U bent hier

Edgard Tytgat - De verovering van Troje

Edgard Tytgat - De verovering van Troje
Edgard Tytgat (1879-1957), De verovering van Troje, Olieverf op doek - 97 x 130 cm - getekend en gedateerd: Edgard Tytgat 1950, Eigen kunstbezit van de Provincie West-Vlaanderen.
 
Het schilderij van Edgard Tytgat dat wij behandelen, en dat tijdelijk tentoongesteld is in het Groeninge-museum te Brugge, telt drie taferelen binnen één decor van strand en zee. Op de voorgrond worden jonge vrouwen van alles beroofd, op vreemde wijze met linten gekneveld en neergelegd in een open bootje. Een geharnast ruiter geeft bevelen. Dieper in zee worden de gevangenen aan boord gehesen van een schip met gereefde zeilen, om te worden overgebracht naar een hoge rots van waarop zij in het water worden gestort. Vóór het eiland van de terechtstelling is een eenzame figuur in de golven begonnen met de bevrijding van het eerste slachtoffer.
 
Tytgat heeft dit werk geschilderd in 1950. Hij gaf het als titel 'De verovering van Troje'.
 
De tragische lotgevallen van die stad zijn ons uit tal van bronnen bekend. De Grieken ondernamen daarheen een strafexpeditie om de door Paris geschaakte Helena terug te halen. De strijd zou tien jaar hebben geduurd. Troje viel in handen van de belegeraars dank zij de list met het houten paard. Het garnizoen werd uitgeroeid. De overwinnaars voerden de vrouwen en de kostbaarheden mee als oorlogsbuit.
 
Het schilderij van Tytgat is natuurlijk een werkstuk van de verbeelding, niet van geschiedschrijving. Het bizar offerritueel dat hij in geuren en kleuren verhaalt, is haast even duister als het kluwen van de Griekse sagenwereld dat hem inspireert. In de 'Hecabe' van Euripides eist de schim van de gesneuvelde Achilleus de mooie Polyxene, dochter van koning Priamos, op als mensenoffer. Pas daarna zal de oostenwind de Griekse zeilen huiswaarts blazen.
 
In 'De Trojaanse vrouwen' laat dezelfde dramaturg de vrouwen en meisjes uit de gevallen stad wegslepen als weerloze buit. Ook Homeros en Vergilius komen geen woorden te kort om de euveldaden na de zege te beschrijven. Uit het verhaal dat de leugenachtige Calchas ten beste geeft in het tweede boek van de 'Aeneis' kennen wij overigens het gebruik dat menselijke offeranden met linten werden getooid.
 
Het lijkt in dit geval evenwel niet nodig de invasie van Klein-Azië door de Achaiers, de economische en andere beweegredenen van hun krijgstocht of de elleboogstoom der goden tekstueel te doorgronden.
 
Het schilderij dààrom met gefronste wenkbrauwen benaderen zou op het gezicht van de artiest voorzeker een monkel van binnenpret hebben gelegd.
 
De waarheid is dat Tytgat zelf, in zijn verbeelding en van daaruit schilderend, de verovering van Troje op zijn manier heeft meegemaakt. Wat er na de geslaagde list met het verraderlijk wijgeschenk binnen en rond de burchtstad gebeurt aan plundering, brand en mensenroof behoort tot de periodieke crisissen van het mensdom. Wat de schilder zich voorstelt van het gedrag van de winnaar is bepaald niet stichtend. Maar ergens treedt een rem in werking die de voorstelling net op tijd onttrekt aan een provocerende reportagestijl en de toeschouwer ingeeft haar niet 'au sérieux' te nemen. Wat Tytgat over zijn Trojaanse belevenissen weet vertelt hij met de vindingrijkheid van de liedjeszanger vroeger op de kermis. Hij dist een naïeve tweedehandsfabel op waarin hij de dodelijke ernst van het klassiek model met lichte kleuren wegwuift.
 
Hij verenigt zijn legendarische feiten, in tijd of ruimte gescheiden, op één doek om een samenvattend beeld te suggereren, maar met binnen deze eenheid detailtaferelen die op zichzelf bestaan. Ook op sommige schilderijen van oude Vlaamse meesters of op de volksprenten van Epinal, waarmee Tytgats beeldverhalen zo dikwijls verwant zijn, werd de stof aldus simultaan en overzichtelijk geordend.
 
'De verovering van Troje' behoort tot de laatste groep werken die Edgard Tytgat geschilderd heeft. In hetzelfde jaar ontstond nog een tweede versie, in gewassen tekening, waarop de personages op het voorplan meer verspreid staan. Dat werk, thans in een particuliere verzameling te Brussel, is ongeveer de helft kleiner dan ons olieverfschilderij, en het geldt als een van Tytgats rijkste composities. Beide werken zijn op hun beurt verwant met een ander lavis, eveneens uit 1950, waarop de inscheping van Iphigeneia naar het offereiland is uitgebeeld. Ook Iphigeneia, dochter van koning Agamemnoon, werd tot zoenoffer bestemd om de windstilte te breken ten gunste van de Griekse vloot. Godin Artemis redde evenwel de prinses met haar gebruikelijk vernuft.
 
De verwantschap in deze composities begeleidt een zekere vervaging van de thema's. Het wordt dan nog duidelijker dat het belang van de titels welke Tytgat aan zijn werk placht te geven, stellig voor de reeks waartoe ook 'De verovering van Troje' behoort, erg betrekkelijk is. De zeer verschillende onderwerpen uit deze groep werden door Albert Dasnoy in zijn 'Beschrijvende catalogus' van 1965 raak gesitueerd : 'Alle draaien ze rondom éénzelfde thema : voor een of ander misdrijf of door de wreedheid van het lot worden mooie en begerenswaardige jonge vrouwen veroordeeld tot allerlei folteringen of tot de dood. Tytgat - schrijft Dasnoy verder, - heeft de rij van die bekoorlijke slachtoffers tot in het oneindige vermenigvuldigd. Elk dezer composities, die hij met de zonderlingste titels heeft opgefraaid, is het voorwerp geweest van een aantal schetsen, ontwerpen, tekeningen, kleurschetsen en allerhande studies, die getuigen voor de zorg welke hij aan die werken besteedde en bovendien van het genoegen waarmee hij zich onderdompelde in die betoverende evocaties'.
 
'De verovering van Troje' maakt aldus deel uit van het openhartig en soms schokkend sluitstuk van Tytgats kunstenaarschap. Zijn fantasie zweeft voortdurend rond steeds dezelfde erotische motieven. Bij een minder groot artiest zou die bezigheid geleid hebben tot allerlei wansmakelijkheden. Hier echter zorgt de zeventigjarige nog voor een frisse picturale oplossing. Zijn vakbekwaamheid en de medewerking van zijn voortreffelijke lavis-techniek zijn daaraan niet vreemd. Het doek leeft van de wazig tere tinten uit het vroeger œuvre en zijn bouwtrant is stevig en homogeen.
 
Samen met zijn vakkennis herkennen wij ook Tytgats wijze naïeviteit. Zij is altijd een van de waarborgen geweest voor de waarachtigheid van zijn kunst. Zijn 'Verovering van Troje' heeft andermaal iets van een poppenkast. De helden en heldinnen die de plechtige doeken uit de Barok bevolken, worden door de Brusselse spuiter gnuivend geminimaliseerd. De dreun van het klassieke vers wordt overstemd door een luchtige trekharmonika. Dat is de oude Tytgat op zijn best: subtiel, leuk, en toch kinderlijk, gelijk Pieter Breughel, James Ensor en Tijl Uilenspiegel het om beurten zijn geweest.
 
Een ontwapenende onbevangenheid heeft het werk van Edgard Tytgat gekenmerkt. Daarom blijft hij in onze hedendaagse schilderkunst een eigenaardige en heel aparte figuur. Uit de stromingen van het ogenblik wist hij voordeel te halen, maar het duurde niet lang of hij kon ze aanpassen aan zijn eigen natuur.
 
Maurice Roelants getuigde van hem dat zijn persoonlijkheid beslissend was voor het milieu waarin hij zich bewoog en niet andersom. 'Een uitmuntend dichterlijk vermogen tot verfabelen, en een schalks en bijzonder verrassend goed humeur' waren hem aangeboren. Zijn vriendschap met Rik Wouters vóór de eerste wereldoorlog en later een jarenlang huiselijk geluk te Sint-Lambrechts-Woluwe aan de zijde van een vrouw die uit zijn œuvre niet weg te denken is, hebben die natuurlijke aanleg verder gecultiveerd en in bloei gehouden.
 
Toen hij in 1914 naar Engeland vluchtte bestond voorzeker het gevaar dat de omstandigheden mogelijk voorgoed de domper zouden hebben gezet op de snaakse vlam in zijn werk, maar Tytgat schilderde zijn zorgen weg. Na de wapenstilstand werkte hij een tijdlang te Nijvel in een fabriek van behangpapier. Het vak heeft hem nergens artistiek kunnen vervalsen of afleiden. Integendeel bleken zelfs de onbenullige bloemetjes en lovertjes en de lichte pasteltinten als van nature tot zijn persoonlijke woordenschat te behoren. Dikwijls duiken zij terug op in zijn schilderkunst als licht lachwekkend kader voor de figuranten die zo uit volksprenten en mannekensbladen schijnen weggewandeld.
 
Tytgat werd na de oorlog lid van 'Kunst van Heden' te Antwerpen, van de 'Groep der IX', van 'Centaure' en van 'Sélection'. Zo bekleedt hij zijn plaats in de expressionistische beweging in ons land. Maar zodra men hem wil vergelijken met Constant Permeke, Gust De Smet of Frits Van den Berghe, ervaart men dat de gemene noemer wezenlijke verschillen dekt. Misschien is in 'De verovering van Troje' nog iets merkbaar van de expressionistische schrijfwijze, namelijk in de behandeling van de gelaatstrekken en in de vrij strakke figuratie. Maar de schaal van de voorstelling is derwijze geminiaturiseerd en de psychologie van het schilderij zo doortrokken van Tytgats zinnige vertellust, dat dit werk uit 1950 veeleer thuishoort in de randgebieden van het surrealisme.
 
Men kan dan ook de persoonlijkheid van deze artiest niet vastkluisteren aan een bepaalde kunstbeweging of groep. Telkens weer ontglipt zijn speelse geest aan de geldende wetten. Naast de soms zwaarmoedige tijdgenoten schijnt hij er zich glimlachend voor te verontschuldigen dat hij eigenlijk zonder voorganger bleef en zonder volgeling. Eenzaam maar gelukkig liet hij zich, tot aan zijn dood op 11 januari 1957, helemaal in beslag nemen door een œuvre van meer dan vijfhonderd schilderijen, haast evenveel aquarellen en gewassen tekeningen, een niet te tellen aantal schetsen en studies, en bij de dertig verhalen of verzamelde illustraties. Alle zijn zij de kinderen van zijn dartele verbeelding, van zijn oorspronkelijkheid en van zijn bij beurten naïeve en oubollige verrukking over de soms heel vreemde dingen die zijn dagen hebben gevuld.
 
 
G. Gyselen. 
 

 


Keuze uit te raadplegen boeken:

  • Catalogus, Eigen kunstbezit van de Provincie West-Vlaanderen (no 24), Provinciebestuur, Brugge, 1963
  •  Albert Dasnoy, Edgart Tytgat. Beschrijvende catalogus van zijn geschilderd oeuvre m.m.v. Glsèle Ollinger-Zinque, Brussel, 1965, (Meesters van de hedendaagse schilderkunst In België , deel I)
  • Maurice Roelants, Edgard Tytgat, Monografieën over Belgische Kunst, Ministerie van Openbaar Onderwijs, Brussel, 1948
  • Françoise de Saligny, Rik Wouters par lui-même et par ses amis, Bulletin der Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, XIIIe jrg. blz. 57 en volg., Brussel, 1964.