U bent hier

Het Kortrijkse Museum van Oudheden – 1944-1977

Het Kortrijkse Museum van Oudheden – 1944-1977
In de nacht van de 21ste juli 1944 werd de stad Kortrijk door een dubbele bomaanval geteisterd. Er vielen talrijke slachtoffers en talrijke gebouwen werden vernield. Een dantesk tafereel bood de brand van de Grote Hallen, waarvan de houten roosteringen en het gebint, met de prachtige collectie meubelen van het Museum van Oudheden, dat in de hallen ondergebracht was, in de vlammen opgingen.
 
 
Daarentegen bleef de rijke verzameling Kortrijkse damast, in een brandkast geborgen, hoewel gedeeltelijk beschadigd toch voor een groot deel gespaard. Gelukkig had men veel andere voorwerpen uit het museum bij het begin van de oorlog in de kelders van de nabij gelegen stadsschouwburg in veiligheid gebracht. Ook dat gebouw werd getroffen, maar de kelders stortten niet in. Toch werd door het indringende water heel wat schade veroorzaakt.
 
 
Onmiddellijk na de oorlog ging de meeste aandacht naar de wederopbouw, huisvesting en het herstel van het maatschappelijke en economische leven, met het gevolg dat de museumverzameling enigszins verwaarloosd werd. Pas in 1955 werd met de inventarisatie van de bewaarde collecties begonnen. Het bleek een omvangrijker werk dan voorzien, daar meer dan 2000 hoofdzakelijk kleinere voorwerpen opgetekend werden en ook merkwaardige stukken, zoals de gulden spoor en een opvallend groot aantal keramiekborden gespaard bleken.
 
 
Het vooroorlogse Museum van Oudheden en Sierkunst bezat een viertal exemplaren van zeldzame Kortrijkse faïence, hoewel het toch om zijn keramiekverzameling geen bijzondere bekendheid genoot. Wat het verder aan keramiek voor de bezoekers ten toon stelde waren voorwerpen die aangeworven werden om de reconstructie van interieurs te versieren. Een halve eeuw en nog langer geleden, toen de collectie samen gesteld werd, kon dat tegen prijzen die twee- tot vijfhonderdmaal lager lagen dan nu.
 
 
Men weet ook niet waar de meeste stukken aangeschaft werden; alleen is bekend dat conservator Joseph de Béthune nogal wat voorwerpen uit eigen bezit aan het museum geschonken heeft.
 
 
In 1956 werd door het stadsbestuur een patriciërswoning aan de Broelkaai 6 ter beschikking gesteld om de verzamelingen van het Museum van Oudheden en het Museum voor Schone Kunsten samen te herbergen, daar laatst genoemde instelling intussen ook haar behuizing kwijt geraakt was. Daarop volgde in 1961 de oprichting van de Commissie voor het Kunstpatrimonium, die beide musea onder haar bevoegdheid kreeg.
 
 
Datzelfde jaar werd een tentoonstelling van keramiek gehouden, die hoewel alleen met voorwerpen uit eigen bezit ingericht, de hele verdieping van het gebouw in beslag nam.
 
 
Het toekomstbeleid werd door de Commissie voor het Kunstpatrimonium op talrijke vergaderingen vastgelegd. Een van haar voornaamste opdrachten was het beleggen van de gelden die voor de geleden oorlogsschade ter beschikking gesteld waren. Besloten werd voor het Museum van Oudheden aankopen te doen van voorwerpen in verband met de lokale geschiedenis, de kunstambachten en de folklore; terwijl anderzijds ook de wens uitgedrukt werd de verzameling keramiek aan te vullen en uit te breiden, zodat zij een didactisch overzicht zou verschaffen van de voornaamste technieken, centra en periodes van de pottenbakkerskunst.
 
 
Zo werden in de jongste decennia talrijke stukken verworven niet alleen uit ons land, maar ook uit Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje, Italië, Duitsland en Oostenrijk.
 
 
Al het belangrijkste vermelden is een onbegonnen werk. Niettemin willen wij toch enkele opmerkenswaardige voorbeelden opnoemen: een grote schotel van faïence uit Deruta van ca. 1515, een madonnaschotel van Noordnederlandse majolica uit het begin der 17e eeuw en een beeldje dat een pottenbakker aan zijn draaischijf voorstelt, porselein van Meissen van ca. 1750 van J. Kandler. Onze opsomming en een tiental foto's kunnen spijtig genoeg geen volledig beeld van de huidige keramiekverzameling geven; zij telt nu meer dan 2000 voorwerpen.
 
 
Bij het bijeenbrengen van een keus is men dikwijls geneigd te pronken met het kostbaarste en zeldzaamste uit de verzameling. Dat lijkt ons vrij gemakkelijk. Wij kozen liever stukken die ons nabij zijn, tot ons spreken en sympathiek overkomen. Moge onze keus een uitnodiging zijn tot kennismaking met de volledige collectie, sinds vele jaren met liefde verzameld en ten toon gesteld in een woning naar menselijke maat.
 
 

Ir. A.G. Pauwels, Conservator Museum van Oudheden, Kortrijk