U bent hier

Expo 58 - De wereld bouwt een nieuwe toekomst

Tweede officiële affiche van Expo 58 door Jacques Richez

 

Inleiding

 

 

Vijftig jaar geleden vond op de Heizel in Brussel Expo 58 plaats. Het was de eerste universele wereldtentoonstelling na de Tweede Wereldoorlog. Op een terrein van  ruim tweehonderd hectaren verrezen meer dan 150 paviljoenen, een attractiepark en zelfs een heus 'dorp' met de naam Vrolijk België. Meer dan 41,5 miljoen mensen bezochten de expo, waaronder 80%  van alle Belgen.

 

De organisatoren kozen als centraal thema Balans van de wereld voor een humane wereld, wat vooral vertrouwen en hoop in de toekomst moest uitstralen. Expo 58 zou de verwerkelijking zijn van  een modern humanisme, dat mens en techniek met elkaar zou verzoenen. Het geloof in de betere toekomst leek te worden ondersteund door een sterk groeiende materiële welvaart, massaconsumptie en stabiliteit binnen de West-Europese eenmaking.

 

Expo 58 werd in de daaropvolgende decennia een begrip in het Belgische collectieve geheugen. Geleidelijk vormde zich een mentaal referentiekader, waardoor Expo 58 vandaag het symbool is  geworden van een cruciaal breukmoment voor allerlei (materiële en mentale) processen van modernisering. Zo heeft Expo 58 naast haar feitelijke impact ook haar eigen mythes, gekoppeld aan sterke nostalgie naar het tijdperk van de fifties en de golden sixties.

 

Het actuele belang van Expo 58 als icoon en symbool wordt geïllustreerd door de vele initiatieven in  het jubileumjaar 2008. De stad Mechelen organiseert onder de noemer Anno Expo een groots en  veelzijdig project. Het Cultuurcentrum presenteert een speelse tentoonstelling rond fifties-stijliconen. De Mechelse afdeling Erfgoedontwikkeling bouwt samen met de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit Gent twee parallelle tentoonstellingsluiken in het Congres- en Erfgoedcentrum Lamot, die de architectuur van Expo 58 koppelen aan een Mechels stedenbouwkundig verhaal. Dit verhaal is representatief voor de  cruciale stedenbouwkundige en  maatschappelijke veranderingen in België tijdens deze periode. De tentoonstelling is doorspekt met  de resultaten van het Back to the Future-project dat via interviews peilde naar de beleving van  expo-bezoekers. Het gerenommeerde bureau Workspace Unlimited tekent voor een unieke virtuele uitwerking van deze beleving.

 

Dit themanummer is een goede weergave van de diverse initiatieven van Anno Expo, met  een  bijzondere focus op de architectuur van Expo 58, op de stedenbouwkundige en maatschappelijke modernisering van Mechelen en op de weer opflakkerende fifties -nostalgie.

 


Inhoud

 

  • België in de optimistische jaren 1950
  • Getuigenissen: Expo 58 met de glimlach
  • Getuigenissen: Mechelaars en Expo
  • Mechelen tijdens de fifties
  • Getuigenissen: Kinderen op Expo 58
  • Expo 58 bouwen, de wereld als moderne architectuur
  • Getuigenissen:  Alle dagen feest
  • Happy Days: de revivals van de fifties
  • Praktisch

 

België in de optimistische jaren 1950

Een vliegende nieuwe start

 

 

Het  jaar 1947 is het  jaar van het 'Belgisch Mirakel': door de relatief beperkte oorlogsschade aan de  industrie is de productie na amper twee jaar terug op het peil van 1938 gebracht. Niettemin zijn  er  de vernielingen van de oorlog en dringen grootschalige huisvestings- en infrastructuurprojecten zich  op. Met goede moed en vol geloof in een nieuwe stralende toekomst gaat ons land aan het werk. Ondanks het economische succes laten de omvangrijke moderniseringswerken op zich wachten tot het midden van de jaren vijftig. 1947 is ook het jaar dat beslist wordt om de eerste naoorlogse wereldtentoonstelling in België te organiseren. Maar ook deze droom komt pas na twaalf jaar uit.

 

In 1947 komt Europa in de greep van de Koude Oorlog, een ideologische en militaire strijd tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie. De Verenigde Staten streven ernaar, onder andere met de Marshall-hulp, om de USSR te isoleren in Europa. Het Europese continent raakt verdeeld in een  Westerse en een Oosterse invloedsfeer aan weerszijden van het IJzeren Gordijn. De Westerse regeringen weren angstvallig de communisten uit hun rangen, zoals het Oostblok niet-communisten uitsluit uit de regeringen van de volksrepublieken en van de Sovjetunie. De angst voor het rode bolsjewistische gevaar en de dreiging van een atoomoorlog blijven tot de val van de Berlijnse Muur in  1989 permanent sluimeren onder de glanzende welvaart van  de Westerling.

 

 

 

DE ONTPLOOIING VAN DE WELVAARTMAATSCHAPPIJ

 

Omstreeks 1953 komt onze economie goed op dreef en het  verlangen naar een blije toekomst neemt overhand toe. De productie stijgt in aanzienlijke mate en de consumptie houdt gelijke tred.  Niet enkel de lonen zitten in de lift, ook het sociale klimaat voor bediende en arbeider verbetert. De  invoering en de uitbreiding van uitkeringen bij ziekte, ouderdom en werkloosheid zijn essentiële stappen in de ontwikkeling van een moderne welzijnsstaat.

 

Een vrijwel kosteloos lager en middelbaar onderwijs en een betere doorstroom naar het hoger onderwijs bevorderen de sociale promotie. Jongeren kunnen door een betere toegang tot het  onderwijs en door een langere studietijd opklimmen naar een hogere sociale klasse.

 

De verbetering van de levenskwaliteit komt nu ook de gewone man ten goede. Economische welvaart en sociaal welzijn gaan voortaan hand in hand in het moderne België, dat zich onderscheidt als een van de meest welstellende landen in Europa. De lonen vervijfvoudigen in de loop van de periode 1951-1975. Door een langzamere stijging van de prijzen (x2,2 in deze periode) weet de Belg  zich verzekerd van een sterke koopkracht. En hij aarzelt dan ook niet om zijn welvaartsdroom waar te maken.

 

De auto wordt in ons land al snel het statussymbool bij uitstek. In 1947 rijden er ongeveer 125.000  wagens in België, drie jaar later is dit aantal al verdubbeld. Omstreeks 1955 telt men een half  miljoen auto's en nog eens vijf jaar verder is de kaap van 1 miljoen in zicht. Met de aankoop van een wagen is het nu ook mogelijk diverse reisjes te maken. Een uitstap of een langere vakantie aan de kust is niet langer een verre droom, mede dankzij de nieuwe vijfdagen werkweek en de twaalf dagen betaald verlof.  In 1950 kunnen de hoteliers zich hier verheugen op 2, 5 miljoen overnachtingen. In  1960 is dit aanzienlijke getal  haast verviervoudigd.

 

 

 

HET INTERIEUR NAAR AMERIKAANS MODEL

 

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam het modernistische avontuur in de  architectuur aan een abrupt einde.  Het ideaal van een eigentijdse en comfortabele woning voor brede lagen van de bevolking bleef grotendeels een papieren droom op de tekentafel van de avant-gardistische architect. De vormgeving van exterieur en interieur was te strak voor de modale burger die verlangde naar een gezellig huisje.

 

Bij de wederopbouw na 1945 wordt de vraag naar een moderne betaalbare woning of appartement opnieuw acuut. De overheid stimuleert een nieuwe architectuur die op een duurzame en betaalbare wijze een antwoord biedt op de kritieke woningnood. Vooruitstrevende architecten pikken de draad van het modernisme uit het interbellum terug op. Zij beseffen echter dat het idee van de woning als een functionele woonmachine moet bijgesteld worden. De architect introduceert het optimisme van  de wederopbouw in de vormgeving van de leefomgeving. Sterke  kleuren, vrolijke patronen,  speelse motieven geven kleur en smaak aan een elegant gestroomlijnd interieur.

 

Onder stimulans van de overheid wordt het 'nieuwe wonen' gepropageerd in modelwoningen en  -appartementen naar ontwerp van een nieuwe generatie architecten. Deze architecten tekenen ook voor de  inrichting van de  'voorbeeldige' interieurs. Het zogenaamde 'moderne sociale meubel' oogt sober en elegant tegelijk, het is duurzaam en onderhoudsvriendelijk, en is bovenal goedkoop door een  verhoopte serieproductie. Toch gaapt ook hier een kloof tussen droom en werkelijkheid. De meubels mogen dan wel minder streng zijn dan hun modernistische voorlopers, de modale Belg volgt slechts schoorvoetend. Hij blijft eerder verknocht aan meubels in kopie-antiek of aan het robuuste meubilair uit de jaren 1940. Omstreeks 1960 vindt het moderne meubel naar Scandinavische inspiratie ingang bij bredere lagen van de bevolking. De gewone burger stelt zich ook vaak tevreden met de Belgische imitaties van het originele Deense meubel dat aanzienlijk duurder blijft.

 

 

EEN KEUKENPRINSES WERKT EFFICIËNT

 

In de moderne woning of appartement gaat veel aandacht naar een goed uitgeruste keuken. Jonge trouwers schaffen zich steeds vaker elektrische huishoudapparaten aan. Fraai gestileerde staafmixers, broodroosters en blenders duiken in de nieuwe keuken op.

 

Een eigentijdse keuken dient hygiënisch, ordelijk en praktisch te zijn. In een efficiënt georganiseerde kookruimte kan de vrouw tijd en werk besparen, en zodoende ook geld. De moderne, duurzame en  gezellige keuken bestaat uit  een aaneenschakeling van uniforme, staande en hangende wandkasten en één of meerdere werkbladen. Het gasfornuis wordt op gelijke hoogte als het werkblad geplaatst, terwijl de koelkast als een afzonderlijk meubel aan het gesloten geheel wordt toegevoegd. Met één vlot handgebaar en enkele stappen kan de moderne keukenprinses meteen aan kookgerei en  etenswaren. Talloze advertenties voor de moderne inbouwkeuken presenteren de huisvrouw als een  elegant geklede dame die moeiteloos door haar keuken zweeft en het eten in één moeite op tafel tovert. Gesloten kastdeuren onttrekken de bonte mengeling van keukenspullen en verpakkingen aan het oog. Om de efficiënte keuken niet al te rigide laten lijken, kan de modieuze vrouw kiezen uit  enkele kleuren om de houten kasten te lakken. Een stemmig gordijntje aan het venster brengt een vrolijke noot in het sobere geheel.

 

De gegoede burger koopt een  American Kitchen (1953) naar ontwerp van de befaamde industrial designer Raymond Loewy (1893-1986). Als geen ander slaagt de topontwerper erin om  functionaliteit en rationaliteit op een gestroomlijnde wijze om  te zetten in een betaalbaar massaproduct. De minder welstellende Belg kan ook terecht bij de vele Belgische meubelbedrijven die de productie van de moderne keuken maar al te graag toevoegen aan hun ruime aanbod.

 

 

DE NEW LOOK VAN CHRISTIAN DIOR

 

Een tweetal jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog is textiel niet meer zo schaars en kostbaar. De sobere en soms militair geïnspireerde mode komt ten einde. In Parijs herleeft de haute couture die meteen het  sensuele silhouet voor de moderne, elegante vrouw tekent. Stof kan opnieuw in ruimere hoeveelheden worden aangewend in jurken en mantels. De debuterende couturier Christian Dior creëert in 1947 de zeer vrouwelijke Ligne Corolle (bloemenkroon-lijn), waarin hij royaal met fraaie stoffen aan de slag  gaat. De rok deint vanaf de heupen uit als een  bloemenkroon die haar maximaal effect bereikt door deze te verlengen. De lengte van de rok  varieert van net onder de knie tot bijna aan de enkel.  Door brede plissés in de rok krijgen de heupen van de vrouw meer volume, in contrast met het de ingesnoerde taille en nauw aansluitende bovenstuk. Dit uitdeinen, insnoeren en aflijnen zorgt voor een silhouet waarin de contouren van het vrouwelijke lichaam extra geaccentueerd worden: volle heupen, smalle taille, een fraaie boezem en afgeronde schouders. Een  fijne  naaldhakschoen voltooit dit uitgelengde model op passende wijze. Aanvankelijk reageert de Franse pers niet enthousiast op de gedurfde creaties van nieuwkomer Dior. De Amerikaanse modepers, die meer open staat voor sensualiteit, verwelkomt de haute couture van Dior wel en kent ze de naam New Look  toe.

 

Het ideaalbeeld van de sierlijke en discreet sensuele vrouw kan slechts afdoende gerealiseerd worden door corrigerend ondergoed. Met behulp van het nieuwe materiaal nylon is het mogelijk lingerie te maken die het vrouwelijk lichaam modelleert op maat van de New  Look.  Het meest opvallend zijn de voorgevormde puntbeha's met  beugel die boven de ingesnoerde taille  een uitdagende boezem stileren. De boezem die tijdens de Tweede Wereldoorlog nog één rond geheel was, bestaat nu opnieuw uit twee uitdagende borsten. Het bovenlichaam wordt in toom gehouden door een strak aangespannen korset waarbij de veters van weleer zijn vervangen door een  gemakkelijke ritssluiting. Bij een jurk zonder schouderbandjes hoort natuurlijk een strapless beha en  corselet. De breed uitstaande rok wordt ondersteund door een petticoat als onderjurk. Op de heupen draagt de geraffineerde vrouw een taillegordel of een gaine met jarretelles. Bij al die  herwonnen vrouwelijkheid moet de  kledij echter sterk inboeten aan comfort. Het betekent een  flinke stap terug in de modegeschiedenis, naar een tijd waarin het korset en de wespentaille vrouwen ernstig belemmerden in hun bewegingen.

 

 

 

DE OPKOMST VAN DE CONFECTIE

 

Op korte tijd doen zich diverse belangrijke veranderingen voor in  het modebeeld.  Een van de belangrijkste omwentelingen in de geschiedenis van de mode is de stap naar de massaproductie. Waarop diverse andere domeinen van de economie de grootschalige productie reeds  in de  negentiende eeuw  was  opgestart, werd dit in de luxesector koppig geweerd. Tijdens het  interbellum kwam een eerste kentering. Enkele modehuizen maakten immers ontwerpen voor de industrie. Omstreeks 1950 zetten enkele Parijse modehuizen een tweede lijn op naast de haute couture. Door deze keuze voor een grotere omzet en winstmarge luidt de couture meteen haar eigen ondergang in. De zogenaamde pret-à-porter of confectiemode stuit aanvankelijk op veel weerstand, zowel bij de producent als bij de gebruiker. Toch sluit de  ontwikkeling naadloos aan bij de algemene democratisering van de welvaart. De sierlijke New  Look  is niet langer voorbehouden voor de rijke bovenklasse, maar weet in goedkopere versie ook de  gewone vrouw te bekoren. Voor de gegoede burgerij die een mode wenst aangepast aan haar status, wordt de luxeconfectie gefabriceerd. Modebladen trachten de welstellende burgervr

ouw  van  de  degelijkheid van dit product te overtuigen. Zo meldt het Vlaamse damesweekblad De Haardvriend (21 december 1952):  "Nog geen paar jaar geleden haalden elegante vrouwen hun neus op voor confectie. Dat is nu veranderd. De  luxeconfectie heeft schitterende modellen aan te bieden, die een onberispelijke coupe bezitten. Zij  is van prachtige stoffen vervaardigd en volgt van zeer dichtbij de richtlijnen van de Haute Couture".

 

 

HET DAGELIJKSE LEVEN VAN DE KLEINE BURGER

 

Ondertussen gaat het gewone leven zijn gang. De man in de straat is vaak niet op de hoogte van de finesses van de New Look of van het belang  van het modern sociaal meubel. Jan-met-de-pet met  zijn beperkte inkomen tracht ook te genieten van de stijgende welvaart. Het huiselijke comfort schuilt vaak in kleine zaken. Uit alle nieuwe elektronische keukenapparaten kiest hij vaak de koffiemolen als eerste aankoop. De stofzuiger volgt al snel, maar voor de aanschaf van een nieuwe wagen is het wachten tot de late jaren 1950. De kleine bediende kiest voor een klein en betaalbaar wagentje zoals een Fiat 500 of een Volkswagen Kever. Aan de feesttafel laat hij zich graag verrassen door een koude schotel met inmaakgroenten van Marie Thumas, een bijzondere lekkernij die in de warme zomermaanden wel smaakt. In het weekend gaan vele mensen naar de bioscoop, waarvan er in een  doorsnee stad steeds enkele  te vinden zijn. Na het  filmjournaal en een komische kortfilm van Laurel and Hardy kijkt men naar een stoere Amerikaanse western, een Duitse operettefilm of een  Franse komedie. Het duurt niet zelden een tweetal jaren voor een Amerikaanse film de oceaan oversteekt. Het café is nog  steeds de ontmoetingsplaats bij uitstek. Een nieuw drankje is de Coca­ Cola die zich langzaam aan een plaats verovert naast de traditionele limonades als 'orangeade' en 'citronade'. De grammofoonspeler wordt al even langzaam aan vervangen door de kleurrijke jukebox waarbij de klant zelf zijn liedjes kan kiezen. De vrolijke schlagers van de Vlaamse cowboy Bobbejaan Schoepen of de galmende liefdesliedjes van La Esterella, de 'Lady van het Vlaamse Lied', zijn zeer  populair. Ook zoetgevooisde crooners als Paul Anka en Perry Como kennen succes. De onstuimige rock 'n roll van Elvis Presley, Chuck Berry of Buddy Holly wordt vanaf 1957-1958 enthousiast onthaald door de jeugd. Ondanks de bezorgde blikken van de ouders en de vernietigende kritiek van  pedagogische geesten ontluikt net als in Amerika een geheel eigen jongerencultuur. De confectiemode ziet hier een gigantisch gat in de markt en vult gretig in. De meest stoere jongens identificeren zich met de rebelse personages die de Amerikaanse acteurs James Dean en Marion Brando op het witte doek vertolken.

 

 

DE GOLDEN SIXTIES EN LATER

 

Op diverse domeinen van het maatschappelijke leven betekenen de fifties een aanzet en opstap naar de golden sixties. De economische opbloei en de algemene stijging van de koopkracht leidt ertoe dat de welvaartmaatschappij in de jaren zestig een feit wordt. Brede lagen van de bevolking zijn door voldoende werkzekerheid en een behoorlijk inkomen in staat om diverse producten aan te kopen. De  aanschaf van een wagen staat nog steeds op nummer één. De spreekwoordelijke baksteen in  de  maag van de modale Belg krijgt vorm in een eigen nieuwbouw woning voorzien van alle mogelijk  comfort. De televisie is niet langer een exclusief luxeproduct, evenmin als de vele elektrische apparaten die het huishouden vergemakkelijken. De gouden jaren komen echter aan een abrupt einde met de oliecrisis van 1973. Het élan van onstuitbare kooplust is voor jaren gebroken. In  plaats van  'welvaart' wordt 'crisis' het  nieuwe sleutelwoord.

 

Het concept voor de inrichting en vormgeving van de gezinswoning uit de jaren 1950 blijft  decennialang  ongewijzigd. Een ingebouwde keuken, een goed uitgeruste badkamer, een  efficiënte garage en een fraaie tuin zijn evidente onderdelen van hun comfortabele woning. De televisie staat voortaan centraal in de huiskamer en verovert in de jaren 1980-1990 de slaapkamer en de  tienerkamer. Kinderen en tieners zien hun kamer voortaan ingericht met aangepast meubilair, dat vaak vrolijker is dan dat van mama en papa. Vanaf de sixties is ook het stripverhaal algemeen aanvaard. De trends in muziek volgen elkaar in hoog tempo op  en worden steeds meer commercieel op maat gesneden van een jeugdig publiek.

 

Kortom, het economische gestuurde verlangen naar een 'trendy' en eigentijdse leefomgeving is sinds de jaren vijftig een wezenlijk onderdeel van  de welvaartmaatschappij.

 

Frank Huygens

 


 

Getuigenissen Expo 58 met de glimlach


"In de aanloop naar Expo 58 werd het Belgische volk voorbereid op de komst van miljoenen buitenlanders met de zogenaamde 'hoffelijkheidcampagne'. Overal verschenen affiches met daarop de slogan 'Wees hoffelijk en glimlach!'. Om het opzet wat meer zwier te geven werd ik aangeduid als  de Mejuffer Hoffelijkheid.

 

heb de situatie aangewend om vernieuwende televisie te maken. Tijdens de Veertiendaagse van de Hoffelijkheid die de campagne moest afsluiten, kon het publiek op televisie volgen hoe ik op zoek ging naar de hoffelijkste politieagent of de hoffelijkste postbode.

 

Ik daalde zelfs af in de mijn van Zwartberg om er tussen de kolen de hoffelijkste mijnwerker te zoeken. Ik werd ook geïnviteerd door de Vlaamse burgemeesters, wat telkens weer voor een volkstoeloop zorgde. Ik zie mezelf nog aankomen in Oostende: in een wit pak met een wit hoedje in een witte boot. Het zag er zwart van het volk en er weerklonk een luid applaus toen ik door een welgemanierde heer aan wal werd geholpen. Begeleid door de fanfare werd ik in een open limousine door de badstad gereden. De grote weerklank van deze happenings stootte de achterban van  de Franstalige Mademoiselle Courtoisie erg tegen de borst.

 

Men verweet de Vlamingen cavalier seule te spelen, en ik herinner me nog hoe een hevige discussie hierover tijdens een feestelijke receptie eindigde in een gevecht. Een waardige afsluiter van de hoffelijkheidcampagne!"

 

Paula Semer,

'Mejuffer Hoffelijkheid'


"Ik was een van de 270 fairhostessen op Expo 58. Het beroep van hostess was helemaal nieuw voor ons land en elk jong meisje droomde er van in dat mooie uniform op de Heizel te mogen rondlopen. Wij hadden echt de allures van een filmster. De selectie was erg streng, ik heb later nooit meer zo'n moeilijk examen moeten doen. Ik kon bijna niet geloven dat ik geslaagd was en aan de opleiding mocht beginnen. Die duurde maar liefst vier maanden. Vanaf december 1957 trok ik samen met de andere meisjes elke dag naar het trainingscenter  in de Brusselse Stassaertstraat.

 

De leerstof was erg uiteenlopend. We leerden hoe we moesten staan en lopen, maar hadden ook cursussen kunstgeschiedenis en etiquette. De 'chiefhostess' was de dochter van een generaal en dat was te merken. Ze moest met majoor worden aangesproken. Ik denk niet dat jonge meisjes van nu de ijzeren discipline van toen nog zouden dulden. Maar wij voelden ons uitverkoren en hielden ons strikt aan de regels. Ook toen we uiteindelijk op de Expo gingen werken. Het was voor een fairhostess verboden om zich met een man te laten zien, tenzij het iemand was die je moest gidsen. Ik heb ooit een kwartiertje in uniform aan de zijde van mijn vader rondgelopen, hij was zo trots!   Maar ik was doodsbang om gestraft te worden en ben me snel gaan omkleden.

 

Er zijn op de Expo wel enkele hostessen ontslagen. Een helicopterpiloot had hen betrapt terwijl ze op het dak van Paleis 10 schaars gekleed lagen te zonnebaden. De ervaring op Expo 58 heeft mijn verdere leven bepaald. Daarna ben ik 31 jaar lang airhostess geweest."

 

Annie Van Gansen,

Antwerpen, toen 24  jaar


"Ik heb goede herinneringen aan de Expo omdat de wereldtentoonstelling slaagde in zijn opzet: heel veel informatie vertalen naar een groot publiek. De leek moest huiswaarts keren met het gevoel iets bijgeleerd te hebben . Daarnaast mochten de diplomatieke kansen die zo'n wereldtentoonstelling bood niet uit het oog verloren worden. Alles was zorgvuldig gepland.

 

De Koloniale Sectie kreeg een prominente plaats op de Heizei en het grootse gouvernementspaleis beschikte over private vergaderzalen en een restaurant. Ook de aanwezigheid van een groot salon waar de staatshoofden en andere prominenten eventjes  konden uitrusten, was een tactische zet. Praktisch alle buitenlandse stamhoofden en regeringsleiders die de expo bezocht hebben, rustten 'bij ons' even uit. Deze rustpauzes betekenden niet enkel een extra promotie voor Belgisch Congo, maar boden de diplomaten ook de kans om op een informele manier de staatshoofden en hun gevolg te ontmoeten."

 

Jan Lambert,

directeur van  het koloniale gouvernementspaleis op  Expo 58


 

Getuigenissen Mechelaars en Expo 58


"Mijn lievelingspaviljoen was dat van de Lachende Koe.  Ik heb het drie keer bezocht, samen met mijn ouders. Maar mijn hoogtepunt van de wereldtentoonstelling was de beklimming van een cakewalk, een trap waarvan de treden doormidden zijn gezaagd en waarvan de delen apart bewegen, waarachter in ware Marilyn Monroe-stijl een blaasmachine alle rokken omhoog  deed waaien. Hilariteit verzekerd."

 

]osée Van Asbroek, toen 22 jaar


"Ik trad tijdens de Expo op met een schoolkoor. Het slotrefrein van het lied dat we toen zongen, luidde: 'Elk huis van heden is te klein, wij gaan naar het huis van morgen. Een nieuwe boog, een nieuwe pijl ... we willen allemaal wereldburgers worden.'

Vandaag ziet ik de wereldtentoonstelling nog steeds als het begin van het wereldburgerschap. De Expo opende de blik op de wereld."

 

Julien De Winter


 

Mechelen tijdens de fifties

"Nooit werd zoveel gewerkt, gemoderniseerd, verbeterd!"

 

 

September  1944: Mechelen verkeert in een feestroes na de bevrijding. Toch is de vreugde van korte duur. De stad en haar inwoners staan immers voor grote uitdagingen. Wijken liggen in puin, er is een  immense woningnood, de binnenstad telt honderden krotwoningen, de economie sputtert, het  openbaar vervoer is verouderd en het verkeer zit hopeloos in de knoop. Net als andere Belgische steden staat Mechelen op de drempel van oud naar nieuw, van een 'middeleeuwse' naar een  'moderne' stad.

 

Omdat het om nationale problemen gaat, spant de Belgische regering zich in. Ze stelt budgetten ter  beschikking om nieuwe woningen te bouwen, wetten moeten investeerders overtuigen om nieuwe nijverheden op te starten, autostrades worden aangelegd en spoorlijnen vernieuwd. Mechelen is er als de kippen bij om te vernieuwen. Het Mechelse stadsbestuur kent de weg naar Brussel goed en  maakt uitgebreid gebruik van de nationale financieringskanalen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 en 1958 staat het moderniseren van de stad hoog op de politieke agenda. Andere Belgische steden kijken meermaals naar Mechelen vooraleer ze zelf aan het moderniseren slaan.

 

Kortna de Tweede Wereldoorlog neemt Mechelen een 'urbanist' in dienst. Daarmee is zij een van de eerste Belgische steden die dergelijk initiatief neemt in de ruimtelijke ordening. De moderne tijd  vraagt een nieuwe organisatie van het stedelijke weefsel. Een vervuilende fabriek in het centrum is vanaf nu uit den boze. Nieuwe woonwijken worden ingekleurd. Zones voor nieuwe industrie worden vastgelegd. Het wegen- en spoorwegnet wordt herdacht.

 

 

MODERNE WONINGEN EN VERLICHTE STRATEN

 

Na de Tweede Wereldoorlog is de woningnood groot. Niet alleen zijn vele huizen vernield of zwaar beschadigd, de Mechelaars  willen ook anders wonen: ieder zijn eigen huis, niet langer met  meerdere families onder één dak. De Stad, de Mechelse Goedkope Woning en de Commissie voor Openbare Onderstand slaan de handen in elkaar en trachten de woningnood te lenigen. Hierbij richt men  de aandacht vooral op de rand rond de binnenstad waar voldoende plaats is om uitgestrekte,  luchtige en groene woonwijken uit  de  grond te stampen. Straat na straat wordt gebouwd. Een van  de meest in het oogspringende realisaties is de woonwijk op het voormalige militair oefenplein tussen de Lierse- en de Antwerpsesteenweg. Vanuit heel België komt men met volle autobussen naar dit toonbeeld van de moderne, gezonde woonwijk kijken.

 

Tijdens de tweede helft van de jaren vijftig besteedt het stadsbestuur speciaal aandacht aan de  krottenopruiming, vooral in de binnenstad. Eerst zorgt men voor nieuwe, hygiënische vervangwoningen om de krotbewoners te huisvesten. Nadien onteigent men vaak hele  huizenblokken,  breekt ze af en vervangt ze door nieuwbouwprojecten. Zo verdwijnen de Rozekenspoort en de Galgepoort, typische beluiken, voorgoed uit het stadsbeeld.

 

Aan het begin van de jaren vijftig hebben de Mechelse straten geen goede reputatie. Eigentijdse bronnen omschrijven ze als de slechtste straten van België, een schande voor de moderne tijd.  Automobilisten  hebben schrik om door sommige Mechelse straten te rijden. Bij regenweer veranderen er veel  in modderpoelen. Het stadsbestuur investeert dan ook massaal in de heraanleg van de straten. Voor het einde van de jaren 1950 legt men meer dan 285.000 m2 nieuwe kasseien en  klinkers en meer dan 215.000 m2 beton en asfalt, nieuwe materialen die hun intrede doen in de Mechelse straten.

 

Moderne straten vragen ook om moderne verlichting. Tijdens de fifties maken de ouderwetse gaslantaarns plaats voor elektrische straatverlichting. Het aantal verlichtingspunten wordt bovendien gevoelig uitgebreid. Men spreekt in die tijd dan ook graag over Mechelen als  één van de best  verlichte steden van het land.

 

 

CONSUMPTIEMAATSCHAPPIJ EN KONING AUTO

 

Ook in Mechelen treedt men de consumptiemaatschappij naar Amerikaans model binnen. De  levensstandaard is hier, zoals in de rest van België, sinds de Tweede Wereldoorlog sterk gestegen. De  moderne straatverlichting in de winkelstraten krijgt een geduchte concurrent: neon. Handelaars  proberen elkaar de loef af te steken met de mooiste, de grootste of de kleurrijkste lichtreclame. Naast nieuwe, grote etalages moet de lichtreclame de Mechelse middenstand helpen klanten weg  te houden uit de grootwarenhuizen die stilaan hun plaats opeisen. Tijdens het interbellum hebben de  Galeries Anspach zich al in Mechelen gevestigd. Op het einde van de jaren vijftig  komen daar NOPRI op de IJzerenleen en PRIBA aan de Bruul en de Botermarkt bij.

 

De ongekende welvaart uit zich nog verder in het straatbeeld. De auto, vóór de oorlog nog een luxeproduct, wordt een gebruiksvoorwerp, met alle gevolgen van dien: te weinig parkeerplaatsen,   regelmatig opstoppingen in en rond Mechelen en een toenemend aantal ongevallen. Mechelen zoekt oplossingen: herinrichting van straten, waar mogelijk zelfs de verbreding van middeleeuwse straatjes, de creatie van parkeerplaatsen door de heraanleg van pleinen of door afbraak van  verouderde gebouwen, zoals de vismarkt, en het plaatsen van verkeerslichten. Grote mobiliteitsproblemen, zoals in de omgeving van het station, vragen drastische oplossingen, die er na   veel  discussie ook komen. Hoewel de ideeën vaak dateren van vlak na de Tweede Wereldoorlog en  de plannen vooral tijdens de fifties worden uitgewerkt, duurt het in vele gevallen tot de jaren zestig en zelfs zeventig voor ze gerealiseerd worden.

 

 

NIEUWE NIJVERHEDEN

 

De toename aan wagens had ook een voordeel: nieuwe werkgelegenheid. Er komen nieuwe garages voor de verkoop en het onderhoud en het aantal benzinestations stijgt spectaculair. Mechelen groeit tijdens de fifties uit tot een belangrijk centrum van autoassemblage. Opnieuw pikt de stad in op  mogelijkheden geschapen door de nationale regering. Vanaf 1 januari 1954 moeten automerken  die  jaarlijks meer dan honderd wagens in België verkopen ook in België assembleren. Peugeot is de  eerste die zich in regel stelt met de wet door het openen van een montagelijn in Mechelen. Mercedes zal  spoedig volgen met een splinternieuwe fabriek, net als Standard Triumph.

 

De  komst van de autoassemblage betekent een belangrijke stimulans voor de Mechelse tewerkstelling. Hoewel de stijgende welvaart anders laat vermoeden, kampt Mechelen, net  als grote delen van België, met een structurele werkloosheid.  De meubelindustrie, eens de trots van de stad, kent moeilijke tijden en nieuwe nijverheden zijn broodnodig. In 1955 is Mechelen-Zuid een  van  de eerste industriegebieden in België. Door allerlei fiscale voordelen en intensief lobbywerk (Mechelen: centrum van de Europese industrie) lokt men verschillende Amerikaanse bedrijven zoals Procter & Gamble naar Mechelen.

 

Tijdens de fifties is de transformatie van Mechelen enorm. Men droomt, plant en bouwt: scholen, speelpleinen, luxeappartementen, een hypermoderne voetbaltribune, een splinternieuwe academie...  Die verwezenlijkingen zijn niet typisch voor Mechelen. Ook in de rest van België heerst de moderniseringsgeest en wil men de oude tijd, bruusk afgesloten door Wereldoorlog Twee, definitief achter zich laten. De realisaties in Mechelen zijn op die manier exemplarisch voor wat er gelijktijdig in andere Belgische steden gebeurt.

 

Bart Stroobants

 


 

Getuigenissen Kinderen op Expo 58

 


"Mijn familie heeft zes maanden lang op Expo 58 gewoond. Vader en moeder waren landbouwers en ze hadden hun eigen bedrijf achtergelaten om daar de modelhoeve te gaan bewonen in de Afdeling Landbouw, Tuinbouw en Veeteelt. Het woonhuis was een kijkwoning met een ultramodern interieur, waar iedereen naar binnen mocht gluren. Zelfs als we zaten te eten! Mijn vader melkte er de koeien op een volautomatische manier, dat was een attractie voor de toeschouwers. Gedurende het schooljaar verbleef ik bij mijn grootouders in Antwerpen, maar toen de grote vakantie aanbrak, mochten ook ik en mijn broer in de boerderij gaan wonen.

 

Dat was een feest. Thuis hadden we nog geen televisie, maar daar wel! En elke dag trok ik naar het paviljoen van Côte d'Or. Daar stonden twee reusachtige olifanten die chocolade uitdeelden. En bij Chocolade Jacques was het nog leuker: daar kon je van op een hoge wandelbrug volgen hoe de chocolade werd gemaakt. Om die chocolade te proeven moesten we geduld hebben tot 's avonds. Dan kwam de bewaker van het paviljoen bij  ons aankloppen. In ruil voor verse eieren van onze Expo-kippen, gaf hij ons dan een papieren zak vol gebroken chocoladerepen, die beschadigd uit de machine waren gekomen. Ik herinner me Expo 58  als één groot snoepfestijn!'

 

Roland Van Hyfte,

Maldegem, toen 7 jaar


"Mijn vader was dokter, maar elke donderdagmiddag ging zijn kabinet een paar uur vroeger dicht. Dan vertrokken we samen met de auto naar Expo 58. Hij was enorm in de Wereldtentoonstelling geïnteresseerd. Hij had zelfs speciaal daarvoor een televisietoestel gehuurd zodat we het Expo-journaal konden volgen. Ik ben wel 15 keer met hem mee geweest. We kwamen aan in de late middag en bleven er rondlopen tot 's avonds laat. Dan baadde de Expo in een feeërieke verlichting, dat was prachtig om te zien.

 

Op de televisie had ik de fameuze pijl van de Burgerlijke Bouwkunde gezien. Die was 80 meter lang en gebouwd van gewapend beton. Revolutionair in die tijd! Eronder hing een loopbrug en het was fantastisch om daar dan ook in het echt te kunnen op wandelen. Eén keer ben ik met een vriendje naar de Expo gegaan. Het was op een zondag en we mochten gaan op uitdrukkelijke voorwaarde dat we de mis zouden bijwonen in de kerk van het Vaticaans paviljoen. Dus ’t eerste wat we deden toen we daar aankwamen was regelrecht naar het paviljoen van het Vaticaan lopen. Dan waren we gerust."

 

Dirk Hutsebaut,

Keerbergen, toen 14 jaar


 

Expo 58 bouwen

De wereld als moderne architectuur

 

 

“Bij het ontwerp van de binnen de omheining van de Tentoonstelling op te richten bouwwerken dient in aanmerking genomen te worden dat het gaat om een universele en internationale manifestatie van het hoogste belang." Aldus een van de algemene bepalingen van het Speciaal reglement der bouwwerken voor Expo 58. Al vroeg in de planningsfase schuiven de organisatoren van  de wereldtentoonstelling moderne architectuur naar voor als een prestigieus en uitgelezen medium om het thema van Expo 58, Balans der wereld voor een humaner wereld, uit te drukken. Voor het  ontwerp van  de gebouwen en interieurs onder hun bevoegdheid doen de organisatoren vaak een  beroep op gerenommeerde Belgische moderne architecten, zoals Léon Stynen (de ontvangsthal, Paleis V ), Peter Callebout (50 jaar moderne kunst,  Paleis II), André Jacqmain (het Paleis van de  Wetenschap, Paleis VII), Jacques Dupuis (het Belgiëplein), Roger Thirion (het hoofdstation van de kabelbaan) of Pierre Guilissen en Jean Koning (de Natiënpoort). Men spoort ook de internationale deelnemers aan om extra aandacht te besteden aan de architectuur van hun paviljoen. Op Expo 58 is het gebouw immers niet langer alleen het dak van de tentoonstelling, maar behuizing en tentoongestelde waar vormen er samen een verhaal, het paviljoen. Ter aanmoediging van de  buitenlandse architecten is er de Trophée de l'Exposition universelle et internationale de Bruxelles 1958, een wisselbeker die de Belgische jury toekent aan Josef Hruby, Frantisek Cubr en Zdenek Pokorny, de architecten van het Tsjecho­Slowaakse paviljoen.

 

 

DE PLANNEN VAN HET COMMISSARIAAT-GENERAAL

 

De hoofdarchitect van Expo 58, Paul Bonduelle, deelt de tweehonderd hectaren van de site op in vijf secties: de Belgische (59 paviljoenen),  de Koloniale (7 paviljoenen), de Commerciële (31  paviljoenen),  de Buitenlandse (39 paviljoenen door 43 naties) en de Mondiale Sectie (negen paviljoenen). Iedere sectie krijgt een herkenbaar profiel, bepaald door de topografie van het terrein, het inplantingspatroon van de paviljoenen en de geldende regelgeving. Het geheel is aangevuld met  Vrolijk België en het Attractiepark. Na het overlijden van Bonduelle zal zijn assistent, Marcel Van Goethem, de plannen realiseren. Hij trekt drie hoofdarchitecten aan:  Hugo Van Kuyck voor de Mondiale Sectie, Jean Hendrickx-Van den Bosch voor de Belgische Sectie en Maurice Houyoux-Diongre voor de Koloniale. Voor elk van de secties zijn er voorschriften die tot doel hebben de eenheid van de delen te benadrukken. Langs de Belgiëlaan, tussen het  Atomium de Heizelpaleizen, zijn de regels het strengst: de geometrie van de paviljoenen ligt er vast, alsook de kleuren van hun façades (licht blauw, grijs en wit) en de details in het exterieur (donker blauw, rood en geel). Het ensemble moet 'ritme' en 'waardigheid' uitstralen. Hoewel de organisatoren moderne architectuur aanmoedigen en ook zelf het juiste voorbeeld trachten te geven -ondermeer door hun intrek in de  Sabena Terminus Building en door hun aandeel in de promotie van de infrastructuurwerken in  de hoofdstad - toch laat de  keuze voor architecten als  Bonduelle en Van Goethem een gematigde positie vermoeden. Bonduelle's klassieke, academische plan voor de site en de bijhorende regelgeving krijgt dan ook het verwijt paternalistisch te zijn en in strijd met de moderne principes van  de stedenbouw.

 

 

EXPERIMENTEREN  MET NIEUW METHODES EN MATERIALEN

 

De voorschriften staan de experimenten met nieuwe draagstructuren en materialen echter niet in de weg. In de Commerciële Sectie is het dak van het paviljoen van IBM (Eliot Noyes) in een schaal van  gevouwen beton uitgevoerd, Jacqmain maakt innovatief gebruik van de plastics van de bouwheer in  het paviljoen van Solvay en Louis Delalieux realiseert met het vinyl paviljoen van Pan Am een van de  eerste Europese opblaasbare structuren. Lucien-Jacques Baucher, Jean-Pierre Blondel en Odette  Filippone stellen met hun tentachtig ontwerp voor het paviljoen van Marie Thumas het bouwen met  voorgespannen  stalen structuren voor nieuwe uitdagingen. In de Belgische Sectie domineert de  betonnen Pijl van de Burgerlijke Bouwkunde (Jean Van Doosselaere, Jacques Moeschal en André Paduart} met technische bravoure. Ook het imposante paviljoen van het Transport (Robert Courtois, Henri Montois, Abraham Lipsky en anderen) excelleert er door zijn verfijnde detaillering in staal en aluminium en nog steeds behoort het tot de meest lichte gebouwen die ooit in België  werden opgetrokken. Zowel de Pijl (de Construction Practice Award in 1962) als het Transportpaviljoen (Reynolds Memorial Award in 1958) slepen internationale prijzen in  de wacht.

 

De  meest spectaculaire experimenten met nieuwe structuren worden gerealiseerd in de Buitenlandse Sectie. De parabolische krommen en vaak dominante elementen van deze structuren, zoals bij de op Expo 58 populaire hangende staaldaken, bieden voor vele architecten een uitweg uit het als te strak ervaren idioom van de International Style uit het interbellum. Het werk van de Franse architect René Sarger is hier voor representatief. Met Guillaume Gillet en Jean Prouvé realiseert hij  de vlinderstructuur van het Franse paviljoen: twee enorme hyperbolische paraboloïdes uit voorgespannen kabels, gestut door schijnbaar een enkele centrale, geïnclineerde pyloon. Hangende daken overspannen ook het zwierige paviljoen van Brazilië (Sérgio Bernardes), de kerk van het  Vaticaanse paviljoen (Roger Bastin) en het  paviljoen van de O.E.E.S. (Karl Schwanzer). De techniek van voorspanning maakt ook de gekromde gevels  en het fietswieldak (104 m) van het Amerikaanse paviljoen (Edward D. Stone) mogelijk. Het Philipspaviljoen (Le Corbusier en Iannis Xenakis) vormt een  buitenbeentje in deze technologie. De ware vernieuwing is er eerder van tentoonstellingstechnische aard: het indrukwekkende Poème Electronique is een van de eerste multimedia spektakels en maakt gebruik van geluid, licht, statisch en bewegend beeld.

 

 

SCHMALTZ, GOOGIE EN HONKY-TONK

 

Niettegenstaande de technische vernieuwingen staan de ingenieursprestaties niet centraal in het  Amerikaanse paviljoen. Het viert de American Way of Life en thematiseert de vrijheid van de  bezoeker in een vrolijke, relaxte sfeer. De zwaargewichten van de Amerikaanse industrie - robotica, elektronica, kerntoepassingen - zijn er wel tentoongesteld, maar de nadruk ligt op de Amerikaanse kunsten en steden, en vooral op het leven van alledag, geëvoceerd in een typische winkelstraat met  drug­ store, modelinterieurs en een modeshow. Het architectuurconcept van het paviljoen, representatief voor de bouwpolitiek van het Department of State, getuigt van kritiek op de standaarden van de internationale Moderne Beweging. De architect negeert het modernistische afwijzen van ornamenten en versiert zijn neoclassicistische paviljoen met vergulde details, terwijl de tentoonstellingsinstallaties van Peter G. Hamden en Bernard Rudofsky rijkelijk gebruik maken van de Amerikaanse roadside grafiek.

 

Een soortgelijke omgang met de eigentijdse beelden die de smaak van het volk verbeelden is te vinden in de inrichting van het Britse paviljoen, waar James Gardner de  Britse eigenzinnigheid tracht te vatten. Een Belgische variant manifesteert zich tijdens Expo 58 op een meer vrijblijvende manier in de zogenaamde 'Expostijl'  van de organisatoren. Hun promotiedrukwerk is gekenmerkt door een frisse, kleurrijke stijl die fotografische beelden uit de  wetenschap samenbracht met beeldcitaten van oude humanistische meesters, vormgegeven met  technieken van rastering en in een superpositie van organische vormen, eigen aan het drukwerk van die tijd. Grafici als Lucien De Roeck, Dan Reisinger of Jacques Richez definiëren zo samen de  corporate style van Expo 58, die ook doorwerkt in het straatbeeld op de tentoonstellingssite en gretig weerklank vindt bij het publiek.

 

Expo 58 maakt niet alleen duidelijk dat het publiek in de fifties de moderne vormgeving begint te  omarmen, maar ook dat de moderne architectuur een quasi-wereldwijde verspreiding kent. Meer dan 75% van alle buitenlandse paviljoenen is in een expliciet modern idioom opgetrokken, maar hun diversiteit toont vooral aan dat het moderne van de bouwwerken nog  nauwelijks met een uniform passende definitie te omschrijven valt.  De vele architectuurkritieken die over de expo verschijnen getuigen over die versnippering, maar merken ook gezamenlijk de  merkwaardige alomtegenwoordigheid van de moderne architectuur op, alsook het toenadering met  het grote publiek.

 

 

DE POLITIEK VAN DE MODERNE ARCHITECTUUR

 

De meeste naties grijpen moderne architectuur aan als bewijs voor naoorlogs herstel, als illustratie  voor een sterke economie en vaak ook als gevisualiseerde analogie voor de  democratische ambities van het land. Dat is het geval in de transparante paviljoenen van West-Duitsland (Egon Eiermann en  Sep Ruf) of van Turkije (Utarit izgi en anderen). Maar ook het  paviljoen van het Francistische Spanje is modern en transparant, evenals de paviljoenen van de landen achter het Ijzeren Gordijn: Joegoslavië (Vjenceslav Richter), Hongarije (Layos Gadoros) en Tsjecho-Slowakije. Zelfs het paviljoen van de Sovjetunie (Alexander Boretskii en anderen) is een uitgesproken moderne, translucente constructie. Het interieur toont echter een klassieke, symmetrisch opgebouwde grandeur, waarin een gigantisch beeld van Lenin en de Sputnik-successen centraal staan. De situatie van de Koude Oorlog wordt op  de expo scherp verbeeld op het centrale Natiënplein, waar het Sovjetrussische paviljoen naast het  Amerikaanse staat, gecompleteerd met het Vaticaanse paviljoen aan de overzijde.

 

Niet alleen de tegenstrijdige politieke associaties bezwaren een eenduidige definitie van de moderne architectuur op Expo 58. Verschillende paviljoenen geven ook blijk van kritiek en verzetten zich  tegen het uniformiserende, abstracte en functionele karakter van die architectuur. De architecten van het Japanse (Kunio Maekawa), Noorse (Sverre Fehn), Finse (Reima Pietilä) of Italiaanse paviljoen (Ernesto N. Rogers en anderen) introduceren elementen uit hun regionale bouwtradities, net als referenties aan de oude mythen van hun landen in de architectuur van hun paviljoenen, waarbij ze zich expliciet veraf houden van mogelijke folkloristische associaties.

 

De Scandinavische paviljoenen, beide gekenmerkt door een strak constructieconcept, vertalen dit in het oproepen van een  specifieke topologische conditie - het Noorse Licht en het Finse Bos  - en een doorgedreven gebruik van lokale bouwmaterialen: hout, leisteen en koper. Het Japanse paviljoen brengt Japanse ruimteconcepten en het oude kiwari modulesysteem samen in  een modern paviljoen.  De  architecten van het Italiaanse paviljoen richten zich expliciet tegen het  'constructief exhibitionisme' van de andere paviljoenen en  bouwen een typisch Italiaans dorpje. Het project is als een pleidooi voor aandacht voor menselijke aanwezigheid en voor traditie in de nieuwe architectuur, maar zijn kritische inslag wordt door weinigen opgemerkt. In de volgende jaren zal het paviljoen zelfs worden geciteerd als illustratie voor de 'regressie' van de Italiaanse architectuur.

 

Het leeuwendeel van de architectuur van Expo 58 wordt voorgesteld als 'moderne architectuur.' Het is 'sprekende' architectuur die de wereld moet verbeelden en die het bewijs moet zijn  van  naoorlogs succes en  van welwillendheid ten opzichte va n het humanistische thema. De  tentoonstellingscontext nodigt ook uit tot spektakel, een situatie die vele architecten beantwoorden met lichte, gewaagde structuren,  aansluitend bij de ingenieursexperimenten van het moment. Maar ook andere invloeden uit het toenmalige debat over de Moderne Beweging dringen door in  de  expo-architectuur. Eveneens aansluitend bij de tentoonstellingscontext, is het uitdrukken van een eigen, nationale identiteit bij middel van pre-moderne, traditionele bouwconcepten en details. Sommige van deze tentoonstellingsstrategieën sluiten aan bij de populaire smaak van het moment, andere trachten avant-garde posities naar het grote publiek te brengen. De expo speelt voor de  Belgen een belangrijke rol in de promotie van de modernisering van het land, die niet  beperkt  blijft  tot de Heizelsite, maar zich in talrijke steden en dorpen laat voelen. En zo lijkt het er nog steeds op dat  "na de expo niets nog  was zoals voorheen."

 

Rika Devos

 

 


 

Getuigenissen Alle dagen feest

 


"Op 17 april 1958, de openingsdag van Expo 58, werd ik net 17 jaar. Van mijn zes jaar oudere verloofde Louis kreeg ik het mooiste verjaardagsgeschenk dat ik ooit heb gekregen: een toegangskaartje voor de Expo!  Het enige wat ik in die tijd kende, was ons dorp. Ik was nog nooit in Brussel geweest en van de Wereldtentoonstelling had ik nog nooit gehoord. Het moest iets buitengewoons zijn, want speciaal voor die uitstap had Louis nieuwe kleren voor me gekocht.

 

Het werd de mooiste dag van mijn leven. We hadden onze boterhammen mee in een brooddoos en we gingen eerst naar Tielrode, naar een café. Louis had op voorhand betaald en daar stond inderdaad een autocar op ons te wachten die ons naar Brussel zou brengen. Die reis op zich was voor mij al onvergetelijk.  En toen we op de Expo aankwamen, wist ik letterlijk niet wat ik zag. Het Atomium, waar iedereen tijdens de busreis over had gesproken, dat was met niets te vergelijken!  Die schuitjes aan die kabelbaan, die mooie hostessen in uniform!

 

Ik zag daar voor het eerst ook mensen met een  andere huidskleur. Een zwarte had ik al eens op de kermis gezien, maar een Chinees bijvoorbeeld, dat was een attractie. Het was overweldigend. En toch: terwijl daar zoveel te beleven viel, gingen wij direct op zoek naar Lowie uit Hamme, die op de Expo stond met zijn ezel. Het heeft nog lang geduurd voor we hem gevonden hebben ook. En die konden we in Hamme nochtans alle dagen zien.

 

Maar  de meest bijzondere ervaring is wel deze geweest: ik weet niet meer in welk paviljoen het was, maar we moesten allemaal gaan zitten voor een vertoning. Het was een voorstelling met een robot, een groot, log ijzeren ding van wel twee meter groot, dat kon stappen en spreken. En op een gegeven moment riep die robot dat er iemand in de zaal jarig was. Ik zal het nooit vergeten: ik werd zo rood als  een kreeft, en moest naar voor komen. Die robot had een bloem in zijn hand. Ik moest die bloem uit die dikke ijzeren hand nemen en ik kreeg applaus. Een uur later trilde ik nog op mijn benen! Toen ik dat later aan mijn zoon vertelde, vroeg hij  iedere keer of ik dat niet gedroomd had en dan zei ik:  'Neen, Frankie, dat is echt de waarheid.' Ik denk dat hij in bijna elk studiejaar een opstel heeft geschreven over zijn moeder en de robot op de Wereldtentoonstelling."

 

Maria Van  Kerckhove,

Hamme, toen 17  jaar


"Ik bezocht Expo 58 samen met mijn man op 25 april. Wij hadden er geen flauw idee van, maar voor de organisatoren was dat een belangrijke datum. Op die dag verwachtte men namelijk de miljoenste bezoeker. En dat werd ik.  Mijn man en ik wisten niet wat ons overkwam. We werden onder luid applaus naar binnengeleid en overladen met geschenken. Overal om ons heen stonden fotografen en journalisten te drommen.

 

Mijn man was onmiddellijk ontstemd, want hij had een strikte route uitgestippeld voor ons eerste bezoek aan Expo '58 en hij was bang dat alles in het water zou vallen.

 

En zo was het ook. We moesten in een pousse-pousse gaan zitten, zo’n gemotoriseerde driewieler zoals er op de Expo tientallen rondreden.  Ik moest een groot bord voor me houden met daarop: '1.000.000ste bezoeker’. Het regende die dag pijpenstelen en binnen de kortste keren was die tekst eraf geregend. We werden van het ene paviljoen naar het andere gereden en overal kregen we geschenken. Op uitdrukkelijk verzoek van mijn man - hij was van Nederlandse afkomst - hebben ze  ook een bezoek aan het paviljoen van Nederland ingelast. Toen de tocht ten einde liep, vroeg een Engelse reporter of we onze entree nog eens wilden overdoen . Die had hij gemist en hij wou er een foto van nemen. We vonden het welletjes en hebben dat toch geweigerd. Op een andere dag hebben we ons bezoek aan Expo 58 nog eens met zijn tweetjes overgedaan, zoals wij het wilden.”

 

Lydie Doms,

Aalst, toen 28 jaar


 

Happy Days

De revivals van de fifties

 

 

De opzwepende rock  and rol!,  een  muziekgenre gegroeid uit een mix van  rockabilly, country en  blues, maakt omstreeks 1955 zijn entree in de Verenigde Staten. In 1956 breekt Elvis Presley (1935-1977) door met  hits als Heartbreak  Hotel, Don’t  be Cruel,  Hound Dog  en Love Me Tender.

 

Zijn sensuele en haast erotische heupbewegingen worden door een  ouder publiek met argwaan bekeken.  De tieners gillen hysterisch en rukken Elvis de kleren van het lijf. Voor het eerst in de  muziekgeschiedenis is er een artiest die wereldwijd een  gigantisch succes kent. Rond zijn figuur groeit een cultus die tot vandaag door zakenlui wordt aangewakkerd met talloze foto's, films  en  merchandising. Het moderne popidool is geboren. Rock-'n-roll is meer dan de muziekhype van het  moment. Het wordt een  levensstijl voor de  Amerikaanse tiener, een eerste jongerensubcultuur. De  muziekindustrie, de  mode-industrie en  de vrijetijdscommercie fabriceren diverse producten waarmee de jongeren zich  een eigen imago creëren.

 

 

KEEP ON ROCKING

 

Even snel als de rock-'n-roll was losgebroken, komt zijn  bloei ten einde. Van 1958 tot 1960 vervult Elvis zijn legerdienst in Duitsland. Buddy Holly komt om het leven in een vliegtuigcrash. Men spreekt schande over Jerry Lee Lewis die huwt met zijn veertienjarig nichtje en over Chuck Berry die inde gevangenis belandt. De ruige kantjes van de rock-'n-roll worden om commerciële redenen vakkundig verwijderd zodat mama en papa het nu ook leuk vinden.

 

Vanaf 1964 nemen The Beatles en The Stones de fakkel over en slaan een nieuwe weg in. Elvis moet het in de jaren 1960 vaak stellen met songs van een mindere  kwaliteit, die hij ten beste brengt in zeemzoeterige films. Zijn carrière als performer komt in een stroomversnelling met een televisieshow op kerst 1968, waar hij in spannend zwart leer als een beest tekeer gaat. Het optreden blijft  bekend als The Comeback. Hij  begint aan een lange reeks concerten in Las Vegas waarbij hij zich hult in een  overdadig opgetuigd kostuum. Vervolgens toert hij opnieuw door de Verenigde Staten.

 

Op 16 augustus 1977 overlijdt Elvis: "The King has left the building" - maar nu voorgoed. De interesse voor zijn muziek schiet pijlsnel de hoogte in. De dood van Elvis brengt ook een revival van de  authentieke rockabilly en rock-'n-roll op gang. Er ontstaan nieuwe bands die de rockmuziek laten herleven in covers en nieuwe nummers. De bekendste groep is The Stray Cats die in 1979 wordt opgericht. Dit trio keert met zijn beperkte bezetting terug naar de eenvoud van de rockabilly: een gitaar met het typische fingerpicking, een drumstel en de onontbeerlijke contrabas die met een double slap het ritme bepaalt.

 

Andere groepen met welluidende namen als Crazy Cavan &The Rhythm, Rockers en Shakin' Stevens  volgen. Na het bombast van de symfonische rock is de popliefhebber toe aan spontane vrolijke muziek. De dansschoenen worden uit de kast gehaald om de jive, de swing, de boogie woogie en de twist met enige stijl tot leven te wekken. Het succes van The Stray Cats & Co is echter van korte duur. Uit de mix van rockabilly en horror punk creëert de Engelse band The Meteors aan het begin van  de jaren 1980 de psychobilly, een grimmige muziek die het heeft over horror, verdorven sex en kinky  vrouwen. Rockabilly en rock'n-roll duiken terug onder in de scene  waar liefhebbers en fans elkaar treffen in zaaltjes en op meetings tijdens de zomer.

 

 

GREASE

 

Eén  jaar na  het  overlijden van  Elvis verschijnt de fifties-musical Grease op het witte doek. In essentie is het een romantisch liefdesverhaal tussen de coole vetkuif  Danny (John Travolta) en het  brave blonde meisje Sandy (Olivia Newton­ John). De film kent wereldwijd een immens succes, staat aan de oorsprong van de revival en tekent het mythische Amerikaanse fifties bij een breed publiek. Stoere jongens dragen een  zwarte leren  jekker, een  witte T-shirt en een  blauwe jeansbroek. Vrolijke meisjes ogen koket in hun brede rokken met petticoat. Uit de jukebox schalt wilde rock, pink Cadillacs met vleugels  rijden voorbij. De drive­in, een milkshake, een fris flesje Coca-Cola en een  stevige hamburger: het behoort voortaan tot het erfgoed van  de Amerikaanse fifties.

 

Van 1974 tot 1984 loopt op de Amerikaanse televisie het komische feuilleton Happy Days, waar het  brave gezin Gunningham centraal staat. Fonzie, een coole garagist met zwarte leren jekker, ontpopt zich van bijfiguur tot de belangrijkste hoofdrol van de populaire serie, die steeds meer de kaart trekt van de stereotiepen van de American fifties.

 

De jongeren omstreeks 1980  groeien op met een eenzijdig beeld  van die jaren, hierin geruisloos ondersteund door een gewiekste commercie. Tot op vandaag blijft dit beeld  ongeschonden overeind, als een onverwoestbare reclameclip. Enkele hoofdrolspelers uit  de Amerikaanse filmindustrie groeien uit tot dramatische  iconen: Elvis de wilde rocker, Marion Brando en James Dean als de rebelse boys  en Marilyn Monroe als de sexy  kindvrouw. Voeg hier nog  Audrey Hepburn, Grace Kelly en Cary Grant aan toe. Ondertussen vergeet de nostalgische retro-liefhebber in één vlotte beweging de Koude Oorlog, het pijnlijke einde van het kolonialisme en de groeiende kloof tussen rijk en arm. Wat rest  is het ideale beeld van moderne welvaart en geloof in de technologie zoals het zo mooi in scène  werd gezet op Expo 58.

 

 

DE ATOOMSTIJL

 

De  Belgische illustrator Ever Meulen (°1946), bekend van talloze covers voor Humo, ontwikkelt omstreeks 1975 een virtuoze tekenstijl die sterk geïnspireerd is door de vormgeving van de forties en de fifties. Zijn passie voor de stroomlijn van het design uit deze jaren beheerst leven  en werk. In 1980 vestigt hij zijn tekenatelier in een voormalig bezinestation. Kort nadien verlaat hij zijn retrostijl en puurt hij zijn lijnvoering uit onder invloed van de Klare Lijn van Hergé. Omstreeks 1978 dompelt een  jongere generatie striptekenaars zich onder in de Belgische strips uit de jaren vijftig.

 

Er onderscheiden zich twee 'scholen': de navolgers van de Klare Lijn van Hergé en het stripblad Tintin/Kuifje met de Nederlandse tekenaar Joost Swarte op kop enerzijds en anderzijds de aanhangers van de stijl van Franquin en zijn collega's in het concurrerende stripweekblad Spirou/Robbedoes. Hier gaat  de Franse striptekenaar Yves  Chaland (1957-1990) met alle eer aan de haal. Hij laat de sfeer van de klassieke avonturenstrips van Robbedoes en Kwabbernoot (Franquin), Guus Slim (Tillieux) en Blondie en Blinkie (Jijé) herleven in de reeks Freddy Lombard. Zijn leeftijdsgenoot Serge Clerc tekent nog steeds in deze stijl talloze illustraties van muzikanten en figuren uit  de jaren 1940-1960.

 

De  Atoomstijl beleeft een tweede jeugd onder de tekenpennen va n jonge dertigers in de ban van  de stijl uit de forties, fitties en sixties. De Nederlandse striptekenaar Erik K riek publiceert sinds een tiental jaren de komische reeks Gutsman Comics die in lay-out, kleuren en  sfeer  de ambiance van  weleer uitademt. In België is de Gentenaar Matto Le D. (°1975) ongetwijfeld de meest getalenteerde illustrator in de retro-fifties -stijl.  Vanuit een persoonlijke interesse begint hij materiaal van Expo 58  te  verzamelen. Als  geen  ander weet hij  het tijdsbeeld van de periode 1955-1963 om te toveren tot kleurige illustraties voor affiches, platenhoezen, advertenties en logo's .

 

Sinds een tweetal jaren zijn de fifties voor een tweede keer aan een heuse revival toe. De musical Grease wordt in Nederland en België met veel bijval in 2007-2008 op de planken gebracht. De retro-beurzen worden druk bezocht en van zodra de zon achter het wolkendek verschijnt, rollen de oldtimers naar buiten. Het Zwitserse designbedrijf Vitra brengt heruitgaven uit  van de belangrijkste meubels van topdesigners als Eames, Bertoia, Nelson en Noguchi. Het Belgische keramiekbedrijf Royal Boch presenteert eind 2007 in zijn Royal Retro Collection een Expo 58-koffieserviesje. De tweede revival verschilt evenwel aanzienlijk van de eerste uit  1977-1982. De impact van de merchandising is veel groter en de historische complexiteit is nog verder zoek. De liefhebber van het eerste uur denkt meewarig aan de pionierstijd, de purist houdt zich op afstand en de prijzen voor authentiek design swingen de pan uit. Maar bovenal primeren het ongedwongen plezier en de zoete nostalgie. Shake, Rattle and Roll!

 

Frank Huygens

 


 

EXPO 58 HERINNERINGEN

Back to the future

 

Zelfs wie er niet bij was, weet van horen zeggen: ‘de Expo’, dat was iets. De wereldtentoonstelling van 1958 heeft zich diep in ons collectieve geheugen genesteld . De beeldvorming rond Expo 58 werd gedomineerd door architectuur en design, maar wat gebeurde er in het dagelijkse leven? Vanuit deze vraagstelling sloegen de veertien erfgoedcellen van Vlaanderen en Brussel in april 2006 de handen in elkaar. Samen brachten ze de nog levendige herinneringen aan 1958 in kaart. Een honderdtal interviews legde op een systematische manier de verhalen van naarstige expo-medewerkers en enthousiaste bezoekers vast. Op vraag van de erfgoedcellen bundelde Annick Lesage de boeiende getuigenissen en de unieke foto’s in het boek Expo 58 Back to the future . Een selectie er van vormen de bruggen tussen de hoofdstukken van dit themanummer. De integrale interviews of de foto- en filmcollecties van de getuigen worden samengebracht op de website www.expo58.eu 

 

De eerste resultaten vormen voor vele erfgoedcellen het beginpunt van ruimere projecten.

 

In Mechelen trok een team van tien erfgoedvrijwillegers, na een opleiding mondelinge geschiedenis, op pad om de verhalen op te tekenen. Zij interviewden zo’n dertigtal Mechelaars. Een extra vragenlijst over de stedelijke ontwikkeling van Mechelen in de jaren vijftig mat de impact van de wereldtentoonstelling op de stad. Invloeden die ook op andere Belgische steden in die tijd van toepassing zijn.

 

Deze getuigenissen doorspekken de Anno Expotentoonstelling in het Congres- en Erfgoedcentrum Lamot. De verhalen en de details uit het geheugen van de Mechelaars geven een menselijke dimensie aan het Mechelse luik en maken de moderniseringsprocessen tastbaar. De gevarieerde getuigenissen stofferen de tentoonstelling met materiaal dat zelden in archiefbronnen, boeken of kranten terug te vinden is. In de architectuurtentoonstelling over Expo 58 worden de getuigenissen ook virtueel gevisualiseerd. Zij verhalen niet over intenties en ideologie, maar over de ervaring ‘erbij’ geweest te zijn.

 


 

Praktisch

ANNO  EXPO

Van zaterdag 21 juni tot en met  zondag 14 september 2008

 

• Congres- en Erfgoedcentrum Lamot

Van Beethovenstraat 8-10

2800  Mechelen

 

•  Cultuurcentrum  Mechelen

Ingang Melaan

2800  Mechelen

 

Open: Elke dag van 10.00 tot 17.00 uur behalve op maandag

Open op 11 juli en 15 augustus.

 

Info &Tickets: ln&UitMechelen

T +32 (0)70 22 28 00

www.anno-expo.be

Tickets zijn te koop aan de tentoonstellingsbalies van het Congres- en  Erfgoedcentrum Lamot en het Cultuurcentrum Mechelen, bij ln&Uit en via de website.


AUTEURS

Rika Devos  (°1977) is burgerlijk ingenieur-architect en assistent aan de Vakgroep Architectu ur & Stedenbouw van de Universiteit Gent. Zij bereidt  een doctoraat voor over de moderne architectuur op Expo 58 (voorzien 2008, promotor: Mil De Kooning).

Annick Lesage ( °1969) is radiomaakster bij Radio 1 en doceert  Radiodocumentaire aan het Herman Teirlinck lntituut. Ze publiceerde als co-auteur Een zeer treurige prins. Het leven van Jotie T'Hooft  (1997).

Frank Huygens is kunsthistoricus en directie-assistent bij het Designmuseum Gent.

Bart Stroobants ( °197S) is kunsthistoricus en conservator van de Stedelijke Musea Mechelen.

Nico Wouters (°1972) is doctor hedendaagse geschiedenis. Hij is afdelingshoofd erfgoedontwikkeling en coördinator van het Erfgoedcentrum Lamot van de stad  Mechelen.


Anno  Expo  is een  initiatief van de stad  Mechelen. De organiserende partners zijn het Erfgoedcentrum Lamot, het Cultuurcentrum  Mechelen,  de  Erfgoed­cel  Mechelen,  de  Stedelijke  Musea  Mechelen,  het Stadsarchief   Mechelen  en  de  Vakgroep  Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit Gent.

Er is medewerking van verschillende Mechelse partnerorganisaties zoals  ln& UitMechelen,  de   dienst UiTmarketing,  Mechelen Kinderstad, de dienst Economie en Vormingplus regio Mechelen. MM Mechelen stelt zijn expertise op het vlak van citymarketing en topevenementen ter beschikking.


TENTOONSTELLINGEN  EXPO  58

 

TUSSEN UTOPIE EN REALITEIT

Het  Atomium  zelf kan niet  ontbreken als tentoonstellingslocatie. Het  Rijksarchief en de Musea  van de stad Brussel organiseerden deze expositie met overvloedig archiefmateriaal  over het ontstaan en de uitwerking  van de Expo 58. Bij de tentoonstelling hoort ook een klein overzicht van het grafisch werk van Lucien De Roeck, de ontwerper van de Expo-ster.

Van 17 april tot  19 oktober 20 08, elke dag tussen 10 en 18 uur, Atomium, Atomiumsquare,  Laken

 

EXPOKUNST OP DE KUNSTBERG

Op  de Wereldtentoonstelling liep de expositie  '50 jaar moderne kunst',  die meesterwerken  uit  de grootste musea ter wereld  verenigde. Vijftig jaar later tonen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België de hoogtepunten uit deze tentoonstelling. Documenten en archieven illustreren   de opkomende trend van kunst in de publieke ruimte waar 'The whirling ear'  van Alexander  Calder,  dat nu langzaam draait op de Kunstberg,  een mooi voorbeeld van is.

Van 9 mei tot 31 augustus KMSKB, Regentschapsstraat 3,  Brussel

 

EXPOSTIJL

Wat is eigenlijk de  Expo 58-stijl? De tentoonstelling illustreert dit met affiches, meubels, maquettes en tekeningen. De expositie bekijkt van dichtbij de gigantische werken uit die tijd, zoals  de luchthaven van Zaventem en de vele nieuwe appartementsblokken.

Van 26 februari tot 28 september

De  Loge, Kluisstraat 86,  Elsene

Elke dag tussen  12 en 18 uur, behalve op maandag

 

ERFGOEDCEL BRUSSEL: DÉJÀ VIEW

Op de Heizel zelf kan je begeleide wandelingen maken via de Erfgoedcel  van Brussel. Wie liever alleen wandelt, kan een viewmaster met beelden van hoe het vroeger was meekrijgen samen met een  mp-3-speler en een Expo 58-plan.

Déja View tussen 17 april en 30 september

Verdeelpunt Amerikaans theater