U bent hier

De collectie van de Nationale Loterij

De collectie van de Nationale Loterij
David Teniers de Jonge (1610-1690), Kaartspelers in een herberg, ca. 1644-1645, olie op paneel, 38,5 x 53 cm, © Studio R. Asselberghs - Frédéric Dehaen, Brussel.

 

VAN ARCHIEF NAAR KUNSTVERZAMELING

 

De Nationale Loterij bestaat in oktober tachtig jaar en bezit een opmerkelijke kunstcollectie. Die is – uiteraard – sterk verbonden met de identiteit en de activiteit van het bedrijf en werd opgebouwd vanaf 1992. Het ligt voor de hand dat de verzameling loterijbiljetten en affiches omvat, en ook apparatuur gebruikt voor de trekkingen. De collectie kreeg gaandeweg een andere dimensie dan die van zuiver ‘bedrijfsarchief’ waarin reclame- en ander drukwerk bewaard wordt, naast foto’s van trekkingen en allerlei objecten.

 

De activiteit die de Nationale Loterij promoot bestond al lang voor de oprichting van de huidige instelling. In onze gewesten hadden vele steden al eeuwen vroeger een eigen loterij en vaak met een goed doel. Neem het pas gerenoveerde Mauritshuis in Den Haag. Dat gebouw brandde af in 1704, enkel de muren stonden nog recht (de collectie die er vandaag huist kwam er pas in 1822). De stad besloot een loterij uit te schrijven om het huis te herstellen. Maar de kosten liepen zo hoog op dat er wel vier opeenvolgende loterijen nodig waren.

 

Het kansspel is nu eenmaal van alle tijden. Er wordt al duizenden jaren gegokt of gespeeld voor een of andere inzet. Met voorspelbare resultaten. Niet iedereen kan winnen. Niemand wil verliezen. Reeds tijdens de oudheid vindt men talrijke afbeeldingen van dat ‘spel’.

 

In de oudheid was men er nog niet van overtuigd dat een enkele godheid de hele schepping en het universum aankon. En zo groeide de cultus van de godin Fortuna, die het lot van de speler in de hand heeft, maar dan (meestal) wel geblinddoekt. Fortuna is misschien wel de enige godin uit de oudheid die blijft aanspreken. Zij wordt vandaag nog afgebeeld in brons en andere kunsttechnieken. En ‘godin Fortuna’ blijft een algemeen bekend begrip.

 

De ambitie van de Nationale Loterij om een representatieve collectie over dat onderwerp samen te stellen moet men situeren in zijn tijd. In de nasleep van Expo 58 ontstonden in allerlei instellingen, vooral banken en grote bedrijven, culturele initiatieven. En vaak nam dat ook de vorm aan van een kunstverzameling. Neem het Gemeentekrediet van België, de Bank van Parijs en de Nederlanden, ASLK, De Generale, de Bank van Brussel/Lambert, de Kredietbank, ook de Nationale Bank, naast onder andere IBM, BP en de Katoennatie. Er werd overal kunst verzameld in de wereld van het grote geld. Er bestond zelfs een zeker enthousiasme voor kunst en dat werd in de financiële wereld van toen helemaal niet in vraag gesteld. Die verzamelingen dienden voor meer dan het verfraaien van de directiekantoren. Ze werden hier en daar getoond, voor het prestige van het bedrijf en tegelijk kon het publiek er mee kennismaken. Ze waren heel divers. Er is nog meer van over dan men denkt. Dat alles vormt vandaag een helaas wat verborgen maar echt belangrijk deel van ons kunstpatrimonium.

 

De Nationale Loterij kreeg in 1992 meer aandacht voor haar eigen erfgoed en de lange geschiedenis van het spel, ook waar die een weerslag had gekregen in de kunst. In de Vlaamse kunst uit de late middeleeuwen en de renaissance hoeft men nu niet lang te zoeken naar afbeeldingen van gokkers of mensen die voor geld spelen. En over de kwalijke gevolgen van het verlies waren onze vroegere kunstenaars ook al zeer expliciet. Maar de Loterij beperkte het plaatje niet tot het eigen land. Men dacht Europees, met de oudheid als uitgangspunt. En ook buiten Europa: het ging immers om de geschiedenis van de Koloniale en later Afrikaanse Loterij, tot de onafhankelijkheid van Congo daar, in 1960, een einde aan maakt.

 

Voor de aankopen werd heel wat prospectie- en studiewerk gedaan. En men deed vaak een beroep op specialisten, uit de museum- of academische wereld. Men kocht niet alleen op veilingen en in de kunsthandel in België, maar ook op grote beurzen (als TEFAF), en bij internationale veilinghuizen en  kunsthandelaars. Dat verklaart mede de aanwezigheid van uitstekende stukken, in verschillende technieken en uit diverse perioden.

 


DE COLLECTIE VAN DE NATIONALE LOTERIJ

  • Op pad met Fortuna
  • Spelen in de kunst
  • Kunstenaars en loterijbiljetten
  • Dromen van papier - Affiches uit de collectie van de Nationale Loterij
  • Praktisch 

 

OP PAD MET FORTUNA

 

 

UIT DE OUDHEID

 

De Nationale Loterij verwierf markante stukken uit de oudheid met herkenbare afbeeldingen van het ‘spel’. Het gaat om een fraaie amfora uit Griekenland, waarop de helden Achilles en Ajax een bordspel spelen. De amfora wordt gedateerd ca. 520 jaar voor Christus. De spelers dragen een helm maar lijken niet bewapend. De soldaten die erbij staan hebben wel een schild. Men neemt aan dat het gaat om een tafereel tijdens de belegering van Troje. De Grieken geloofden dat de drie dochters van Zeus, de schikgodinnen (Moerae), het lot van de spelers bepaalden.

 

Nog prominenter is het mozaïek (ongeveer een vierkante meter groot) uit een Romeinse villa, met de afbeelding van Isis-Fortuna, uit de tweede eeuw.  Het mozaïek is een voorbeeld van de overname van elementen uit de Oosterse godsdiensten door het Romeinse rijk. De godin voorzien van een goed gevulde hoorn van overvloed, draagt een haartooi die kenmerkend is voor de Oosterse moedergodinnen, zoals Isis. In de oudheid was Fortuna ook de godin die de behouden terugkeer van de zeevaarders beschermde.

 

Een derde belangrijk stuk uit de oudheid is een klein bronzen beeld uit de tweede-derde eeuw dat Tyche-Fortuna voorstelt, zonder attributen (omdat de voorarmen ontbreken). Zij draagt een kroon van stadsmuren, als beschermster van de steden in Griekenland. In Rome smolt dat alles samen. De collectie omvat voorts, uit dezelfde tijd, twee gemma voor een ring, met een afbeelding van Fortuna. De aanwezigheid van deze stukken uit de oudheid verleent een aparte identiteit aan de verzameling van de Nationale Loterij, binnen de kring van de bedrijfscollecties in België.

 

 

HOORN VAN OVERVLOED EN RAD VAN FORTUIN

 

Tijdens de christelijke middeleeuwen kreeg het antieke erfgoed een andere betekenis. Zo werd Fortuna de godin van het kwaad, die de mens van zijn echte bestemming (deel worden van het rijk der hemelen) wou afleiden. De kunstenaars van de renaissance interpreteerden haar echter in een meer klassieke geest. Zeer populair waren de afbeeldingen van het rad van fortuin, waarmee men de illusie van de macht van de groten kon verenigen met het gevoel van vluchtigheid van het menselijk bestaan. Fortuna deed het rad draaien. Dit beeld sprak tot de verbeelding van iedereen en werd via houtsneden en etsen op grote schaal verspreid, langsheen de belangrijke Europese handelsroutes tussen Noord en Zuid.

 

Hoe zwevend men Fortuna ook mag voorstellen, zij blijft in de verzameling van de Nationale Loterij het zwaargewicht. Zo treft men er een Antwerps wandtapijt (derde kwart van de zestiende eeuw) aan: Wandtapijt met grotesken en in het midden de godin Fortuna in een medaillon. Volgens Guy Delmarcel is de compositie samengesteld aan de hand van motieven van Cornelis Floris (1513/14-1575). In een centraal medaillon ziet men Fortuna staand op een bol, omringd door een krans van figuren verwikkeld in het streven naar macht of het treuren om het verlies ervan.

 

De geblinddoekte Fortuna, zittend op het rad van fortuin, komt voor op een tekening (ca. 1700) van de weinig bekende Franse kunstenaar François Boitard (ca. 1670-1715). Hij toont duidelijk de hebzucht van de mens en tegelijk het onredelijke van het lot: de tekenaars en schilders worden door wildemannen belaagd. Dat verleent deze tekening een uniek karakter.

 

Men treft nog meer van Fortuna aan in de kunst van de Belle Epoque, zoals een precieus juweel, dat in 1880 voor het eerst getoond werd in Parijs, een werk van Bapst & Falize. Fortuna zweeft op een parel tegen de achtergrond van een schelp in toermalijn, dat contrasteert met haar roze geëmailleerde blanke lichaam. Het tafereel speelt zich af tussen twee hoorns van overvloed. En de smaragden en de diamant die eraan hangen tonen hoe het kan uitdraaien. Een Engelse graaf kocht het voor zijn dochter, eredame aan het hof van koningin Amelia van Portugal. Of het gewerkt heeft, weet men niet. Maar het blijft een schitterend juweel, typisch voor het einde van de negentiende eeuw.

 

Fortuna en goud is een droom – Fortuna en brons is een realiteit, tenminste in de collectie van de Nationale Loterij. Die omvat verschillende bronzen uit een tijd waarin het geluk toch maar voor weinigen was weggelegd. Zo L’abondance van Augustin Moreau-Vauthier (1831-1893), gedateerd 1878, een reproductie van een groot marmer in Musée d’Orsay. Enigszins meer ingetogen is de Fortuna (1891) van Charles Samuel (1862-1938), ook bekend als de auteur van het monument voor Charles De Coster aan de vijvers van Elsene, met de charmante beelden van Tyl en Nele. Charles Samuel kreeg een opleiding onder anderen bij Philippe Wolfers (1858-1929) en Charles Van der Stappen (1843-1910). Dat verklaart mee de elegante en wat ingehouden uitvoering. Dit Fortunabeeld werd ook uitgevoerd in ivoor (chryselefantien) voor de Koloniale tentoonstelling in Tervuren, in 1897. Die versie werd daar aangekocht door Leopold II. 

 

Armand Rassenfosse (1862-1934) gebruikte in 1925 een glimlachende Fortunafiguur voor een ontwerp van een (wellicht nooit verschenen) affiche voor een handelsbeurs in Luik. Fortuna draagt het symbool van de handel (caducaeus) en een welgevulde hoorn van overvloed, met goudstukken en bloemen. Men treft vaker een glimlach aan in het werk van Rassenfosse, alleszins veel meer dan in dat van zijn leermeester Félicien Rops (1833-1898). En zelfs zijn kolenraapsters – nochtans een hard beroep – zien er soms tevreden uit, wat zeker ook kan gezegd worden van deze Fortuna, die overigens meer op een vriendelijk burgermeisje dan op een antieke godin lijkt. 

 

Fortuna blijft aanwezig in de kunst, zelfs nog op het einde van de twintigste eeuw. Zo behandelt Niki de Saint Phalle (1930-2002), in 1988,  het thema van het rad van fortuin in een luchtig en speels werk in keramiek, waarin maritieme motieven en een rad van fortuin, als een bloem, bekroond worden door een voor de kunstenares typische vrouwenfiguur (Nana). Recenter, want gedateerd 2004, is het levensgrote bronzen beeld van Daphné Du Barry (°1950), een Nederlands-Franse beeldhouwster, die in Monaco werkt. Het stelt een resoluut voortschrijdende Fortuna voor, die een grote hoorn van fortuin vol geldstukken draagt, weliswaar geblinddoekt. Het beeld verbindt de dynamiek die de hedendaagse vrouw uitstraalt met het aloude motief van de antieke godin. Het is misschien het meest zichtbare beeld van de verzameling, want het staat in de receptie van het loterijgebouw in Brussel. Ter gelegenheid van 25 jaar Lotto, in 2003, kreeg Cobrakunstenaar Corneille (1922-2010) de opdracht daarvoor een foulard te ontwerpen die als cadeau werd uitgedeeld op de viering. Op het ontwerp plaatste hij vier horens van overvloed in het midden met in de hoeken vier vrouwenbustes. De kleuren zijn, voor een Cobrakunstenaar, sober gehouden, wat de expressie van het werk zeker ten goede komt. Uit de horens van overvloed vloeien geldstukken. Wat is er meer nodig?

 


 

SPELEN IN DE KUNST

 

 

OM JEZUS' MANTEL

 

De meest verspreide vorm van kansspelen is wellicht het dobbelspel geweest. Men treft dobbelstenen aan (in steen, been, aardewerk enz.) bij opgravingen van oudere of recentere archeologische sites, zowat overal in de wereld. De collectie van de Nationale Loterij omvat daar heel wat voorbeelden van. Een dobbelsteen is echter geen spectaculair tentoonstellingsobject, in tegenstelling met schaakstukken, bij voorbeeld.

 

Het dobbelspel werd ook vaak afgebeeld. Het Passieverhaal vermeldt dat onder het kruis soldaten dobbelden voor de mantel van Christus. Dat was een treffende illustratie van de slechtheid van de moordenaars van Jezus en, uiteraard, van het verderfelijke dobbelspel. De collectie omvat een Kruisiging op koper geschilderd, wellicht in de zeventiende eeuw. Het werk is nog niet toegeschreven aan een bepaalde meester en blijft dus anoniem. De dobbelende soldaten bevinden zich niet aan de voet van het kruis, dat op een heuvel staat, maar in de linker benedenhoek, op het voorplan. De dobbelstenen liggen op de mantel en de spelers staan al met getrokken messen klaar om het pleit te beslechten. Het spel leidt immers naar misdaad en moord. Dat is de boodschap, ook vervat in vele andere werken.

 

 

EEN TOPWERK VAN DAVID TENIERS

 

Met Fortuna, zelfs in verschillende dimensies, heeft men nog geen vat op het dagelijks leven en de niet altijd even fraaie werkelijkheid. In de werken waarin men de dialoog met dat dagelijkse leven aangaat, komt uiteraard naar voor hoe de (weldenkende) maatschappij daar tegenover staat. Dat komt goed naar voor in de evolutie van de afbeelding van het kaartspel.

 

Voor afbeeldingen van het kaartspel is het wachten op de verspreiding van het papier, in de eerste plaats, al bestaan er speelkaarten op andere dragers. De opbloei van de grafiek in de zestiende eeuw en de snelle internationale verspreiding ervan, brengt vele motieven (o.a. kaartspelers) van de toen nog jonge genrekunst bij een groot publiek. Zeker in de Nederlanden en ruime omgeving, maar ook elders in Europa.

 

Het is dan ook geen wonder dat dit onderwerp sterk aanwezig is in de verzameling van de Loterij. Opmerkelijk is wel dat men een echt topwerk van David Teniers II de Jonge (1610-1690) heeft kunnen kopen in 2008. Dat ligt niet voor de hand. Dat ligt niet voor de hand. Het schilderij werd dan ook het pronkstuk op de tentoonstelling ter gelegenheid van 75 jaar Nationale Loterij in 2009 in het Museum voor Schone Kunsten te Brussel, waar het zich nog steeds in bruikleen bevindt. De Kaartspelers in een herberg (ca.1644-1645) is het werk van een kunstenaar die op het toppunt van zijn kunnen staat. Het vrij kleine (38,5 x 53 cm) en qua picturale kwaliteit indrukwekkend werk (bekijk de penseelvoering en denk dan eens aan Michaël Borremans) lijkt haast monumentaal. De groep kaarters trekt alle aandacht, binnen een compositie in een driehoek. Er is hier geen sprake van enige animositeit, ruzie, gevecht en dronkenschap. Dat treft men nochtans vaak aan op werken van voorgangers zoals Adriaan Brouwer (1605-1638) en tijdgenoten van Teniers II. Het satirische element ontbreekt, merkwaardig genoeg. Dat verleent het werk een haast klassieke dimensie. Er wordt uiteraard een winnaar en een verliezer uitgebeeld. De pijp op de grond verwijst misschien naar het gezegde ‘mijn pijp is uit’ (ik ben verloren). Maar uit de gelaatsuitdrukking van de speler rechts blijkt noch woede noch paniek, terwijl zijn tegenspeler niet staat te juichen. Alles blijft rustig, zonder drama. Is dit misschien de levensvisie van de Antwerps hoge burgerij, waartoe Teniers behoorde? Zijn familie betrok een groot herenhuis in de omgeving van het Rockoxhuis. Hij was gehuwd met Anna, de dochter van Jan Brueghel de Oude (1568-1625) en zo verwant met deze vooraanstaande familie en de kring rond Peter Paul Rubens (1577-1640). Het belang van David Teniers de Jonge voor onze kunst is enorm omdat hij in 1647 hofschilder werd van de Spaanse landvoogd, de Habsburgse aartshertog Leopold Willem. Teniers maakte voor hem een geschreven en geïllustreerde catalogus Theatrum Pictorium (1660) van diens aanzienlijke kunstverzameling in Brussel. Die omvatte 1.300 werken, hoofdzakelijk Vlaamse, Italiaanse en Duitse. Men beschouwt ze vandaag als een van de grootste prinselijke verzamelingen aller tijden. Ze vormt de ruggengraat  van het Kunsthistorisches Museum in Wenen. Voor dat Theatrum Pictorium deed Teniers een beroep op 12 etsers om de 243 illustraties te maken. Het is het eerste voorbeeld in Europa van een collectiecatalogus – iets wat vandaag vanzelfsprekend en onmisbaar lijkt. The Courtauld Gallery in Londen organiseerde einde 2006, begin 2007 een tentoonstelling daarover, met een exemplaar van het boek en een aantal markante werken uit de collectie, waarbij een Schilderkamer van de aartshertogelijke collectie, die Teniers reeds in 1651 schilderde (nu in het Prado), als het ware een eerste schets van het Theatrum Pictorium.

 

 

KAARTSPELERS IN DE TENIERSTRADITIE

 

Teniers woonde toen al in Brussel. Zijn ruime woning is verdwenen bij de aanleg van het Koningsplein en het Paleis voor Schone Kunsten. Hij had zeer veel succes en invloed, in heel Europa, met zijn ‘landelijke’ taferelen via wandtapijten, die men in Frankrijk gewoon Ténières noemde. Men kon ze aantreffen in alle vorstelijke residenties. Het lijkt vandaag een beetje verbazend dat deze volkse taferelen zo gewaardeerd werden – tapijten waren nu eenmaal de duurste kunstvorm – door de absolute elite.

 

De Nationale Loterij bezit daar een prachtig voorbeeld van, een wandtapijt met kaartspelers uit de reeks Taferelen uit het landleven, naar Teniers. Het gaat om een stuk (375 x 420 cm) afkomstig uit de manufactuur van Willem Werniers in Rijsel uit het begin van de achttiende eeuw. Werniers was afkomstig uit Brussel. Hij groeide dus op in het belangrijkste centrum van wandtapijten van de zeventiende eeuw. Zijn productie in de toen reeds door Frankrijk veroverde stad behoort nog tot het beste van wat de Vlaamse kunst in die periode kon produceren.

 

Op deze tapijten van omstreeks 1700 toont men het buitenleven minder of zelfs helemaal niet meer als een spektakel vol uitspattingen van de boerenbevolking. Het heeft zelfs iets idyllisch. Dat is zeer zichtbaar in dit werk. Opmerkelijk is bovendien de grote en fraaie boord, vol bloemen, groenten en landbouwwerktuigen. De kleurcontrasten zijn uitzonderlijk goed bewaard.

 

De rustige kaartspelers zitten links aan een tafel (in casu een bierton – pittoresk detail) voor een huis. Rechts is er een weids landschap met een herder en zijn kudde. Het tafereel van de kaartspelers gaat terug op een schilderij van David Teniers II, nu in het museum van Grenoble. Ook hier ontbreekt elke vorm van conflict en er kijkt zelfs een dame mee. Misschien een herinnering aan Fortuna, even vreedzaam als haar gezelschap?

 

In de Tenierstraditie kan men nog een ander anoniem werk plaatsen, uit de zeventiende  eeuw, wellicht een Antwerps schilderij: Kaartspelende apen. Het gaat om een precieus werkje (17 x 23 cm) op koper geschilderd. Dit motief ontstaat  in de zestiende eeuw in de kosmopolitische havenstad Antwerpen en verspreidde zich snel via de grafiek. David Teniers I (1582-1649) gebruikte het ook al. Opvallend in dit werk zijn de sterke kleurcontrasten tegen een vrijwel zwarte achtergrond. De apen zijn aangekleed, om meer kleur in het werk aan te brengen. Let op de (Cobra-achtige) haartooi met pluimen. De ogen zijn zeer expressief. Er is een bierkruik te zien, een vast attribuut in het genre. Het is alleszins een leuk exotisch plaatje. En dat had succes.

 

De Brusselse graveur, Jan Lodewyck Krafft (1694-na 1762), publiceerde in het midden van de achttiende eeuw etsen naar Teniers II, vermoedelijk van werken die zich in Brusselse verzamelingen bevonden. Het gaat om zowat vijftien gravures, vooral landschappen, waarvan er slechts twee gedateerd zijn (1762). Het tafereel in de Loterij-collectie betreft kaartspelers. Men ziet de winnende speler, die zijn goede kaarten toont, terwijl de verliezer bedrukt naar zijn slechte kaarten kijkt. Achter hem staat een man met een pijp, die ook naar die kaarten kijkt. Dan zit er nog iemand voor de haard, blijkbaar zonder belangstelling voor het spel. Vanachter een deur rechts bekijkt een vrouw (de waardin?) het tafereel. Op de voorgrond vindt men een bierkruik en rookmateriaal, zoals gebruikelijk.

 

In dezelfde periode gaven Franse graveurs op grote schaal prenten naar Teniers uit, een teken van zijn grote populariteit in Frankrijk. Die verschenen ook in portfolio’s (Recueils), onder anderen van Jacques Philippe Le Bas (1707-1783).

 

In de achttiende eeuw ontstond nog een ander genre, het trompe-l’oeil, waarin men allerlei elementen kon combineren en tegelijk de illusie van werkelijkheid suggereren. Hier gaat het om documenten en tekeningen die vast gespannen zijn op een houten plaat. Bovenaan rechts staat een loterijbiljet uit 1780, van een loterie des enfants trouvez – dus voor een goed doel. Maar er zijn ook twee speelkaarten, naast een toegangskaart voor een diner in de Tuileries, een landschap en o.a. een voorstelling van de godin Pallas Athena. Men beschouwt Raymond Commarieux (1710-1787) meer als een dilettant dan als een echt professioneel kunstenaar  met een academische opleiding.

 

 

KAARTEN IN EEN VERANDERENDE WERELD

 

In de negentiende eeuw verandert de wereld. Het kaartspel blijft een vast gegeven in de kunst, maar het krijgt allerlei dimensies bij. De sociale kwestie wordt een belangrijk gegeven; denk maar aan de omstandigheden waarin de werkmensen, zowel in de industrie als in de landbouw, leefden, de hongersnood en het alom verspreide alcoholisme. Op het einde van de eeuw ontstaat er veel belangstelling voor het occulte, soms met diabolische trekken, in het burgerlijke milieu van de symbolistische kunstenaars.

 

Ruzie om een kaartspel (1872) van Ferdinand De Braekeleer (1792-1883) is nog geen schrijnend beeld van de harde werkelijkheid van toen. Maar het gaat al in die richting. Kaarten op de grond, ook een pijp, niet toevallig voor de voeten van wie klop krijgt en een ontketende speler die de waardin maar nauwelijks kan tegenhouden. Let wel dat de bierkruik, de lei (om de score te noteren) en het bord nog niet gebroken zijn. De Braekeleer sluit nog wat aan bij de oude Antwerpse genretraditie, die niet echt bloederig was. Men staat hier echter ver van wat er toen op de officiële salons te zien was – een gevecht of een ruzie kreeg daar haast vanzelfsprekend een mythologische of historische aankleding. De Braekeleer schilderde ook vele schooltaferelen, die stof tot nadenken geven, over de pedagogiek van toen. Hij werd zelfs gemeenteraadslid in Antwerpen en organisator van de Rubensfeesten in 1840.

 

Op het einde van de negentiende eeuw zag men de zaken al anders. Een kunstenaar als Félicien Rops (1833-1898), een lid van de Naamse burgerij, die een kasteel bezat, heeft een dubbel oeuvre. Enerzijds zijn er verfrissende (en moderne) natuurimpressies van het Noordzeestrand en de Maasvallei, beelden van oude vrouwen biddend naast een pilaar in de kerk (waarvoor vandaag maar weinig belangstelling bestaat) en van sociale onderwerpen (het werk in de mijnstreek). Daarnaast is er een uitgebreid ‘duivels’ oeuvre, waarvoor vandaag wel ruime belangstelling bestaat. Dat draait vooral om de seksuele obsessies van de Belle Epoque, met een sterke antichristelijke inslag. Rops haalde daarvoor inspiratie (zover dat nodig was) uit de contemporaine Franse literatuur, onder anderen bij Jules-Amédée Barbey d’Aurevilly (1808-1889).

 

De prent in de verzameling van de Nationale Loterij is daar een voorbeeld van. Het is een illustratie bij een nogal duistere novelle van Barbey d’Aurevilly, oorspronkelijk een liberaal en atheïstisch schrijver en dandy uit Normandië. Hij werd later katholiek, wat hem niet belette bij voorkeur zondige gevallen te blijven beschrijven en het op te nemen tegen de materialistische geest van zijn eeuw. Hier gaat het in het raam van een spel whist (= stilte) over verborgen gebleven misstappen van een vrouw, met als gevolg verschillende doodgeboorten.  Dat paste perfect in het kraam van Rops, die oog had voor de invloed van de duivel in de maatschappij. En, als graveur, voor het suggestieve spel tussen donker en helder naargelang de situatie, dus hier eerder donker.

 

James Ensor (1860-1949) had een bredere visie op de werkelijkheid dan Rops. Hij had een uitgesproken belangstelling voor de massa, de menigte. Die speelt een hoofdrol in zijn grafisch werk, maar ook in een paar schilderijen. Ensor werkt in zijn etsen soms motieven uit die hij daarna nog herneemt in olieverf (de Intrede van Christus in Brussel is daarvan het beste voorbeeld). De Engelse roots van Ensor spelen ook mee.  Op zijn kleine ets De spelers van 1895 vindt men als het ware het centraal gedeelte terug van een ets die William Hogarth (1697-1764) meer dan een eeuw vroeger maakte (1759) van een Hanengevecht. De hoofdpersoon, die gewed heeft, is omringd door concurrenten en weinig zeker van een goede afloop. Bij Ensor is de zaak beklonken. De speler kijkt troosteloos, terwijl 16 andere gezichten of tronies, op een kleine ets, hun gif kunnen spuwen. Een wat melancholische dromer tussen een massa van figuren die het beter weten. Dat geeft die ets een dimensie die boven de  sociale kritiek staat.

 

Een geheel andere vorm van kaartspel – zonder enig winstbejag, want in die situatie verboden – vindt men op een tekening van Rik Wouters (1882-1916). Die werd in 1914 opgeroepen en werd ingezet tijdens de belegering van Antwerpen. Die was van korte duur en een aantal militairen konden ontkomen door naar het nabije Nederland te vluchten. Zo verbleef de jonge kunstenaar daar in verschillende militaire kampen. Hij overleed in 1916 in Amsterdam, aan een ziekte die niets met de oorlogsvoering te maken had. Deze vrij grote gewassen tekening toont een wellicht banaal tafereel: militairen in uniform die proberen hun dag door te brengen o.a. met kaartspelen. De rust van dit tafereel staat in schril contrast met wat andere schilders, als bij voorbeeld Anne De Kat (1881-1968), tekenden aan het echte front, aan de IJzer. Daar heerst een spanning en een chaos, die niet vergelijkbaar is met de rust die Wouters noteerde in een paar treffende penseelstrepen.

 

Een funeste dimensie van het kaartspel, een spel tegen en met de dood, treft men nog in 1926 aan in een ets van de Luikse kunstenaar Armand Rassenfosse. Hij werd een vriend en medewerker van Rops en ontwikkelde zo mee diens grafische experimenten (het vernis-mou procedé). Rassenfosse was, al van omstreeks 1900, een van de drijvende krachten achter de gedachte aan een specifiek Waalse kunst. De Belgische staat had tot dan toe de prestigieuze traditie van de Vlaamse kunst overgenomen als nationale kunst. Het concept van een Waalse kunst brak echter slechts een generatie later door.

 

Rassenfosse zocht inspiratie in de literaire wereld van Rops. Deze prent is de zoveelste dialoog van een mens met de dood – een spel van leven en dood. De beslissende kaart is de enige lichtbron op het werk. Het kan haast niet spannender. Het gaat hier echter niet om een origineel thema. Dit onderwerp werd al vaker behandeld, ook in Duitsland en Frankrijk door kunstenaars die aanleunden bij de inspiratiebronnen van het symbolisme.

 

Het kaartspel blijft inspireren, zelfs bij hedendaagse kunstenaars. Een werk van Robert Combas (°1957), met als titel Poker, Rami, Belotte?... uit 1998, is sprekend genoeg. Het is een soort triptiek tussen twee grafitti-achtige banden. Het middenpaneel, waar traditioneel de hoofdzaak getoond wordt, is gevuld met speelkaarten, die niet allemaal even correct zijn. Daarnaast ziet u enerzijds een Afrikaan, als prototype van de gokker en anderzijds een reeks zelfportretten (?) van de schilder. Het werk is tekenend voor de figuratieve traditie in de kunst waarvoor jarenlang geen of weinig aandacht bestond in de officiële kunstwereld (en –kritiek). Een mentaliteit die, voor wat die periode betreft, nog niet helemaal verdwenen is.

 

Wou Combas via dit werk met de suggestie van het toeval en een manipulator, verwijzen naar het lot of de lotgevallen van de kunstenaar op de markt? Wie weet…

 

Nog recenter is een groot schilderij van Johan Clarysse (°1957), uit 2006.  Het beeld herinnert aan een oude film (van Hitchcock, zoals blijkt). Ook het bescheiden kleurgebruik wijst in die richting. De wat bevreemdende tekst ‘Handelingen 5’ is een teken van een opeenvolging die men in dit ene beeld niet kan begrijpen. Men kan er bij fantaseren dat de dame, netjes gekleed en juwelen dragend, aan een speeltafel zit en misschien de suggestie van een nummer krijgt. Maar waarom wordt dat dan meer aan ons, die naar het schilderij kijken, dan aan haar getoond? Deze benadering van de werkelijkheid in fragmenten is een kenmerk van heel wat hedendaagse kunstenaars. Zij suggereren meer dan zij zeggen. Echt nieuw is dat nu wel niet. Maar er is veel discipline en kennis van zaken nodig om het beeld zodanig te vereenvoudigen tot het een maximale suggestiekracht krijgt. Voor wie wil kijken welteverstaan.  Deze aanwinst toont eveneens dat de Loterij de eigentijdse kunst volgt, op een eigen manier.

 

 

BORDSPELEN

 

Een van de meest intrigerende werken in de collectie stelt een rijk interieur voor, waarin triktrak gespeeld wordt. Het gaat wellicht om een Antwerps interieur, met muren bekleed met goudleer en daarboven een reeks schilderijen. Er staat ook een bed in een hoek. Aan een grote tafel spelen drie koppels triktrak. Een vierde koppel flirt tegen de muur. Zij worden verrast door de intrede van gemaskerde dames en muzikanten. De dienster die uit de keuken komt is een zwarte  – toen een zeker teken van welvaart.

 

De Loterij heeft dit paneel, gedateerd 1628, verworven wegens het triktrakspel. Maar dit werk – let wel het gaat om een genre – toont een minder bekend aspect van wat het leven in Antwerpen – toen een van de rijkste steden in de wereld – kan geweest zijn.  Men moet er maar bij nemen dat vele details een stichtende boodschap hebben. In dat genre werkten nog meer schilders, onder anderen Joos Van Winghe (1544-1603). Over de auteur van dit werk, Willem Anthonis, een burger van Antwerpen, is nog niet veel bekend. Schilderde hij als eerste in de Westerse kunst een dame die charmant en ongegeneerd een pijp aansteekt aan een kaars? 

 

Het kleine bordspel, bedoeld om op tafel gespeeld te worden, wordt snel uitgebreid om aan meer spelers de gelegenheid te geven hun geluk te beproeven. De Loterij heeft in de loop der jaren een paar zeer markante meubels kunnen verwerven. Men heeft het dan over salonspelen of salonloterijen, die soms door een operator of ‘bankier’ bediend worden. Hij of zij moeten het draaiend deel van het spel in beweging zetten en bepalen zo mee het toeval. De bankier ontfermt zich daarna ook over de inzet van elke speler, waarvan een deel naar de ‘bank’ gaat en een ander deel wordt uitbetaald aan de winnaars. Men kent vandaag de werking van de roulette. Maar die werd pas op het einde van de achttiende eeuw algemeen verspreid, men neemt aan vanuit Parijs. De oudere voorwerpen kan men in zekere zin als voorlopers daarvan beschouwen.

 

Bijzonder fraai is een draairad afkomstig uit Duitsland en zeventiende-eeuws. Het stuk is 46 cm hoog en dus wellicht bestemd om op een tafel of tafeltje geplaatst te worden. Het is bijzonder luxueus uitgevoerd met duur materiaal: ebbenhout en inlegwerk met palissander, ivoor en been. Op de schijf staan de plaatjes met de nummers (aantal zwarte punten). Men kon de schijf doen draaien. Een wijzer in de vorm van een slang duidt het winnende nummer aan. Men kent slechts twee exemplaren van dit luxespel: het exemplaar van de Nationale Loterij en een ander in het Musée Suisse du Jeu (La-Tour-de-Peilz). De zeer geraffineerde uitvoering en de kwaliteit van de gebruikte materialen laten vermoeden dat het om een product van een atelier in Augsburg zou kunnen gaan. Deze stad (de stad van de Fuggers) stond in heel Europa bekend om de schitterende siervoorwerpen in allerlei dure materialen.

 

Nog indrukwekkender is een Venetiaanse speltafel (twee vierkante meter groot, uit de achttiende eeuw. Dit imposante voorwerp doet, merkwaardig genoeg, dadelijk aan een flipperkast denken. Men kan er met zes op spelen – de balletjes bestaan immers in zes kleuren. Men lanceert het balletje door een stevige ruk te geven aan een koord, die dan nog doorheen een Venetiaanse leeuw loopt. De origine van het stuk is duidelijk. Maar meer kan men, als speler, niet doen – het meubel is veel te zwaar om met wat duwwerk de loop van het balletje te beïnvloeden. De spelers zetten geld in op de beschilderde vakjes bovenaan. Er bestaat geen handleiding meer voor het spel. Maar uit de beschrijving van een sterk gelijkend spel in het begin van de achttiende eeuw, kan men afleiden dat de speler van wie het balletje belandt op het plaatje waarop hij ingezet heeft, wint. Men vermoedt dat men meer kon winnen door op een leeuw in te zetten, er zijn maar 4 leeuwen op de eindpiste voor 18 vrouwen en 18 mannen.

 

Men had niet altijd grote tafels nodig om te spelen. Reeds in de achttiende eeuw treft men loto- en loterijspellen aan, die niet meer plaats innemen dan een kleine doos of een houten kistje. Het gaat hier duidelijk om huiselijk gebruik, soms zijn er zelfs aparte scenario’s voorzien voor de kinderen, die dan ook een prijs kunnen winnen. Van het Loteryspel van ca. 1780 is de handleiding in het Nederlands bewaard: Plan van een extra vermakelyk Lotery Spel.  In het doosje zitten de aardig geïllustreerde kaarten, naast het geld (een briefje van bij voorbeeld 4 duit) en allerlei leuke tekstjes – als nr. 20: Als apen wat hoog/ klimmen willen/ dan ziet men eerst / haar naakte billen.  Schaterde men het dan uit of moest men iets raden? Het is duidelijk dat woorden hier ook een rol speelden, niet alleen de nummers.

 

 

OP DE KERMIS

 

Veel directer is een zogeheten Mât de cocagne uit de negentiende eeuw. Die stond op vele kermissen. Men moest op een mast klimmen om dan boven een prijs te plukken. Maar dat werd moeilijk gemaakt door de mast in te strijken met olie, bij voorbeeld. Hier gaat het om een automaat, toegeschreven aan Jean Anatole Jost. Die werd bediend door de marktkramer en het ging erom een winnend nummer te laten trekken door een ‘pierrot’ die de mast inklom.

 

Men vindt nog een beeld van de apparatuur die op kermissen stond, op een tekening van Franz Gailliard (1861-1932) uit ca. 1920: Kermiskraam met een loterij van voorwerpen. Franz Gailliard was schilder en een voorloper van de persfotografen, als perstekenaar. Het heeft inderdaad lang geduurd eer het mogelijk was duidelijke foto’s op grote schaal, in kranten, te drukken. Dat waren de gouden jaren voor tekenaars die de actualiteit registreerden, met een haast fotografische visie. Franz Gailliard was een van hen en een van de laatste. Tijdens het interbellum veranderde de situatie en tenslotte verdween de tekening uit de krant, tenzij voor cartoons. 

 

Hij tekent hier drie tafels met een draairad, een populair vermaak, want men ziet dadelijk of er iets gewonnen is. En het draaien aan het rad vraagt niet veel inspanning of nadenken. De twee personen, die men op de rug ziet, tonen wellicht dat het vermaak van de ene, de job van de andere is. En Gailliard tekent dat alles snel en trefzeker. Nu en dan komt er eens een schilderij van hem op de markt – hij studeerde aan de Brusselse academie, samen met Ensor en Khnopff – dat zijn dan vaak nogal pointillistische werken, portretten of souvenirs van Griekenland. Zijn picturale wereld staat ver van de actualiteit.

 

 

SPEELAUTOMATEN

 

Ondertussen werd de wereld overspoeld door gokmachines. Ze werden ontworpen op het einde van de negentiende eeuw, een zeer creatieve periode ook op vele andere gebieden. De Loterij bezit een vijftigtal kansautomaten, die ze in de loop der jaren verzamelde.  Dat illustreert nog eens hoe bedachtzaam men deze verzameling heeft samengesteld. Hier komen twee markante stukken ter sprake. Het eerste, The Reliable (1894) van Arthur Caille is een product van The Caille Company in Toledo (Ohio). Het is een zeldzaamheid op de internationale markt van verzamelaars, omdat de Amerikaanse producent zijn stock op de Europese markt verspreid of gedumpt heeft. Het was immers duidelijk dat dit vrij kleine model in de USA de concurrentie niet aankom met andere en grotere automaten. In Europa lagen de zaken anders. Vandaar het Franse opschrift op dit exemplaar. Het mechanisme is nog in brons gegoten. Men bracht bovenaan een geldstuk in en deed het rad draaien met de hendel rechts. Een pijltje boven het rad gaf het resultaat weer. En de winst kwam dan in een klein bakje, rechts te voorschijn. Het toestel produceerde ook muziek, via zichtbare rollen.

 

De Loterij bezit nog een ander gezocht exemplaar van de Amerikaanse speelautomaten, een Rol-a-Top van Watling, uit 1935. Het gaat hier duidelijk om een voorwerp uit de tijd van de art deco, wegens de algemene vorm en het reliëf met vogels en vruchten in zilver. Men voert een muntstuk in bovenaan. En gebruikt dan de fameuze arm rechts om te spelen. Deze machines behoren dan ook tot de klasse van de ‘eenarmigen’, die men wellicht vanuit enige ervaring namen gaf als fruitautomaten of eenarmige bandieten. De tekst, rechts boven, Try ur skill, doet wel wat nadenken, want de ‘skill’ van de speler speelt op geen enkel moment mee. Alles is immers voorgeprogrammeerd. Opmerkelijk is de aanwezigheid van niet een, maar twee jackpots. En daarboven een opening, een mond omringd door een arend, die gouden dollars (de zogeheten Gold Award) kon spuwen. Die driedubbele suggestie van overvloed – een herinnering aan de hoorn van de overvloed van godin Fortuna – bleef waarschijnlijk niets meer dan een droom voor de spelers, tijdens de moeilijke jaren 1930.

 

 

GANZESPEL

 

Tijdens de opmars van de kansautomaten, blijven eerder traditionele spelvormen gewoon bestaan en zelfs succes hebben. Neem nu het ganzenspel. Maar ook daar is alles al voorgeprogrammeerd. Men treft in Europa ganzenspelen aan van in de zestiende eeuw. Over het ontstaan ervan is men het niet eens. Komt het uit Indië, of een andere plaats in het Oosten? De afwisseling van succes en ongeluk heeft iets van het rad van fortuin, dat toen zeer populair was, maar zonder politieke dimensie. Het rad van fortuin had in wezen iets subversief.

 

De Loterij gebruikte het ganzenspel herhaaldelijk als publiciteit, zo al in 1934. Het koloniale ganzenspel werd getekend door Henri Kerels (1896-1956) en ruim verspreid. Die verspreiding en het intensieve gebruik brengen mee dat het nu moeilijk te vinden is. Zijn manier van tekenen heeft al een zeker klare lijn gehalte. Hij kreeg wat bekendheid in volle crisistijd, waarop een oorlog volgde. Moeilijke tijd om als kunstenaar op het voorplan te komen. In de jaren 1950 veranderde hij zijn stijl en begon abstract te schilderen. Hij verbleef meer dan een jaar in Kongo en die tijd bezorgde hem veel inspiratie voor ‘koloniale’ werken.

 

Het tweede ganzenspel is een initiatief van Europalia België in 1980 – de 150ste verjaardag van het koninkrijk. Een samenwerking tussen een bekend Vlaams en francofoon kunstenaar lag dus voor de hand. Het gaat om de dichter en schilder Hugo Claus (1929-2008) en schilder-graveur Pierre Alechinsky (°1927). Op hun ganzenspel mag de slang, een belangrijk motief van Alechinsky en de internationale kunstenaarsgroep Cobra zich wat uitleven op een grond van allerlei documenten (of fragmenten ervan) in verband met de Belgische staat en geschiedenis. De tekst van Hugo Claus bevat ironische knipoogjes en woordspelingen.

 


 

KUNSTENAARS EN LOTERIJBILJETTEN

 

 

MARKANTE ONTWERPEN

 

De Nationale Loterij heeft heel wat opdrachten gegeven aan hedendaagse kunstenaars voor het ontwerpen van affiches (zie het volgende hoofdstuk) en ander propagandamateriaal.

 

Het eerste biljet van de Nationale Loterij werd gedrukt door de Nationale Bank in een zeer traditionele lay-out. Let op de vier sterren aan de hoeken, die misschien refereren naar de ster van de Vrijstaat Congo, persoonlijk bezit van Leopold II. De prijs van het biljet, 100 BF, toen een serieus bedrag, was direct een rem voor populair succes. Men kan hier opmerken dat de biljetten van de vele loterijen in steden tijdens het Ancien Regime zeker niet goedkoop waren. Maar in een crisistijd als de jaren 1930, was dit zeker te hoog gegrepen. En het beleid werd dan ook bijgestuurd.

 

Dat laatste was ook waar voor het ontwerp van de biljetten. Het tweede biljet, naar een ontwerp van J. Verplancke, was al te koop voor 50 frank. Er was een rand gevuld met vruchten (en nu al acht sterren), een traditie in afbeeldingen van de godin Fortuna. Maar in plaats van Fortuna ziet men in een medaillon het hoofd en de typische haartooi van een Mangbetu vrouw, die ook op ander reclamedrukwerk voorkomt.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren de banden tussen het bezette België en haar kolonie verbroken. Gedurende die vier jaren staakte de Koloniale Loterij dus haar activiteiten. Van 1940 tot 1944 was er een Loterij Winterhulp, als steun voor de minderbedeelden in België, met als symbool Sint-Maarten, die zittend op zijn paard een stuk van zijn mantel schenkt aan een arme. Winterhulp gaf in 1941 een merkwaardige prentkaart uit: Redt ze! Te mijner nagedachtenis… Op het voorplan staan vrouwen met kinderen en ouderlingen, daarboven verschijnt in de hemel de geliefde koningin Astrid, met diadeem en pelsmantel, die zes jaar vroeger overleed.

 

In 1945 mocht Louis Buisseret (1888-1956) een biljet van de tweede schijf ontwerpen, een van de talloze officiële opdrachten die hij kreeg. Hij was oprichter van de Waalse kunstkring Nervia en directeur van de kunstacademie van Bergen. Zijn kunst heeft een verfijnd klassiek karakter. Het Afrikaanse onderwerp op zijn biljet zal wel een deel van de bestelling geweest zijn. Buisseret was nu niet bepaald een afrikanist. Men vindt er wel een klassieke, monumentale figuur en de voor hem kenmerkende zorg voor details.

 

In 1946 kreeg Pierre de Vaucleroy (1892-1980) dezelfde opdracht. Hij kende Afrika, na verblijven in Congo en Marokko. Hij is dan ook een van de voornaamste afrikanisten in onze kust. Hij werkte verder mee aan grote koloniale tentoonstellingen in Parijs en New York. Hij was ook leraar aan de academie van Leuven. Vaucleroy schilderde vele sensuele Afrikaanse naakten, maar hield het voor de Loterij bij een inheemse vorst met de attributen van zijn functie en lokale producten, als beeldhouwwerk en vruchten – wat meteen een beeld van rijkdom suggereerde. Let op de motieven van vlechtwerk en nog twee maskers. Slechts weinigen beseften toen de kwaliteit van de kunst uit Congo, maar voor de maskers was er al belangstelling.

 

De aandacht voor vernieuwend design in de communicatie verminderde niet met de jaren. Op 1 februari 1953 werden onze streken getroffen door een vernietigende springvloed. Zo stroomde onder andere Oostende onder. Daarop besloot de wetgever en de Loterij de helft van de opbrengst van een speciale tranche over te dragen aan het Nationaal Rampenfonds van het Rode Kruis, ten bate van de slachtoffers van die ramp. De opdracht voor de tekening van het biljet ging naar Jacques Richez (1918-1994). Hij gebruikte het duifmotief, dat tijdens de Koude Oorlog ook hét internationale symbool van de vrede was. De duif was echter zo gestileerd dat het beeld wat geleek op de cut-outs van Henri Matisse, die men vandaag ziet als een toppunt van de twintigste-eeuwse kunst. Vijf jaar later deed men opnieuw een beroep op Richez voor de affiche van de wereldtentoonstelling Brussel 1958 (Expo 58). Die ging de wereld rond. De Loterij was een van de sponsors van dit unieke evenement.

 

 

BEELDEN VAN PROMOTIE

 

Tijdens heel de periode, voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog heeft de Loterij  altijd grote inspanningen gedaan op het gebied van de reclame en de promotie. Men schrok niet terug voor een imponerende aanwezigheid in het straatbeeld. Een overtuigend voorbeeld  daarvan is de foto van een hoek op het Sint-Joostplein in de gelijknamige Brusselse gemeente, in 1936. De Mangbetu-vrouw en woorden als winnen en miljoenen nemen maar liefst vier verdiepingen in beslag. Let op het mooie aanbod affiches. Wat het cliënteel van het cafeetje om de hoek daarvan dacht, weet men niet.

 

Een opvallend promotiemiddel was een tot de verbeelding sprekende reclamewagen, Patamingi met een geluidsinstallatie en een diorama van een mobiel dispensarium in Leopoldstad (het goede koloniale doel). De wagen was verder versierd met Congolese maskers, motieven ontleend aan Afrikaanse stoffen en boven de chauffeur pronkte een groot hoofd met de typische haartooi van de Mangbetu-vrouw. Op de zijkant van het dak pronkte het magische getal 1.000.000 – het hoogste bedrag dat men toen met de Loterij kon winnen. Merkwaardig en spijtig genoeg is deze wagen, die in 1936 gebouwd werd naar een ontwerp van Création R. Michiels, spoorloos verdwenen. Het enige wat ervan overblijft zijn een paar foto’s.

 

Joost De Geest

 


 

DROMEN VAN PAPIER

AFFICHES IN DE COLLECTIE VAN DE NATIONALE LOTERIJ

 

 

GESPECIALISEERDE ONTWERPEN

 

Zestig jaar was de Nationale Loterij, toen ze via antiquairs, brocanteurs en privéverzamelaars haar affiche-archief begon samen te stellen. Nu viert ze haar tachtigtigste verjaardag en dat is een mooie leeftijd om terug te blikken op de opvallendste tendensen en grafisch boeiendste creaties.

 

Het pas onafhankelijke België schafte de Nederlandse Loterij af, vanuit politieke overwegingen. Die schroom zou de overheid langzaamaan laten varen. Er bestond hier een goktraditie. Een goede eeuw na het openen van Europa’s eerste casino in Spa (1763), dongen vele gokpaleizen naar de gunst van een kapitaalkrachtig en speelgraag publiek. Lithografische beeldaffiches, door kunstenaars ontworpen, waren de nieuwe trend. België spiegelde zich aan gidsland Frankrijk. Meestal fungeren de prestigieuze casino’s als decor en delen ze de aandacht van de modieuze bezoekster met andere toeristische attracties. Een exclusieve focus is schaars. Achille Kas (1861-1927) herinnert aan de oude, lithografisch opgesmukte tekstplakkaten: hij combineert plaatjes (het gokken zelf zien we niet), omzoomt ze met bloemen en historiserende cartouches en voegt heterogene lettertekens toe.

 

De Belgische affichekunst komt tot volle wasdom in het werk van gespecialiseerde ontwerpers. Emile Dupuis (1877-1956) leidde het lithografisch atelier van drukkerij Bénard in Luik. Hij kiest voor één dominerende figuur, zodat beeldeenheid ontstaat: een mooie vrouw brengt de publicitaire boodschap. Ze lijkt een menselijke – let op houding en kleding – incarnatie van de godin Fortuna. Klassieke attributen als het rad en het gelukklavertje-vier accorderen met de eigentijdse industrie, het thema van de tentoonstelling in Charleroi. Het cerebrale past: deze exposities en hun tombola’s mikken op een vermogend, intellectueel publiek. Sinds Brussel 1880 en Antwerpen 1885 slikte de overheid haar scepsis t.a.v. loterijen met geldprijzen stukje bij beetje in. Caritatieve verenigingen verlootten een huis, een wagen, huisraad … oorspronkelijk middels voordelige passepartoutaffiches. Gerenommeerde artiesten konden zij zich logischerwijs niet veroorloven.

 

 

KOLONIALE LOTERIJ: PROFESSIONELE PROMOTIECAMPAGNE

 

In 1934 werd de Koloniale Loterij opgericht tegen de achtergrond van een economische crisis en begrotingsperikelen in België en Belgisch-Congo. Men stampte een professionele promotiemachine uit de grond met drie speerpunten: radio, geschreven pers en aanplakbiljetten.

 

De tussenoorlogse maatschappelijke en artistieke ontwikkelingen hadden het afficheontwerp een ander aangezicht en aanzien gegeven. Beknopte teksten, in schreefloze tekens en blokregels, werden bepalende compositie-elementen, evenwaardig aan de vereenvoudigde afbeeldingen. Doelbewuste kleurstelling en ordening volgens ritmische beeldassen leverden een synthetisch en energetisch plaatje op, dat dankzij eindeloze herhalingen (op muren, post- en speelkaarten, bierviltjes, luciferdoosjes) in het visuele geheugen gestampt werd. Hubert Dupond (1902-1982), graficus en auteur van de vermaarde Wereldtentoonstelling Luik-affiche, mocht als eerste aan de slag. Een zak geld voor de loterijwinnaar hoeft niet onder te doen voor het geluk dat, door je deelname, de zwarte te beurt valt. Hij is het land. Spritztechniek, herhaling en uitvergroting, clair-obscur van oog en gelaat maken dit promotiebiljet exemplarisch voor de jaren dertig. Mooi is dat het tweevoudig geprojecteerde silhouet van het mensenhoofd de vorm van de kolonie en haar vlag suggereert.

 

Tegenvallende verkoopcijfers noopten de Nationale Loterij tot het intensifiëren van de publiciteitscampagnes. Een grafische reshuffle van Maroys picturale Mangbetuvrouw voor een hut sorteert een fors effect. De uitgekiende schikking van de tekstbalken aan de basis, de contrastrijke schaduwvlakken en het verticale lijnenraster versterken het tweedimensionale.

 

Die vlakke benadering typeert ook J. Binet. Zijn beeld is gediversifieerd, zijn toon didactisch: ideaal om de actieradius naar de modale burger uit te breiden. Abundantia verzekert ons succes en koppelt dat aan de welvaart van Belgisch-Congo. De tekenaar van Delko (Delplace & Koch) combineert de persoonlijke kans- of toevalsfactor met het hoger doel. Het klassenverschil tussen heerser en dienaar is voelbaar aanwezig. Toch voert hij, anders dan in sommige commerciële reclame, de zwarte op een humane wijze op. Jean Dratz (1903-1967) tapt uit een humoristisch-anekdotisch vaatje. Hij speelt niet de kans- of toevalsfactor uit maar typeert het geluk als een verworven goed. En: dat ligt in het bereik van iedereen.

 

Behalve volbloed-reclameprofessionelen als Francis Delamare (1895-1972) waren ook occasionele afficheontwerpers actief voor de Loterij. Congoschilder Henri Kerels’ (1896-1956) etnografisch portret van een Bangala dient zowel de propaganda als de volkseducatie. Toekomstig striptekenaar Willy Vandersteen (1913-1990) werkte in 1942 voor Winterhulp. Na de afschaffing van de Koloniale Loterij (1940) bracht deze organisatie, met Duits fiat, hulpverlening. Een afficheontwerpwedstrijd leverde in 1941 430 inzendingen op. Sint-Maarten die zijn mantel deelt met een gewonde of krijgsgevangen soldaat werd iconisch. Maar de beeldvorming kon ook traditioneel: het klavertjevier, de beambte met het loterijgeld … Bij de consumentgerichte Vandersteen laat Vrouwe Fortuna een jong koppel dromen van een eigen huis, bron van gezinsgeluk.

 

In 1945 pikte de Koloniale Loterij de klassieke iconografie weer op. Bij Hofman-Verschoore blijft Fortuna een zwarte geblinddoekte godin van het lot. Maar kleuren en typografie dragen de stempel van de jaren vijftig. Onder invloed van de abstracte kunst komt er een uitsnede, uitvergroot en aflopend. Aanstormend talent Jacques Richez (1918-1994) bant, wars van elke realistische platitude, de hiërarchische bladopbouw. Met curven en lijntjesrasters leidt hij de Expostijl in.

 

 

NIEUWE PRODUCTEN, INDRINGENDE SLOGANS

 

Bij het verlies van onze kolonie in 1960 komt er de Afrikaanse Loterij. Op de naam na wijzigen de affiches niet. Vanaf 1962 opereert de Nationale Loterij. Een publiciteitsdienst stroomlijnt de campagnes. Door de hoge frequentie van trekkingen ontstaan affiches en verwante biljetten aan een sneltreinvaart. Hoewel de repetitieve agenda een tijdige planning toelaat, weegt dat helse tempo op de creativiteit. Sommige grafici deden jarenlang hun ding zonder zware adelbrieven te hoeven voorleggen. In de vereenvoudigde lijntekeningen en vrolijke kleuren van die tijd ontstaan eindeloze variaties op thema’s als geluk en toeval. Ook de Sint, de Kerstman, de paasklokken en de jager maken elk jaar hun opwachting. Beeldopbouw of typografie rammelen wel eens. Als enige weet Willy Bosschem (1930) die vaste onderwerpen in spitante uitbeeldingen en composities te vertalen. Het handelsmerk van deze periode werd de visuele humor.

 

Julian Key (1930-1999) was de absolute meester hierin. Belgiës belangrijkste naoorlogse afficheontwerper zet de nieuwe ‘Lotto’ op de kaart. De jonge Pjotr (Piet De Rycker, 1957) maakt in zijn dynamische atoomstijl ‘Presto’ cool. Met het brede gamma aan loterijproducten dient zich ook een rist creative en art directors en copywriters aan. Hun – doorgaans fotografische – affiches sluiten aan op videoclips. Bureaus Lowe Troost en TBWA halen aan het eind van de jaren tachtig en in de vroege jaren negentig Silver Awards van de Creative Club of Belgium binnen. De gespreide slagorde doet de aandacht versnipperen. Maar wat de Nationale Loterij inboet aan eenheidsstijl winnen haar afzonderlijke spelen aan impact: door de alomtegenwoordigheid in de media en met dank aan hun indringende slogans en duurzame concepten die inspelen op onze onbewuste verlangens. Want al schept reclame een illusie, dan verwelkomen we die wat graag in ruil voor een krasbiljet of lottoformulier. Als geen ander laten ze ons toe onze hoogstpersoonlijke dromen te realiseren … als het lot even meezit natuurlijk!

 

Karl Scheerlinck

 


 

PRAKTISCH


Tentoonstellingen in 2004 en 2009

De bedrijven die hun kunstcollectie kunnen onderbrengen in voor het publiek toegankelijke ruimten, in een museale omgeving, zijn op een hand te tellen. De collectie wordt gebruikt om de burelen, de werksfeer, te verfraaien.

 

Soms bestaan er publicaties over. Er wordt uitgeleend voor tentoonstellingen. Maar de ultieme droom is een presentatie van de collectie voor het grote publiek. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De musea hebben immers al veel problemen om hun eigen verzameling op een verantwoorde manier te tonen.

 

Er zijn gelukkig nog Kunsthallen, Paleizen voor Schone Kunsten, Bozar, die geen eigen collectie hebben. Zo kon de Nationale Loterij, ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van het bedrijf, in 2004, de collectie tonen in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (BOZAR). Bij die gelegenheid kreeg koning Albert II de primeur om, in gezelschap van conservator Annemie Buffels, dit onbekend en nochtans zo interessant deel van ons kunstpatrimonium, te ontdekken.

 

In 2009 was het museum voor Schone Kunsten te Brussel de gastheer van het 75ste jubileum van de Nationale Loterij. De tentoonstelling De kunst van het Spel kon 80.000 bezoekers boeien.

 

Tentoonstelling in 2014

Van 17 oktober tot 31 december 2014 loopt er in de Seedfactory in Brussel een tentoonstelling.

 

Samen met affiches uit de collectie van de Nationale Loterij benaderen een aantal cartoonisten het loterijgebeuren vanuit een humoristische invalshoek. In de toekomst zal de Nationale Loterij meer samenwerkingsverbanden aangaan met door haar gesubsidieerde musea en kunnen geïnteresseerden vlot de weg vinden naar dit prachtig erfgoed.

 

Seedfactory – Huis van het Beeld

Vrijwilligerslaan 19

1160 Oudergem

www.seedfactory.be

gratis toegankelijk en er vallen mooie prijzen te winnen


Nog meer weten

Wil je nog meer weten over dit prachtige patrimonium? Bezoek dan de website www.loterijmuseum.be of raadpleeg de rijkelijk geïllustreerde catalogus De kunst van het spel, uitgegeven door het Mercatorfonds naar aanleiding van de 75ste verjaardag van de Nationale Loterij in 2009. De catalogus kan je bestellen via de website.


Even stilstaan bij de maatschappelijke rol van de Nationale Loterij.

De Nationale Loterij is veel meer dan een instelling die aantrekkelijke spelen aanbiedt. Elk jaar besteedt de Nationale Loterij een groot deel van haar winst, zijnde meer dan 200 miljoen euro, aan het subsidiëren van tal van projecten binnen diverse domeinen: humanitaire, sociale, sportieve, culturele en wetenschappelijke projecten. Al die subsidies samen maken van de Nationale Loterij zonder de minste twijfel “de Grootste Mecenas van België”, een prestigieuze titel waar de onderneming uiterst fier op is!

Een prestigieuze titel die ze deelt met al haar spelers, want “alles is mogelijk” vooral dankzij hen !


Auteurs

 

Joost De Geest studeerde aan de RUG en de VUB. Zijn proefschrift had als thema de fantastische literatuur en kunst. Hij werkte aan de Université de Lille III en in de communicatie van het Gemeentekrediet/Dexia, onder meer als conservator van de kunstverzameling.

Hij had de directie van de reeksen Musea Nostra en Monografiën over moderne kunst. Joost De Geest publiceerde onder andere over het Brabants fauvisme, de kunst aan het front 1914-1918, H.V. Wolvens, Gustave Van de Woestyne, Emile Veranneman, Wilchar, Jozef De Coene, Emile Salkin, Armand Rassenfosse, Willy Peeters, Jozef Van Ruysseveldt, Bruno Vekemans en Roel D’Haese en hij is de samensteller van Het Belgisch kunstboek (Lannoo en Standaard). Joost De Geest was kunstcriticus bij De Standaard, nu bij Het Laatste Nieuws en Netto. Hij is de auteur van de OKV-themanummers Aquarelkunst na 1800 (2008, nr. 4), Regionale schilderscholen (2009, nr. 6) en Kunst in de Belgische ambassades (2013, nr. 3).

 

Auteur van het hoofdstuk over de affiches in de collectie van de Nationale Loterij is kunsthistoricus Karl Scheerlinck. Hij was deeltijds lector aan de K.U.Leuven en is leraar en archivaris in het Sint-Lievenscollege Antwerpen. Als specialist van de Belgische affichekunst tekende hij voor een twintigtal boeken en evenveel retrospectieven en gaf hij lezingen in binnen- en buitenland. Ook voor Absolut Vodka, EURELECTRIC en Inbev werkte hij inventarisatie- en tentoonstellingsprojecten uit. Daarnaast publiceerde hij over de Antwerpse architectuur van het interbellum. Hij schreef de bijdrage over de affiches en de visuele communicatie van de Red Star Line in het OKV-themanummer Red Star Line Museum (OKV 2013.5)


 

Achilles, Ajax, Anthonis Willem, aquarel en gouache op papier; keramiek, Bapts & Falize, beschilderd en geglazuurd; gouache, Binet J., Boitard François, Borremans Michaël, Bosschem Willy, Brueghel de Oude Jan, Caille Arthur, Christus, Clarysse Johan, Claus Hugo, Combas Robert, Commarieux Raymond, Corneille, De Braekeleer Ferdinand, De Coster Charles, De Kat Anne, De Saint Phalle Niki, de Vaucleroy Pierre, Delamare Francis, Delko, Delmarcel Guy, Dratz Jean, Du Barry Daphné, Dupond Henri, Dupuis Emile, Ensor James, ets, Floris Cornelis, Fortuna, Gaillard Franz, gehoogd met gouache; speelautomaat, gewassen; acryl op doek, heliogravure, Hitchcock, Hogarth William, ingekleurde ets; geprofileerd ebbenhout; inlegwerk van palissanderhout, Isis, Isis-Fortuna, ivoor en been; inkt en potlood op papier, Joost De Geest, Jost Jean Anatole, Karl Scheerlinck, Kas Achille, keramiek, Kerels Henri, Key Julian, Khnopff Ferdinand, Kleurenlithografie, kopergravure, Krafft Jan Lodewyck, Kunsthistorisches Museum Wenen, Le Bas Jacques Philippe, Leopold II, Leopold-Willem aartshertog, lithografie, Maroy, Matisse Henri, Minguet G., Moerae, Moreau-Vauthier Augustin, mozaïek, Musée Suisse du Jeu, Museum van Grenoble, Nele, olie op koper, olie op paneel, Paleis voor Schone Kunsten Brussel, Pallas Athena, parelmoer, pentekening in Oost-Indische inkt, Pjotr (Piet De Rycker), Poortman Maurice, Prado Madrid, prentkaart, Rassenfosse Armand, Richez Jacques, Rops Félicien, Rowlandson Thomas, Rubens Peter Paul, Samuel Charles, smaragden en een peervormige diamant van 2 karaat; brons met donkerbruine patina; potlood, Teniers I David, Teniers II David, The Courtauld Gallery, thema, toermalijn, Tyche-Fortuna, Uilenspiegel Tijl, van der Stappen Charles, van Portugal Amelia, Van Winghe Joos, Vandersteen Willy, venstersticker, verguld brons; polychroom geëmailleerd goud, vernis mou en aquatint, Verplancke J., Verschoore Hofman, wandtapijt met wol en zijde, Watling, Werniers Willem, Wolfers Philippe, Wouters Rik, Zeus, middeleeuwen, beeldhouwkunst, brons, grafiek, renaissance, barok, olieverf op doek, rococo, schilderkunst, classicisme, tekenkunst, toegepaste kunst, abstract, hedendaags, Alechinsky Pierre, OKV2015.1, Brouwer Adriaan, Buisseret Louis, Rockoxhuis, OKV2015.1.8