U bent hier

Het Antifonarium-Tsgrooten - De eeuwige jeugd van het gregoriaans

Antifonarium-Tsgrooten

 

Op 13 februari 2008 maakte minister Bert Anciaux bekend dat de Vlaamse Gemeenschap het kostbare Antifonarium-Tsgrooten heeft aangekocht. Het antifonarium maakt deel uit van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek en wordt de komende vijf jaar bewaard in de Gentse Universiteitsbibliotheek. Het werd volledig gedigitaliseerd, waardoor het voor iedereen toegankelijk is.

 

 

UITZONDERLIJK GOED GEDOCUMENTEERD

 

Het is zeldzaam om een gregoriaans handschrift te vinden waarvan de ontstaanscontext zo goed  bekend is. Het Antifonarium-Tsgrooten werd in 1522 vervaardigd door Franciscus Van Weert en een anonieme miniaturist, in opdracht van Antonius Tsgrooten (1460-1530), abt van de norbertijner abdij in Tongerlo.

 

Tsgrooten was één van de belangrijkste abten in de geschiedenis van de abdij, en had een grote belangstelling voor kunst. Zo  bestelde hij bij Goswin van der Weyden, kleinzoon van Rogier, een kruisigingstripriek (1507, KMSK Antwerpen). Om de liturgie een nieuwe stimulans te geven, liet hij een reeks van nieuwe koorboeken maken, waarvoor hij de beste vakmensen aantrok en de beste materialen liet gebruiken.

 

De scriptor was Franciscus Van Weert (fl. 1508-39), die wel vaker werkte in opdracht van norbertijner  abdijen als Averbode, Park en Tongerlo. Het is bekend dat Van Weerts productie ook verschillende muziekhandschriften  omvatte,  zoals graduales (met gezangen voor de mis) en antifanaria  (met gezangen voor het officie of getijdengebed). Omwille van hun omvang werden dergelijke laatmiddeleeuwse antifanaria vaak ingebonden in meerdere delen, waarbij de indeling in een zomer­ (van Pasen tot Advent) en een winterdeel (van Advent tot vasten) de meest gebruikelijke is. Die indeling werd ook in Tongerlo gemaakt: het Antifonarium-Tsgrooten is het zogenaamde zomerdeel, het overeenkomstige winterdeel en een bijhorend  psalter worden bewaard in de British Library. Het is dankzij het colofon in het psalter dat de scribent en de datum van de drie volumes bekend zijn.

 

De verluchter van het handschrift  is vooralsnog anoniem. De verluchtingen zijn te situeren in de zogenaamde Gents-Brugse stijl, die wordt getypeerd door de randlijsten rond de belangrijkste folia, waarin bloemen, insecten en andere elementen zijn afgebeeld. Onder de decoratie-elementen zijn her en der muziekinstrumenten als vedel, harp, diverse fluittypes, doedelzak en luit te onderscheiden; de realistische weergave maakt het handschrift tot een waardevolle muziekiconografische bron.

 

 

PREMONSTRATENZER GREGORIAANS

 

Het gregoriaans kan bogen op bijzonder oude adelbrie­ ven: de oudste lagen van het repertoire  gaan wellicht terug tot in de zevende en achtste eeuw, en vanaf de Karolingische periode werd het gregoriaans ook schriftelijk gefixeerd. Dat betekent niet dat de vorm en inhoud van het gregoriaanse repertoire daarmee voorgoed en onveranderlijk dezelfde bleef. De opkomst van nieuwe kloosterorden was één van de factoren die het gregoriaans steeds weer aanzetten tot aanpassing en flexibiliteit. Heel wat van die orden, zoals de kartuizers of de cisterciënzers, ontwikkelden hun eigen variant van het gregoriaanse repertoire. Dit was niet zomaar een toevallige evolutie: de ordes waren zich wel degelijk bewust van de eigenheid van 'hun'  liturgie, en de 'ei­gen' muziek hiervoor was een belangrijke factor in hun identiteitsbesef.

 

Of dat ook geldt voor het repertoire  van de norbertijnen  (of premonstratenzers)  is echter niet zo duidelijk. Eén reden hiervoor is dat er tot dusver erg weinig onderzoek naar het gregoriaans van de norbertijnen werd verricht. De ontstaansgeschiedenis van de orde doet bovendien vermoeden dat de historische realiteit niet zo eenduidig was. De orde heeft immers haar oor­ sprong bij de reguliere kanunniken,  gemeenschappen van priesters die leefden volgens de regel van Augustinus en de ritus (en dus het gregoriaanse repertoire) van het plaatselijke bisdom volgden. De stichter, Norbertus van Xanten (1080-1134), was zelf kanunnik geweest in Xanten vóór hij in 1120 de orde stichtte.

 

De spanning tussen de lokale riten en de liturgische eenheid binnen de orde loopt als een rode draad door­ heen de geschiedenis van de norbertijnen, en is ook op muzikaal  vlak terug  te  vinden. Enerzijds suggereren heel wat oude documenten dat het de vroege norbertijnen toegestaan werd om het plaatselijke repertoire van het bisdom over te nemen.

 

Gezien de snelle groei van de vroege orde (het eerste generaal kapittel in 1130 telde al meer dan honderd aanwezige abten!) is dit perfect begrijpelijk; dit was wellicht de snelste manier om alle huizen van de orde van de nodige boeken te voorzien. Anderzijds stoten we frequent op aansporingen om de eenheid onder de verschillende huizen te bewaren. Wel­ licht betekent dit dat muzikaal-liturgische uniformiteit eerder een streefdoel was dan een echte realiteit. Het mag dan ook niet verwonderen dat zich in de latere geschiedenis verschillende keren een herziening of aan­ passing van het repertoire voordoet. Een vroege revisie is in het Antifonarium-Tsgrooten bijzonder duidelijk terug te vinden.

 

 

EEN DYNAMISCH REPERTOIRE

 

Die bewerking van de gezangen valt, voor wie slechts enkele pagina's van het handschrift bekijkt, niet meteen op: hier en daar werden noten geschrapt of toegevoegd, soms een woord in de tekst aangepast. Meestal schemert ook de oorspronkelijke versie nog door. Verder zijn er vele muzikale gebruikssporen,  zoals si-be­moltekens en modusnummers, die het verloop van de psalmodie moesten vergemakkelijken. Bij nader inzien blijkt echter al snel dat de aanpassingen  in de noten doelgericht  en doorheen  het  gehele handschrift  zijn aangebracht. 

 

Vergelijking met latere bronnen maakte duidelijk dat  de aangepaste  melodieën bijna volledig overeenstemmen met die in het Antiphonarium Praemonstratense, in 1680 uitgegeven door Guillaume-Gabriel Nivers (1632-1714). Nivers was organist aan het Franse hof en maakte onder meer naam als uitgever en bewerker van gregoriaanse gezangen. Hij realiseerde deze 'herziene editie' van het premonstratenzer repertoire in samenwerking met enkele norbertijnen uit onze streken. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen welke de precieze relatie is tussen handschrift uit 1522 en de druk uit 1680: werd het handschrift aangepast ná het verschijnen van de druk? Of fungeerde het integendeel als 'voorbereidend materiaal'? Gezien de participatie van Vlaamse norbertijnen zijn beide scenario's denkbaar.

 

Het gezang Dum complerentur voor het nachtofficie (de metten)  van Pinksteren levert een goed voorbeeld (zie illustratie hiernaast). Het is duidelijk zichtbaar dat heel wat noten zijn uitgekrast, waardoor een aantal onlogische witte ruimtes in de bladspiegel ontstaan, bijvoorbeeld in het woord replevit (laatste  regel), of op subito (twee lijnen hoger). Ook voor de niet-musicus is het duidelijk dat ook aan de tekst werd gesleuteld. Zo werd de tekst gecorrigeerd tot  'pariter in eodem loco alleluya', terwijl de gebruikelijke tekst luidt 'pariter dicentes alleluya'. Hetzelfde gebeurde in 'spiritus vehementis et replevit' (in de plaats van het gebruikelijke 'spiritus torrens replevit'). De tekstcorrecties geven systematisch de voorkeur aan de oorspronkelijke Bijbeltekst uit de Latijnse Vulgata (Hnd 2, 1-2) boven de in het gregoriaans courante parafrase.

 

Dit alles laat niet alleen zien dat de Vlaamse norbertijnen-musici op hun terrein bij de tijd waren, en dat naast de gedrukte muziek ook handschriften tot in de zeventiende eeuw een belangrijke rol bleven spelen. Dit kostbare handschrift bewijst ook, en met verve, dat het gregoriaans als een dynamisch repertoire zijn plaats in het Vlaamse muziekleven bleef opeisen.

 

Pieter Mannaerts

 


INFO

Het handschrift is te raadplegen op www.antifonariumtsgrooten.be