U bent hier

De barokarchitectuur in de zuidelijke Nederlanden

De barokarchitectuur in de zuidelijke Nederlanden
Willem van Hees (1601-1690), Sint-Michielskerk, Leuven, de voorgevel, 1650-1671.
 

Voor de afbeeldingen en de beschrijvingen daarbij verwijzen wij u naar het pdf-formaat.


 

1. Historisch overzicht

 
 
Hadden de renaissancegebouwen uit de 16e-eeuwse zuidelijke Nederlanden hoofdzakelijk een profane bestemming, de barokarchitectuur in de 17e eeuw is vooral een kerkelijke architectuur.
 
 
In de barok kent de religieuze bouwkunst een ongekende bloei. Tijdens de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de 16e eeuw werden immers niet alleen tal van religieuze gebouwen ernstig beschadigd, maar ingevolge de onlusten en de daarmee gepaard gaande economische achteruitgang, waren bovendien veel kerken in opbouw onvoltooid gebleven. Tevens hadden intussen een aantal nieuwe godsdienstige orden, zoals de jezuïeten, annonciaten en kapucijnen vaste voet gekregen in de Nederlanden.
 
 
Deze jonge orden wachtten op een gunstige gelegenheid om nieuwe kerken te bouwen. Trouwens andere, reeds lang gevestigde orden, zochten eveneens hun te eng geworden kloosterkapellen uit te breiden.
 
 
Die gunstige gelegenheid werd geboden bij het afsluiten van het Twaalfjarig Bestand in 1609, waardoor een periode van vrede en economische heropleving werd ingeluid. Ongetwijfeld werden er vóór die datum reeds bouwwerken aangevat, maar het is toch wel opvallend dat vrijwel onmiddellijk na de ondertekening van het traktaat tal van nieuwe kerken werden opgetrokken en oude voltooid of gerestaureerd. In de geest van de triomferende Contrareformatie werden zij rijkelijk voorzien van meubilair en imposante kunstwerken.
 
 
Ook na afloop van het bestand, in 1621, zette die ontwikkeling zich door, zij het in een heel wat trager ritme. In elk geval, in de tweede helft van de 17e eeuw - dus nadat in 1648 het Verdrag van Westfalen de sluiting van de Schelde definitief bezegelde - werden nog een aantal bijzonder indrukwekkende abdijkerken opgericht.
 
 
Verwonderlijk is dit niet, gezien de enorme rijkdommen die de abdijen vooral uit een intense landbouwexploitatie hadden kunnen verwerven. Uit recent historisch onderzoek is overigens gebleken dat de zuidelijke Nederlanden in de 17e eeuw niet tot zo een economisch dieptepunt waren geraakt als tot hiertoe werd aangenomen. Weliswaar had Antwerpen zijn plaats als eerste haven- en handelsstad in West-Europa moeten afstaan aan Amsterdam, maar dit betekent geenszins dat daarmee elke commerciële activiteit was stilgevallen.
 
 
De Scheldestad bleef integendeel een knooppunt van het internationale kredietwezen en wisselverkeer. De doorvoerhandel was er nog aanzienlijk en de kooplieden, gebruik makend van hun internationale connecties, engageerden zich in overzeese handelsondernemingen. Bovendien zorgden nieuwe methodes, vooral in Vlaanderen en Brabant, voor een hoger landbouwrendement en in de steden werd met een aantal moderne ondernemingen gestart of kregen oude nijverheden nieuw leven ingeblazen.
 
 
Van een economische hoogbloei mag men niet gewagen, maar toch moet er meer welstand geweest zijn dan men tot voor kort geloofde.
 
 
Trouwens de bouw van zo een groot aantal nieuwe kerken, opgeluisterd met een veelheid aan kostbare kunstwerken en meubilair, alsook de talrijke zwierige profane gebouwen en woonhuizen, die wij thans nog in zovele van onze steden aantreffen, laten op zich zelf reeds een zekere welstand veronderstellen.
 
 

a. De kerkelijke architectuur

 
Na zijn terugkeer in de Nederlanden in 1605, ontwierp de schilder en architect Wenceslas of Wenzel Cobergher (omstreeks 1560-1634) een aantal gebouwen naar Italiaanse voorbeelden, waarin de barok amper tot uiting komt: o.m. de kerk van de karmelietessen-theresianen te Brussel (1607, later afgebroken, maar door prenten bekend) en de Sint-Augustinuskerk te Antwerpen.
 
 
De voorgevel van de Sint-Augustinuskerk, opgetrokken in baksteen en voorzien van omlijstingen met brede stroken witte natuursteen, sluit hierdoor nog enigszins aan bij de traditionele bouwkunst. De Onze-Lieve-Vrouwebasiliek van Scherpenheuvel, eveneens door Cobergher ontworpen en waarvan in 1609 met de bouw begonnen werd, toont in de grote zwier van de volutes die de koepel helpen schragen iets meer uitgesproken barokke trekken.
 
 
Duidelijk barok zijn de Brusselse jezuïetenkerk en de Sint-Carolus-Borromeuskerk te Antwerpen. Beide kerken werden nagenoeg gelijktijdig voltooid in 1621 en hebben tot voorbeeld gediend voor vele andere.
 
 
Met de bouw van de jezuïetenkerk te Brussel werd in 1606 begonnen naar de plannen van de lekebroeder-jezuïet Hendrik Hoeimaker (1559-1626) die een eerder traditionele laat-gotische hallenkerk ontwierp. Wegens moeilijkheden met het grondwater werden de werken na twee jaar stopgezet en eerst in 1616 hernomen. De uiteindelijke vorm van deze kerk werd bepaald door een andere architect, Jacques Franckaert (1583-1651) of Francart (zoals hij zelf signeerde), die in 1615 een nieuw project uittekende.
 
 
Jammer genoeg werd de jezuïetenkerk in 1812 gesloopt. Nochtans kunnen wij ons een vrij getrouw beeld vormen van hoe die kerk er heeft uitgezien doordat verschillende ontwerpen, alsook prenten uit de 17e eeuw en aquarellen uit 1812 bewaard bleven. De façade van de kerk der augustijnen te Brussel, in 1620 eveneens door Jacques Francart ontworpen, kan ook nog een goed beeld geven van de voorgevel van de jezuïetenkerk. Ook deze augustijnenkerk werd afgebroken. De gevel bleef echter gespaard en werd opnieuw gebruikt voor de kerk van de H. Drievuldigheid te Elsene.
 
 
Toen Francart in 1615 zijn plannen maakte voor de Brusselse jezuïetenkerk moest hij uitgaan van de bestaande funderingen en van enkele muurpanden die reeds een 5-tal meter overeind stonden bij het stopzetten van de bouwwerken. De lichte aanzet van de muren en zuilen zou de opstand verder bepalen en aldus van grote betekenis zijn voor de uiteindelijke vorm van de kerk. Deze kerk werd een geslaagde synthese van de traditionele gotische structuur en van barokke vormgeving en versiering, die aan het gebouw een grote oorspronkelijkheid verleende en die ook in veel andere kerken in de zuidelijke Nederlanden werd nagevolgd.
 
 
Gotisch waren de ribgewelven, lichter en gemakkelijker te bouwen dan het in Italië gebruikelijke tongewelf met steekkappen. Dat ribgewelven bovendien minder duur uitvielen dan natuurstenen tongewelven, waar onze bouwvakkers overigens minder mee vertrouwd waren, moet ongetwijfeld die gotische keuze mee beïnvloed hebben. Deze gotische ribgewelven geven de kerk duidelijk de indruk van 'een streven naar omhoog', een gotisch verticalisme, dit in tegenstelling tot het horizontalisme dat de Italiaanse kerken kenmerkt.
 
 
Het schip werd opgetrokken in vroeg-barokke stijl: vrij dunne Toscaanse zuilen (zie OKV 1979, blz. 92), verbonden door vroeg-barokke rondbogen, met daarboven een hoofdgestel, rustend op volutenconsoles, die tevens de gotische gewelven schragen.
 
 
De huidige Sint-Carolus-Borromeuskerk te Antwerpen was oorspronkelijk ook een jezuïetenkerk, nl. die van het Professenhuis. In 1621 werd ze voltooid, zes jaar na de eerstesteenlegging en op een aantal maanden na, samen met de jezuïetenkerk te Brussel. Met de bouw van de twee zijkapellen, die oorspronkelijk niet voorzien waren, werd evenwel pas in 1622 aangevangen.
 
 
De wiskundige François Aguillon (1567-1617), tevens rector van het Antwerpse jezuïetencollege, tekende het grondplan van dit unieke gebouw. De opstanden en de verdere uitwerking lagen in handen van Aguillons medewerker, de lekebroeder-jezuïet Pieter Huyssens (1577-1637), die daarbij op de medewerking kon rekenen van Pieter Paul Rubens (1577-1640). In deze kerk werd het schip wèl met een tongewelf overspannen, echter in hout uitgevoerd en met antieke cassetten als ornament.
 
 
Waar de Brusselse jezuïetenkerk vooral wegens haar gotische overwelving en het harmonisch samengaan van traditie en vernieuwing tot navolging inspireerde, wordt de Antwerpse jezuïetenkerk tot voorbeeld genomen omwille van de voldragen barokke vormenpracht van haar ornamenten. Dat beide kerken ook een gelijkaardig basilicaal grondschema vertonen (drie beuken, gescheiden door twee zuilenrijen die aan de oostzijde uitlopen in drie absissen), is voor de verdere ontwikkeling van de barokarchitectuur in de zuidelijke Nederlanden niet minder van belang geweest.
 
 
De ornamenten van de Sint-Carolus-Borromeuskerk zijn ontworpen door Pieter Paul Rubens, die ons hiervan een aantal ontwerptekeningen naliet. Zonder Rubens' meesterlijke medewerking, zou deze kerk nooit dat brillant, plechtstatig, decoratief uitzicht hebben gekregen dat ze nu bezit en waardoor ze zelfs ten opzichte van de vroeg-barokke Romeinse kerken een stap voorwaarts betekende in de wordingsgeschiedenis van de Europese barokarchitectuur.
 
 
De betekenis van Rubens voor de introductie van de barok in de zuidelijke Nederlanden kan overigens moeilijk overschat worden. Zo kwamen ook van Rubens' tekentafel de portiek en het tuinpaviljoen van zijn eigen woonhuis en atelier, het Rubenshuis te Antwerpen, waarin de barok rijp en voldragen tot uiting komt, ongeveer gelijktijdig met de barokke pracht van de Sint-Carolus-Borromeuskerk, zo al niet vroeger.
 
 
In andere kerken die voor de jezuïeten werden gebouwd, is de nawerking van de Antwerpse en Brusselse jezuïetenkerk duidelijk merkbaar: de Sint-Walburga te Brugge (1619-1642), de Saint-Loup te Namur (1621-1638), beide werk van Pieter Huyssens, en de Sint-Michielskerk te Leuven (1650-1671), ontworpen door Willem van Hees of Hesius (1601-1690), architect en jezuïetenrector.
 
 
Tijdens de eerste helft van de 17e eeuw werd nog een ander bouwtype ontwikkeld, dat dichter aansloot bij Romeinse vroeg-barokke voorbeelden, maar dat in onze gewesten eerst na 1650 in zekere mate navolging kende. In deze kerken werd het schip of de middenbeuk niet meer van de zijbeuken gescheiden door Dorische of Toscaanse zuilen (zie O.K.V. 1979, blz. 92), maar door pijlers, voorzien van pilasters en bekroond door Corintische kapitelen (zie O.K.V. 1979, blz. 92) die een krachtig geprofileerd hoofdgestel schragen.
 
 
Dit werd voor het eerst toegepast in de kerk van het Groot Begijnhof te Mechelen, ontworpen door Jacques Francart in 1629, maar eerst in 1640 voltooid. Van een nog indrukwekkender 'statig Romeinse grootheid' zijn de pijlers in de kerk van de Sint-Pietersabdij te Gent. Deze kerk werd eveneens in 1629 gebouwd, door Pieter Huyssens, nadat hij enige tijd in Italië had vertoefd.
 
 
Bij de dood van Huyssens, in 1637, was alleen het indrukwekkend grote koor van de kerk afgewerkt. Het bouwwerk werd pas in de 18e eeuw voltooid, nog grotendeels volgens het grondplan van Huyssens, maar in een meer sobere, classicistische uitvoering, die beter beantwoordde aan de toenmalige tijdsgeest. De streng classicistische voorgevel, klaargekomen in 1729, wijkt echter volkomen af van het oorspronkelijke monumentale concept.
 
 
In de tweede helft van de 17e eeuw wordt het uitzicht van de barokarchitectuur door twee nieuwe tendensen bepaald.
 
 
In de eerste plaats manifesteert zich, onder Italiaanse invloed, een vernieuwde belangstelling voor de koepelbouw. Daarbij worden pogingen ondernomen om het radiaal (cirkelvormig) of centraal grondplan te verbinden met een axiaal (langwerpig) grondplan. Dit is reeds merkbaar in de uit 1629 daterende ontwerpen van Pieter Huyssens voor de kerk van de Sint-Pietersabdij te Gent. De koepel zelf werd er evenwel eerst in 1722 opgetrokken, dus nagenoeg een eeuw later.
 
 
Ook in de Leuvense Sint-Michielskerk werd oorspronkelijk, in 1650, een koepel voorzien boven de viering (d.i. de kruising van het schip en van de dwarsbeuken). Deze koepel werd evenwel niet gebouwd. De pijlers waarop hij zou moeten steunen bleken immers te zwak om het gewicht te torsen. De aanzet van de koepel is thans nog goed zichtbaar, de opening werd met planken vlak afgedekt.
 
 
Zeer gedurfd ook was het ontwerp van de Mechelse beeldhouwer en architect Lucas Faydherbe (1617-1697) voor de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk in zijn geboortestad. Dit plan stelde een vrij originele verbinding voor van het radiale met het axiale grondplan, waarbij de monumentale koepel het hoofdelement uitmaakte. Technische problemen bij de uitbouw maakten evenwel meerdere aanpassingen van het concept noodzakelijk. Zo werden om de koepel te kunnen verwezenlijken, bijvoorbeeld de zuilen verstevigd door ze met muurpanden te verbinden en langs de buitenzijde zware steunberen aan te bouwen.
 
 
Beter geslaagd zijn een paar kleinere koepelkerken te Brussel, zoals de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand. Deze kerk werd ontworpen door Jan Cortvriendt (?-1681), eigenlijk een ebenist (dit is een vakman die verfijnde meubels maakte, doorgaans in ebbehout). Het plan van de voorgevel werd evenwel uitgetekend door architect Pieter Paul Merckx (?-1685). Het interieur is een bijzonder sierlijke constructie.
 
 
Hetzelfde kan gezegd worden van het interieur van de kerk der Rijke Klaren, een ontwerp van Lucas Faydherbe. In 1665 werd de eerste steen gelegd. Deze kerk vertoont overigens een veel beter geslaagde integratie van het radiaal met het axiaal grondplan dan Faydherbes kerk van Onze-Lieve Vrouw van Hanswijk te Mechelen.
 
 
Een tweede tendens die zich doorzette tijdens de tweede helft van de 17e eeuw is de toename van wat genoemd wordt de 'gotiserende' verticaliteit, die zich vooral in de interieurs openbaart. Dit verticalisme was reeds aanwezig in de jezuïetenkerk te Brussel (1616), maar komt pas op indrukwekkende wijze tot uiting in kerken gebouwd na 1650, die bovendien groter van omvang worden. Die opwaartse beweging is, ondanks de volle brillante hoog-barokke ornamenten van het hoofdgestel, ook sterk aanwezig in de Sint-Michielskerk te Leuven.
 
 
Ze bepaalt ook in grote mate de structuur van de kerk van de H. Johannes de Doper in het Begijnhof te Brussel (1657-1676), waar het 'gotische' element zelfs aan de buitenzijde merkbaar is in de driedelige voorgevel, met zijn krachtig opwaarts uitspringende middenpartij.
 
 
Beide kenmerken van de barokarchitectuur in de tweede helft van de 17e eeuw - de verbinding van het radiaal met het axiaal grondplan en de toenemende verticaliteit - treffen wij ook aan in de indrukwekkende kerken van premonstratenzer of norbertijner abdijen, die toen werden opgetrokken. Typisch voor deze kerken is bovendien het grote en diepe koor, nodig voor de koorofficies van de in die tijd zeer talrijke kloosterlingen. De oudste van deze abdijkerken is die van Ninove, de huidige Onze-Lieve-Vrouwkerk. In 1635 werd met de bouw van de kerk begonnen.
 
 
De werken werden echter herhaaldelijk onderbroken en sleepten zo lang aan, dat intussen de smaak van een latere tijd op de vormgeving kon inwerken. Hierdoor geeft het uitzicht van de Onze-Lieve-Vrouwkerk thans een niet zo uitgesproken barokke indruk. Maar de barokke pracht is dan weer overtuigend aanwezig in de helder verlichte abdijkerk van Averbode (1660-1700), ontworpen door Jan van den Eynde (1620-1702) uit Antwerpen.
 
 
Het indrukwekkende koor is een van de mooiste uit die tijd. Het kleinere gedeelte van het gebouw, dat voor de leken is voorbehouden, vertoont een cirkelvormig grondplan. Een koepel ontbreekt, hoewel die oorspronkelijk misschien wel was voorzien.
 
 
De abdijkerk van Grimbergen doet nog grootser aan. Ze werd ontworpen door de norbertijn Gilbert van Zinnicq (omstreeks 1627-1660). De opbouw startte in 1660 en reeds in 1662 was het enorm grote koor voltooid. Daarna werd aangevangen met het schip. De werken liepen echter vast in 1698 en werden nooit meer hervat. De viering draagt een mooie koepel, die evenwel in hout en plaaster werd uitgevoerd. Deze goedkope en toch zeer geslaagde oplossing voorkwam de problemen die steeds opnieuw oprezen wanneer men in de zuidelijke Nederlanden koepels in steen wou oprichten.
 

 

b. De profane architectuur

 
Aan de profane architectuur uit de baroktijd wordt doorgaans minder belang gehecht dan aan de kerkelijke. Nochtans liggen er over het hele land tientallen merkwaardige barokhuizen verspreid. Meestal beperkt de barokke inbreng zich echter tot het sierlijke decor van de geveltop en de pittoreske, plastische deur- en poortomlijsting, de zogenaamde 'Spaanse poortjes', die men vooral te Antwerpen, maar ook elders aantreft.
 
 
Alleen in het atelier, de portiek en het tuinpaviljoen van het Rubenshuis (1611-1618), in de oost- en westgevels op de binnenplaats van het Jordaenshuis (1641), door deze kunstenaar zelf ontworpen, en in sommige Antwerpse patriciërshuizen, zoals het huis Delbeke (1647-1649) in de Keizerstraat, komt de barok op een meer voldragen en oorspronkelijke wijze tot uiting.
 
 
Ook de zeer plastisch uitgewerkte voorgevel van de 'Rodenborch' (1664), het gildehuis van de Antwerpse huidevetters en schoenmakers, herinnert in verschillende elementen aan de kerkelijke barokbouwkunst. Wat de structuur betreft, behoort dit gebouw evenwel nog tot het laat-gotisch geveltype.
 
 
Deze combinatie van barokke ornamentiek en laat-gotische structuur is overigens kenmerkend voor de meeste huizen uit de 17e eeuw. Ook werd vaak door een kleurrijke afwisseling van de bouwmaterialen - baksteen, witte natuursteen en blauwe hardsteen - een pittoresk effect nagestreefd, dat beantwoordde aan de smaak van die tijd en waardoor het barokke uitzicht versterkt werd.
 
 
Zowat overal treft men huizen van het dwarsgeveltype aan, zoals de 'Rodenborch', ook dubbel- of breedhuizen met een uitspringende middenpartij, bekroond door een in- en uitzwevende top, opgeluisterd met zwierige volutes, cartouches en soms ook met bloemen- of vruchtenfestoenen, of andere gebeeldhouwde siermotieven.
 
 
Bijzonder rijk zijn onder meer de straten rond de Grote Markt, de Magdalenaweg, de Hoogstraat en de Oude Koornhuisstraat te Brussel. Ook Gent kent een aantal opmerkelijke huizen, zoals 'De fluitspeler' en 'De zeven werken van barmhartigheid' (Kraanlei 77 en 79), 'De bonte mantel' (Vrijdagmarkt 45) en het 'Cooremetershuis' (Graslei 13). Voorbeelden genoeg zijn er nog in Brugge, Lokeren, Lier, Leuven, Diest, Tienen en veel andere steden.
 
 
In Mechelen kan het huis van Lucas Faydherbe (1664, Kathelijnestraat 20) speciaal vermeld worden omwille van de ornamentiek met duidelijke verwijzingen naar de kerkelijke barokarchitectuur.
 
 
Van een statige voornaamheid getuigt het ensemble op de Grote Markt te St.-Niklaas, gevormd door het 'Landhuis' (1637, nr. 43), de 'Cipierage' (1661-62, nr. 45) en het 'Parochiehuis' (nr. 46). De voorgevel van het kasteel van Beaulieu (1645) te Machelen sluit hier goed bij aan. Deze façade toont een verhoogde middenpartij, met een door beeldhouwwerk fors omlijste ingangspoort, waarboven een balkon.
 
 
Bijzonder fraai zijn ook de 17e-eeuwse gevels en galerijen van het kasteel Bossenstein te Broechem, nabij Antwerpen.
 
 
Ook langsgevels zijn rijkelijk voorhanden. In de eerste plaats valt de onlangs gerestaureerde zuidgevel van het Kolveniershof (1631-1633) te Antwerpen op, die nog grotendeels klassiek-renaissancistisch aandoet, hoewel de krachtig gearticuleerde rondbogengalerij op de begane grond barokke trekken vertoont.
 
 
Volop barok is de rijkelijk versierde façade van de Proosdij (1662-1666) te Brugge, waarvan de ingangs- en balkonpartij herinneren aan de smijdige vormentaal van de westgevel op de binnenplaats van het Jordaenshuis te Antwerpen. Bijzonder sierlijk ook is de gevel op de binnenplaats van het Bellonahuis in de Vlaanderenstraat te Brussel, gebouwd kort na 1696.
 
 
Dit overzicht kan nog aangevuld worden met de prelaatskwartieren, gastenhuizen en andere kloostergebouwen, o.m. van de abdijen van Perk, Averbode en Tongerlo, die dateren uit de tweede helft van de 17e of het begin van de 18e eeuw.
 
 
Maar ook tal van poortgebouwen en monumentale poorten getuigen van een zwierige barokke vormgeving. De Antwerpse Waterpoort (1624) doet zeer Rubeniaans aan. Nog in Antwerpen verdient onder meer de zware vormgeving van de poortomlijsting aan het godshuis 'Lantschot' (1656), een bijzondere vermelding.
 
 
Kracht en sierlijkheid tegelijk kenmerken de inkompoort van het Begijnhof van Diest (1671) en uit de poort van de Vismarkt te Gent (1689), uitbundig opgeluisterd met grote beelden en reliëfs, spreekt een indrukwekkende monumentaliteit.
 
 
De gevelreeksen op de Grote Markt te Brussel, aan weerszijden van het laat-gotisch stadhuis en links en rechts van het Broodhuis daar tegenover, vormen eveneens een uniek ensemble barokarchitectuur. De meeste van deze huizen werden pas opgetrokken na de beschieting van de stad door de Fransen in 1695.
 
 
Dit bombardement had slechts een paar gevels overeind gelaten, echter niet onbeschadigd, namelijk de façades van de huizen 'De zak' (nr. 4) en 'De Cruywagen' (nr. 3), die beide dateren uit 1644.
 
 
De vernielde gevels werden opnieuw uitgetekend en binnen korte tijd voltooid. Ze vertonen onderling een grote verscheidenheid van vormgeving, waarin ook uiteenlopende buitenlandse invloeden werden verwerkt. Toch biedt de Brusselse Grote Markt een verrassende feestelijke eenheid, dank zij de decoratieve zwier die straalt uit al deze gevels en die ze met elkaar verbindt.
 

2. De kenmerken van de barokbouwkunst, in hoofdzaak van de kerkelijke architectuur

 
 
a. Architectuur beoogt het scheppen van ruimten die functioneel beantwoorden aan de geestelijke en materiële behoeften van de bewoners of gebruikers. Nu is het zo dat de behoeften in de 17e eeuw verschilden van die in de middeleeuwen. De tijd der grote kathedralen was reeds lang voorbij.
 
 
De nieuwgebouwde kerken zijn vooral gebedshuizen voor kloostergemeenschappen en ook voor begijnhoven. De nieuwe liturgie van de Contrareformatie stelde ook nieuwe eisen, die reeds in de plattegronden van de kerkgebouwen tot uitdrukking komen. Van dan af verdwijnt weer het diep uitgebouwd koor, behalve in de abdij- en kapittelkerken waar dit voor de officies der kloostergemeenschap of van de kanunniken onontbeerlijk was.
 
 
Men wenste nu vooral dat de aandacht van de gelovige, reeds onmiddellijk bij het betreden van het kerkgebouw, gericht zou zijn op de H. Eucharistie. Vandaar de ondiepe, meestal absidiale koren, waarin grote opvallende portiekaltaren werden geplaatst, met daarop een tabernakel dat de gelovigen op de aanwezigheid van de H. Eucharistie moest attent maken.
 
 
Ook bij het aanbrengen van bovenlichten en van lichtschepping in de wanden of in de koepels werd er rekening mee gehouden dat het daglicht vooral op de altaarruimte zou vallen.
 
 
Opdat het altaar goed zichtbaar zou zijn, ontbreekt meestal het doksaal (behalve alweer in de abdij- en kapittelkerken), dat voordien gewoonlijk het koor afzonderde van het schip. In plaats daarvan werd het koor afgesloten door een gebeeldhouwde communiebank en achteraan boven het portaal kwam de zangtribune en het orgel.
 
 
Aan de verkondiging van de leer werd veel meer belang gehecht dan voordien. Vandaar dat de preekstoel werd opgesteld te midden van de gelovigen, rechts in het schip, aan één van de zuilen of tussen twee zuilen in. Om dezelfde reden werden de kerken niet te groot gemaakt, opdat het woord van de predikant overal hoorbaar zou zijn en hij zelf voor bijna iedereen zichtbaar kan blijven.
 
 
Een gebouw met een aantal zijkapellen, zoals de gotische kathedralen, kon niet meer beantwoorden aan de liturgische behoeften en werd vervangen door een soort eenheidsruimte, met een goed zichtbaar altaar en waarin het woord en de muziek best tot hun recht konden komen. Dit had tot gevolg dat de dwarsbeuk meestal wegviel. Uitgenomen in kerken met een koepel, waar een weliswaar ondiepe dwarsbeuk technisch wenselijk bleef.
 
 
Eigenlijk beantwoordden kerken met één centraal of ovalen grondplan, zoals er zovele in Italië en ook in Duitsland opgetrokken werden, het best aan de wens om een eenheidsruimte te scheppen. Kerken van dit type zijn echter in de zuidelijke Nederlanden zeer uitzonderlijk.
 
 
Hiervoor was een goede kennis van de koepelbouw vereist, iets waarmee onze architecten en werkleiders blijkbaar nog al eens last hadden. Vandaar dat doorgaans een rechthoekige, basilikale plattegrond toegepast werd. Een kerk gebouwd volgens dit grondplan bestaat uit een brede, hoogopstaande middenbeuk, met aan weerszijden één lagere en gewoonlijk betrekkelijk smalle zijbeuk.
 
 
Beide zijbeuken worden van het schip gescheiden door eerder lichte en dunne zuilen. Ook wanneer een koepel wordt ingeschoven of, zoals in de abdijkerken, een verlengd koor wordt voorzien, blijft het grondplan op enkele aanpassingen na in wezen behouden.
 
 
De relatief smalle zijbeuken boden overigens de kans om tegemoet te komen aan het toenemende belang dat gehecht werd aan het sacrament van de biecht, door in deze ietwat donkerder ruimten biechtstoelen op te stellen. Vrij vlug - bijvoorbeeld reeds in 1618 in de Antwerpse Sint-Pauluskerk - werden de biechtstoelen door lambrizeringen als het ware met mekaar verbonden, meestal over de totale lengte van de buitenmuren.
 
 
Belangrijk is ook dat in de zuidelijke Nederlanden slechts twee gevallen bekend zijn waarin naar Italiaans voorbeeld de ruimte overdekt werd door een tongewelf: het houten tongewelf van de middenbeuk in de Sint-Carolus-Borromeuskerk van Antwerpen en het natuurstenen tongewelf in de Saint-Loupkerk van Namur. Elders blijft het traditioneel licht, gotisch bakstenen gewelf met kruisribben in voege. Dit zal ook gevolgen hebben voor de voorgevels.
 
 
b. Het valt op dat in de zuidelijke Nederlanden meestal barokgevels in drie bouwlagen, bekroond door een driehoekig fronton, worden aangetroffen.
 
 
Uitzonderingen hierop vormen de vroegbarok gevels van Wenzel Cobergher, zoals in Scherpenheuvel, en die van de Sint-Walburgakerk te Brugge, ontworpen door Pieter Huyssens. Hier wordt aangeknoopt bij de Italiaanse laat-renaissance en vroeg-barokke voorgevels, die slechts uit twee horizontale geledingen bestaan.
 
 
Deze vaststelling is ongetwijfeld een bewijs te meer dat de jezuïetenkerken te Antwerpen en te Brussel, beide toevallig in hetzelfde jaar 1621 voltooid, als toonaangevende voorbeelden voor de kerkelijke architectuur doorgingen en gretig werden nagevolgd.
 
 
De gevels van beide kerken bestonden immers uit drie bouwlagen, weliswaar om verschillende redenen. In Antwerpen werden tribunes voorzien boven de zijbeuken, zodat tussen de benedenverdieping en de bovenste verdieping als het ware nog een tussenverdieping moest worden ingeschoven.
 
 
In Brussel werden de drie geledingen noodzakelijk omwille van de verhoudingen opgelegd door de overdekking van het schip met opwaarts strevende gotiserende gewelven.
 
 
c. De meeste gevels van de Vlaamse barokkerken stralen iets feestelijks uit, ze vertonen zwierige decoratieve en soms speelse vormen en ook een zekere triomfante plechtstatigheid. In sommige gevallen wordt die zin voor praal en zwier nog beklemtoond door zwevende engelen die op trompetten of bazuinen blazen.
 
 
Mooie voorbeelden zijn de engelen onder het fronton en aan de zwikken van de ingangspoort van de Antwerpse Sint-Carolus-Borromeuskerk, of op de architraaf van de Sint-Michielskerk te Leuven.
 
 
Zwierige vruchtenfestoenen, bloemenkorven en -festoenen, vazen, kandelaars, vuurpotten en friezen met acanthusblaren waarin dartele putti stoeien, bieden samen een hele feestdecoratie. Ook in de interieurs komen ze veelal voor, op altaren, kapitelen, hoogvelden en in het overige meubilair.
 
 
Het valt daarbij op hoe 'tastbaar' realistisch, ja zelfs naturalistisch die motieven worden uitgebeeld: kandelaars waar de vlammen 'werkelijk' uitslaan, vruchten in de festoenen die er sappig en als het ware voor het grijpen bijliggen, en zo meer.
 
 
De uitbundigheid van de feestelijke decoratie kwam in de zuidelijke Nederlanden vrij vroeg tot uiting, namelijk reeds in 1615-1621 in de Sint-Carolus-Borromeuskerk. En wel op een wijze die later in dergelijke mate zelfs niet in Italië wordt aangetroffen, noch in andere landen waar de barok triomfen vierde. Een zekere in ruime zin Rubeniaanse sensualiteit en soliditeit schenkt aan de Vlaamse barok een eigen gestalte.
 
 
Deze feestelijke, ietwat plechtstatige opsmuk beantwoordt overigens aan de zin voor het decorum en veelal ook voor een zekere theatraliteit die eigen is aan de cultuur van dit tijdvak. Het is niet toevallig dat in diezelfde 17e eeuw het toneel een grote opbloei heeft gekend en dat ook een nieuwe grootse kunstvorm zijn ontstaan beleefde: de opera, wel eens het meest volledig spektakel genoemd.
 
 
De vader van het nieuwe genre, Claudio Monteverdi (1567-1643), was samen met Pieter Paul Rubens vast verbonden aan het hof van Vinzenzo I, hertog van Mantua, waar in 1607 dan ook zijn eerste opera 'Orfeo' werd opgevoerd. De portiek en het 'scenisch' daarbij zo goed aansluitend tuinpaviljoen van Rubens' eigen huis werd reeds treffend vergeleken met een decor uit een opera van Monteverdi en elders 'een knap stuk scenische bouwkunst' genoemd.
 
 
Ook de imposante liturgie van de Contrareformatie heeft iets weg van een groots opgezet spektakel. Niet onbelangrijk in dit verband is dat in sommige barokkerken balkons worden aangetroffen op een verdieping in het koor aan weerszijden van het altaar, voorzien van traliewerk en gordijnen, soms ook van balusters.
 
 
d. Toch is die opsmuk meestal niet een louter uiterlijk vertoon; hij tracht iets op een symbolische of allegorische wijze tot uitdrukking te brengen.
 
 
Nemen wij als voorbeeld de gevel van de Sint-Carolus-Borromeuskerk te Antwerpen. De cartouche met het Jezus-monogram, omspeeld door dartele putti, maakt duidelijk dat het een jezuïetenkerk is; de buste boven het raam is die van de H. Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïetenorde, en herinnert er aan dat de kerk werd toegewijd aan deze heilige, evenals aan Maria die dan ook in de timpaan verschijnt met het zegenend Jezuskind.
 
 
De engelen naast de buste van de H. Ignatius en in de zwikken boven de ingangspoort zijn daar evenmin als louter decoratie aangebracht: ze hebben iets te maken met de 17e-eeuwse verering voor de engelen, die als schakels werden gezien tussen de wereld en het bovennatuurlijke. Daarom ook verschijnen ze naast het Jezus-monogram in de attiek van de Sint-Michielskerk te Leuven.
 
 
Deze barokgevels kunnen in zekere zin worden vergeleken met de overvloedig versierde titelbladen van boeken, uitgegeven door het Plantijnse huis (Rubens heeft er verscheidene ontworpen), waarin allegorische figuren en symbolen eveneens verwijzen naar de inhoud van de publikatie voor dewelke ze werden geconcipieerd.
 
 
Lang niet alle voorgevels vertonen een dergelijke uitvoerige symboliek, niettemin verkondigen ze alle op plechtstatige en feestelijke wijze de waardigheid van het liturgisch gebeuren dat zich binnen deze kerken afspeelt.
 
 
De zin voor het decorum die wij in de voorgevels aantreffen, wordt trouwens in het interieur voortgezet, niet alleen in de ornamenten die in de architectuur worden verwerkt, maar ook in het kerkmeubilair. En de hang naar een zekere theatraliteit, eigen aan de barokcultuur, heeft hier uiteraard eveneens een rol gespeeld.
 
 
Dit decorum mag misschien ook in verband gebracht worden met wat Molanus uit Leuven reeds in 1575 schreef, nl. dat het kerkgebouw aldus moet worden opgevat dat de gelovigen, wanneer zij een kerk binnengaan, 'zoiets als een hemel op aarde betreden waar God het ganse gebouw vult'.
 
 
Dat de ontwerpers van de Antwerpse jezuïetenkerk er alleszins goed in geslaagd waren om die indruk te wekken, blijkt uit het relaas van een auteur die het gebouw vrij kort na de inwijding bezocht en die zijn enthousiaste beschrijving besluit met de woorden: 'Waarlijk deze jezuïeten bezitten hun hemel op aarde!'. Dit mag dan wel de algemene indruk zijn, gewekt door het geheel van de versieringen, toch is het decorum niet louter 'show' zonder meer.
 
 
De interieurs zijn integendeel vol van allegorieën en van symboliek. Zo is in het interieur van Sint-Carolus-Borromeus, de hele uitbeelding in schilder- en beeldhouwwerk één allegorische en symbolische verwijzing naar de geestelijke inhoud. Dit wordt duidelijk met een schilderij van Willem van Ehrenberg (1630-1676) uit 1668, dat een paar jaar geleden aan het Rubenshuis te Antwerpen werd geschonken en dat die kerkruimte weergeeft vóór de brand van 1718.
 
 
Centraal staat de marmeren beeldengroep 'Maria met het Kind', in een nis boven op het altaar, dat reeds onmiddellijk bij het betreden van het gebouw de aandacht opeist. De kroon op het hoofd van Maria wijst er op dat zij is uitgebeeld als Regina Sanctorum, koningin der heiligen.
 
 
Niet alleen koningin van de heilige die op het altaarstuk onder haar is uitgebeeld, maar ook van die uit de eerste eeuwen van het Christendom, die door Pieter Paul Rubens op de plafondstukken in de zijbeuk zijn geschilderd.
 
 
De schilderijen op de vlakke plafonds van de tribunes, eveneens van Rubens, vertonen afwisselend taferelen uit het Oude en het Nieuwe Testament, opgesteld in een zinvolle samenhang met elkaar, waardoor het Oude Verbond als voorafbeelding van het Nieuwe wordt gevisualiseerd.
 
 
Boven dit alles stijgt op het altaar, als centraal motief, het Jezuskind uit, staande op de schoot van zijn moeder.
 
 
Met de rechterhand maakt het een zegenend gebaar, niet alleen over alle heiligen uit het verleden, maar ook over de gelovigen die in de kerk samenkomen: zowel over de profeten uit het Oude Testament en de heiligen die deel uitmaken van de triomferende kerk, als over hen die nog de heiligheid in de strijdende en lijdende kerk nastreven.
 
 
Engelen zweven boven het altaar als in hemelse sferen, maar schragen ook de preekstoel en flankeren de biechtstoelen op de begane grond: ze begeleiden de gelovigen op hun weg naar de heiligheid en verbinden de wereld met het bovenaardse.
 
 
Symboliek en allegorie treffen wij ook elders aan: in het kerkmeubilair en in de beelden en schilderijen. Uitzonderlijk zelfs in de plattegrond van een kerkgebouw. Zo werd de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek te Scherpenheuvel als een centraalbouw opgevat, waarvan het grondplan een regelmatige zevenhoek vertoont, die symbolisch verwijst naar de Zeven Blijdschappen en de Zeven Smarten van Maria.
 
 
De eigenaardige plattegrond van de kerk van de Sint-Pietersabdij te Gent, die zowat de vorm aanneemt van een omgekeerd kruis, herinnert aan de marteldood van de apostel Petrus, die met het hoofd naar beneden op een omgekeerd kruis werd genageld.
 
 
e. De zin voor het decorum, die hier meer dan elders op zo'n naturalistische en uitbundige wijze tot uiting kwam, en de gotiserende verticaliteit in de hoog uitgewerkte structuur van de interieurs, waardoor o.m. de meeste gevels in drie geledingen werden opgebouwd, zijn niet de enige kenmerken die de Zuidnederlandse barokbouwkunst wezenlijk onderscheiden van de Italiaanse en bijvoorbeeld ook van de Zuidduitse barok.
 
 
Er zijn ook nog andere verschillen, namelijk elementen die wèl in Italië en elders aanwezig blijken, maar niet in de zuidelijke Nederlanden.
 
 
Bijvoorbeeld kerken waarvan de gevel op een naar binnen en naar buiten golvende rooilijn werden opgetrokken, komen hier niet voor, wel in Italië, zoals bij gebouwen ontworpen door Pietro da Cortona (1596-1669), Giovanni Lorenzo Bernini (1598-1680), Francesco Borromini (1599-1667), e.a.
 
 
Een uitzondering hierop vormt de Saint-Aubinkathedraal te Namur. Maar deze kerk werd reeds vrij laat gebouwd, in 1751, en vertoont reeds classicistische trekken. De architect was overigens afkomstig uit Noord-ltalië: Gaetano Pizzoni (1713-1782).
 
 
De Zuidnederlandse barokkerken bieden ook geen eenheidsruimten, zoals de Gésu en de San Ignazio te Rome, of zoals tal van laat 17e-eeuwse en 18e-eeuwse kerken in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en elders. In deze kerken is de beeldhouwkunst bijna geheel met de architectuur vergroeid.
 
 
Op haar beurt vertrekt de schilderkunst vanuit de sculptuur en laat zij de kerkganger de optische illusie na dat de triomfante taferelen op het grote gewelf tot in de hemel overgaan.
 
 
Toch ontbreekt in de Zuidnederlandse kerkinterieurs evenmin een zin voor samenhang. Die komt echter vooral tot uiting in de verhoudingen van het meubilair en de sculptuur t.o.v. de architecturale ruimte, ook in de iconografische samenhang van de afzonderlijke elementen, dit wil zeggen dat bijvoorbeeld een tafereel uitgebeeld op een altaarschilderij, vanuit dat schilderij doorloopt in de beelden die eveneens op het altaar prijken.
 
 
De grenzen van de verschillende kunsten blijven evenwel afgebakend en van een onderlinge versmelting kan geen sprake zijn. Dit hangt dan ook weer samen met de sterk gotische inslag van onze barokkerken.
 
 
De gotische gewelven met hun kruisribben en (weliswaar met barokke motieven versierde) gordel bogen lieten geen grote geschilderde taferelen toe. De Sint-Carolus-Borromeuskerk in Antwerpen biedt wel enkele uitzonderingen. Op de vlakke zolderingen van de zijbeuken en de tribunes werden door Pieter Paul Rubens en zijn medewerkers 39 plafondschilderingen uitgevoerd.
 
 
Het zijn echter afzonderlijke taferelen, die zich in hemelse sferen afspelen en duidelijk bedoeld werden om van onder uit bekeken te worden. Een dergelijke versmelting van de verschillende kunstvormen is wel in zekere mate aan te treffen in de Maria-of Houtappelkapel, ook Rubenskapel geheten, maar de stenen gewelven zijn hier van reliëfs voorzien en niet beschilderd. Toch wordt een zeker picturaal effect bereikt met het verguldsel dat op tal van plaatsen werd aangebracht.
 
 
f. De zeventiende eeuw is voor de zuidelijke Nederlanden de eeuw van de barok. Dit neemt niet weg dat toen nog heel wat kerken in de gotische trant - veelal na-gotiek genoemd - werden gebouwd of voltooid. Deze na-gotiek is niet alleen terug te vinden in tal van kleine landelijke kerken, maar ook in grote kerken in de steden.
 
 
Zo werd het schip van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen tussen 1610 en 1615 nog van gotische gewelven voorzien. Het koor van de Antwerpse Sint-Pauluskerk werd eerst in 1639 in die stijl overwelfd. Dat van de Sint-Jacobskerk, eveneens in Antwerpen, nog later.
 
 
Zelfs de kapel die de nakomelingen van Pieter Paul Rubens in de kooromgang van die kerk lieten bouwen - en waarin ook zijn lichaam is bijgezet - werd in 1645 nog in gotische stijl voltooid. De interieurs van deze en andere kerken zijn echter dermate met barokke kunstwerken en meubilair opgeluisterd, dat ze daardoor dan ook een overwegend barok uitzicht kregen. Uitzonderlijk werden ook aparte grafkapellen in barokstijl tegen gotische kerken aangebouwd.
 
 
Merkwaardig is de kapel in de Zavelkerk te Brussel die Lucas Faydherbe in 1651 voor de familie La Tour et Taxis heeft ontworpen. Eveneens interessant is de grafkapel van de familie Maes, die in de Brusselse Sint-Michielskathedraal tegen het koor werd opgetrokken.
 
 
Deze kapel is een project van de Brusselaar Leo van Heil (1605-na 1661). Beide kapellen zijn voorzien van een kleine koepellantaarn die er, zoniet de enige, dan toch de voornaamste lichtbron uitmaakt. Zijn deze kapellen uitwendig zeer sober van vorm, inwendig zijn ze daarentegen overvloedig met een sculpturaal barokdecor gegarneerd.
 
 
g. Tenslotte zijn er nog de baroktorens die in de zuidelijke Nederlanden een veel grotere rol spelen dan bijvoorbeeld in Italië.
 
 
Daar werd immers de aanwezigheid van een campanile (dit is een meestal vrijstaande klokketoren) veelal overbodig of van een ondergeschikt belang gemaakt door een imposante koepel. In onze gewesten echter leek een kerk zonder toren ondenkbaar. De baroktoren werd bezijden of achter het koor opgetrokken, waardoor hij de aandacht vestigde op de H. Eucharistie die in een tabernakel op het altaar wordt bewaard.
 
 
De vroegste poging om een baroktoren te bouwen, namelijk door Wenzel Cobergher in Scherpenheuvel, kan niet bijster geslaagd genoemd worden. Maar de tweede poging werd een meesterwerk: de toren van de Sint-Carolus-Borromeuskerk (1621-1622).
 
 
Deze toren is het resultaat van een samenwerking tussen Pieter Huyssens en Pieter Paul Rubens, die naar alle waarschijnlijkheid de prachtige architecturale bekroning ontwierp. Hij is een der mooiste van gans Europa. Pieter Huyssens voorzag een gelijkaardige toren voor de Sint-Walburgakerk te Brugge. Die toren is echter onvoltooid gebleven, zoals trouwens meerdere groots opgezette torenontwerpen.
 
 
Nog later stond de toren van de Antwerpse jezuïetenkerk model voor een andere toren, ni. die van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen (1679-1681), ontworpen door de beeldhouwer Nicolaas Millich (?-omstreeks 1700).
 
 
Bijna gelijktijdig met de toren van Sint-Carolus ontwierp Jacques Francart deze van de Brusselse jezuïetenkerk. Doch, blijkbaar werd hij niet volledig volgens plan gebouwd. Evenals de kerk is de toren in het begin van de 19e eeuw afgebroken.
 
 
Maar het ontwerp, bewaard in het Algemeen Rijksarchief, toont dat Francart een originele en pittige vorm had bedacht. Uniek is de tiara-vormige torenbekroning van de kerk van Diegem, in 1655-57 opgetrokken naar ontwerpen van de Brusselse architect Pieter Paul Merckx.
 
 
Zeer frequent ook in onze gewesten zijn de torens die uitlopen op een peerspits, dus op een peer- of uivormig profiel. Dit is zeker geen uitvinding van de barok, want een dergelijke vorm troont bijvoorbeeld reeds in 1535 boven de viering van de kathedraal te Antwerpen. De barokke peerspitsen werden echter meestal veel speelser uitgewerkt. Een vroeg voorbeeld is het vieringtorentje of dakruiter van de Sint-Augustinuskerk te Antwerpen.
 
 
Sommige architecten brachten in hun torenontwerpen als het ware een synthese van de krachtig gearticuleerde barokke romp met de sierlijke peerspits. Het belfort van Mons biedt daar een mooi voorbeeld van. De belforttoren draagt behalve een grote peerspits in het midden, nog vier kleine op de hoeken.
 
 
De toren van de abdijkerk van Averbode (1701), met één torenbekroning, kan in dit opzicht ook zeer geslaagd genoemd worden. Samen met de spits vertoont de opengewerkte lantaarn een elegant barokprofiel.
 

Fr. Baudouin,

ere-conservator Kunsthistorische Musea Antwerpen