U bent hier

Hendrik Voogd - De watervallen van Tivoli

Hendrik Voogd - De watervallen van Tivoli

Stel u voor dat de tekening, die het voorwerp van onze beschouwing is, zomaar ineens ergens door u werd aangetroffen, bijvoorbeeld bij het openen van een kast op de zolder van een groot oud huis; zij zou zeker indruk op u maken en uw nieuwsgierigheid wekken naar de maker, de plaats en omstandigheden van haar ontstaan. Welnu, zo ongeveer heeft de ontdekking van deze tekening nog niet zo lang geleden echt plaats gevonden. Ik kom daar nog op terug. Laten wij trachten ons van die eerste indruk rekenschap te geven. Om te beginnen is het een zeer omvangrijke tekening. De standaardafmetingen van een vel tekenpapier, dat u tegenwoordig in de winkel koopt, komen ermee overeen. En zo een vel is helemaal volgetekend met een imposant natuurtafereel. De tekenaar heeft dit landschap als iets geweldigs ondergaan. Het onherbergzame rotsgebergte met het diepe ravijn, waarin van een grote hoogte de watervallen neerstorten, heeft zijn artistieke belangstelling gewekt. Ook de spelingen van het zonlicht vormden een boeiend gegeven om zich al tekenend in te verdiepen. Het is hier het effect van bijna-tegenlicht, dat de contouren van de bomen telkens omspeelt en ze als een fijn kantwerk doet uitkomen tegen het beschaduwde fond van het bergmassief. Het zich verbredende watervlak in de diepte op de voorgrond kaatst het licht terug tegen de steile rotswanden, zodat buiten het bereik van de zon toch ook een schilderachtig spel van schaduw en halfschaduw ontstaat. En dan is er het beweeglijke en ontstuimige element van de voortdurend neerstortende watermassa's met het opspatten en het tot nevel verstuiven, waardoor weer een bijzonder lichtspel te voorschijn getoverd wordt, midden in het beeld. Boven dit bruisende natuurtoneel opent zich een vergezicht op andere bergen, die zich vaag aftekenen in het nevelige verschiet. Geheel onderaan links, vóór de lichtspiegel van het water, zien wij een beschaduwde koele plek op de afgeslepen rotsgrond, die wij ons aan de voeten van de tekenaar moeten voorstellen. Dat zijn zo de indrukken, die wij dadelijk ondergaan dankzij de vakkundige weergave en wij denken aan zuidelijke landen en hun toeristische attracties. De tekening is nog niet geheel voltooid, zoals u o.a. kunt zien aan de nog niet uitgewerkte boom, links bij de rand van het blad, en een signatuur ontbreekt. Toch weten wij zeker dat Hendrik Voogd de tekenaar is, omdat dit blad deel uitmaakte van een stuk ateliernalatenschap van de kunstenaar. Pas door het onverwacht en ineens te voorschijn komen van onze tekening samen met enige honderden andere, waaronder gesigneerde, groot en klein, meer of minder uitvoerig, allemaal studies van landschap, bomen, rotsen, gebouwen en dieren - de ontdekking ruim twaalf jaar geleden, waarop ik in het begin zinspeelde -, pas daardoor kwam de belangstelling voor deze vergeten kunstenaar op gang. Al die bladen vonden hun weg naar verschillende openbare en particuliere verzamelingen in ons land. Het Groninger museum had het geluk onder meer deze tekening te verwerven. Wie was deze Hendrik Voogd ? Over zijn levensloop moet ik hier kort zijn. Hij werd geboren te Amsterdam in 1768 'uit geringe ouders', zoals een tijdgenoot het uitdrukte, en stierf 71 jaar oud in Rome, waar hij begraven werd. Dat was in 1839. Bij Jurriaan Andriessen in Amsterdam werd hij opgeleid als landschapschilder, wat in die tijd wil zeggen: schilder van kamerbehangsels. Andriessen was daarin een bekwaam specialist en kreeg tal van opdrachten voor de huizen van zijn welgestelde stadgenoten. Zijn werkplaats gold als een goed opleidingsinstituut voor dit vak. Tegen het eind van de 18de eeuw, toen de bouwkunst en de decoratiekunst opnieuw door de voorbeelden uit de klassieke oudheid geïnspireerd werden, won ook voor behangselschilders het klassicisme aan betekenis. In navolging van oudere vakgenoten ondernam Voogd daarom in 1788 een studiereis naar Italië. Dit werd financieel mogelijk gemaakt door een kunstminnende stadsgenoot, Dirk Versteegh, die zich veel voorstelde van het succes, dat zijn veelbelovende beschermeling, eenmaal terug in het vaderland, zou oogsten. Het pakte echter anders uit. Voogd keerde niet meer terug. Hij moet een nogal eigenzinnig man geweest zijn, die al gauw zozeer onder de bekoring kwam van het Italiaanse landschap, van het levendige sociale verkeer binnen de internationale kunstenaarskolonie in Rome en van de mogelijkheden, die hij hier voor zich zag, dat hij besloot hier zijn eigen weg te gaan. Hij bleef zijn verdere leven in Rome wonen, ook al onderhield hij wel blijvend contacten met ons land, o.a. door het nog eens te bezoeken en door veelvuldig werk in te zenden voor de tentoonstellingen van levende meesters in Amsterdam, die sedert 1808 regelmatig plaats vonden. Hij verwierf zich in Rome een vooraanstaande plaats onder de landschapschilders. Onder de weinige schilderijen, die wij nu nog van hem kennen, zijn er enkele, die begrijpelijk maken dat hij de eervolle bijnaam van 'de Hollandse Claude Lorrain' verwierf, omdat zij als ideale landschappen gecomponeerd zijn volgens de principes, waarin Claude en anderen waren voorgegaan. Volgens getuigenissen van tijdgenoten werd overigens ook juist datgene in zijn werk geprezen, dat meer als een erfenis van de oudhollandse traditie kan gelden: zijn voorkeur voor de natuurgetrouwe weergave van lichteffecten en ook de kundige stoffering met rundvee. Later ontwikkelde zijn visie op het landschap zich in de richting van een meer romantische interpretatie, waarbij een opkomend onweer of een woedende storm er een dramatisch accent aan gaf. Niet alleen schilderijen vonden hun weg naar de liefhebbers in Italië en in Holland, maar ook, wel voornamelijk in de eerste tijd, tekeningen, grote keurig afgewerkte gezichten in en buiten Rome, die ook om hun topografische inhoud zeer in trek waren. Nu is het bijzondere in het geval van Voogd dat wij dankzij de honderden studiebladen, die van hem te voorschijn kwamen, ons een goed denkbeeld kunnen vormen van de wijze waarop zijn finale werkstukken voorbereid werden. Hij begon na zijn aankomst in Rome dadelijk er op uit te trekken in de landelijke omgeving, die hem, zoals vele generaties vóór hem, een openbaring geweest moet zijn. In de Campagna, in de Sabijnse en Albaanse bergen zwierf hij rond, allerhande motieven schetsend, die hij later in zijn composities kon verwerken. De meeste tekende hij eenvoudig met krijt of potlood, sommige werkte hij vervolgens uit met penseel in grijze of bruine tint, zoals onze zeer uitvoerige studie, die vermoedelijk bij Tivoli is ontstaan. Soms noteerde hij de plaats op het blad, zodat het terrein van zijn onvermoeide en geïnspireerde arbeid grotendeels in kaart kan worden gebracht. Het spreekt vanzelf dat dergelijke tochten graag in goed gezelschap werden ondernomen. Van Voogd weten wij dat hij spoedig na zijn aankomst vriendsohap sloot met de Duitser Reinhart, landschapschilder als hij, en dat deze hem op zijn zwerftochten vergezelde. Met de Duitse vakgenoten, die talrijk waren in Rome, schijnt Voogd veel omgang gehad te hebben. Onder hen waren er die ook etsen maakten en zelfs lithografiëen. Dat deed ook Hendrik Voogd, hetgeen opmerkelijk is, omdat de nog maar pas ontwikkelde steendruktechniek toen voor kunstenaars nog een experimenteel karakter had. In een der etsen, die hij maakte in 1793, zien wij een tekenaar aan het werk, gezeten aan de rand van een ravijn bij een grote waterval. De knaap naast hem diende hem misschien als gids of lastdrager. Dit detail (hierbij afgebeeld) wil ik u als quasi-zelfportret van de jonge Voogd presenteren. Zo moet u zich voorstellen dat hij telkens weer ingespannen zat te werken om zich de plaats te veroveren, die hem voor ogen stond.