U bent hier

Herman Teirlinck 1879-1967 door Stefan Van den Bossche

Herman Teirlinck Openbaar Kunstbezit Vlaanderen

 

In de boekhandel is het vandaag vergeefs zoeken naar proza van Herman Teirlinck. Jammer, want Stefan Van den Bossche overtuigt er ons in de eerste veelzijdige biografie van de auteur van dat sommige titels eerherstel verdienen. Dat geldt zeker voor Zon uit 1906, een bundel essays verwant aan het werk van de Zenneschilder Louis Thevenet. Teirlinck toont zich hierin een meester van de ‘aankondigingskunst’. De critici waren destijds ook niet rijp voor de bijna modernistische wendingen in de roman De nieuwe Uilenspiegel (1920) met daarin misschien wel Teirlincks meest aangrijpende passages. En in het zo goed als onbekende essay Monoloog bij nacht (1956) analyseert Teirlinck zijn schrijverschap: “Ik schrijf omdat ik gelukkig ben.”

 

Via de biografie wandelt Herman Teirlinck ons collectief geheugen weer binnen. Zijn naam wordt tegenwoordig nog ternauwernood geassocieerd met de toneelschool ‘Studio Herman Teirlinck’. Nu zien we hem ook aan het opklaptafeltje in de keuken van zijn huis in Beersel, met die Japanse ogen van hem, turen over de Zennevallei, en een zin noteren als: ‘De Zenne had haar eigen licht’. Of in een open koets aan de boemel op de Anspachlaan, en veel later, in de automobiel cruisen door het Zuid-Vlaamse landschap van zijn jeugd. Verhuizen zal de schrijver overigens telkens een boost geven, zo blijkt. Wanneer hij in 1905 van Molenbeek naar Linkebeek verhuist, schrijft hij met zijn Brusselse kronieken zijn beste journalistieke werk. Eenmaal gevestigd in Beersel, het dorp op de heuvel, schrijft hij na een ‘retraite’ in het toneel de romans die vandaag nog het meest leesbaar zijn: zijn ode aan het Muziekbos Maria Speermalie (1940), of die aan het Zoniënwoud Het gevecht met de engel (1952), en ander vitalistisch geweld als Rolande met de bles (1944) en Zelfportret of het galgemaal (1955).

 

Literaire zuurstof gaven dan weer Brussel - Teirlinck verenigde zowel boven- als benedenstad in zich - en Zegelsem, en bij uitbreiding de ganse Vlaamse Ardennen, een benaming die Teirlinck te min vond voor ‘de weergaloze Oostvlaamse streek’. Teirlinck zal zijn levenslange fascinatie voor zowel het donkere, mysterieuze als voor het klare, bevrijdende terugvoeren naar de smidse en de windmolen in de familie van zijn grootouders in Zegelsem.

 

Dat de eerste laureaat van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren aan schrijven toekwam, mag eigenlijk een wonder heten, want het multitalent was alomtegenwoordig in het Vlaamse en Belgische culturele leven. Teirlinck slaagt erin de Van Nu en Straks’ers opnieuw te verenigen. Wanneer er nog maar eens een literair tijdschrift wordt opgericht, krijgt ‘wie anders’ dan Teirlinck de leiding. Hij ontwerpt boekbanden in art-nouveaustijl, runt in Molenbeek een meubelzaak en werkt aan een theaterpedagogiek die vertrekt vanuit de acteur in plaats van de auteur. Dat doet hij als docent en later als directeur van het Hoger Instituut voor Sierkunsten Ter Kameren. In 1946 sticht hij de fameuze Studio van het Nationaal Toneel. Als 71-jarige doet hij er nog alles aan om de jonge Hugo Claus bij het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift te betrekken. De brokjes vaderlandse geschiedenis laten toe om Teirlinck beter te situeren. Zo lezen we over Brussel dat eind negentiende eeuw bloeide als centrum van de moderne Europese kunst of over de zware strijd voor algemeen stemrecht. Het is wat van de hak op de tak, zodat we daarna telkens blij waren de draad van Teirlincks leven weer te kunnen opnemen. Het is interessanter hem zelf in de geschiedenis te zien ingrijpen. Zijn goed woordje als privé-adviseur van koning  Albert I voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit of zijn leugen die Joodse studenten in Ter Kameren - de folterkelders van de Gestapo op de Louizalaan zijn vlakbij - van de deportatie redt. Dat de familie Hess-de-Lilez in Beersel een huis voor hem laat bouwen, dankt Teirlinck aan zijn doortastende optreden toen hij aan het begin van de Eerste Wereldoorlog Alexandre Hess-de-Lilez hielp vluchten langs de achterdeur.

 

Heel wat personages worden door Van den Bossche voor het eerst gelinkt aan figuren uit Teirlincks bonte netwerk. Een zin als ’hij is uw enige vriend geweest’ uit Zelfportret of het galgemaal zet de biograaf aan het speuren. Gaat het over de schrijver Karel van de Woestijne of over iemand anders? Teirlincks daden- en vernieuwingsdrang verklaren ten dele de bijna 700 pagina’s tellende biografie. Ook de uitgeversperikels en de ontvangst van Teirlincks werk doen aantikken. De Nederlander Willem Kloos is van oordeel: ’voor ons verstaanbaar, precies zoals Gezelle en Streuvels’ en Stijn Streuvels op zijn beurt: ‘het is zonder ende!’ naast ander fraais en minder fraais van een schare tijdgenoten. De 2.234 noten (met te kleine nummers) en de uitvoerige bibliografie nodigen uit om verder te exploreren. Teirlinck behoorde tot het meubilair van het paleis, schoot op met ministers, maar grapte en grolde evenzeer met Jan en alleman. Tenminste buitenshuis, waar zijn leven zich dan ook grotendeels afspeelde, krijgen we zicht op hem. Het beeld van Teirlinck als echtgenoot en zeker als vader blijft vaag. De hartstochtelijke brieven aan zijn eerste vrouw Mathilde Lauwens brengen een pittige relatie aan het licht, maar we lezen haast niets over het contact met zijn dochters Stella en Leentje en zijn tweede vrouw Johanna Hoofmans, die na Mathildes overlijden haar rol als moeder en grootmoeder overneemt. Enkel op hoge leeftijd is er die schrijnende getuigenis van Karel Jonckheere wanneer Teirlincks reis naar Congo afspringt, zodat hij zijn dochter Stella niet meer zal zien voor ze sterft: “er was geen boek op de tafel dat nog meetelde”. Het doet recht aan de prioriteiten.

 

Teirlinck kon niet leven zonder podium en dat moet dus wennen geweest zijn voor Van den Bossche, na zijn vorige biografie over het teruggetrokken leven van de Ukkelse dichter Jan van Nijlen. De biograaf is er echter in geslaagd naast de tafelspringer ook de solitaire schrijver te spotten, verwikkeld in een innerlijke strijd, enkel vergezeld van een liter faro.

 


Stefan van den Bossche

Gij zijt zoveel mensen geweest

Herman Teirlinck 1879-1967

800 blz.

Gebonden, geïllustreerd

ISBN 9789089246141

€ 39,99

Houtekiet