U bent hier

Ferdinand Schirren - In een waas van blauw

Ferdinand Schirren, Landschap aan een boomstam (1910-1917), olieverf op doek, 76,5 x 70,5 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel.

 

De naam van Ferdinand Schirren klinkt minder vertrouwd in de oren dan die van Rik Wouters of James Ensor, om maar twee uitmuntende coloristen te noemen. In zijn tijd was ‘le bleu Schirren’ nochtans een begrip. Herontdek een magisch kunstenaar op een compacte tentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel.

 

 

Schirren versus Wouters

 

Dat Ferdinand Schirren (1872-1944)  te Antwerpen geboren wordt is louter toeval. Zijn ouders zijn Russische Joden afkomstig uit Riga. Ze komen ons land binnen via de Scheldestad en vestigen zich enkele jaren na Ferdinands geboorte te Brussel. Daar zal zijn carrière zich grotendeels afspelen.

 

Of je het wil of niet, bij het zien van een werk van Schirren dringt zich de vergelijking met Rik Wouters op. Datzelfde licht, de vinnige en toch sensibele penseelvoering, het onbeschilderd laten van delen van de drager en onderwerpen die het Brabants fauvisme tot een succesformule gemaakt hebben. Wouters zien wij dan als het lichtend voorbeeld, Schirren als de verdienstelijke epigoon.

 

“Eigenlijk is het net andersom,” schokschoudert curator Inga Ross-Schrimpf. “Schirren schildert zijn eerste fauvistische aquarellen in 1906; het zal dan nog jaren duren vooraleer Wouters aan die stijl toe zal zijn. Maar er is nu eenmaal dat denkbeeld dat de carrière van Wouters zich als één rechte lijn stapsgewijs ontwikkeld heeft. Bij Schirren lag dat anders: hij was een zoeker, voortdurend het terrein aftastend. Hij heeft ook vroeger werk vernietigd.” Schirren overleeft Wouters met ruim een kwart eeuw. Het onbestemde beeld dat wij van hem hebben stamt grotendeels uit die latere periode: wazige, vlokkige figuren en de dominantie van dat magisch ultramarijn, ‘le bleu Schirren’.

 

 

Een theosofisch manifest?

 

De jonge Schirren tapt echter uit een heel ander vaatje. Hij wordt als beeldhouwer opgeleid, met onder meer Charles Van der Stappen en Jef Lambeaux als leermeesters. In 1898 verrast hij het kunstwereldje met een gebeeldhouwd portret van Helena Blavatsky, de bezielster van de theosofische beweging. Het is een massieve kop met zware trekken, afhangende wangen tot aan de rimpelkin, doorgroefd, weinig flatterend, maar met scherp afgelijnde lippen en een neergeslagen blik. En dit laatste geeft een verstilde intensiteit, een eerbiedwaardigheid aan dat grote hoofd gevat in een tijdloze hoofddoek.

 

Het idealistisch gedachtegoed van ‘Madame Blavatsky’ was een modefenomeen dat een hele generatie in zijn ban hield, ook heel wat avant-gardekunstenaars werden erdoor aangesproken: onder meer Kandinsky, Mondriaan en bij ons Jean Delville en de debuterende Jozef Peeters. Kunstenaars hebben de neiging om hun interpretering van de theosofie wat nadrukkelijk naar voor te brengen: personages met een oplichtend aura, overtrokken kleuren in natuurfenomenen met een spirituele inslag. Je moet al het karakter van een Mondriaan hebben om zoveel geestelijkheid te hoeden voor holle grootsprakerigheid. Schirren laat alvast het effectbejag achterwege. De geestelijke intensiteit van zijn model is enkel speurbaar voor wie haar voorbij het fysieke masker volgt. Zoals te verwachten valt is de kritiek verdeeld: de voorstanders roemen de gedurfde vereenvoudigingen die een vernieuwing in de beeldhouwkunst inluiden, het kubisme loert om de hoek, terwijl anderen walgen van ‘die slijmerige kikvors’.

 

Merkwaardig genoeg gaat Schirren niet op dat elan verder. Op de tentoonstelling staan de beeldhouwwerken gegroepeerd. Als bezoeker sta je voor een staalkaart van stijlen die hij achtereenvolgens of simultaan beoefend heeft, aarzelend tussen impressionisme en animisme. Er ligt een wereld tussen het robuust vrouwentorso uit 1910 en de frêle halfliggende figuur uit 1944. Aan het andere uiteinde van de zaal troont het Blavatskyhoofd; dit is een andere wereld. Je zou zweren dat er meerdere beeldhouwers schuilen in Schirren. Maar is hij niet in eerste instantie schilder?

 

Inga Ross-Schrimpf: “Dat is nog een misvatting over hem. Hij heeft inderdaad meer geschilderd dan gebeeldhouwd, maar zijn ingesteldheid was altijd die van een beeldhouwer. Hij dacht in volumes, zelfs op het ogenblik dat hij die schijnbaar het meest liet oplossen door licht of kleur.”

 

 

Aquarel als fauvistisch medium

 

Het alles oplossend licht ontdekt Ferdinand Schirren in 1906, in een reeks tuinimpressies die hij in aquarel uitvoert. Het beeld is opgebouwd uit reeksen kleurtoetsen. Vloeiende, doorlopende lijnen lijken door het intense licht te worden verbrokkeld. Enkel het kaleidoskopisch kleurenpatroon blijft behouden. Het zijn grensverleggende werken, waarmee het fauvisme een eclatante entree maakt in ons land, en dan nog wel in deze bij ons zo ongebruikelijke techniek: de waterverf. Hiervoor krijgt Ferdinand Schirren heel wat waardering van zijn medekunstenaars. Hij blijft schaven aan zijn techniek. Vrouw voor de spiegel, een aquarel uit 1915, toont de expressieve mogelijkheden van het medium. De naast elkaar geplaatste kleurtoetsen hebben hier plaatsgemaakt voor vluchtig aangezette vlakken, met opdrogende vegen of erg verdunde verf. Met vaste hand brengt hij anderskleurige toetsen aan die de volumes suggereren, veel meer dan dat zij ze aflijnen. Licht is het bindmiddel.

 

Dan waagt hij zich aan olieverf waarbij hij eenzelfde effect beoogt. Terwijl de landschappen nog dicht bij de vormentaal van de aquarellen aanleunen, krijgen zijn interieurs een meer serene sfeer. Zijn Vrouw in het blauw uit 1921 is een heerlijke compositie van kleur en volumes. Het hoofdmotief, de zittende dame, domineert de linkerhelft van het doek. Let op het kleurgebruik: het blauw, een koele kleur, brengt evenwicht en rust in de compositie tegenover een dominantie van hevige warme tinten in de rechterhelft van het schilderij. Op het salontafeltje met zijn vaalgroen kleed –met opmerkelijke schakeringen, inclusief bruinrode schaduwen- prijkt een vaas met een weelderig boeket, zo abstract als het motief het maar toelaat. Het kubistisch divisionisme is niet veraf, maar die stap heeft Schirren nooit gezet. Opvallend aan dit meesterwerk is dat het geschilderd werd op acht aan elkaar genaaide stukken canvas; het is duidelijk dat het de kunstenaar financieel niet voor de wind gaat.

 

 

Een buitenbeentje in het Interbellum

 

Raar maar waar, Schirren vindt de weg niet naar de grote verzamelaars. Contacten worden toch gelegd, eerst en vooral binnen de Joodse gemeenschap. Hier vindt hij kopers, maar het zijn geen bezielde verzamelaars, eerder welwillende stamgenoten. Ook zorgen die bereidwillige bemiddelaars ervoor dat hij in Duitsland contacten kan leggen, voornamelijk in Keulen en Düsseldorf. Hoewel hij er tentoonstelt, zint hem de sfeer niet. Met de exuberante avant-garde voelt hij niet de minste affiniteit: “Werk van wildemannen. Daarnaast is Van Dongen een toppunt van wijsheid!” Hij loenst meer naar Parijs, waar hij heel goed met mensen als Delaunay kan opschieten.

 

Van bij haar oprichting in 1912 is Ferdinand Schirren betrokken bij de Brusselse galerij Georges Giroux. Dit had normaal zijn vaste stek moeten woren. Giroux stuurde trouwens aan op het sluiten van een contract. Maar hoe moeilijk hij het financieel ook had, Schirren heeft die boot altijd afgehouden. Hij was een onverbeterlijke individualist die huiverde van groepvorming.

 

Aan die houding komt geen verandering, ook niet na de Eerste Wereldoorlog. Jongeren willen maar wat graag in hem een voorloper zien, maar Schirren houdt zich stug aan zijn eigen zoeken. En inderdaad toont zijn productie uit de jaren twintig, naast een verder verfijnen van zijn aquareltechniek, een staalkaart van de dan heersende tijdsgeest. In zijn Naakt met olifant gebruikt hij vereenvoudigde en scherp afgelijnde volumes, die heel sterk bij het Vlaams expressionisme aanleunen. Zelfs het Schirren-blauw blijft hier achterwege, een uitzonderlijke verzaking. Het lijdt geen twijfel dat hij ook wel naar andere tijdgenoten is blijven kijken. De affiniteiten met het animisme zijn er zeker, maar ook de constructivisten kijken naar hem op. Een Chagallachtig paardje wordt opgedragen aan Pierre Bourgeois, één van de bezielers van het tijdschrift 7 Arts.

 

En toch blijft hij verder timmeren aan de eigen weg. De aquarellen worden waziger, omdat hij ook alle mogelijkheden van het natgemaakt papier benut. Kleuren lossen op in de drager. Volumes laat hij verschijnen door vluchtige omlijningen in zwarte inkt. En het beroemde blauw wordt een niet te ontlopen keurmerk. In een tijd dat het animisme en zijn gespeelde kinderlijkheid opgeld maken, baden de werken van Schirren in een zekere irrealiteit. Het zijn de ‘denkbeeldige tuinen’ waarin Paul Haesaerts hem situeert, als een dromerige oosterling. Die belangstelling voor het Oosten koestert hij levenslang, een relict van de theosofische bevlieging uit zijn jeugd.

 

Weer breekt er een oorlog uit. Vrienden zorgen voor een discreet onderkomen, waar hij in alle rust kan verder werken. Ontberingen lijken hem niet te deren, het dragen van een opzichtige gele ster evenmin. Hij sterft op 20 februari 1944.

 

Rik Sauwen

 


Info

Tentoonstelling

Ferdinand Schirren

Nog tot 4 maart 2012

Open: dinsdag t.e.m. zondag cab 10 tot 17 uur

Gesloten: maandag

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België

Regentschapsstraat 3

1000 Brussel

Tel. 02 508 32 11

www.fine-arts-museum.be