U bent hier

Gaspar de Crayer - In de schaduw van Rubens en Van Dyck

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen Gaspar de Crayer
Gaspar de Crayer, Portret van Filips IV van Spanje in parade-uitrusting, ca. 1628, olieverf op doek, 182,9 x 118,1 cm THE METROPOLITAN MUSEUM OF ART, BEQUEST OF HELEN HAY WHITNEY, 1944, NEW YORK

 

Het MSK in Gent leende schilderijen en tekeningen van Gaspar de Crayer uit aan het Musée de Flandre in Kassel. Ze maken er deel uit van de expo Tussen Rubens en Van Dyck: Gaspar de Crayer. Het MSK zet zelf ook deze barokschilder in de kijker en focust op zijn nauwe band met Gent.

 

Met in zijn kielzog een stoet van edelen en notabelen reed Ferdinand van Oostenrijk op 4 november 1634 Brussel binnen. Een jaar na het overlijden van zijn tante Isabella Clara Eugenia konden de Zuidelijke Nederlanden weer een landvoogd van koninklijken bloede verwelkomen. Als jongen was Ferdinand tot kardinaal gecreëerd en er leek een carrière binnen de Kerk weggelegd voor hem, maar het bleek al gauw dat zijn interesse eerder uitging naar vrouwelijk schoon, de jacht en de krijgskunst. Op vijfentwintigjarige leeftijd beleefde kardinaal-infant Ferdinand nu zijn hoogtepunt: twee maanden eerder hadden zijn troepen bij de slag van Nördlingen de anti-Habsburgse coalitie van Zweden en protestantse prinsen een zware nederlaag doen lijden.

 

Zoals de traditie voorschreef, werd de nieuwe landvoogd officieel ontvangen in de voornaamste steden. Voor de Blijde Inkomst in Antwerpen in april 1635 werden kosten noch moeite gespaard door de stadsmagistraat: de opdracht voor het ontwerp van de versieringen werd toevertrouwd aan Peter Paul Rubens (1577-1640), die in hoog aanzien stond bij Ferdinands broer, koning Filips IV. Maar ook in Gent werd de kardinaal-infant met de nodige luister ontvangen. Van de twee triomfbogen op de Vrijdagmarkt was er één ontworpen door lokale kunstenaars en één – versierd met taferelen van de roemruchte daden van Ferdinands in Gent geboren overgrootvader Karel V – door de in Brussel verblijvende schilder Gaspar de Crayer (1584-1669).

 

Het jaar daarop werd De Crayer door Ferdinand benoemd tot hofschilder. Hij had op dat moment al een serieuze reputatie als portrettist. Samen met Rubens en Antoon van Dyck (1599-1641) behoorde hij tot de vaandeldragers van de barok in de Zuidelijke Nederlanden. Maar waar die twee vandaag nog steeds internationale publiekstrekkers zijn – de Rubens-tentoonstelling in het Städel in Frankfurt was dit voorjaar goed voor meer dan 110.000 bezoekers –, is De Crayer sinds de negentiende eeuw nog maar weinig bekend. Wie zich vertrouwd wil maken met zijn oeuvre, krijgt daar dit najaar de kans toe in het Musée de Flandre in Kassel, dat eerder al uitpakte met monografische tentoonstellingen rond Vlaamse kunst. Tegelijk presenteert het Museum voor Schone Kunsten in Gent enkele monumentale werken die te groot zijn om naar Kassel af te reizen en een selectie tekeningen. Het MSK wil vooral de band tussen De Crayer en Gent voor het voetlicht brengen, de stad waar hij aan het einde van zijn leven verbleef en die meer van zijn werken herbergt dan eender welke andere.

 

Portretten

In tegenstelling tot Rubens en Van Dyck, die Europa rondreisden en geridderd werden, kende De Crayer niet echt een opwindend leven. Over zijn jeugd en opleiding weten we vrijwel niets. Er is een vermelding in de doopregisters op 18 november 1584. Zijn vader Gaspar was schoolmeester en verluchter; zijn moeder Christina van Abshoven stamde uit een geslacht van schilders dat destijds wel enige bekendheid genoot, maar van wie nu amper nog werk gekend is. Rond 1607 verhuisde De Crayer van Antwerpen, toch een artistiek centrum, naar Brussel, wellicht gelokt door het potentiële adellijke cliënteel. Het is hier dat we de draad in zijn biografie terug oppikken. In 1613 trouwde hij er met de eveneens uit Antwerpen afkomstige Catharina Janssens.

 

De Crayer ging in de leer bij Rafaël Coxcie (ca. 1540-1616), hofschilder van de aartshertogen en zoon van Michiel Coxcie (1499-1592), één van de favoriete schilders van Filips II. Hij boerde goed, en niet louter op artistiek vlak: tussen 1614 en 1616 werd hij gekozen tot deken van het schildersambacht en in 1626-1627 was hij lid van de stadsmagistraat. Vanaf 1610 stond hij aan het hoofd van een eigen atelier met een groot aantal leerlingen. Zijn voornaamste opdrachten in de hofstad bestonden uit portretten van edelen en hoogwaardigheidsbekleders. Een belangrijk vroeg werk is een portret van Frederik van Marselaer, burgemeester van Brussel en auteur van een bekend traktaat over diplomatie. We krijgen in Kassel nog meer portretten van edellieden te zien, zoals dat van de Gentse schepen Nikolaas Triest III, maar de meeste zijn (nog) niet geïdentificeerd.

 

Makkelijker te herkennen zijn de vorstenportretten. Voor deze tentoonstelling werden twee staatsieportretten van Filips IV bijeengebracht. Op beide schilderijen wordt hij afgebeeld in vol ornaat, in vrijwel identieke pose. Het meest opvallende verschil zit in de fellere kleuren van het New Yorkse schilderij en de aanwezigheid van een dwerg die de helm aanreikt op het Madrileense schilderij. Beide werken doen echter nogal geforceerd en artificieel aan: het betreft hier tenslotte geen portretten “naar het leven”, maar kopieën bedoeld om te verspreiden in overheidsgebouwen zoals de Rekenkamer. Het verschil met het portret van Ferdinand, die De Crayer natuurlijk wel ontmoet had, is duidelijk. De kardinaal-infant is afgebeeld in een kenmerkende rode soutane, met in zijn linkerhand een brief geadresseerd aan “zijne koninklijke hoogheid”. Het gelaat toont meer individuele trekken en zowel aan het gewaad, de gordijnen als de achtergrond is meer zorg besteed. Dit schilderij werd na de afwerking in 1639 meteen verscheept naar Madrid als geschenk voor Ferdinands broer de koning.

 

Religieuze werken

De meeste roem verwierf De Crayer met zijn religieuze werken. De consolidatie van de Habsburgse macht na het afsluiten van het Twaalfjarig Bestand ging gepaard met een katholiek offensief: er werden nieuwe abdijen, kloosters en kerken gesticht en de oude, waarvan vele nog steeds wachtten op herstel na de godsdiensttroebelen van de vorige eeuw, werden vernieuwd. Voor De Crayer was dit een prachtige opportuniteit om verder uit te groeien tot één van de voornaamste schilders van religieuze taferelen. Volledig in de geest van de Contrareformatie lag de focus hierbij op heiligenlevens en scènes uit het Nieuwe Testament. Door zijn faam en goede connecties ontving hij tal van opdrachten uit de hele Zuidelijke Nederlanden en zelfs daarbuiten. In de tentoonstelling zijn altaarstukken te zien uit grote steden als Kortrijk en Dendermonde, maar in menige Vlaamse dorpskerk hangt een De Crayer.

 

Het is vooral in deze werken dat de enorme invloed van Rubens opvalt – soms op het randje van wat we nu plagiaat zouden noemen. Waar we in het vroege werk van De Crayer vooral sporen ontdekken van Brusselse schilders als Hendrick de Clerck, ontwaren we in de jaren 1620 steeds meer monumentale figuren en sterke kleurcontrasten, elementen die Rubens had meegenomen uit Italië. Het is niet duidelijk of De Crayer contacten had met Rubens’ atelier of zich louter baseerde op prenten en werken die hij met eigen ogen kon aanschouwen in kerken, maar we zien in ieder geval veel composities van Rubens letterlijk overgenomen. In het Martelaarschap van de H. Catharina herkennen we bijvoorbeeld de ridder van Rubens’ Kruisoprichting in de Antwerpse O.L.V.-Kathedraal. Na Van Dycks tweede verblijf in Antwerpen (1627-1632) zien we ook steeds meer van diens sentimentele stijl doorsijpelen, die bij De Crayer – zeker in het latere werk – nogal eens durft te vervallen tot pathetiek. Aangezien Van Dyck De Crayer geportretteerd heeft, moeten de twee schilders elkaar gekend hebben.

 

In 1664 verhuisde De Crayer samen met zijn echtgenote naar Gent en liet zich daar inschrijven in het register van het schildersgilde. De precieze redenen voor dit vertrek uit Brussel zijn onbekend. De Crayer had er wellicht betere vooruitzichten op prestigieuze opdrachten. Veel van zijn eerdere creaties waren immers voor Gentse cliënten: het MSK toont een portret van bisschop Antoon Triest en een Oordeel van Salomon voor de Oudburg, het Gentse kasselrijgerecht dat zetelde in het Gravensteen. Wat wel vaststaat, is dat hij in deze periode betrokken was in tal van processen rond financiële kwesties. De Crayer stierf kinderloos en werd op 27 januari 1669 begraven in de ondertussen afgebroken Dominicanenkerk.

 

De vraag dient zich aan wat we vandaag moeten maken van Gaspar de Crayer en zijn oeuvre. Hij was zeker een kundig ambachtsman die in zijn tijd het hoogste bereikte wat een schilder kon bereiken. Zijn roem leefde voort tot in de achttiende eeuw, om in de negentiende eeuw te tanen. In de twintigste eeuw werd hij door kunsthistorici van onder het stof gehaald, enkel maar om beschuldigd te worden van een gebrek aan inventiviteit. Maar ook eerder vinden we al kritische kanttekeningen terug: niemand minder dan de kardinaal-infant – in een brief aan de koning – bemerkte bij het overlijden van Rubens dat diens werk kon worden voortgezet door twee schilders, die toch muy inferiores waren. De schoenen van Rubens waren natuurlijk groot om te vullen. Het samenbrengen van de werken van De Crayer is vooral een uitnodiging voor het publiek om na te denken over de vergankelijkheid van roem en over wat kunst en ambacht betekenden in de zeventiende eeuw.