U bent hier

Kunst in de openbare ruimte

Luc Deleu & TOP OFFICE, VRL, ontwerptekening.

 

Inleiding

 

Kunst in de openbare ruimte is letterlijk zo oud als de straat. Dit themanummer blijft in ons land en begint in de negentiende eeuw. Toen creëerde de prille Belgische staat, bij gebrek aan een overtuigend toekomstperspectief, een gemeenschappelijk verleden en zette haar bronzen helden op een voetstuk: Ambiorix, Breydel en de Coninck, Jacob van Artevelde, Godfried van Bouillon… Ook de gemeenschappelijke cultuur van Vlamingen en Walen dient aangetoond te worden. En dan verrijzen de standbeelden van roemrijke kunstenaars, zoals Rubens.

 

In de eerste helft van de twintigste eeuw krijgen vooral herdenkingsmonumenten een plaats in de publieke ruimte. Kort na de Tweede Wereldoorlog verkondigen abstracte kunstwerken, zoals Signal aan het begin van de autosnelweg Brussel-Oostende, de triomf van het modernisme.

 

Met de staatshervormingen vanaf 1988 verandert er heel wat. De gewesten krijgen eigen bevoegdheden. Vlaanderen, Wallonië en Brussel gaan eigen wegen, ook op het vlak van kunst in de openbare ruimte. Brussel werkt als eerste een regeling uit. De kunstwerken in de metro zijn er de getuigen van.

 

In Vlaanderen geeft het aantreden in 1999 van de eerste Vlaamse Bouwmeester bOb Van Reeth een nieuwe dynamiek. De installatie van de 'kunstcel' bij de bouwmeester werkt een intense wisselwerking  tussen kunst en architectuur in de hand. Bouwheren die een beroep doen op de diensten van de Vlaamse Bouwmeester worden aangezet tot goed opdrachtgeverschap ten aanzien van kunst. De autonomie bij de selectie en realisatie van kunst staat daarbij centraal.

 


Inhoud

  • Helden op een sokkel in de negentiende eeuw
  • Kunst in de publeke ruimte
  • Ruimte voor kunst in architectuur en infrastructuur
  • Voorbeelden in Vlaanderen en Brussel
  • Praktisch

 

Helden op een sokkel in de negentiende eeuw

 

 

De negentiende eeuw heeft nood aan verheven figuren.

 

De negentiende eeuw is gul met eerbetoon aan haar helden en creëert voor hen monumenten in steen en brons. Vol trots en zelfvertrouwen staan ze op hun sokkel, hoog boven de gewone sterveling. Ze staan er voor de eeuwigheid. Alleen duurt die eeuwigheid niet noodzakelijk lang, want veel van de 'grote mannen' zijn in de twintigste eeuw letterlijk van hun voetstuk ge­haald.

 

Toch hebben onze steden nog negentiende-eeuwse monumenten: Rubens in Antwerpen, Ambiorix in Tongeren, Egmont en Hoorne in Brussel. .. Rubens is nog steeds een hoogtepunt van ons cultureel erfgoed. Ook Ambiorix kan op waardering rekenen: in 2005 werd hij door Vlaanderen genomineerd als vierde Grootste Belg. Zelfs Egmont en Hoorne zijn namen die klinken, al liggen hun verwezenlijkingen verder in het geheugen. 

 
 

RUBENS, EEN VOORBEELDIGE BELG 

 
De negentiende eeuw kent haar helden. De overheid, steden, diverse instan­ties en verenigingen nemen initiatieven om hen een permanente aanwezig­heid in het straatbeeld te geven. Met veel enthousiasme wordt Rubens ge­vierd. De inhuldiging van zijn standbeeld moet in 1840 het hoogtepunt zijn van de Antwerpse Rubensfeesten. Ze vinden plaats ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van Rubens' dood. Tijdens de onthulling zingen de aanwezigen een hymne tot de kunstenaar, maar ze staan voor een plaasteren beeld. De Antwerpse Société Royale des Sciences, des Lettres et des Arts, die het initiatief heeft genomen, kan de kosten van het beeld niet betalen, ondanks een financiële bijdrage van de overheid. Pas in 1843 komt er een bronzen beeld op de Groenplaats. Tijdens de inhuldiging van het (tijdelijke) Rubensstandbeeld is de stad versierd met boompjes, vlaggen en bloemenslin­gers. Opschriften verwijzen naar de Antwerpse schilderschool. Op belang­rijke plaatsen zijn monumentale triomfbogen opgericht ter verheerlijking van Rubens, zijn leerlingen en de Schone Kunsten die van Antwerpen een kunststad hebben gemaakt. De zegewagen die in 1635 uitreed tijdens de Blij­de Inkomst van Prins Ferdinand en ontworpen werd door Rubens, is voor de Rubensfeesten van 1840 door Antwerpse kunstenaars heropgebouwd. Rui­ters in zeventiende-eeuwse kledij begeleiden de zegewagen als deel van de Ommegang, een zegewagen die door de negentiende-eeuwse straten wordt gevoerd als een triomf van Rubens, maar evenzeer als een triomf van het negentiende-eeuwse Antwerpen. 
 
 
Rubens is bovendien een publiek monument ter ere van België dat in 1830 onafhankelijk is geworden. In een organische verbondenheid van het verle­den met het heden wordt de internationaal erkende roem van de artistieke voorvaders ervaren als de bruidschat die de jonge staat de nodige waardig­heid meegeeft om eervol plaats te nemen tussen de oude Europese naties. Het Belgische nationaal bewustzijn is in grote mate een cultureel bewust­zijn, met een opvallende aandacht voor de schilderkunst. 
 
 

DE GESCHIEDENIS GERICHT HERTEKENEN 

 
De overheid gebruikt ook de politieke erfenis, al kan die volgens sommigen minder het bestaan van de jonge Belgische staat rechtvaardigen. Men gaat gedreven op zoek naar helden die het negentiende-eeuwse nationaliteitsge­voel kunnen gronden en versterken. Onuitgegeven kronieken en onbekende archiefstukken vormen bouwstenen voor een 'onbewerkte' historische re­aliteit. De geschiedschrijvers selecteren gericht. Voor velen is de Belgische geschiedenis een verzameling van tijden van heldhaftige strijd tegen de be­zetter (Romeinen, Spanjaarden, Oostenrijkers, Fransen) en tijden van eco­nomische en culturele bloei. Men interpreteert de grootse voorbeelden uit het verleden als voorafbeeldingen van een eigen grootheid. Heden, verleden en toekomst worden zo aan elkaar gelinkt.
 
Het jonge België verwacht van haar kunstenaars dat zij deze voorbeelden in beeld brengen. De helden uit het verleden moeten voelbaar aanwezig zijn om het patriottisme te verantwoorden, te versterken en te bevestigen. 
 
Zoals de romantische geschiedschrijvers in dramatische en gedetailleerde verhalen het verleden tot leven brengen, zo dompelen de romantische schil­ders taferelen van strijd en opstand onder in een realistische directheid en zijn ze niet bang van bloederige details. In het schilderij De Guldensporen­slag van Nicaise de Keyser (1836) doodt de Brugse beenhouwer, centraal in beeld, op een wrede wijze graaf Robert van Artois. Ook de sinistere terecht­stelling van de graven van Egmont en Hoorne op de Grote Markt te Brus­sel (5 juni 1568) is in historische verhalen en schilderijen in alle details te beleven. Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en Hoorne door de Brusselse schuttersgilde, een groot doek van Louis Gallait (1851), lijkt voor veel tijdgenoten zelfs te sterk gekleurd door de expliciete dramatiek van de romantische geschiedschrijving. Het ]ournal de Bruxelles betreurt dat Gallait de graven heeft voorgesteld op een moment dat ze nog slechts 'afgehouwen hoofden' zijn. Hierdoor mist de voorstelling in haar afschrik­wekkend realisme elke morele schoonheid. De voorstelling van een held in zijn laatste ogenblikken kan niet anders dan die van een verheven figuur zijn en elke afwijking hiervan is zeer bedenkelijk en moreel gevaarlijk, zo wordt geoordeeld. 
 
 

SCHOON EN GROOTS 

 
Hoewel de beeldhouwkunst zich net als de histo­rieschilderkunst inspireert op de romantische ge­schiedschrijving en van haar stenen beelden levende helden tracht te maken, heeft zij niet de vrijheid om heldhaftige strijd in een al te direct realisme uit te beelden. Het standbeeld is als genre sterker aan ban­den gelegd door het (moreel) schone. Van alle kunst wordt verwacht dat ze uitdrukking geeft aan een ge­voel dat de toeschouwer raakt, maar voor de beeld­houwkunst geldt in het bijzonder dat enkel schoon­heid en grootsheid tot dit resultaat kunnen leiden.  Omdat standbeelden gemaakt zijn om lang te blijven staan, moet de kunstenaar streng zijn in de selectie van onderwerp en stijl.
 
In haar beperkingen kiest het monument daarom eerder voor een verheven portret. De helden zijn re­alistisch in kledij en attributen en krijgen soms ver­halende reliëfs op de sokkel, maar een te grote dra­matiek blijft in het beeld boven op de sokkel veelal achterwege. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er geen bloed te zien is op het monument van de graven van Egmont en Hoorne, nu opgesteld in het park van de Kleine Zavel in Brussel. Het monument komt er op initiatief van Charles Rogier, minister van Bin­nenlandse Zaken, die in 1859 beslist dat deze twee dappere vrijheidsstrijders een standbeeld verdienen.
 
Hij verwijst hierbij naar vroegere voorstellen die niet zijn uitgevoerd. Hij vraagt de stad Brussel het project financieel mee te ondersteunen en wint advies in omtrent de keuze van de locatie. Het Broodhuis op de Grote Markt lijkt een geschikt en historisch verant­woord decor, aangezien het schavot op die plaats heeft gestaan. Charles ­Auguste Fraikin (1817-1893) die de officiële opdracht krijgt en in 1864 het beeld kan laten inhuldigen, toont de twee graven in hun laatste ogenblikken: beide helden, zij aan zij, stappen op waardige wijze naar het schavot. Het groepskarakter van het monument wijst op een verhaal, want er moet al een gebeurtenis zijn geweest om deze helden samen te brengen. Maar het beeld toont niet het dramatische moment van hun onthoofding. De helden blijven statig om zich heen kijken, zelfs in de eenentwintigste eeuw. 
 

 

Kunst in de publieke ruimte

 

 

Een verhaal over staatkunde en geografie

 
In de eerste helft van de twintigste eeuw zijn het vooral herdenkings­monumenten die een plaats krijgen in de openbare ruimte. Steden en gemeenten brengen hulde aan de gesneuvelden van de twee wereld­oorlogen of aan burgervaders en andere publieke figuren die voor het lokale welzijn een significante bijdrage leveren. Zo herdenkt een standbeeld (1938) voor koning-soldaat Albert I te Nieuwpoort het heldhaf­tige optreden van de Belgen tijdens de Grote Oorlog. Het expressionistische beeld van burgemeester Edward Anseele door beeldhouwer Jozef Cantré zet het beleid van een lokale politicus kracht bij. Ook de jonge Belgische staat zelf is onderwerp van een kunstwerk in de publieke ruimte. Getuige hiervan is het beeldhouwwerk van Jef Lambeaux te Tienen (1908) dat het 75-jarig bestaan van België huldigt door de strijdvaardige burger zelf te verbeelden. 
 
Na de Tweede Wereldoorlog krijgt kunst in de openbare ruimte een andere dimensie. In het kader van de wederopbouw nemen vele Europese landen initiatieven om via kunst in infrastructuur en publieke gebouwen een cul­tureel democratiseringsproces op gang te brengen. In België adviseert een commissie, ondergebracht bij de Regie der Gebouwen van het toen nog fe­derale ministerie van Openbare Werken, over de integratie van kunstwer­ken in grote infrastructuurwerken en overheidsgebouwen. Aan de bron ligt het regentenbesluit van 1947 dat de raadgevende Commissie voor Kunst en Ambachten opricht. De bekendste voorbeelden zijn de, meestal in beton, uitgevoerde werken van Jacques Moeschal, die als monumentale oriëntatie­punten dienst doen, zoals Signa!, in 1959 te Groot-Bijgaarden opgericht aan het begin van de autosnelweg Brussel-Oostende. De meeste kunstwerken die steden en gemeenten in de jaren 1950 en 1960 plaatsen, passen in een visie die de aanblik van de publieke ruimte grondig moest veranderden. Via een doorgaans abstracte vormentaal helpen ze de triomf van het moder­nisme verkondigen. 
 
 

IN SITU 

 
Daarnaast benutten diverse artistieke actoren in de naoorlogse kunstge­schiedenis op zeer uiteenlopende wijze de openbare ruimte als een actieter­rein. Vooral een aantal kunstenaars uit de jaren zestig en zeventig verlaat de beschermende cocon van het museum of de galerie en voert in de publieke ruimte constructivistische, conceptuele of sociale artistieke experimenten uit. Musea, kunstencentra en galeries zetten tentoonstellingen en artistieke evenementen op touw, zowel in stedelijke als in rurale of landschappelijke omgevingen. Heel wat grote artistieke evenementen, zoals Sonsbeek, Docu­menta en Skulpurprojekte Münster, krijgen in ons land op kleinere schaal tijdelijk of permanent navolging. 
De oprichting van de openluchtmusea Middelheim in Antwerpen (1950) en Sart-Tilman in Luik (1977) en latere intiatieven als Chambres d'Amis (1986) in Gent, Beelden Buiten in Tielt (1986) en Place Saint-Lambert - Investigations (1985) in Luik, vinden hun oorsprong en passen in een veralgemeende vlucht van de kunstenaars naar de buitenruimte vanaf de jaren zeventig. 
 
Ontstaan als kopieën van de museale ruimte, transformeren de openlucht­musea zich in de loop der jaren tot plekken waar het kunstwerk tot een symbiose kan komen met zijn omgeving. De kunstmanifestaties daarente­gen komen veeleer tot stand in een contextgericht kunstpraktijk, die vanuit een conceptueel denken evolueert naar een kritische bewustwording van de stedelijke en de natuurlijke ruimte. 
 
Wat de initiatieven van de overheid betreft, zijn de jaren zeventig getekend door de onzekerheid omtrent de bevoegdheden van de gemeenschappen. De deelregeringen zijn bevoegd voor culturele aangelegenheden, maar de chaotisch evolutie van de staatsstructuren bemoeilijkt de initiatieven rond culturele infrastructuur. 
 
Door de bouw van de culturele centra in de jaren zeventig, die de cultuur­bevordering tot opdracht hadden, worden wel enkele initiatieven tot kunst in de publieke ruimte genomen. Uit de benadering van de kunstenaars blijkt dat ze zich hierbij in relatie tot de moderne architectuur, wars van de nieu­we figuratieven van de jaren zestig, oriënteren op de abstractie. Zij dragen de schoonheid van de vorm hoog in het vaandel en koppelen de primaire vormen en kleuren aan de functionele schoonheid van de gebouwde omge­ving. Veelal sculpturaal, maar ook via muurschilderingen trachten zij een samenhang aan te gaan met de architectuur, de stedelijke omgeving. Op de binnenkoer van het cultureel centrum van Strombeek-Bever realiseert Mark Verstockt een beweegbare sculptuur (1972). 
 
In dezelfde traditie van de geometrische abstractie kunnen we ook de be­wegende fontein (1979) van Pol Bury aan het provinciehuis in Antwerpen plaatsen. Beide kunstwerken getuigen van de fascinatie van een generatie kunstenaars voor beweging. Met deze fascinatie die zijn oorsprong vindt in het futurisme, gaan deze kunstenaars op hun manier nog in op het optimis­me van de moderniteit uit de jaren zestig. Ook de Fallen astronaut (1971) van Paul Van Hoeydonck, het Belgische kunstwerk dat met Apollo 15 naar de maan vertrok, ademt onmiskenbaar deze tijdsgeest uit.
 
 

WEL IN BRUSSEL, NIET IN VLAANDEREN EN WALLONIË 

 
Met de staatshervorming van 1988 gaat 'openbare werken' naar de gewes­ten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het enige dat een regeling uit­werkt omtrent kunst voor de openbare ruimte. De bevoegdheden van de in 1969 opgerichte Commissie voor de Brusselse Metro zijn in 1990 ver­ruimd met kunstopdrachten voor het bovengrondse openbare vervoer en het hoofdstedelijk wegennetwerk. Zo ontstaat de Artistieke Commissie voor Vervoersinfrastructuur (ACVI.), die voor de Brusselse minister van Open­baar Vervoer en Infrastructuur de selectie van kunstenaars en de realisatie van de kunstwerken opvolgt. 
 
Vanaf de vroege jaren 1970 kan de metrogebruiker kennismaken met heden­daagse kunst. Er groeit een 'ondergrondse' collectie die een staalkaart biedt van Nederlandstalige en Franstalige Belgische kunstenaars. De cartoonist Benoît (Benoît Van Innis) maakt acht portretten op de perrons en twee groe­pen van gestilleerde figuren op de tussenverdieping (zonder titel, 1999) van het metrostation Maalbeek. Hij kiest zelf de architecten Henk De Smet en Paul Vermeulen. De ruimtes zijn teruggebracht naar hun maximale dimensie en hun eenvoudigste vormen: de valse plafonds verdwijnen, men gebruikt functionele materialen zoals tegels en de verlichting wordt ingebouwd. 
 
In tegenstelling tot Brussel, heeft zich na de staatshervorming van 1988 noch bij het Waalse noch bij het Vlaamse Gewest een nieuwe regionale regeling ontwikkeld. De grote infrastructuurwerken uit de jaren 1970 en 1980 geven blijk van een zekere banaliteit. Een belangrijke oorzaak is de dominantie van techniek en de ondergeschikte rol van ruimtelijke 'inplan­ting' en planologische visie. Aan de architecturale kwaliteit van, laat staan aan de artistieke reflectie over, onze leefomgeving wordt in die tijd nu eenmaal minder belang gehecht dan aan kostenbeheersing en efficiëntie. 
 
Bij de aanleg van regionale wegen laten beide gewesten kansen liggen om een verantwoord en coherent beleid te ontwikkelen dat ook de financiering van kunst in de openbare ruimte op zich zou nemen.
 
 

AANDACHT VOOR KUNST IN EN ROND GEBOUWEN 

 
Wat betreft de integratie van kunstwerken in overheidsgebouwen is in het gefederaliseerde België wel het een en ander veranderd. Zowel de Vlaamse als de Franse Gemeenschap nemen tussen de twee staatshervormingen (1980 en 1988) respectievelijk in 1986 en 1984 wetgevende initiatieven. 
 
Het Vlaams Parlement stemt in 1986 het decreet voor het integreren van kunst in overheidsgebouwen. Het is in eerste instantie geen instrument voor het eigen patrimonium maar wel een maatregel om de situatie te uni­formiseren voor de ondergeschikte besturen. Met het evolueren van de be­voegdheden en de ontwikkeling van een mature overheidsstructuur voor Vlaanderen, verschuift vanaf de tweede helft van de jaren 1990 de aan­dacht voor kunstintegratie naar het patrimonium van de Vlaamse overheid zelf. 
 
Het aantreden van de eerste Vlaamse Bouwmeester bOb Van Reeth op 1 januari 1999 is aanleiding voor een zeer uitgebreide functiebeschrijving. In de opsomming van resultaatsgebieden, taken en doelstellingen is voor het eerste bij een publieke functie ook sprake van het adviseren van de overheid betreffende kunst in opdracht. Met het officieel installeren van een artistieke cel bij de Vlaamse Bouwmeester legt de toenmalige Vlaams minister bevoegd voor het administratief patrimonium, Wivina Demees­ter, de kiem voor een intense wisselwerking tussen kunst en architectuur en geeft zij aan dat ook de bouwmeester een belangrijke rol kan spelen bij het bepalen van een beleid inzake kunst integratie. Hierdoor plaatst de Vlaamse overheid voor het eerst de implementatie van het decreet uit 1986 in een gestructureerd kader. 
 
Het eerste voorbeeldproject dat de Vlaams Bouwmeester opstart om zowel zijn architecturale visie als zijn beleid omtrent kunst in opdracht kracht bij te zetten, is Open Venster van Dominique Thirion. Haar project omvat twee luiken. Enerzijds houdt de kunstenares een enquête onder de amb­tenaren en peilt naar hun mening over het klimaatregelingssysteem in het Graaf de Ferraris-gebouw. De getuigenissen, indrukken, argumenten en te­genargumenten brengt Thirion samen in een boek. Het tweede luik bestaat in het openen van vier ramen in de kantoren van de Vlaamse Bouwmeester. Dit biedt de mogelijkheid om binnen het gebouw voeling te houden met de buitenwereld, terwijl in de gevel een lichte, ritmische fluctuatie ontstaat. Met deze minimale ingreep symboliseert de kunstenares de missie van de bouwmeester: binnendringen in de mentale wereld van mensen en zo sti­mulansen ontwikkelen die leiden tot een mentaliteitswijziging.
 

 

GOED OPDRACHTGEVERSCHAP 

 
De prijs Bouwheer, tweejaarlijks uitgereikt door de Vlaamse regering, geeft erkenning aan goede opdrachtgevers van overheidsprojecten. Pu­blieke bouwheren kunnen recente projecten indienen in één of meerdere categorieën: nieuwbouw, hergebruik en herbestemming, pu­blieke ruimte, kunst in opdracht, landschap, infrastructuur, internationaal project. 
 
In 2005, de tweede editie van de prijs, wordt het project van de Vlaamse Milieumaatschappij te Aalst gelauwerd in de cate­gorie geïntegreerde opdracht. Zowel op het vlak van architec­tuur, invulling van de publieke ruimte als het aspect kunst in opdracht toont de VMM zich een voorbeeldig bouwheer. De bouwheer en de architecten nodigen de kunstenaar uit om iets toe te voegen wat buiten het bereik van de architectuur ligt. Voor de bouwheer betekent dit vooral de uitdaging aan het adres van de kunstenaar om inhoudelijk ook in te zoomen op de problematiek van duurzaamheid en milieu. De archi­tecten kenden de afkomst van de kunstenaar - Patrick Van Caeckenbergh heeft meer als één band met de wijk waarin het gebouw van de VMM is opgericht - en beogen vooral de sociaalvoelendheid van de kunstenaar om zich te oriënteren naar de publieke ruimte en de plaats die het gebouw daarin vervult. 
 
Het uitgangspunt voor het kunstwerk van Patrick Van Caec­kenbergh is de kastanjeboom die in 1891 werd geplant, na de voltooiing van de pastorie. Patrick Van Caeckenbergh knutselt met recyclagemateriaal een medaillon, dat bevestigd is aan de kastanjeboom. Het medaillon is als een kapelletje, een halte waar de mens kan stilstaan bij de stamboom van de dieren op aarde. Onderaan is het nestje van het kleinste vogeltje te zien, het winterkoninkje, dat angstvallig beschermd wordt door een klein, biddend, wit, skeletachtig figuurtje met blozende wan­gen. Boven dit broze figuurtje ontvouwt zich een stamboom van de ongewervelde tot de gewervelde diersoorten. Met dit medaillon brengt de kunstenaar hulde aan het bestaande en aan de traagheid. Het werk maakt deel uit van de reeks Les jardins clos. Het symboliseert de mens, die eerst in verlegen­heid wordt gebracht door de schoonheid van de omringende natuur maar die, als hij diep genoeg in zichzelf durft te kijken, ontdekt dat hij zelf een stuk van die natuur in zich draagt. Het medaillon aan de kastanjeboom bevindt zich in een kleine ruimte met poeltje en pomp,waar zowel de mensen uit de buurt als de ambtenaren van het gebouw even kunnen verpozen.
 
De bouwheer beseft dit en heeft in zijn communicatie naar de buitenwereld niet enkel ingezoemd op het werk van de architecten, maar ook de gevoeligheid van de kunstenaar aan bod laten komen. De ambitie van de bouwheer en de architecten is bereikt, de plek heeft zich verrijkt.
 
 

LICHT BIJ DE BUREN

 
De Franse Gemeenschap keurt in 1984 een decreet goed dat elke publieke rechtspersoon en elk publieke of private rechtspersoon die subsidies ontvangt verplicht kunstwerken te integreren in of bij nieuwe of te verbouwen publiek toegankelijke gebouwen. Per project is er een commissie voor de integratie van kunstwerken die bestaat uit de architect, twee vertegenwoordigers van de bouwheer, twee kunstenaars en twee ambtenaren van de dienst Cultuur van het Ministerie van de Franse Gemeenschap. Een bouwheer die het decreet toepast, kiest één of meer kunstenaars en moet zijn keuze voorleggen aan de commissie. De bouwheer kan slechts een contract met de kunstenaar afsluiten als de commissie het voorstel heeft goedgekeurd, zoniet moet de bouwheer nieuwe voorstellen voorleggen. Een recent voorbeeld is het kunstintegratieproject Filter Space (2001) van Alec De Busschère voor de renovatie van de gevel van het Palais des Beaux-Arts in Charleroi. Het kwam tot stand in samenwerking met de architecten Lhoas & Lhoas. De opdracht is tweedelig: het aangezicht van het cultureel gebouw herdefiniëren en de functies van de binnenruimtes opnieuw bekijken. De kunstenaar vertaalt de opdracht heel letterlijk door op de nieuwe, volledig in glas uitgevoerde gevel een grote plattegrond van het gebouw aan te brengen. Door de discrete en tegelijk manifeste aanwezigheid op de buitengevel gaat het werk eveneens een relatie aan met de stad. De kunstenaar verstevigt de opzet van de architecten, die met de transparante en open façade een breder publiek de weg naar de nieuwe functies in het gebouw willen doen vinden.
 
In Brussel neemt de minister bevoegd voor Sociale Huisvesting in 2001 het initiatief om binnen het algemeen beleid een budget van twee miljoen euro voor vier werkingsjaren beschikbaar te stellen voor het integreren van kunst. Aan de huisvestingsmaatschappij wordt naar aanleiding van bouwwerken gevraagd plekken voor te stellen waar een kunstingreep de levenskwaliteit van de bewoners zou kunnen verbeteren. De aangezochte kunstenaar krijgt de uitnodiging om in de conceptuele fase van het project een dialoog met de bewoners aan te gaan. Eén van de gerealiseerde pilootprojecten is het Museum van de straatlantaarn in Laken. Christophe Terlinden en Nathalie Mertens stellen als kunstingreep een collectie van vijftien straatlantaarns voor, naar een bestaand voorbeeld in Berlijn. De kunstenaars gaan hierbij in op de vraag van de huisvestingsmaatschappij De Lakense Haard om met licht de geklasseerde gevel te herwaarderen. De huisvestingsmaatschappij speelde een belangrijke rol in het realisatieproces. Zij heeft alle bevoegde instanties, waaronder het gewest voor de straat en de gemeente voor het voetpad, meegetrokken in het project. Het resultaat is een niet-architecturale kunstingreep die subtiel het gebouw markeert.
 

 

OP GOEDE BANEN BIJ LOKALE BESTUREN

 
Als je tegenwoordig met de trein Leuven binnenrijdt, merk je aan de kant van de binnenstad een eenvoudig en gelaagd torencomplex op. Het Portugese architectenteam van Gonçalo Byrne won de internationale architectuurwedstrijd voor de nieuwbouw van het provinciehuis Vlaams-Brabant. Door de weldoordachte keuze van verhoudingen en materialen vloeien de drie onderdelen van het gebouw - het voorplein, het torengedeelte en een langgerekt laag volume - tot één geheel. Het bijzonder karakter wordt niet enkel bepaald door zijn architecturale en ruimtelijke kwaliteiten maar ook door de eigenzinnige manier waarop zeven kunstenaars bezit hebben genomen van het gebouw.
 
Als een beeldbepalend en uitermate publiek werk voegt de in Brussel levende Oostenrijkse kunstenares Aglaia Konrad een architecturaal element aan het gebouw toe. Aan de blinde gevel hangt ter hoogte van de tiende verdieping een kleine gele balkonsuite. Hoewel het duidelijk als een architecturale toevoeging te onderscheiden valt, is het qua beeld van in het begin samen met het gebouw een eigen leven beginnen te leiden. Door de gele kleur, opvallend contrasterend met het grijs van de gevel, lijkt het een uitnodiging naar de burger om van het prachtige uitzicht over de stad en zijn omgeving te komen genieten. Tevens doet het denken aan de vroegere balkons waarop hoogwaardigheidsbekleders de burger toespraken, maar door de proportionering wordt dit aspect van het gebruik van de publieke ruimte meteen ook in vraag gesteld.
 
Andere kunstenaars speelden in op de publieke functie van het gebouw en de publiek toegankelijke delen van de gelijkvloerse verdieping. Zo focust de in Brussel wonende Israëlische kunstenaar Eran Schaerf op het taalaspect van de provincie Vlaams-Brabant. In 92 talen verschijnt op een lichtkrant aan de inkom van het gebouw de tekst 'Provincie Vlaams-Brabant', en dit 24/24 uur. Met zijn titel Taalgrens zoomt de kunstenaar zowel in op de ontstaansgeschiedenis van de provincie als op de multiculturaliteit die er de dag vandaag als realiteit heerst.
 
In vier vergaderzalen brengt de Oostenrijkse kunstenaar Heimo Zobernig vier monochrome wandtextielen aan. De kunstenaar kiest voor blauw, rood, lichtblauw en groen, kleuren die in de videotechniek gebruikt worden voor keying. Met keying dient een neutrale monochrome wand als projectieachtergrond. Met deze sleutel lezen de monochromen in de vergaderzalen als onbeladen dragers voor alle mogelijk informatie die hier in de toekomst zal circuleren.
 
Naast deze drie ingrepen voegen ook de kunstwerken van Guy Rombouts, Ann Veronica Janssens en Richard Venlet en Jef Geys een eigenzinnige laag aan het gebouw toe. Het provinciehuis van Vlaams-Brabant is een huis waar kunst niet verwordt tot pure decoratie, maar een waardevolle inhoudelijke dialoog aangaat zowel met de architectuur als met de publieke functie van het gebouw.
 
Maar het grootste deel van het Belgische territorium valt onder gemeentelijke bevoegdheid. Dit heeft consequenties voor de praktijk van kunst in de publieke ruimte. Elke gemeentebestuur draagt een culturele verantwoordelijkheid voor de artistieke realisaties op haar grondgebied. Het ontbreken van een coherente visie leidde tot een amalgaam aan interventies in de publieke ruimte. Niet zozeer artistieke criteria gaven richting aan de keuzes maar wel folkloristische, persoonlijke of commerciële. Dit leidde tot een zeer lokale invulling.
 
Aandacht voor het lokale hoeft echter niet noodzakelijk in tegenspraak te zijn met goede artistieke interventies in de publieke ruimte. Hiervan getuigen de inspanningen van heel wat steden en gemeenten de laatste jaren om de veelheid aan kunstopdrachten op hun openbaar domein in goede banen te leiden. Het inschakelen van adviesorganen in verband met kunst in de publieke ruimte, gekoppeld aan een duidelijke en ambitieuze visie van de beleidsvoerders, kan de wildgroei aan zogenaamde artistieke interventies op hun grondgebied tegengaan en een coherent beeld in de hand werken.
 
De stad Gent heeft sinds 2000 een langetermijnvisie op kunst in de publieke ruimte uitgewerkt. Bij de realisatie van artistieke ingrepen staan drie voorwaarden centraal: de kunstintegratie moet een hoge artistieke kwaliteit nastreven, de projecten komen tot stand met de participatie van de bewoners en gebruikers voor wie ze bedoeld zijn, het project moet betekenisvolle sporen nalaten in het stedelijk weefsel. Voor de financiering beschikt Gent over een Fonds voor de verwerving van kunst in de publieke ruimte.
 
Een voorbeeldproject is Blinde Muren, waarbij de stad samenwerkt met de vzw De Nieuwe Opdrachtgevers, een organisatie die opdrachtgevers hulp biedt bij het verlenen van opdrachten aan kunstenaars.
 
Het oudercomité van de Brugschool in Mariakerke verfijnt als opdrachtgever de omschrijving voor hun geselecteerd projectvoorstel en zoekt naar een geschikte kunstenaar. Om een brug in de deelgemeente Mariakerke extra accenten te geven, ontwerpt de kunstenaar Emilio Lopez Menchero een knalgeel zitobject in de vorm van een surfplank. Met zijn voorstel vult hij de vraag naar een herkenbare plek voor afspraken en ontmoetingen van de opdrachtgever op een verrassende manier in.
 
Ook Ergens is het beter van Loek Grootjans maakt deel uit van Blinde Muren. Uit de vele blinde muren die de Gentenaars via een open oproep in 2004 konden voorstellen en in een uitgebreid dossier dienden te beargumenteren, zijn door een jury vijf locaties geselecteerd. De ingreep in de Sint-Michielsstraat is de eerste realisatie in deze reeks. De grote, blinde muur, opgetrokken in 1972, is berucht in Gent. Hij is al jaren een manifeste plek van architecturale lelijkheid.
 
In het project worden de buurtbewoners opdrachtgevers nauw betrokken bij de plek en de realisatie. De vzw Fontein der vreugde, een hulporganisatie voor mensen met zelfmoordneigingen, speelt als opdrachtgever van deze muur in op de context van de locatie. Op de plek stond vroeger een klooster van de Alexianen dat in de negentiende eeuw een instelling voor geesteszieken werd. Een straatje leidde naar een hoger gelegen kapel die men kon binnengaan via de Hemelpoort, een barokke toegangspoort. De muur heeft elke doorgang geblokkeerd en is in deze context een metafoor voor het uitzichtloze.
 
Loek Grootjans werkt vanuit een filosofisch reflecteren dat hij verbindt met een mentaal en een visueel overschouwen. Uitzicht kan tot inzicht leiden. Al in 1988 nodigde hij kunstliefhebbers uit op een bergbeklimming in de Alpen om in een panoramisch landschap te filosoferen over schilderkunst, kunstgeschiedenis en kunstenaarschap. Ergens is het beter verbindt ook hier 'uitzicht' met een mentaal 'zicht op', verbindt een blauwe hemelpoort met hoop en troost. Grootjans heeft zich de plek niet toegeëigend. Het kunstwerk maakt van de muur geen mooie wand. Het is geen esthetisering of decoratief opvulsel. De plek blijft wat ze was: een lege plek. Maar misschien is het een lege plek met uitzicht geworden, zonder de pretentie de hemelpoort er voor de eeuwigheid te laten staan. De ingreep is tijdelijk en kan verdwijnen bij een nieuw architectuurproject op deze locatie.
 

 


 

Ruimte voor kunst in architectuur en infrastructuur

 
 
De jongste jaren engageren meer en meer opdrachtgevers zich om ruimte te scheppen voor kunstprojecten die samen met het ontwerpproces van het bouwen kunnen groeien. De volgende twee voorbeelden illustreren de diversiteit van de interacties tussen kunstenaar en ontwerper. De artistieke concepten kwamen tot stand doordat de ontwerper op een specifieke manier inspeelt op de context aangereikt door de opdrachtgever en hierdoor ruimte laat voor de eigenzinnige reflectie van de kunstenaar.
 
 

WANDTAPIJTEN VOOR EEN SLUISBEDIENINGSGEBOUW

 
Ter hoogte van de achttiende-eeuwse buiksluis van Kampenhout-Sas bouwde de NV Zeekanaal een centrale bedieningspost voor de vijf sluizen en tien bruggen op het kanaal Leuven-Dijle. Het gebouw krijgt een plaats te midden van een regionaal verkeersknooppunt en ligt op de randen van een industriezone, een kmo-zone en een recreatiegebied. De architecten Guy Châtel en Kris Coremans van het bureau ssa/xx vinden inspiratie in de voorpost van de industriële site Remy in Wijgmaal, eveneens aan het kanaal Leuven-Dijle. Ze willen dat iets terug te vinden is van de evidentie waarmee het Remy-gebouw het landschap configureert en zowel de bedrijvigheid als de recreatie van een merkteken voorziet. Met hun ontwerp voor Kampenhout-sas beogen Châtel en Coremans de centrale bedieningspost een gelijkaardige kordate, ranke verschijning mee te geven.
 
De bewegingen van bruggen en sluizen van op kilometers afstand sturen, dat vraagt elektronica, informatica en een batterij controleschermen, samengebald in één gebouw. De expliciete wens om de werking van de bedieningspost voor het brede publiek zichtbaar te maken, bepaalt mee het ontwerp van de architecten. De technologische dimensie van het interieur is voor de ontwerpers aanleiding om de inrichting van de verschillende kantoren naar een huiselijke schaal terug te brengen.
 
Met de kunstopdracht ambieert de opdrachtgever de dynamisering van de plek vanuit de idee dat een fysische ingreep aan de buitenzijde van het gebouw de aandacht van de passanten en de ordening van de ruimte zullen versterken. Michaël Van den Abeele kiest in zijn voorstudie echter voor een ingreep binnen in het gebouw omdat hij de huiselijkheid van de inrichting extra wil onderstrepen en ook omdat hij vindt dat de monolitische présence van het gebouw al een beeldende waarde in het landschap heeft.
 
Van den Abeele stelt voor in de controlekamer een aantal wandtapijten aan te brengen die iconografisch verwijzen naar de opdracht en functie van het agentschap Waterwegen en Zeekanaal (cartografische gegevens, containers, . . . ). Met zijn thematische invulling van de wandtapijten wil de kunstenaar de mensen in de controlekamer opnieuw betrekken bij het onderwerp van hun dagelijkse activiteit.
 
Het bedieningsgebouw en de wandtapijten zijn complementair, hoewel ze los van elkaar en met veel tijdsverschil geconcipieerd zijn. Ze zijn met elkaar verweven. Niet letterlijk zoals bij een geïntegreerd werk, maar conceptueel. De kunstenaar heeft zich verdiept in de verblijfsomstandigheden van de hedendaagse 'sluiswachter' maar kon dit maar doen vanuit de visie die de ontwerpers architecturaal ontwikkelden. Zowel kunst als architectuur nodigen de toekomstige gebruikers uit om van hun werkgebouw een gebouw met hoog woongehalte te maken.
 
 

BRUGGEN KUNNEN DANSEN

 
In het kader van Brugge Culturele Hoofdstad van Europa 2002 komen in september 2000 de artistieke leiding van de vzw Brugge 2003 en de Vlaams Bouwmeester overeen 'de meesterproef voor jonge kunstenaars' (een initiatief van de bouwmeester) op te nemen in de voorbereiding van het architectuur- en stedenbouwkundig luik van het culturele programma. De initiatiefnemers verzamelen de op stapel staande bouwprojecten en ingrepen in de publieke ruimte van de stad Brugge die in de meesterproef aanleiding zouden kunnen geven tot een kunstopdracht.
 
Voor de Coupure staan plannen in de steigers om een nieuwe voetgangers- en fietsersbrug te bouwen. Het ontwerp van de Zwitserse ingenieur-architect Jürg Conzett geeft de Bruggelingen een uitdagend 'kunstwerk' dat de materialen van de omgeving herneemt. Het is de aanwezigheid van dit nieuwe infrastructurele gegeven dat de kunstenaar tijdens de meesterproef als uitgangspunt krijgt aangereikt. Ugo Dehaes, een danser, gaat de uitdaging aan omdat hij gefascineerd is door het technisch vernuft van het nieuwe ontwerp voor de brug over de Coupure. Via het lichamelijke tracht hij een antwoord te formuleren op de techniciteit van het brugontwerp. Aan de hand van opnames, schematische tekeningen en een driedimensionaal poppetje in klei probeert hij bij zijn presentatie tijdens de meesterproef verschillende beelden en houdingen uit. Telkens staat het aspect 'spanning' centraal, een sleutelbegrip in de bruggenbouw.
 
Uiteindelijk realiseert Dehaes een sculptuur die bestaat uit een houten pop, opgehangen aan touwen en geplaatst op een sokkel in dezelfde natuursteen als de brug. De pop is opgebouwd uit verschillende segmenten die een paar keer per uur roteren. Hierdoor ontstaan verschillende houdingen van het lichaam. De bewegingen liggen op voorhand vast en zijn als een soort choreografie opgebouwd, maar het zijn de voorbijgangers die het mechanisme op gang brengen
 

 

Voorbeelden in Vlaanderen en Brussel

 
 
Aan het begin van de éénentwintigste eeuw getuigen heel wat steden en gemeenten in Vlaanderen van een nieuwe dynamiek op het vlak van stedelijke ontwikkelingen. Ook wat betreft kunst in de publieke ruimte doet een aantal een beroep op externe artistieke deskundigen om een gefundeerd beleid te kunnen voeren.
 
In alle regio's van België merkt men dat publieke opdrachtgevers de percentageregeling en de praktijk van kunst in de publieke ruimte professionaliseren en samenwerkingsverbanden aangaan met deskundigen uit de hedendaagse kunstwereld. Deze tendens levert een voorzichtig optimisme op wat de kwaliteit van de artistieke projecten betreft. Al is de discussie over een hedendaagse legitimatie van kunst en publiek opdrachtgeverschap nog lang niet stilgevallen, toch kan men vaststellen dat een aantal verwezenlijkingen in de publieke ruimte representatief is voor de hedendaagse artistieke praktijk.
 
 

ARCHITECTEN ALS REGISSEURS VAN DE PUBLIEKE RUIMTE

 
Vóór de heraanleg van de Leopold De Waelplaats in Antwerpen was het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten een groots complex, gebouwd tussen 1884 en 1890, aan alle zijden omgeven door plantsoenen en met een laag hekwerk gescheiden van de straat. De eclectische architectuur van het monumentale gebouw kenmerkt zich door een hoofdgevel met imposant portiek aan de zijde van de open ruimte van de Leopold De Waelplaats en sobere zijgevels en achtergevel als stille façades voor de aanliggende woonstraten
 
Het ontwerp van Paul Robbrecht, Hilde Daem en Marie-José Van Hee, gerealiseerd in 1999, doorbreekt de grenzen tussen museumsite en publiek domein langsheen de voorkant van het museum en brengt helderheid in de architecturale schaal van de omgeving door middel van twee blokken gesnoeide platanen. Hierdoor ontstaan langsheen de as die de Groenplaats met het nieuwe justitiepaleis verbindt, ter hoogte van het museum drie publieke kamers: twee ronde punten omkaderd met linden en de centrale ruimte met de platanen. Het zijn deze als afzonderlijke ruimtes te lezen plekken die de architecten vanuit hun visie ten dienste hebben gesteld van de culturele verbondenheid van hun stedenbouwkundige ingreep en de functie van het museumgebouw dat hier als baken voor de stad fungeert. De centrale ruimte is in 2006 toe aan de definitieve voltooiing. Naast de ontmoetingselementen die het plein kenmerken, zoals de houten zitblokken en de gietijzeren ronde zitbank van Ann Demeulemeester, is het plein nu volledig met het kunstwerk van de Spaanse kunstenares Christina Iglesias.
 
De diepe fontein van Christina Iglesias is een bronzen basreliëf gelegen in een ondiep bassin dat, zoals het strand bij eb en vloed, cyclisch overspoeld wordt met water. Vanuit een schuine scheiding dwars over de bodem van het bassin, borrelt water naar boven en kan het weer wegvloeien. Tijdens deze cyclus worden de donkergroene bronzen tegels met vegetale vormen zichtbaar. Ook zonder water is de grote groene bronzen rechthoek aan de trappen van het museum een lust voor het oog.
 
Doordat het kunstwerk als een spiegel werkt, die de gevels van het plein, de lucht en de mensen die er verpozen reflecteert, werkt het kunstwerk rust en bespiegeling in de hand. Het is wezenlijk verbonden met de intentie van de plek en het resultaat illustreert de fascinerende mogelijkheden van interessante inhoudelijke interacties tussen ontwerper en kunstenaar bij het ontwerpen van publieke ruimte. Het plein heeft zijn definitieve identiteit verworven. De diepe fontein verlaagt letterlijk en figuurlijk de drempel voor het museum met zijn schatten aan kunstwerken uit de gouden eeuw. De architecten regiseerden de publieke ruimte vanuit een duidelijke visie en gaven hierdoor invulling aan de ambities van een stad die met haar bestaande publieke ruimte de cultuurstad van de éénentwintigste eeuw vorm wenst te geven.
 

 

INDISCHE AFFICHES IN BRUSSEL

 
De Artistieke Commissie voor Vervoersinfrastructuur van het Brusselse Gewest selecteert rond de eeuwwisseling Johan Muyle om voor de busterminal aan het Noordstation een kunstwerk te realiseren.
 
Johan Muyle is een internationaal befaamd beeldend kunstenaar die representatief is voor de Belgische kunst na 1980. Hij werkt met elementen uit de schilderkunst, de beeldhouwkunst de fotografie, de film en het theater. Na reizen in India en Afrika in de jaren 1990 maakt hij nieuw werk rond het thema: de onmogelijkheid om wat anders is te begrijpen. Met zin voor humor en in een poëtische taal toont Muyle het spel van het zich eigen trachten te maken van de ander via culturele en artistieke uitwisseling.
 
Tussen 2000 en 2003 realiseert hij met een team van Indische en Belgische schilders een multimediale installatie in het Noordstation. Johan Muyle grijpt die kans aan om Belgische kunstenaars uit alle mogelijke disciplines de publieke aandacht te geven die ze verdienen. Levende, in België wonende kunstenaars uit alle artistieke disciplines zijn geportretteerd of zijn via de geluidsinstallatie die het diepe straatperspectief benadrukt, te horen. I Promise you('r) mircle, is de titel van het werk, maar ook de zin die de passanten doorheen het geraas van de bussen kunnen opmerken.
 
Het zou het mirakel kunnen verbeelden dat het kunstwerk op deze desolate plek desondanks genereert. Los van de energie die het monumentale en alles overheersende werk in deze plek blaast, creëert het de belofte van een mirakel, in de betekenis van de mens die zijn eigen lot in handen neemt.
 
De 44 kunstenaarsportretten zijn geschilderd door Indische schilders uit Madras, gespecialiseerd in het schilderen van monumentale filmaffiches, op basis van foto's gemaakt door Johan Muyle. De humoristische en speelse enscenering is geïnspireerd op Westerse thema's (de onthoofde martelaar, de parabel van de blinde . . . ) en is vermengd met de Indische publicitaire en cinematografische beeldtaal. Het zijn hyperrealistische fresco's als friezen langsheen de centrale muren van de busterminaL De busgebruikers ervaren de afgebeelde kunstenaars als reuzen, maar in het landschap staan ze als lilliputters.
 
In de installatie van het Noordstation combineert Johan Muyle zijn samenwerking met de Indiërs met de hem gebruikelijke eigenaardigheden zoals elektromechanische aandrijvingen en het gebruik van water. De ogen van Benoît Poelvoorde gaan van ziend in blind over, uit de ogen van Jean-Pierre Verheggen en Marc Isaye vloeien krokodillentranen en de portretten van Michel François en Arno bevinden zich achter een regengordijn.
 
Met zijn opdracht voor het Noordstation heeft Johan Muyle een kunstwerk gerealiseerd waarbij hij trouw aan zijn oeuvre nostalgie, humor, oorsprong, nationaliteit, Oosterse en Westerse kennis met elkaar versmelt. Hij confronteert de kijker met een complex geheel van betekenislagen, maar creëert tegelijk een kunstwerk voor de openbare ruimte waarin ieder volgens eigen codes zich het werk eigen kan maken.
 
 

HOMMAGE AAN OUD-REKEM

 
In het dorp van Oud-Rekem huisde vroeger in een zestiende-eeuws kasteel het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis. Onder invloed van maatschappelijke evoluties inzake geestelijke gezondheidszorg verhuisde het ziekenhuis naar de site Daelwezeth, een open plek in de bossen van Rekem. In het voorjaar van 2006 werd het nieuwe Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum, naar een ontwerp van de architectenbureaus De Vloed, Van Kerckhove en Verstraeten, officieel ingehuldigd.
 
In uitvoering van het decreet voor de integratie van kunstwerken in gebouwen van de Vlaamse Overheid komt er een kunstopdracht. Het uitgangspunt is het 'netwerk'-concept, dat twee begrippen centraal stelt: de mens en de omgeving. Het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum hecht belang aan het opentrekken van haar werking naar de buitenwereld en wil tegelijk, vanuit de nieuwe inzichten van de behandelingsfilosofie, een beroep doen op de netwerken van de patiënten zelf.
 
Jef Geys dient zich voor deze kunstopdracht bij de opdrachtgever aan en wel om een heel specifieke reden. Hij beschikt over een grote hoeveelheid foto's van de sporen die de patiënten in het voormalige gebouw van de instelling te Oud-Rekem hebben achtergelaten. Eigen aan de werkmethode van Jef Geys is het putten uit zijn persoonlijk, over de jaren heen opgebouwde archief. Hij verdiept zich sinds 1992 in het hergebruik van de voormalige site van het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem. Hij doet dit door de veranderingen die hebben plaatsgevonden fotografisch te documenteren. Zo heeft hij foto's genomen van de muren die het kasteel omgeven en waarop patiënten in de loop der tijden persoonlijke statements, mededelingen of tekeningen hebben gegraveerd. Een deel ervan is gepubliceerd in het boek Al de zwart-witfoto's tot 1998, uitgegeven door de Provincie Limburg. De fotografische documenten zijn ingegeven door vragen die de kunstenaar zich bij de gegeven plek stelt. Wat moet zichtbaar blijven van al dat leed? Hoe kunnen we piëteitsvol omgaan met die herinnering? Hoe beletten we dat menselijk leed een toeristische attractie wordt?
 
Met het onbewerkte materiaal als uitgangspunt zocht Jef Geys naar een duurzame vertaling van deze sporen in de nieuwe gebouwen van het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem. Door de concreetheid van het voorstel is de opdrachtgever zich bewust geworden van de unieke situatie van de opdracht. Het onderzoek van de kunstenaar over het verleden van de site in Oud-Rekem, de maatschappelijke vraagstellingen, die de kunstenaar op een van deze kunstopdracht onafhankelijke manier gesteld heeft, kunnen alleen maar in het kader van deze kunstopdracht voor Nieuw-Rekem ten volle tot hun recht komen. Er is geen plek waar het kunstwerk beter geplaatst en begrepen kan worden.
 
De monumentale fries vond zijn plaats in een van de therapeutische atelierruimtes, maar had ook op een andere plaats in de instelling kunnen opgehangen worden. Jef Geys geeft met zijn werk een gedaante aan het geheugen van de instelling en getuigt tegelijk van een groot respect voor de patiënten.
 
 

A DEER FOR DEERLIJK

 
Deerlijk is een kleine gemeente in Oost-Vlaanderen waar de laatste jaren op het vlak van de inrichting van de publieke ruimte veel beweegt. In het kader van de kunstopdracht voor het nieuwe gemeentehuis, een architectuurproject van Nero architecten, realiseert Johan Grimonprez een digitale video-installatie. De volledige bouwsite is georganiseerd rond een doorsteek tussen de smalle hoofdstraat en de achtergelegen groene binnengebieden van het centrum. De eerste aanblik van het gebouw langs de hoofdstraat is er één van een projector die klaar staat om in de publieke ruimte, meer in het bijzonder op de blinde wachtgevel van het buurhuis, een beeld te projecteren.
 
Hoewel in de ontwerpfase van het gebouw de keuze van de kunstenaar nog niet vastligt, manifesteert het resultaat van de bouw- en kunstopdracht zich als een hedendaags Gesamtkunstwerk. Het is de verdienste van de architecten om tijdens het ontwerpproces dermate rekening te houden met een toekomstige artistieke ingreep, dat het resultaat zeer harmonieus oogt. Met de vraag van de architecten naar een kunstinterventie met geprojecteerde beelden en de ambities van Deerlijk met het nieuwe gemeentehuis, lag de keuze voor de internationaal gerenommeerde audiovisuele kunstenaar Johan Grimonprez voor de hand.
 
Het integreren van nieuwe media kunst in een bouwproject is vaak geen evidente opgave, maar is gezien de recente ontwikkelingen in de hedendaagse kunst meer dan wenselijk. Dit project toont aan dat ook de nieuwe media in de publieke ruimte kunnen functioneren. Vanuit het lantaarngedeelte van het gebouw wordt met het schemeren van de dag een bewegend beeld geprojecteerd op de wachtgevel van een huurhuis. Het korte, in loop geprojecteerde filmpje toont een lege kamer met een bed. Wanneer voorbijgangers een detector activeren, verschijnt plots een hert dat op het bed springt.
 
De kracht van het samenspel tussen de architecturale uitgangspunten van Nero en de projectie van Grimonprez is vooral gelegen in het verkennen van het spanningsveld tussen het tijdelijke en het duurzame karakter van kunst in de publieke ruimte. De hele opzet, het decor dat de architecten hebben geconcipieerd, zal de projectie van Grimonprez overleven, maar ook tijdens de eerste tien jaar is het werk van de kunstenaar door de keuze voor geprojecteerd beeld, als een zeer efemere ingreep te ervaren.
 
 

EEN PALMBOOM OP DE MARKT VAN DENDERMONDE

 
In Dendermonde zijn de historische Grote Markt en het Justitieplein heraangelegd. Het noordelijk stadsgedeelte, waar beide gelegen zijn, heeft aan belang ingeboet. De heraanleg van de twee centrale stadspleinen kadert in een poging van het beleid om de sociologische scheiding tussen beide stadshelften ongedaan te maken. Het nieuwe ontwerp van de technische dienst van de stad, in samenwerking met de kunstenaars Harold Vanderperre en Walter Brems, laat de twee pleinen en de gebouwen die ze omzomen terug tot hun recht komen.
 
Dendermonde heeft ook artistieke ambities bij de heraanleg. In overleg met de kunstcel van de Vlaams Bouwmeester neemt toenmalig burgemeester Norbert De Batselier, samen met vertegenwoordigers uit het culturele veld, het initiatief om beide stadspleinen als artistieke uitdaging te geven aan een aantal hedendaagse kunstenaars.
 
Het voorstel voor de Grote Markt is gerealiseerd. Peter Rogiers beantwoordt de vraag van Dendermonde met een uitdaging voor de stad. Hij vertaalt één van de autonome concepten uit zijn oeuvre naar de context van de Grote Markt. Hij motiveert zijn keuze vanuit de meerwaarde die een klassieke sculptuur aan de openbare ruimte kan bieden, met name drie-dimensionaliteit, openheid, monumentaliteit en verbeelding. Deze eigenschappen reiken de burgers zowel een klassiek houvast aan als de vrijheid om een Dendermonds beeld tot stand te brengen.
 
Peter Rogiers realiseert een palmboom in brons, die hij met poedercoating een rode, transparante kleurlaag geeft. Deze kleurtoets is bedoeld om de zwaarte die brons uitstraalt, te compenseren. Elk palmblad is in brons gegoten en daarna manueel verder uitgekerfd met veel zin voor detail. Dit brengt een plasticiteit met zich mee, die nog versterkt wordt door de speling van het licht door de bladeren. Alle palmbladeren zijn vervolgens samengesteld tot een boom. De assemblagetechniek maakt het beeld gemakkelijk demonteerbaar en dat is nodig want om de tien jaar moet de Grote Markt vrijgemaakt worden voor het Ros Beiaard.
 
Met deze hyperrealistische en tegelijk archetypische palm wenst Rogiers een exotische, optimistische toets aan te brengen op het plein. De palmboom fungeert als nieuwe ontmoetingsplaats en geeft de markt na zoveel eeuwen een nieuwe identiteit. Dendermonde toont met dit kunstwerk dat kunst op een Grote Markt niet hoeft te blijven hangen in een stereotiepe bevestiging van het verleden van een plek, maar zich kan actualiseren en vertalen naar het hedendaagse vrijetijdsgebeuren in het centrum van onze steden.
 
 

NORBERT RADERMACHER, DAS GEWICHT

 
Elke stad heeft plekken die in zekere zin te evident zijn voor kunst in de publieke ruimte: pleinen, rotondes, lelijke architectuur. Elke stad heeft ook plekken waar men geen kunst verwacht. Onbelangrijke stadsdelen, die verder geen probleem vormen, zijn vaak ook vergeten zones in een stedelijk weefsel.
 
Op een dergelijke plek in Leuven, in een stadsgedeelte dat niet centraal ligt en in straten zonder veel identiteit, integreert Norbert Radermacher in 1993 Das Gewicht. In twee kleine nissen hangt een schietlood onbeweeglijk stil. De onopvallende glazen afsluitplaten vormen een geheel met de muren waarin ze zijn ingewerkt. De ingreep is bijna onzichtbaar. Das Gewicht wordt slechts bij toeval opgemerkt, door een voorbijganger die niet op zoek is naar kunst.
 
Het project is geen overheidsopdracht. Transit vzw, een private kunstgalerie, nodigt de Duitse kunstenaar uit die sinds de jaren 1980 in diverse steden onopvallende KunstStücke heeft gerealiseerd. Tijdens zijn flaneren door een stad zoekt Norbert Radermacher geen locaties die zich bewust tonen. Hij is geïnteresseerd in drukke maar identiteitsloze oorden, zoals bruggen en verkeersknooppunten, in vergeten plekken of in locaties die men dagelijks gebruikt maar niet meer ziet. Hij kijkt, neemt waar en analyseert. De ontmoetingen leiden tot minimale toevoegingen die de locatie niet verfraaien. Een in beton afgegoten cake onder de Rheinkniebrug in Düsseldorf (1981) is een onopvallend maar toch ietwat vreemd object voor die plaats. Ook een witte ring tegen het struikgewas boven een spoorwegbrug in Brandenburg (2003) hoort in zijn omgeving niet thuis, maar het is minder duidelijk dat de ring er door een kunstenaar is geplaatst. Wie de anonieme ingrepen in het voorbijgaan ziet (als ze al worden opgemerkt), is verrast en herkent een subtiele poëzie. Even wordt de plek in haar nietszeggende aanwezigheid doorbroken. Tegelijkertijd versterkt het vreemde element het onontkoombare eigen karakter van de omgeving.
 
Op wandel door Leuven, met een open geest voor plekken die hem onverwacht kunnen intrigeren, ontdekt Norbert Radermacher de hulpgevangenis van Leuven. In twee aanpalende muren van deze instelling wil hij iets aanbrengen. Het vraagt van de galerie heel wat inspanning om alle afspraken voor het project met de verschillende overheden rond te krijgen. Met Das Gewicht worden de muren even in hun onverzettelijkheid doorbroken, maar de ingreep verandert niets aan de onveranderlijkheid van de situatie.
 

 

Praktisch


 

AUTEURS

Katrien Laenen is geboren te Turnhout in 1964. Ze studeerde kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Leuven.
Sinds 1992 werkt Katrien Laenen voor de Vlaamse Overheid, waarvoor ze sinds 1997 betrokken is bij de toepassing op het decreet omtrent de integratie van kunst in publieke gebouwen. Sinds juni 1999 is Katrien Laenen als artistiek coördinator verbonden aan het team van de Vlaams Bouwmeester.
Vanuit deze functie realiseerde ze verschillende publicaties omtrent Kunst in opdracht (Kunstopdrachten voor de Vlaamse Vertegenwoordiging in Den Haag, Vlaams Bouwmeester, Brussel, 2000; Kunst in Opdracht 1999-2000, Vlaams Bouwmeester, Brussel, 2000; De Meesterproef voor jonge kunstenaars, Vlaams Bouwmeester, Brussel, 2002; Kunst-Werk, Vlaams Bouwmeester, Brussel, 2003 ; Kunst in opdracht 1999-2005, Vlaams Bouwmeester, Brussel, 2006.)
Zij publiceerde over kunst in de publieke ruimte een aantal artikels in de vak- en geschreven pers (zie artikels in Kunst in België na 1945; Wegwijs Cultuur, Leuven, 2005, Courant 71 , jan-feb 2005) .
 
Lut Pil is doctor in de Kunstwetenschappen. Haar onderzoek richt zich op kunst en design vanaf de 19de eeuw tot vandaag. Thema's zijn onder meer het pittoreske, discours en receptie, kunst in de publieke ruimte en de interactie tussen kunst en design. Ze organiseerde recentelijk de tentoonstellingen en bijhorende publicaties (Im)perfect by Design. 4de Triënnale voor Vormgeving (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis-Design Vlaanderen, Brussel 2004) en Xtra Strong!Light. Composites ( K.U. Leuven, Leuven 2006) .
Lut Pil is docent aan de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst - Sint-Lucas Beeldende Kunst Gent en aan de Hogeschool Gent - Departement Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Ze doceert er kunstgeschiedenis en vormgeving.

MEER LEZEN: Katrien Laenen (samenstelling), Kunst in opdracht. 1999 - 2005. Kunstopdrachten begeleid door de kunstcel van de Vlaamse Bouwmeester, 2006, 326 blz. ISBN 90-403-0256-I


AFBEELDINGEN (De afbeeldingen zelf vindt men in het PDF-document)

  • Luc Deleu & TOP OFFICE,BULK,ontwerptekening

  • Luc Deleu & TOP OFFICE,VRL, ontwerptekening

  • Aankondiging van een kunstproject voor de Blinde Muur in de Sint-Michielsstraat te Gent

  • Ambiorix op de Grote Markt in Tongeren, Standbeeld door Jules Bertin, foto Saskia Vanderstichele

  • Affiche met het programma van het Rubensfeest in 1840, Collectie AMVC-Letterenhuis, Antwerpen

  • Standbeeld van Rubens op de Antwerpse Groenplaats, foto 1860, Stadsarchief Antwerpen

  • Monument van de graven van Egmont en Hoorn op de Kleine Zavel te Brussel,Vincent Everarts Photographie

  • Louis Gallait, Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en Hoorn, ca. 1851, olie op hout, 355 x 505cm, Koninklijke musae voor Schone Kunsten België, Brussel

  • Monument ter ere van koning Albert I in Nieuwpoort, Regie der gebouwen, foto Anne Everaert

  • Jacques Moeschal, Signal 1959, Groot-Bijgaarden, foto Saskia Vanderstichele

  • Catalogi van de tentoonstellingen Chambres d'Amis (Gent, 1986) en Beelden Buiten (Tielt,1994)

  • Lawrence Weiner, Wind & De Wilgen, 1995, geschilderd, 276 x 3000, Collectie Middelheimmuseum

  • Michel Mouffe, Festinalente, 2003, Brussel ©MIVB

  • Beweegbare sculptuur (1972), Cultureel Centrum Strombeek-Bever, foto Bart van Leuven

  • Benoit van Innes, Zonder titel, 1999, Metrostation Maalbeek, Brussel, foto Bart van Leuven

  • Ilse Joliet, Voor Jan, 1998, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Consciencegebouw, Brussel

  • Roger Raveel, Het Zeewezengebouw, 1989, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Oostende, foto Niels Donckers

  • Dominique Thirion, Open Venster, 2002, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Graaf De Ferrarisgebouw, Brussel, foto Domenique Thirion

  • Patrick Van Caeckenbergh, Den Tammen, 2003, Vlaamse milieumaatschappij, Aalst, foto Diane Bertrand

  • Christophe Terlinden en Nathalie Mertens, Museum van de straatlantaarn, 2004, E. Delvastraat, Laken

  • Alec De Busschère, Filter Space, 2001, Palais des Beaux-Arts, Charleroi,foto Dirk Pauwels

  • Aglaia Konrad, Het Balkon, 2003, Provinciehuis Vlaams-Brabant, Leuven 

  • Eran Schaerf, Taalgrens, 2003, fotostudio Leemans Leuven

  • Jef Geys, Zomer in Vlaams-Brabant, 2003, Provinciehuis Vlaams-Brabant, Leuven, fotostudio Leemans Leuven

  • Emilio Lopez-Menchero, Yellow Submarine, 2006, Brug Trekweg Mariakerke, foto Emilio Lopez-Menchero

  • Blinde muur wacht op kunstwerk, Sint-Michielsstraat, Gent, foto Loek Grootjans

  • Loek Grootjans, ergens is het beter, Sint-Michielssstraat, Gent, foto Dirk Pauwels

  • Michael Van den Abeele, zonder titel, voorstudies wandtapijten, Bedieningsgebouw, Kampenhout-Sas, foto Michael Van den Abeele

  • Danser Ugo Dehaes probeert verschillende houdingen uit, foto Francis Jacoly

  • Ugo Dehaes, Coupure, 2002, Brugge, foto Niels Donckers

  • Jürg Conzett, brug over de Coupure, Brugge, foto Francis Jacoly

  • Christina Iglesias, De diepe fontein, 2006, Leopold De Waelplaats, Antwerpen, foto Hilde Daem

  • Johan Muyle, I promise you('r) miracle, 2002-2003, Busterminal Noordstation Brussel

  • Jef Geys, Zonder titel, detail uit fries, Openbaar Psychiatrisch ziekenhuis Rekem, foto Dirk Pauwels

  • Jef Geys, Zonder titel, Openbaar Psychiatrisch ziekenhuis Rekem, foto Bart de Leenheer

  • Johan Grimonprez, BED, 2005, Gemeentehuis Deerlijk

  • Peter Rogiers, Coconut for Dendermonde, 2005, Grote Markt, Dendermonde

  • Norbert Radermacher, Das Gewicht, 193, Kleine gevangenis, Leuven


 

 

 

Aalst, Albert I koning, Ambiorix, Anseele Edward, Antwerpen, Arno, Blinde Muren, Brems Walter, Brugge, bureau ssa/xx, Byrne Gonçalo, Charleroi, Châtel Guy, conceptualisme, constructivisme, Conzett Jürg, Coremans Kris, Daem Hilde, Das Gewicht, De Batselier Norbert, de Busschère Alec, De diepe fontein, De Guldensporenslag, de Keyser Nicaise, De Smet Henk, Deerlijk, Dehaes Ugo, Demeester Wivina, Demeulemeester Ann, Ergens is het beter, Fallen astronaut, Fraikin Charles Auguste, François Michel, futurisme, Gallait Louis, Gent, Geys Jef, Godfried van Bouillon, Graaf van Egmont, Graaf van Hoorne, Grimonprez Johan, Groot-Bijgaarden, Grootjans Loek, Het laatste eerbetoon aan de graven van Egmont en Hoorne door de Brusselse schuttersgilde, I promise you('r)miracle, Iglesias Christina, Isaye Marc, Janssens Ann Veronica, Kampenhout-Sas, Kleine Zavel Brussel, Konrad Aglaia, KunstStücke, Laenen Katrien, Laken, Lambeaux Jef, Lhoas&Lhoas, Luik, Maalbeek, Mariakerke, Menchero Emilio Lopez, Mertens Nathalie, modernisme, Moeschal Jacques, Museum van de straatlantaarn, Muyle Johan, Nero architecten, Nieuwpoort, Open Venster, Pil Lut, Poelvoorde Benoît, Radermacher Norbert, Rekem, Robbrechts Paul, Rogier Charles, Rogiers Peter, Rombouts Guy, Rubens Pieter Paul, Sart-Tilman, Schaerf Eran, Signal, Strombeek-Bever, Taalgrens, Terlinden Christophe, thema, Thirion Dominique, Tienen, Transit vzw, van Artevelde Jacob, Van Caeckenbergh Patrick, Van den Abeele Michäel, Van Hee Marie-José, Van Hoeydonck Paul, Van Innis Benoît, Van Reeth Bob, Vanderperre Harold, Venlet Richard, Verheggen Jean-Pierre, Vermeulen Paul, Verstockt Mark, Vlaamse Bouwmeester, Wijgmaal, Zobernig Heimo, OKV2007.1, Bury Pol, Cantré Jozef, OKV2007.1.1