U bent hier

Het kasteel van Seneffe - Praal en intimiteit

Het Kasteel van Seneffe straalt strengheid en degelijkheid uit.

 

In 2011 won het Kasteel van Seneffe de Museumprijs. “Het verbindt op een kwaliteitsvolle wijze aandacht voor geschiedenis en architectuur, voor het park en de indrukwekkenden zilververzameling,” zo oordeelde de jury.

 

 

TOPARCHITECT VAN DE NEDERLANDEN

 

De grijze steen van de streek laat het kasteel ietwat somber ogen, zeker als de wolken dreigend zijn en de zon verscholen. De zeshonderd meter-lange dreef die erheen leidt maakt het geheel alleen nog imposanter. Alles is eraan gedaan om de bewoner van het kasteel als belangrijk en machtig te laten overkomen. Het was Julien Ghislain Depestre, graaf van Seneffe en Turnhout, die architect Laurent Benoît Dewez de opdracht gaf tot de bouw van dit buitenverblijf. Depestre was een succesvol handelaar, bankier en zakenman. Hij was zowel doende met textielhandel, maritieme verzekeringen als met papierfabricatie. Hij had duidelijk een neus voor zaken. Zo sloot hij op een bepaald moment een contract af voor de levering van 6.000 paarden en 1.400 wagens aan de troepen van maarschalk de Soubise tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763). Frankrijk en Oostenrijk, waartoe onze contreien nog behoorden, waren toen bondgenoten. Het al ruime fortuin van Depestre en zijn vrouw Isabelle Cogels groeide hierdoor aanzienlijk en stelde hen in staat tot de bouw van het kasteel van Seneffe. De heerlijkheid werd tot graafschap gepromoveerd in 1768.

 

Rond 1762 nam Julien Depestre voor het eerst contact op met architect Dewez, een man die in de Oostenrijkse Nederlanden vooral bekendheid verwierf met de heropbouw van de abdij van Orval. Het was de aanzet tot een carrière die hem in onze gebieden tot een van de belangrijkste architecten van die tijd heeft gemaakt. Hij realiseerde tal van verbouwingen van abdijen en kloosters en werd benoemd tot Eerste Architect van de Gouverneur van de Oostenrijkse Nederlanden. Na de bouw van het kasteel van Seneffe volgden nog talrijke andere opdrachten in die zin. Door jaloezie van collega’s en lastercampagnes werd hij van zijn functie als hofarchitect ontheven. Tijdens de Franse bezetting vluchtte hij naar Praag. Hij keerde in 1804 naar ons land terug maar slaagde er niet in opnieuw een loopbaan op te bouwen. Hij stierf in 1812 geruïneerd en vergeten.

 

Dewez heeft Seneffe ontworpen als een totaalproject. Hij had nog gewerkt bij de gebroeders James en Robert Adam in Londen en dat heeft zijn opvattingen in die zin zeker beïnvloed. Voor het kasteel ontwierp hij de gevels en de kamerindeling en ook de dienstdoorgangen en -ruimtes, evenals de inplanting in een parksite en soms zelfs de interieurdecoratie. Zijn greep op het uiteindelijk resultaat is in tal van elementen zichtbaar. Het gebouw straalt strengheid en degelijkheid uit, geen pronkzucht. Er is een grote harmonie in de proporties en de gebruikte materialen. Die harmonie is in de loop der tijden gelukkig gerespecteerd bij de diverse verbouwingen en restauraties. Het kasteel ligt aan een erekoer die wordt omarmd door twee zuilengalerijen die telkens eindigen op een hoekpaviljoen dat bekroond wordt met een ronde verdieping als een lantaarn voorzien van een koepeltje. 

 

 

VOORBEELDIG

 

Als het Kasteel van Seneffe in 2011 de Museumprijs heeft gekregen voor het Waalse landsgedeelte, dan zal dat voornamelijk te danken zijn aan de open blik en de geëngageerde visie waarmee directrice Marjolaine Hanssens en haar staf het kasteelmuseum runnen. Ze heeft op een intelligente manier verschillende aspecten weten te verenigen. Het kasteel is immers niet alleen een adellijke woonst uit de achttiende eeuw, het is ook de bewaarplaats van een grote verzameling edelsmeedwerk.

 

Toen de Belgische staat het domein aankocht in 1970 waren het kasteel en de bijgebouwen in vervallen toestand. Met de federalisering kwam het in handen van de Franse Gemeenschap. In 1978 kreeg het domein naar aanleiding van de schenking van de zilvercollectie van Claude D’Allemagne zijn definitieve bestemming. Van dan af is er werk gemaakt van een grondige en voorbeeldige restauratie. Het kasteel was niet meer bemeubeld en er was een bijzonder mooie zilvercollectie, wat doe je daarmee? Dat was de opdracht waarvoor de directie stond.

 

Marjolaine Hanssens koos niet voor een museale opstelling van al het beschikbare zilver in saaie vitrines, maar werkte in de benedenverdieping een circuit uit dat elke bezoeker kan boeien. Onder de verleidelijke titel Praal & Intimiteit wordt een blik gegund in de leefwereld van de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting. In die tijd ontstaan er twee soorten van vertrekken (uiteraard bij diegenen die het zich konden veroorloven): de appartements de société of de vertrekken waar men bezoekers kon ontvangen en de appartements de commodité of de privévertrekken. Die verschillende ruimtes zijn in twee woonzones ingedeeld en bestaan uit een geheel van kamers die elk een specifieke rol vervullen. De grote hal in het midden van de woning verbindt de beide zones met elkaar en komt uit op het grote salon dat zich achter de hal bevindt met een zicht op de tuin. Hier wachten bezoekers tot ze worden ontvangen. 

 

Gewapend met een audiofoon kan de bezoeker van de eenentwintigste eeuw vanuit de inkomhal van het kasteel vrijelijk het parcours verkennen. Spijtig is wel dat in de vestibule de noodzakelijke infrastructuur is aangebracht (balie, informatie, etc.) die het geheel enigszins verstoort. Het parcours houdt geen rekening met de hoger beschreven tweedeling maar stippelt een eigen weg uit in het leven van de achttiende eeuw.

 

 

ACHTER ELKE DEUR…

 

Het bezoek begint in de antichambre waar het personeel wacht op de heer des huizes. Meteen de gelegenheid om een aantal mooie klokken en pendules te exposeren. Het is een geschikte plaats om even te acclimatiseren en de tijd een paar eeuwen terug te draaien.

 

Je opent de deur en komt terecht in de biljartkamer. Er is geluid en er zijn enkele filmfragmenten die je helemaal in de sfeer brengen. Je ziet Mozart aan de biljarttafel werken in de film Amadeus van Milos Forman. Zelfs aan de geur is gedacht. In de diverse kamers staan fraaie kamerschermen met grote fotomontages en verhelderende teksten in drie talen. De Nederlandstalige bezoekers zijn hier zeer welkom. In elke kamer is een deel van de collectie zilverwerk opgesteld op een manier alsof ze daar altijd al aanwezig waren. In de biljartkamer vind je de snuifdozen, tabakspotten, bekers en wijnproefschaaltjes, al die verfijnde snuisterijen die met de geneugten des levens te maken hebben. 

 

Naast de biljartkamer is een heus rariteitenkabinet ingericht waar de gastheer zich met zijn gasten kon onderhouden over zijn nieuwste aanwinsten. In de daaropvolgende zaal staat alles in het teken van de chocolade, één van die nieuwe luxeproducten die door de ontdekkingsreizen de wereld had veroverd. Tal van schitterende chocoladekannen staan hier te pronken. 

 

Er is aan de presentatie van de diverse thema’s veel zorg besteed en ze is ook van die aard dat de architectuur en de eigen decoratie van het kasteel niet verdwijnt voor het tentoonstellingsconcept. Dit alles maakt het bezoek tot een zeer belevingsgerichte gebeurtenis vol afwisseling. Iedere keer weer maakt de gast zelf de deur van de volgende kamer open en wordt er geconfronteerd met een nieuw aspect. Er wordt gebruik gemaakt van diverse technieken zonder dat die storend of overheersend zijn. 

 

Wie de zaal met de chocoladethematiek verlaat, komt terecht in een verduisterd salon waar het accent ligt op de kandelaar, een zeer noodzakelijk instrument in een tijd waar olielampen en kaarsen als lichtbron dienden. Op een spiegel wordt een video geprojecteerd die dan weer reflecteert op de uitgebreide sokkel waar de kandelaars getoond worden. Een zitbank nodigt de bezoeker uit om het tafereel in zich op te nemen.

 

Hierna beland je in het bureau van mijnheer, want achter dit schijnbaar onbekommerde bestaan schuilt natuurlijk de macht van het geld, geld dat verdient wordt met handel en de exploitatie van de verre koloniën. Hier wordt die sfeer opgeroepen met diverse textielen en exotische specerijen. Er is gedacht aan alle aspecten: de lectuur, de hygiëne, de kleding, het eten… en zo komt de bezoeker van zelf weer in de vestibule terecht. Daar kan hij dan de eretrap opgaan om ook de bovenverdieping even te verkennen. 

 

Hier worden evenementen georganiseerd en tentoonstellingen van moderne en hedendaagse kunst gehouden. Het is immers een belangrijke doelstelling van de directie om een blijvende link te bewaren met de actualiteit, heden en verleden als een continuïteit te laten ervaren. Elk jaar worden ook hedendaagse kunstenaars uitgenodigd om in confrontatie met het kasteel in het park te exposeren. 

 

In 2012 zijn dat de Vlaamse kunstenaars Peter Morrens (°1965) en Frederic Geurts (°1965). Vanop de bovenverdieping heeft men een bijzonder goed zicht op de aanleg van dat park en de daarin voorziene vergezichten. In de aanleg zijn zowel Italiaanse, Franse als Engelse invloeden te herkennen. Het is in grote mate in zijn oorspronkelijke verschijningsvorm gerestaureerd en met hedendaagse ingrepen verrijkt. 

 

 

THEATER, TUIN EN STEMMEN

 

Ook de bijgebouwen zijn gerestaureerd en hebben een aangepaste functie. In de Orangerie is er een brasserie ondergebracht. Belangrijker is het bestaan van een klein theater. Het is eerder uitzonderlijk dat een huistheater buiten de eigenlijke woonst werd gesitueerd als een afzonderlijk entiteit. Het werd in 1779 gebouwd en ligt tussen de Engelse tuin en de tuin met de drie terrassen. Joseph Depestre, zoon van Julien, woonde voornamelijk in Parijs en gaf de Franse architect Charles De Wailly de opdracht het gebouw te ontwerpen. Het theatertje heeft een T-vormig grondplan, een schilddak en in de zuidflank een ronde uitbouw. Het is een van de weinige neopalladiaanse gebouwen in België. Het heeft het uitzicht van een tempeltje, iets wat nog versterkt wordt door de aanwezigheid van een antiek altaar op het bordes aan de achterzijde.

 

De tuin aan de voorkant van het theater heeft een waterpartij met een fontein met bewegende elementen van Pol Bury. Kortom, het is heerlijk verwijlen in het domein van Seneffe waar je na een bezoek aan het kasteel waarachtig soms stemmen hoort. Twijfel dan niet aan je eigen vermogens, het zijn wel degelijk stemmen. Ze komen uit discrete installaties van Bob Verschueren (°1945) die aan sommige bomen omgekeerde bloempotten ophing waaruit fragmenten van achttiende-eeuwse literatuur weerklinken. Ze brengen u helemaal in de sfeer van de hofintriges en de amoureuze verzuchtingen zoals we die kennen van madame de Sévigné en Pierre Choderlos de Laclos.

 

Daan Rau


Info

 

Château de Seneffe - Musée de l’Orfèvrerie

Open dinsdag tot en met zondag van 10 tot 18 uur.

Gesloten:maandag

Saveuars des Lumières, degustatiesalon van de 18de eeuw, open op zon- en feestdagen van 14 tot 18 uur, ook voor personen die het museum niet bezoeken.

 

Tentoonstelling:

aH-Ha met werk van Peter Morrens en Frederic Geurts

tot 11 november in het park van het domein

Rue Lucien Plasman 7-9

7180 Seneffe

Tel 064 55 96  13

www.chateaudeseneffe.be