse, maar ook van Franse voorbeelden overgenomen. Composities als de 'Handvestverlening' kan men bij de Haarlemmers regelmatig aantreffen. Hun voorkeur voor het gezichtsbedrog door middel van perspectivische effecten opgeroepen, komt vooral tot uiting in die soorten schilderijen die een bewust gekozen plaats in een architectonische setting kregen. Van Everdingen, wiens klassieke voornaam Cesar bijna als etiket kan dienen van zijn evenwichtige en in koele kleuren opgezette werken, was een van de exponenten van de ten onrechte verguisde nevenstroming in de schilderkunst van de Gouden Eeuw van Hals en Vermeer: het klassicisme.