U bent hier

Jan Borman en Reinier van Thienen - Praalgraf van Maria van Bourgondië

Jan Borman en Reinier van Thienen - Praalgraf van Maria van Bourgondië

Nagenoeg alle kunstfilosofen zijn het er over eens dat de menselijke activiteit die wij 'kunst' plegen te noemen onder meer kan worden gezien en geïnterpreteerd als één der middelen, waarmee wij als sterfelijke wezens, bewust van onze kortstondigheid, de dood en het niets bezweren. Het is inderdaad niet toevalligerwijze dat zovele - indien niet alle - van de oudste artistieke uitingen der mensheid zoals de kunstgeschiedenis die voor ons ontdekt, catalogeert en duidt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks verband houden met het verschijnsel dood, met de zorg voor het stoffelijk overschot en voor de ziel van het overleden individu, evenals met min of meer religieus getinte speculaties omtrent een eeuwig voortbestaan. Men denke maar aan de Egyptische piramides of aan de Etruskische dodensteden waaruit telkens uiteindelijk identieke bekommernissen spreken in verscheiden vormen, bepaald door verschillende klimatologische, sociale en cultuurhistorische omstandigheden. Ook in een recenter verleden en in cultuurkringen die, evolutief gezien, aan de onze direct voorafgingen, treft men heel wat 'graf-kunst aan. De Europese middeleeuwen nemen in dit opzicht een heel belangrijke plaats in. Aan de ene kant gingen zij aanvankelijk zonder onderbreking door met veel uitwendigs van de begrafenistradities uit de Oudheid, aan de andere kant wijzigde en verscherpte het Christendom, dat voortaan voor eeuwen het voornaamste cultuurferment zou zijn, de gevoeligheid van de westerse mens voor de metafysische betekenis van de dood. De oudchristelijke sarcofagen of gebeeldhouwde stenen lijkkisten, leveren hiervan vroege, ontroerende getuigenissen. Cultuurhistorisch is het wel merkwaardig hoe deze initiaal sterk verinnerlijkte gevoeligheid zich in de loop der eeuwen verdringen liet door meer wereldse elementen. Vanzelfsprekend waren ook vroeger artistiek verzorgde en bijgevolg dure begraafplaatsen en mausolea enkel het voorrecht van de aanzienlijksten, van de leidende standen, en zo is het dat de middeleeuwse grafkunst ons vooral monumenten naliet, opgericht ter nagedachtenis van vorsten en leenroerige gezagdragers : landelijke heren, gewestelijke adel, koningen en keizers. Het is in deze ontwikkelingsgang dat ook het indrukwekkend-rijke grafmonument van Maria van Bourgondië kan worden gesitueerd. Dit praalgraf, dat in een zijkapel van de O.-L.-Vrouwekerk te Brugge opgesteld staat naast dat - analoog van opvatting, zij het een halve eeuw jonger van uitvoering en zeker geringer van kwaliteit - van Karei de Stoute, en dat in de jaren 1491-1498 tot stand kwam, mag immers in dit genre als de gelukkigste der laatste verwezenlijkingen van de Bourgondo-Zuidnederlandse kunst worden beschouwd. Wat betreft het materiaal en de techniek waarin het is uitgevoerd, behoort dit vorstelijk mausoleum tot wat men wel eens heeft genoemd de 'artistieke koperbewerking', een kunstnijverheidstak die in onze gewesten in de XVe en XVIe eeuw precies een bloeiperiode kende en meerdere stukken voortbracht van reële artistieke betekenis. Het voornaamste onderdeel van dit monument, de levensgrote beeltenis ten voeten uit van de in biddende houding opgebaarde jonge hertogin, is inderdaad een in koper gegoten 'gisant' of ligbeeld. De keuze van dit metaal boven traditionele grondstoffen voor zerken en ligbeelden zoals steen, marmer of albast, vormde in de toenmalige Nederlanden geen uitzondering. Voor tal van hoge personages uit het Vlaams-Bourgondische huis, zo o.m. voor Lodewijk van Male en zijn vrouw te Rijsel, voor Johanna van Brabant te Brussel, zo ook voor Isabella van Bourbon, Maria's moeder, te Antwerpen - het ligbeeld van dit grafmonument wordt nog bewaard in de Antwerpse kathedraal -werden dergelijke mausolea opgericht, welke helaas in de loop der tijden werden vernield. Dit relatief groot aantal in koper gegoten dodenbeelden vindt zijn gedeeltelijke verklaring in de gelijktijdige bloei van de Zuidnederlandse houtsnijkunst zoals die merkbaar is in de talloze en kwalitatief doorgaans bevredigende altaarretabels die in die tijd vooral in het Brabantse werden vervaardigd. Ook aan de conceptie van Maria van Bourgondië's gegoten gisant liggen immers het talent en het vakmanschap van een beeldensnijder ten grondslag. Nadat men lange tijd dit magnifieke stuk metaalplastiek uitsluitend op naam had gesteld van de Brusselse edelsmid en geelgieter Pieter de Beckere, bleek uit recenter archiefonderzoek dat het houten model het werk is geweest van de bekende beeldensnijder Jan Borman de Oudere die in 1493 ook het St.-Jorisretabel van O.-L.-Vrouw-van-Ginderbuiten (Leuven) sneed en dat de verbazend-knappe uitvoering in koper op het actief moet worden geplaatst van Reinier Jansz. van Thienen, uit wiens atelier ook de imposante paaskandelaar (1483) in de St.-Leonarduskerk te Zoutleeuw stamt. Reinier is het bekendste lid van een Brussels geelgietersgeslacht en was blijkens archivalia in zijn vaderstad aan de arbeid tussen 1456 en 1493. Enkele jaren later moet hij zijn overleden. Wat de genoemde Pieter de Beckere aangaat, aan hem komt enkel de verdienste toe dit meesterlijk produkt der gietkunst te hebben verguld. Wat vooral opvalt aan deze gisant is zijn plastische werking en zijn gelouterd realisme, twee hoedanigheden - of beter nog : kwaliteiten - die in dit geval onderling ten nauwste samenhangen. De figuur van de als het ware in de dood zacht rustende vorstin is bijzonder tastbaar en natuurgetrouw weergegeven, het gekroonde hoofd wegzinkend in een veerkrachtig kussen met kwasten, stil voor zich uit starend, de handen in gebedshouding boven de borst, het lichaam gehuld in een zwaar, in majestueuze maar soepele plooien zich voegend gewaad met brede mouwen, liggend op een zorgvuldig naast de gestalte opgevouwen schoudermantel met rijkversierde zoom. Aan haar voeten twee dashonden, als symbolen van trouw, in waakzame houding. In de eerste plaats uit de gevoelige behandeling van het jeugdig gelaat met het hooggewelfde voorhoofd, de vergeestelijkte neus, mond- en kinpartij, spreekt eerbied en bewogenheid. De tragische dood - een ongeval bij een jachtpartij te Wijnendale bij Torhout - op 27 maart 1482 van de amper 25-jarige hertogin, die, sedert zij bij de niet minder tragische dood van haar vader te Nancy, in zulke gespannen verhoudingen had gestaan met de Vlaamse en Brabantse steden die haar het Groot Privilege (Gent, 11 februari 1477) hadden afgedwongen, lag zeker nog vers in het geheugen van opdrachtgevers en uitvoerders bij de oprichting van het grafmonument. De verdere opvatting van dit laatste getuigt van een opmerkelijk goede smaak. Het zoeven beschreven lig-beeld rust op een massieve, sokkelvormige, rechthoekige sarcofaag van blauwzwarte, zacht gepolijste toetssteen. Onderaan is deze sokkel afgeboord met een plint van hetzelfde materiaal. Op de zijkanten van de kist eiste de typisch middeleeuwse zin voor het decoratieve en het heraldische zijn rechten op : de twee lange zijden zijn verfraaid met sierlijke, in koper uitgewerkte stambomen, waarvan de in soepele symmetrie ontvouwde takken met email opgesmukte en door engelen gehouden wapenschilden omsluiten. Op deze manier werd de hoge afstamming van de overledene aanschouwelijk geattesteerd. De korte zijden dragen respectievelijk de titulatuur en het persoonlijke blazoen van de vorstin, terwijl het zuiver religieuze element beperkt blijft tot de vier evangelisten-figuren, die als rondplastische statuet-jes elk onder een baldakijntje, de ribben versieren. Van de verschillende graafschappen en hertogdommen waarover Maria's autoriteit zich had laten gelden^ liggen de kleurige schilden op banderollen, geschikt in een holle profilering van het deksel rondom de hértogin. Het zal wel eenieder duidelijk zijn dat een 'kunst'-werk als deze graftombe esthetisch enigszins op een andere wijze moet worden benaderd dan een schilderij of een stuk zuivere beeldhouwkunst. Vooreerst staan we hier voor een ensemble dat andere functies te vervullen had dan enkel beeldende of uitbeeldende. Het probleem waarvoor Jan Borman en Rei-nier van Thienen zich gesteld zagen was niet in de eerste plaats het persoonlijk-artistieke probleem 'hoe veruiterlijken wij onze idee', maar wel het vinden van een adequate formule, beantwoordend aan de vermoedelijk welbepaalde eis van de opdrachtgevers : een waardig praalgraf voor een overleden hoofd van het Bourgondisch Huis. Met andere woorden : deze tombe biedt een klassiek voorbeeld van wat men zou kunnen noemen 'laat-middeleeuwse, dienende kunst-op-bestelling'. Vandaar dat wij als hedendaagse beschouwers bij het zien van dit mausoleum vooral getroffen worden door de onmiskenbaar representatief-decoratieve kwaliteiten van het geheel : het imponeert door zijn monumentaliteit, door de gestrengheid van zijn gesloten volume en door het statige der materialen. Het samen gebruiken van de ingetogen, rouwkleurige toetssteen en de contrasterende, zij het discrete weelde van het rijkbewerkte koper, ligt hierbij aan de basis van de pertinente elegantie die dit monument kenmerkt. Ten tweede gaat het hier om een produkt van verfijnde ambachtelijkheid, die, binnen de grenzen van de eigen categorie, van aard moet zijn om de mens van nu - om meer dan één reden speciaal hem - aan te spreken, ten minste indien hij voldoende historische zin vermag op te brengen om, heel even, veel van de eigentijdse, veelal negatieve vooroordelen aangaande virtuoze versierings-kunst van zich af te zetten. In die zin is het, dat dit grafmonument èn historisch èn artistiek een zeer bijzondere plaats verdient in de galerij van het Vlaams openbaar kunstbezit.