U bent hier

Kunstwerkstede De Coene

Tafel op hoefijzerpoot, Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene, eind jaren 1920-1930, Privé-collectie Van Marcke.

 

INLEIDING

 

De Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene is voor velen nog een illustere onbekende. Nochtans zijn drie generaties opgegroeid met De Coene-meubelen en -interieurs. Velen hebben in De Coeneconstructies vertoefd: onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog in houten geprefabriceerde noodscholen of later in hallen, opslagplaatsen, sportzalen en expositiehallen die met elegant gebogen gelamineerde houten spanten werden opgetrokken. Allemaal signatuur De Coene. Wie besefte bij een bezoek aan Expo 58 dat de Kunstwerkstede aan 28 projecten / paviljoens meewerkte?

 

Wie van de bezoekers aan de Koninklijke Bibliotheek in Brussel kijkt op naar het nog steeds perfect functionerend totaalinterieur? Weinig designliefhebbers weten dat de Kunstwerkstede De Coene tussen 1903 en 1958 verschillende prijzen op beurzen en wereldtentoonstellingen in de wacht sleepte. Enkel de fan van Art Deco zal wellicht Kortrijk aanwijzen als het grootste tussenoorlogse productiecentrum van Art Deco-meubelen in België, met een internationale faam en afzetmarkt. Na de Tweede Wereldoorlog was De Coene voor alle sociale klassen de verspreider van het moderne meubel in België, maar het bedrijf was ook de Benelux-producent van het dure Knoll-meubel.

 

Onder het kunstminnend publiek groeit het besef dat de kernfiguren van de Kunstwerkstede, zoals Joseph De Coene, Arthur De Leu en Albert Saverys, allen zelf kunstenaars, beminde figuren waren binnen het Vlaamse kunstenaarsmilieu. Hun vrienden waren Constant Permeke, Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, Henry van de Velde,... Deze grootste 'werkplaats voor toegepaste kunsten' in België heeft meer dan tachtig jaar lang de meubelkunst, de interieurbouw en de architectuur zowel nationaal als internationaal mee vorm gegeven.

 

Deze aflevering van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen staat in het teken van een herontdekking. Het is een begeleidende introductie op de multimediale tentoonstelling en het boek Kunstwerkstede De Coene 1888-1977. Het is het fascinerend verhaal over de producten, de stijlen en de medewerkers van dit veelzijdige bedrijf, maar ook over haar internationale hoogtepunten van Bogota tot Reykjavik, van Parijs tot Saudi-Arabië...

 


INHOUD

1.      Een onomkeerbaar traject

2.      De Coene voelt zich thuis in kunstkringen

3.      Moderne 'traditionalisten'

4.      Architecten en projecten

5.      De Coene op nieuwe wegen

6.      De Coene op Expo 58

7.      De wereld overspannen

8.      Over ambacht en industrie

9.      Uitleiding

10.    Praktisch


 

EEN ONOMKEERBAAR TRAJECT

 

 

DE COENE-FRERES, 1905-1925

 

"Toendertijde was het in het meubelbedrijf droevig gesteld: geen de minste kunstsmaak, van stijl of eenheid in de sierkunst geen vermoeden. Eenige vurige jonkheden vol geestdrift, voelden den aandrang om ook in dit vak schoonheid en harmonie te scheppen." Zo begint Stijn Streuvels in de catalogus Ateliers d'Art De Coene Frères (1929) zijn verhaal over het ontstaan van de Kortrijkse Kunstwerkstede, een geschiedenis die we laten aanvangen in 1888. Toen werd de dertienjarige Joseph De Coene, na het onverwachte overlijden van vader Adolphe, als oudste zoon ingeschakeld in de Kortrijkse behanger-stoffeerderszaak van de familie: De Coene-Tavernier. Joseph De Coene leert het behangersvak, niettegenstaande hij aspiraties heeft om kunstschilder te worden.

 

De zaak draait goed wat aan Joseph, de oudste zoon, de mogelijkheid biedt in 1893 naar Brussel te trekken om er werkervaring op te doen en lessen te volgen aan de tekenacademie. Tijdens zijn korte verblijf in de hoofdstad bezoekt hij musea en theaters en maakt hij dankzij een voordracht van Henry van de Velde kennis met het gedachtegoed van deze architect. Dit laat een onuitwisbare indruk na. Het internationale culturele klimaat in de architectuur en de kunsten, waarin kunst, ambacht en industrie dienen samen te gaan, zijn inspirerend. Het uitbreiden van de behanger-stoffeerderszaak tot een echt interieurbedrijf, waar ensembles vervaardigd kunnen worden naar eigen ontwerpen, is de nieuwe missie. Kunst, vakmanschap, techniek en industrie mogen niet tegengesteld zijn maar moeten elkaar versterken. De geest van de Arts & Crafts, de Art Nouveau en de Jugendstil moet in de ateliers rondwaren maar steunen op de 'inheemse', dus Vlaamse traditie. Moderne en Vlaamse creaties maken in de meubelkunst, interieurensembles of architectuur en aansluiten bij de progressieve tendensen in Europa: dat is de boodschap.

 

 

FAMILIEZAAK IN KORTRIJK

 

Bij zijn terugkeer maakt Joseph De Coene werk van een ambitieus traject. Zijn jongere broer Adolphe wordt er rond 1895 op uitgestuurd om de stiel te leren bij de Kortrijkse meubelmaker Victor Acke en enkele jaren later bij het toonaangevende decoratiebedrijf Mercier Frères te Parijs. Om uitbreiding van de behangerszaak mogelijk te maken, kijkt de familie in 1897 uit naar een groter handelshuis in de Leiestraat, één van de belangrijkste winkelstraten in het stadscentrum. De inrichting is opvallend: de expositiezaal toont twee eetkamers met groen gekleurde meubelen en de gevel is in een glanzende, donkere kleur geschilderd.

 

Begin 1900 krijgt de ingeslagen weg een eerste vorm. Op de tentoonstelling van de kring Onze Kunst om Beters Wille in het stadhuis van Kortrijk wordt een Art Nouveau-ensemble naar ontwerp van Joseph De Coene gepresenteerd. Het maakt indruk op de Kortrijkse bevolking. Met een kleine ploeg van drie ambachtslui onder leiding van Adolphe De Coene begint De Coene-Tavernier eigen meubels te vervaardigen. Moeder Coralie heeft alle vertrouwen in haar zonen en ontfermt zich enkel nog over de behang- en textielafdeling, samen met haar oudste dochter Marie. Dochter Anna De Coene doet de boekhouding.

 

Arthur Deleu, opgeleid als textielontwerper en kunstenaar, komt in 1903 het bedrijf versterken als tekenaar en medeontwerper van meubelen. Zijn huwelijk met Madeleine De Coene, de jongste telg, verstevigt de familiezaak. Joseph en Adolphe De Coene zetten samen met schoonbroer Arthur De Leu de artistieke lijnen uit. Een wandmeubel behaalt in 1903 de Eerste Prijs Toegepaste Kunsten op het driejaarlijkse meubelsalon van Brussel. Om de totaalinrichtingen naar eigen ontwerp te kunnen realiseren, maakt De Coene niet alleen houten meubelen en lambriseringen, maar ook tapijten, glas-in-lood, lamparmaturen, stoffen en marmer. Door de uitbreiding in activiteiten lijdt de zaak opnieuw aan plaatsgebrek.

 

 

DE LAT STEEDS HOGER

 

In 1905 komt de grote stap voorwaarts met de nieuwe familievennootschap De Coene Frères. De meubelateliers in het centrum van Kortrijk verhuizen naar een terrein vlakbij het goederenstation, op de Pottelberg, aan de rand van de stad. Daar zijn er voldoende expansiemogelijkheden en een snelle en efficiënte bevoorrading via het aanpalend spoor is een belangrijk pluspunt. Het vooropgestelde doel, de kunstambachten onder één dak verenigen, krijgt in een opmerkelijk korte tijdspanne vaste vorm.

 

In 1906 wordt het bedrijfscomplex, naar ontwerp van Joseph De Coene en bestaand uit ateliers, opslagruimtes en toonzalen, in gebruik genomen. Hetzelfde jaar behalen De Coene Frères hun eerste internationale Grote Prijs op de Exposizione Internationale del Sempione te Milaan. De lat wordt nog hoger gelegd. Om kwaliteit te garanderen, gaat men op zoek naar de beste geschoolde ambachtslui en men trekt ook kunstenaars, zoals Karel Noppe en Arthur Dutoit, aan. De visie op kunst en ambacht die De Coene Frères uitstraalt en de hoge lonen die het bedrijf uitbetaalt, zijn niet te weerstaan. In 1910 en 1911 behaalt De Coene Frères een Grote Prijs op de Internationale Wereldexpositie te Brussel en op de Internationale Expositie van Noord-Frankrijk te Roubaix. De reputatie van De Coene in België en Noord-Frankrijk is nu definitief gevestigd.

 

De speciaal ingerichte tentoonstellingsruimtes verleiden potentiële klanten met een ruime selectie van stijlvolle ensembles en interieurs. Niet alle ontwerpen zijn even vernieuwend. De Coene Frères volgt de hedendaagse kunststromingen op de voet, maar houdt ook rekening met de smaak van het publiek. België beleeft zijn Belle Epoque en De Coene Frères kan volop profiteren van de grote vraag naar luxegoederen. De firma werkt zich op tot één van de belangrijkste interieurbedrijven van het land. Inrichtingen van buitenverblijven aan de Belgische kust volgen elkaar op. In 1913 stapt schoonbroer Marcel Brunein, een ervaren bankier, in het familiebedrijf en leidt de ongebreidelde expansiedrift in goede banen. Net voor de Eerste Wereldoorlog telt De Coene Frères al zeshonderd medewerkers. Ze beoefenen vijftien verschillende ambachten.

 

 

EEN GOUDHAANTJE IN TRIPLEX

 

De Eerste Wereldoorlog brengt De Coene Frères in moeilijkheden. Bombardementen in 1914 vernielen een derde van de fabrieksgebouwen. Kortrijk is vier jaar lang bezet gebied. De firma kan slechts een tweehonderdtal medewerkers in dienst houden. Het stadsbestuur, dat verplicht is om houten barakken, bedden en andere meubels aan de bezetter te leveren, doet een beroep op De Coene Frères. Bij het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog helpen de ateliers mee aan de wederopbouw en produceren aan de lopende band meubelen en noodwoningen. Men beseft echter dat de heropbouw niet eeuwig zal duren en dat nieuwe expansiemogelijkheden dienen te worden geëxploreerd.

 

In de zomer van 1921 varen Joseph De Coene en zijn vriend, de Brusselse architect Jean-Baptiste Dewin, met de Red Star Line naar de Verenigde Staten. Op de studiereis bezoekt hij er verschillende houtbedrijven en maakt er kennis met een bloeiende triplexindustrie. Onmiddellijk koopt De Coene machines aan, maar de productiemethode van triplex is een goed bewaard bedrijfsgeheim. Pas na een jaar lang experimenteren met verschillende lijmsoorten kan De Coene Frères in Kortrijk de eerste Belgische triplexplaten produceren op een industriële schaal. Op termijn verwerven ze een quasi monopolie op de Belgische afzetmarkt. Het blijkt een geniale zet te zijn. Volhouten panelen in duur hout kunnen vervangen worden door goedkopere triplexpanelen bekleed met fijne laagjes fineerhout. Het financiële goudhaantje biedt ruimte om nog meer te investeren in de kwaliteit van de ontwerpen en de uitvoeringen van de ensembles en interieurs. De Coene Frères laat industrie, ambacht en kunst naadloos in elkaar overgaan. In de houtsector is het bedrijf voorloper van een industrieel design. Het is een succesformule.

 


 

DE COENE VOELT ZICH THUIS IN KUNSTKRINGEN

 

 

Rond de eeuwwisseling sticht Joseph De Coene samen met een aantal bevriende kunstenaars de lokale kunstkring Onze Kunst om Beters Wille. De beslissing om de Kortrijkse Hallentoren af te breken kan ieder moment vallen. De kring ijvert zowel voor het behoud van de oude monumenten en kunstschatten van de stad als het ontwikkelen van een  moderne kunst. De strijdmakkers van De Coene zijn meubelmaker Victor Acke, architect Joseph Viérin, schilders Emmanuel Viérin en Victor Verougstraete, tekenaar Karel Noppe, pottenbakker Pieter-Joseph Laigneil en amateurfotograaf Romain Ickx. Dankzij de heisa die ze maken staat de Kortrijkse Hallentoren vandaag nog op de Grote Markt. De leden van Onze Kunst delen hun interesses in de Arts & Crafts-filosofie en organiseren tentoonstellingen en voordrachten op het stadhuis. Hugo Verriest behoort tot de eerste sprekers. Op de eerste 'toogdag' van Onze Kunst begin 1900 stelt Joseph De Coene voor de eerste maal een zelf ontworpen 'nieuwerwetsch meubel' tentoon.

 

Onze Kunst is geen lang leven beschoren, maar er ontstaat een hechte, artistieke vriendenkring, ook wel eens de Kortrijkse school genoemd. Men komt regelmatig samen in het vaste gezelschap van Stijn Streuvels en andere kunstminnende figuren. Meestal treden Joseph De Coene en Arthur De Leu op als gastheren. Ze stellen een weerkerend ritueel in. Tussen 1922 en 1940 vindt iedere maandag een bijeenkomst plaats in Kortrijk: meestal eerst een middagmaal op de Grote Markt, daarna een bezoek aan de Kunstwerkstede en vervolgens een diner ten huize Welgemoed bij de familie De Leu of op het kasteel Ma Campagne van Joseph De Coene. Nu en dan komen andere kunstenaars en prominenten op bezoek: de Latemse kunstenaars Constant Permeke en Albert Saverys, de schrijvers Herman Teirlinck en Gerard Walschap of politici en industriëlen. Ook de socialist Camille Huysmans bij de nochtans liberaal Joseph De Coene. In de Vlaamse zaak zijn ze bondgenoten.

 

Joseph De Coene vormt samen met Stijn Streuvels, Arthur De Leu en Albert Saverys de harde kern van het Kortrijkse artistieke leven. De vier vrienden trekken er in de jaren twintig vaak samen op uit. Zo krijgt het relaas van een plezierreis op de Leie zijn beslag in Streuvels' Op de Vlaamsche Binnenwateren. Saverys, De Coene en De Leu schilderen erop los, Streuvels observeert. De vier ondernemen in 1925 een 'roltocht' met de Minerva van Joseph De Coene richting Normandië, met onderweg een bezoek aan de Exposition Internationale van Parijs. Saverys heeft de tapijten ontworpen voor het meubelensemble dat De Coene er tentoonstelt. Saverys is schilder maar werkt tevens als ontwerper voor de Kunstwerkstede, terwijl zijn vriend Streuvels de functie van artistiek leider van de huisdrukkerij De Eikelaar (1926-1938) opneemt.

 

De schildersgroep waartoe Albert Saverys en Joseph De Coene behoren, kan men als een soort Kortrijkse variant van de tweede Latemse school aanzien. De benadering is echter meer figuratief en natuurgetrouw, waarbij de verfpasta en kleur de zwaarte van het Vlaamse landschap vertalen. Zowel Saverys als De Coene hebben met hun schilderkunst succes. In opvattingen over de kunst is Saverys evenwel veel opener voor de nieuwe tendensen en schilderkunstig is hij meer experimenteel. Joseph De Coene moet alvast niets weten van het kubisme. Het oeuvre van Joseph De Coene, dat bestaat uit idyllische landschappen, zeezichten met zeilboten en stillevens, weerspiegelt de compensatie, de vlucht weg van het slopend bedrijfsvoeren. Pas in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog duiken hier en daar in zijn zeelandschappen een hijskraan of grote tankers aan de verre einder op.

 

Met Herman Teirlinck raakt Joseph De Coene goed bevriend. Teirlinck, die aanvankelijk via de familie werkzaam is in de houtindustrie, is een tijdlang secretaris van de beroepsfederatie voor de Houtnijverheid. Joseph De Coene is zelf de initiatiefnemer, stichter en uiteindelijk voorzitter van de federatie. Via Teirlinck, ontwikkelt Joseph De Coene goede relaties met het hof. Dit resulteert op 1 juni 1931 in een privé-bezoek van koningin Elisabeth, die tijdens een boottocht op de Leie kennis maakt met een selecte groep uit de Vlaamse artistieke wereld. Schippers Joseph en Adolphe De Coene zijn op hun omgebouwde mosselschuit De Waterhoen, gastheer van onder meer Isidoor Opsomer, Cyriel Buysse, Stijn Streuvels, Gustave van de Woestijne, August Vermeylen, Herman Teirlinck, Albert Saverys, Arthur De Leu, Ernest Claes, Albert Servaes, Henry van de Velde en Valerius De Saedeleer.

 


 

MODERNE TRADITIONALISTEN

ART DECO VAN INTERNATIONAAL NIVEAU 1925-1940

 

 

In 1925 viert De Coene Frères een kwarteeuw meubelproductie. Het familiebedrijf wordt een naamloze vennootschap: Ateliers d'Art de Courtrai De Coene Frères / Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene. Deelname aan de prestigieuze en ondertussen beroemde Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes van Parijs (1925) is een must. De firma ontwerpt een Vlaamse moderne woonkamer en voert die zelf uit, tot in de kleinste details. "Deze luxueuze woonkamer was de stilistische getuige van een art-decostijl ingebed in de Vlaamse traditie, gekenmerkt door het robuuste karakter van de interieurelementen, een somber kleurenpallet en het gebruik van edele materialen. Dit was een eigenzinnige stilistische weg die de firma sedert 1903 bewandelde. Haar typerende stijl zou uitgroeien tot de invloedrijkste vorm van Belgische art deco." Aldus Werner Adriaenssens in het boek Art Nouveau & Design. Sierkunst van 1830 tot Expo 58.

 

Na wat getouwtrek achter de schermen - De Coene snoept immers teveel van de Franse markt af - krijgt de Kunstwerkstede van de Franse jury de grootste onderscheiding voor haar inzending. De manier waarop De Coene zijn kunstenaars en gespecialiseerde ambachtslui inzet wordt alom geprezen. De firma werkt intens samen met figuren als schilder Albert Saverys, de glasraammakers Louis Malfait en Karel Noppe, beeldhouwer Geo Verbanck en koperslager Karel Bresous. De Coene zet in België de toon met de geperfectioneerde eenvoud in rijke materialen, de vaak ingenieuze functionele laden en kasten, gecombineerd met een hoogkwalitatieve afwerking. De internationale faam is een feit en dat vertaalt zich in een nieuwe expansie van het bedrijf.

 

 

OPGEMERKTE OPDRACHTEN

 

Stijn Streuvels wordt vanaf 1926 artistiek leider van de pas opgerichte huisdrukkerij De Eikelaar. Hij voert de geschreven promotie voor het bedrijf, een weinig bekend gegeven van Streuvels' schrijverscarrière. In een catalogus uit 1929 schrijft hij: "Heden ten dage beslaan werkhuizen, stapelplaatsen, houtwerven, droogloodsen, tentoonstellingszalen eene oppervlakte van 8 hectaren, met 2400 werkgasten en werksters; 20 verschillende ambachten worden er uitgeoefend. Nieuwe uitgestrekte werkplaatsen zijn uit de grond opgerezen uitsluitend bestemd voor het vervaardigen van 'Triplex' bestemd niet alleen voor eigen verbruik van het meubelbedrijf maar ook voor den uitvoer naar het binnenland en naar den vreemde. Een weverij van meubelgoeds en behangsel, van zijde en fluweel, is er aan toegevoegd. De wekelijksche voorbrengst van afgewerkte meubelen beslaat een heelen spoortrein en 10 auto-wagens."

 

Opdrachten uit binnen- en buitenland (vooral Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland) stromen binnen. Restaurants, hotels, cafés, treinen, banken en andere grote instellingen worden op maat ingericht: de Résidence Palace in Brussel, het Casino van Blankenberge, het Gemeentehuis van Vorst, het Hotel du Château Royal d'Ardenne te Houyet... De gegoede burgerij wendt zich meer dan ooit tot de Kortrijkse Kunstwerkstede om haar interieurs in te richten. Een eerste bezoek van Albert I aan de Kunstwerkstede in 1929 is het begin van een goede relatie met het koningshuis. De koning is een opgemerkte gast op tentoonstellingen in Brussel met schilderijen van Joseph De Coene. In 1931 gaat koningin Elizabeth in op een uitnodiging om samen met de fine fleur van de Vlaamse artistieke wereld een pleziervaart te maken op de Leie in de omgebouwde mosselschuit van De Coene. In 1932 komt Kroonprins Leopold op visite, om inlichtingen in te winnen over de Congolese houtsoorten. Enkele jaren daarna, volgend op het onverwachte overlijden van Albert I in 1934, krijgt de Kunstwerkstede de opdracht om Henry van de Velde's ontwerp voor het nieuwe koninklijk bureau-ensemble van Leopold III te vervaardigen.

 

 

VERNIEUWING NA DE CRISIS

 

Eind jaren 1920 draait de geperfectioneerde triplexproductie op volle toeren. De export groeit aanzienlijk. De Kunstwerkstede kan nu goedkopere meubelreeksen maken en pakt steeds meer uit met modellen voor de 'gewone man'. De variëteit in aanbod wordt groter. Speciaal voor de Engelse markt ontwerpt de firma een aantal suites met namen als Manchester, Cardiff en Glasgow. De uitvoer van deze 'Engelse meubelen' is een financieel succes. Dit valt echter stil na de beurscrash van 1929, wanneer de Britse overheid een aantal protectionistische maatregelen neemt. De economische crisis van begin jaren dertig brengt ook de Kunstwerkstede in moeilijkheden. Daarenboven komt de plotse dood van Adolphe De Coene in 1933, een spitsbroeder van het eerste uur, hard aan.

 

Nillens willens moeten nieuwe producten worden ontwikkeld, want zoals het verleden toonde, loont een vernieuwende industriële aanpak. De Kunstwerkstede legt zich toe op de fabricage van harde triplexplaten uit eikenhout, een materiaal waarnaar veel vraag is in de transportsector. Opnieuw boort het bedrijf een nieuwe markt aan: de Belgische Spoorwegen maar ook scheepswerven uit Frankrijk en Nederland. De constructeurs van de Queen Mary doen in de jaren dertig een beroep op De Coene om de deuren en lambriseringen voor het legendarische trans-Atlantische cruiseschip te leveren (1934). Geen enkele Britse firma heeft deze techniek onder de knie.

 

 

VOOR DE ELITE EN HET VOLK

 

De Kunstwerkstede staat aan de top van de Europese houtnijverheid. Vanaf 1934 produceert De Coene voor Philips Eindhoven houten radio-kasten, aan een tempo van duizend stuks per dag. De luxemeubelen en interieurs blijven echter hét uithangbord. Op tentoonstellingen staan ze keer op keer centraal. De Algemene Wereldtentoonstelling van 1935 te Brussel is tijdens het interbellum qua zichtbaarheid het absolute hoogtepunt van de Kunstwerkstede. Op de Heizel krijgt De Coene een eigen terrein toegewezen. Daar trekt het een groot, modernistisch paviljoen op, naar een ontwerp van Arthur Deleu. In het binnenland was de naam De Coene en het Eikelaar-symbool nooit eerder zo prominent. Opnieuw wordt een Grote Prijs behaald.

 

Wanneer in 1936 het financiële brein, schoonbroer Marcel Brunein wegvalt, komt het gewicht van het bedrijf volledig op de schouders van Joseph De Coene en Arthur De Leu te liggen. De ambities zijn daarom niet gestild. In 1937 kan de Kunstwerkstede de doorgemaakte evolutie naar een sociale, democratische en dus goedkope wooncultuur etaleren, zonder echter de meer elitaire creaties uit het oog te verliezen. Op de Parijse Internationale Tentoonstelling van Toegepaste kunsten en Technieken in het Moderne leven is men zowel aanwezig op de 'Afdeling van de luxemeubelen' als de 'Volksafdeling'. Meubelen voor de elite (bridgehoek, eetkamer en haardhoekje) als 'volkse' meubelen, 'slaapkamer en woonkamer voor de ambachtsman' tonen aan hoe sterk de Kunstwerkstede de tijdsgeest aanvoelt.

 

De oorlogsdreiging wordt steeds groter. De Kunstwerkstede speelt in op de actualiteit en start een intense productie van barakken voor de Belgische en Franse troepen. Net voor de oorlog wordt beweerd dat bijna 2. 500 werknemers in de ateliers aan de slag zijn. Het economische voordeel van de locatie naast het rangeerstation van Kortrijk bedreigt opnieuw de Kunstwerkstede.

 

 

BOMMEN EN BARAKKEN

 

De Duitse inval in mei 1940 is destrastreus. Duitse bommenwerpers maar ook Belgische artillerie verwoesten het gehele fabriekscomplex. Een levenswerk is in een klap vernietigd. "Vous décrire mon état d'âme, mon désespoir, mon abbattement est impossible. De tout cet admirable ensemble qui formait ma joie et ma fierté, il ne restait que des décombres." (Uit: Onuitgegeven memoires Joseph De Coene, Kortrijk, 1946.) De heropbouw van de Kunstwerkstede wordt onmiddellijk aangevat, met financiële steun van Belgische staatsorganen in bezet gebied.

 

Tijdens de bezetting treden de Belgische topindustriëlen in overleg met elkaar in het Galopin- comité en kiezen voor een voorwaardelijke economische samenwerking met de Duitsers. Ze willen hiermee de opeising van mensen en machines door de bezetter voorkomen. Ook de Kunstwerkstede produceert opnieuw en beslist zonder overleg met het comité barakken en meubels te leveren aan Duitse militaire en burgerlijke diensten. Daarnaast maken ze triplex en meubelen voor de Belgische markt. De gemaakte winsten investeert De Coene grotendeels in de heropbouw van het complex. Het aanpalend rangeerstation blijft echter een strategische doelwit, ook voor de geallieerde troepen. Drie zware bombardementen door de Britse luchtmacht in 1944 zijn verwoestend voor het Kortrijkse stadscentrum maar ook voor de Kunstwerkstede. Ze kosten het leven aan ongeveer vierhonderd mensen, waaronder vele arbeiders van de Kunstwerkstede.

 

Na de bevrijding wordt de bedrijfsleiding voor de militaire rechtbank gebracht. De beschuldigingen van economische collaboratie zijn hard: uit zuiver winstbejag 'munitie' te hebben geleverd aan de vijand, in de vorm van barakken, meubels en schijnvliegtuigen. Het gerecht plaatst de vennootschap onder sekwester en beveelt de leiding over te dragen aan mandatarissen van de Belgische Staat. De mannelijke beheerders van de Kunstwerkstede worden allemaal veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen en er volgen zware financiële sancties. Joseph De Coene krijgt 20 jaar dwangarbeid en sterft in 1950 als een gebroken man. Na zeven jaar staatsbeheer, kan de familie De Coene in 1952 opnieuw het heft in handen nemen, onder de leiding van de nieuwe sterke man Pol Provost.

 

 

ARCHITECTEN EN PROJECTEN

 

De Zwitserse architect Michel Polak wendt zich tot De Coene voor een deel van het Résidence Palace in Brussel. Het gigantische luxueuze wooncomplex wordt tussen 1923 en 1926 gebouwd als verblijfplaats voor gegoede burgerij. Enkel grote ondernemingen zoals De Coene kunnen een opdracht van deze omvang aan. Bovendien aanvaardt Polak alleen decoratiefirma's die de moderne technieken en stijlen beheersen. De Kunstwerkstede verzorgt verschillende gemeubelde slaapkamers , levert meubilair voor het restaurant La Pergola en maakt glasramen voor de Zaal Maelbeek, het restaurant van de patio en de huidige conferentiezaal Polak. Projecten als de Résidence Palace vormen een uitstekende publiciteit en leiden naar andere prestigieuze opdrachten.

 

Architect Jean-Baptiste Dewin, een goede vriend van Joseph De Coene, schakelt de Kunstwerkstede in voor de uitvoering van het interieur van het gemeentehuis van Vorst. Dit monumentale bouwwerk wordt gebouwd en ingericht tussen 1926 en 1938. De schepen-, trouw- en raadzaal zijn prachtige realisaties, die opvallen door het royale gebruik van edelhout. Meubels en installaties zijn voorzien van mooie, ronde vormen: een staaltje van De Coene's fineertechniek. Ook de metaalafdeling van de Kunstwerkstede onderscheidt zich met prachtige kroonluchters en bronzen handvaten op de deuren.

 

Architecten doen ook een beroep op De Coene voor de inrichting van talrijke villa's. Bekende voorbeelden zijn de twee villa's die in 1927 worden opgetrokken voor de textielindustriëlen Louis en Léon Verbreyt in Sint-Niklaas naar een ontwerp van architect Jan-Albert De Bondt. Alle ambachten van de Kunstwerkstede komen hier aan bod, met onder andere glas-in-loodramen van Karel Noppe en bronzen handgrepen van Geo Verbanck. De Bondt is duidelijk tevreden over het geleverde werk, want rond 1931 bestelt hij bij De Coene meubels en glasramen voor zijn eigen villa in het Gentse Miljoenenkwartier.

 

In 1930 ontwerpt Henry van de Velde de unieke dubbelvilla Noordhinder-Westhinder voor Maurice Colman en Albert Saverys in Knokke. De Kunstwerkstede De Coene produceert het interieur, naar tekeningen van Van de Velde. In de jaren dertig werkt De Coene regelmatig met hem samen. In een brief uit 1956 schrijft Van de Velde: "Je me rendais presque toutes les semaines, une fois par semaine à Courtrai et dans les ateliers, où je traitais avec les ouvriers qui exécutèrent tous les meubles que je créai durant cette heureuse période comme si je dirigeais encore les ateliers de la Société Van de Velde". Wanneer Van de Velde wordt benoemd tot artistiek raadgever bij de Belgische Spoorwegen mag De Coene de houten bekledingen van de tweede-klasse wagons verzorgen. Rond 1935 vervaardigt De Coene ook het bureau van koning Leopold III, dat Van de Velde heeft ontworpen.

 

 

DE LOKROEP VAN DE COENE-KWALITEIT

 

Na de Tweede Wereldoorlog zet de Kunstwerkstede de bedrijfstraditie verder en realiseert nog grotere, internationale projecten. Het studiebureau van De Coene, opgericht in 1956, specialiseert zich in het uitvoeren en het ontwerpen van decoratiewerken voor grote instellingen. De Knoll-connectie resulteert in een goede samenwerking met architect en ontwerper Marcel Breuer. In 1956 richt De Coene een deel van het interieur in van het grootwarenhuis De Bijenkorf in Rotterdam en van het hoofdkantoor VanLeer vatenfabriek in Amstelveen. De inrichting en afwerking van conferentiezalen van het Unesco-gebouw in Parijs (1958-1960), waarvan Breuer één van de architecten is, leidde naar andere internationale projecten. Later werkte De Coene nog samen met Breuer aan het interieur van het IBM-gebouw in Nice.

 

Vanaf 1959 werkt De Coene aan de modernisering van verschillende conferentie- en vergaderzalen van de Verenigde Naties, in het Palais de la Société des Nations in Genève. De plannen zijn van de Franse ontwerpster Charlotte Perriand. Ze bezoekt regelmatig de fabriek in Kortrijk en maakt graag gebruik van het technisch vernuft van de Kunstwerkstede. In Parijs realiseert De Coene met Perriand eveneens de inrichtingen van de residentie van de Japanse ambassadeur en van het Musée d'Art Moderne.

 

Door de ontwikkeling van spanten en prefab-systemen kan De Coene ook zijn diensten aanbieden als bouwfirma. Architect Renaat Braem experimenteert in de jaren vijftig graag met hout als constructiemateriaal, omdat dit volgens hem het evenwicht kan herstellen tussen mens en natuur. Naast de vormgeving van de tentoonstelling 'Hout, vriend van de mens', staat Braem ook in voor de bouw van twee constructies met spanten in zijn thuishaven Deurne. Zowel voor de markthallen (1957) als voor het Sport- en cultuurcentrum Arena (1959) rekent Braem op de glulam spanten van de Kunstwerkstede. De ontwerpen van Braem kunnen zich ontwikkelen door de samenwerking met De Coene, dat een studiedienst had voor spantenconstructies.

 


 

DE COENE OP NIEUWE WEGEN

KNOLL + SPANTEN = INRICHTINGEN + ARCHITECTUUR 1952 - 1977

 

 

Ondanks loodzware financiële sancties, leeft de Kortrijkse Kunstwerkstede toch weer helemaal op. Pol Provost, bijgestaan door Adolf jr. en Pierre De Coene, zonen van Adolphe, gaat voor vernieuwing en modernisering. De Kunstwerkstede herovert zijn koppositie als interieurbedrijf. De Coene kiest resoluut, maar niet exclusief, voor een moderne vormgeving en waagt zich in de wereld van de architectuur.

 

 

POL PROVOST

 

Pol Provost, na 1952 de nieuwe leider van de Kunstwerkstede, treedt in de voetsporen van zijn voorganger en vriend Joseph De Coene maar bouwt zowel een politiek als een artistiek netwerk uit. Naast zijn indrukwekkende carrière in het bedrijfsleven, in 1970 bekroond met het voorzitterschap van het Verbond der Belgische Nijverheid, is Provost actief in talrijke commissies voor de bevordering van het nationale kunstpatrimonium.

 

Provost zet ook zijn schouders onder de promotie van industrieel design in België, waar de integratie van design en industrie nog op gang moet worden getrokken. In 1956 speelt hij een hoofdrol bij de oprichting van het Instituut voor Industriële Vormgeving van België en het Groothertogdom Luxemburg. Het Instituut richt zich vooral op theoretisch onderzoek. Jaren later, in 1964, is Provost één van de stichters van het Design Centre in Brussel, een vzw voor de promotie van industrieel design in België. Hij wordt voorzitter van zowel het Instituut als het Design Centre. Op het eind van de jaren zestig is Provost één van drijvende krachten achter de oprichting van de Kortrijkse Hallen en de organisatie van de succesvolle biënnale Interieur. Deze beurs voor hedendaagse wooncreativiteit sloot mooi aan bij de activiteiten van De Coene.

 

 

KNOLL, BRON VAN VERNIEUWING

 

De klassieke meubelen en de steeds eenvoudiger en strakker wordende meubelen met Art Deco reminiscenties blijven een belangrijke troef voor de Kunstwerkstede. Maar de tijdsgeest is veranderd, internationaal en transatlantisch. De Verenigde Staten zijn als het ware onmiddellijke buren. De eigentijdse meubelen uit de Verenigde Staten en Scandinavië, drukken een zeer aantrekkelijk uitgepuurde klaarheid uit in de functie, materiaalgebruik en vorm. Het besef groeit dat door de oorlogsperikelen de Kunstwerkstede de nieuwe design-trend aan het missen is. De cruciale vraag is: heeft de vooroorlogse visie op kunstateliers nog toekomst? Pol Provost knoopt onderhandelingen aan met de Amerikaanse designfirma's Miller en Knoll International. In 1954 is een licentie voor de productie en verkoop van Knoll-meubilair in de Benelux en Belgisch Congo een feit. Nieuwe vormen en industriële productiemethodes doen hun intrede.

 

Banken, handelsondernemingen en de overheidsadministratie houden van het nieuwe moderne meubilair omdat het de toekomst uitdrukt. De nieuwe generatie architecten en de rijke burgerij vallen eveneens voor het Knoll-topdesign. De Coene opent Knoll-showrooms in Brussel, Antwerpen, Luik en in Amsterdam. De samenwerking tussen Knoll en de Kortrijkse Kunstwerkstede is een voltreffer. De meubels van Florence Knoll, Eero Saarinen, Harry Bertoia en Ludwig Mies van de Rohe verschijnen in de catalogi van De Coene. De elegante exclusieve stoelen van Bertoia, door de Kunstwerkstede vervaardigd met staaldraad van Bekaert uit Zwevegem, zijn een groot commercieel succes. Men werkt aanvankelijk samen met Delvaux voor het maken van kussens voor de koninklijke Barcelona-zetels van Mies van de Rohe. Knoll is een stimulans voor de losse verkoop, maar is tevens de opstap naar grote interieurcontracten.

 

De Kunstwerkstede richt een eigen studiebureau op, onder leiding van Philippe Neerman, voor de interieurinrichtingen van grote instellingen. Een mooi resultaat is de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel, tussen 1956 en 1969. Vele Amerikaanse instellingen, zoals de Amerikaanse ambassades in Brussel en Den Haag en multinationals willen Knoll-meubiliair en passende inrichtingen in hun Benelux-vestigingen. Andere volgen, zoals Philips in Eindhoven en het warenhuis A l' Innovation, te Brussel. De internationale afzetmarkt en het actieterrein op hoog diplomatiek niveau zijn terug als weleer. De zalen van UNESCO in Parijs en het Palais de la Société des Nations in Genève zijn daar getuige van. Knoll is de inspiratie om zelf moderne meubellijnen te ontwikkelen. De geroemde kwalitatieve afwerking functioneert opnieuw als ambassadeur van de Kunstwerkstede.

 

 

SIERLIJKE SPANTEN

 

Op de tiende Triënnale van Milaan in 1954 sleept de Kortrijkse Kunstwerkstede een erediploma in de wacht, de eerste officiële onderscheiding sinds de bevrijding. Er zijn een 'houten balk in plakhout' en een triomfboog uit gebakeliseerde spanten, een ontwerp van medewerker-architect André De Poerck, te zien. Deze keer geen luxemeubelen, maar houten constructie-materialen. Het weerspiegelt de ambities van De Coene als bouwfirma. Bogend op een jarenlange ervaring in het maken van eenvoudige barakconstructies, zoekt het bedrijf in de jaren vijftig en zestig intensief naar houten bouwtoepassingen.

 

De troeven van de gelijmde gelamelleerde (glulam) spanten worden uitgespeeld: licht, stabiel, duurzaam, vormen naar keuze, snel te plaatsen en de mogelijkheid om overspanningen tot honderd meter te realiseren. Grote constructies kan men optrekken in slechts enkele weken tijd. In een folder staat te lezen: "Op volmaakte wijze aangepast aan de meest gedurfde bouwtechnieken, beantwoordt de spantenbouw De Coene prachtig-mooi aan de harmonie van de hedendaagse en avant-gardistische architectuur, voor dewelke zij bovendien een onuitputtelijke bron van inspiratie vormt. Naast hun technische hoogwaardigheid, wordt hun toekomstige meerwaarde echter vooral bepaald door hun functionele schoonheid." Vele architecten gaan ermee aan de slag, aangenaam verrast als ze zijn door de ruimtelijke mogelijkheden van deze bouwelementen.

 

De noodkerk van Sint-Laurentius te Lokeren is één van de eerste gebouwen waarmee De Coene het grote potentieel van de spanten bewijst. Architect Jan Windels ontwerpt een kerkgebouw met parabolische gebinten en wendt de spanten tevens aan voor de kerktoren. Het is de perfecte promotie voor de glulam spanten, want de constructie verovert de eerste prijs op de Nationale Architectuur Prijskamp van 1955. Het aanvankelijk wantrouwen onder industriëlen, ingenieurs en architecten smelt weg. Gevolg: in 1956 krijgt de Kunstwerkstede de opdracht voor de bouw van het Belgisch paviljoen op de Feria Internacional van Bogota (Colombia). Een grote eer voor het Kortrijkse bedrijf: "Wij gaan er fier op - en niet zonder reden - dat onze firma uitgekozen werd om België in dat verre land te mogen vertegenwoordigen en alzo in zekere zin de Ambassadeur is geworden van de Belgische Bouwnijverheid." Dit paviljoen van architect Jacques Dupuis vormt de voorbode van het intense gebruik van de spanten op EXPO 58 te Brussel. In 1967 kan De Coene al meer dan duizend constructies in België en Frankrijk voorleggen: industrie- en overdekte markthallen, sportzalen, bowlings en ontspanningscentra zoals de sporthal in Baskenland voor het championnat du monde de pelote basque of tribunes zoals voor voetbalclub La Gantoise. De constructie van parapluspanten voor de Kortrijkse Hallen in 1964 is een technische hoogstandje.

 

DE COENE OP EXPO 58

 

De Coene tracht een aantal opdrachten binnen te halen voor Expo 58. De organisatie is in eerste instantie niet geïnteresseerd. Onterecht naar hun aanvoelen, want hun expertise in snelle spantbouw is uiterst geschikt voor een dergelijk project. Aanstonds worden enkele van de organisatoren uitgenodigd in restaurant Auberge de la Pergola te Brussel. Niet het eten, maar een De Coene- realisatie, de originele veranda met lichtvoetige gekromde spanten, verklaart de keuze voor deze locatie. Het werkt, de bestelling van glulamspanten voor acht nutsvoorzieningen op de tentoonstellingssite is binnen.

 

Naarmate de Expo nadert en de tijdsdruk toeneemt, haalt de Kunstwerkstede de ene bijkomende opdracht na de andere binnen voor individuele paviljoenen van landen en firma's. Als zwaargewicht binnen de groep van de Houtnijverheid, staat de firma in voor de uitvoering van het paviljoen van de werkgeversorganisatie Febelhout, vlakbij het Atomium. Het ontwerp is van de hand van architect Wenceslas de t'Serclaes de Wommerson; Fabrizio Carola verzorgt de inrichting. Het grootste deel van het paviljoen bestaat uit een grote tentoonstellingszaal in de vorm van een bolkap met een overspanning van 25,5 meter. Daarnaast bevindt zich een balkvormig volume met tentoonstellingsruimtes en een De Coene-bar. Het geheel wint een Zilveren Ster.

 

Het relatief kleine Kortrijks Dakpannenkantoor vormt een ander kroonstuk van de glulam realisaties. Dit juweeltje komt tot stand dankzij de vruchtbare samenwerking tussen de studiebureau's van De Coene, architect Geo Bontinck en het Dakpannenkantoor zelf. Het paviljoen krijgt de vorm van een halve bolkap en steunt op vier koppels glulam spanten. De Coene verzorgt de boogstructuur, de houten aankleding en de houten draaitrap binnenin. Het project krijgt een Grote Prijs voor zijn originaliteit. De passerelle van Vrolijk België is een andere blikvanger. Fabrizio Carola, huisarchitect bij De Coene, ontwerpt een frivole brug over de tramweg met spanten als ondersteunende elementen. De meest gedurfde constructie evenwel is zonder twijfel de houten signaalmast van de Grote Paleizenpoort. Dit gevaarte, 33 meter hoog, geassembleerd met twaalf doorlopende glulam balken, wordt bekroond met een draaiende ster, het symbool van de Expo. Rustend op een bolle punt wordt de mast in evenwicht gehouden met een ingenieus systeem van elkaar kruisende kabels. De Kunstwerkstede krijgt ook de kans om een aantal constructies op te richten voor buitenlandse secties.

 

Expo 58 is het grootste naoorlogse project in België: 49 naties en 7 internationale organisaties nemen deel. Bijna 42 miljoen mensen bezoeken de Heizel. Uiteindelijk krijgen 28 projecten op de Expo 58 een De Coene-stempel. De firma levert spanten, meubels en panelen, ontwerpt eigen constructies, neemt deel aan tentoonstellingen en bouwt verschillende paviljoenen. Expo 58 wordt het naoorlogse visitekaartje.

 

 


 

DE WERELD OVERSPANNEN

KANT-en-KLARE ARCHITECTUUR

 

 

Duizend woningen voor Afrika: dat is de eerste grote opdracht die in 1952 de heropbloei van de Kunstwerkstede inluidt. Nog voor de doorbraak van de spanten, ontwerpt De Coene verschillende types geprefabriceerde woningen. De eerste, nogal primitieve huizen, zijn bestemd voor een Afrikaanse wijk in Leopoldstad. Het is een bestelling van het Belgische ministerie van Koloniën. Het optrekken van deze prefab-constructies is doodeenvoudig. Lokale arbeiders, onder leiding van een ploegleider van De Coene, klaren de klus in drie maanden tijd. In de jaren vijftig wendt de Kunstwerkstede vooral de zelfdragende, roodbruine Decoba-panelen aan bij het bouwen van de meest diverse constructies. Een publiciteitsfolder somt de talrijke voordelen van de Decoba bouwpanelen op: "rationele constructie - snelle uitvoering - aantrekkelijk uitzicht - droge bouw - hoge isolatie - weinig onderhoud."

 

De Kunstwerkstede illustreert de mogelijkheden van haar bouwpakketten aan de hand van modelwoningen op belangrijke tentoonstellingen. In 1957 bouwt architect Guchez bijvoorbeeld een Europees Huis op basis van Decoba-panelen voor de Internationale Jaarbeurs der Vlaanderen in Gent. De Coene brengt talrijke moderne en klassieke woningtypes op de markt, maar dit wordt bij de particulieren een mislukking. De verkoop komt nooit van de grond. En toch hebben de prefab-constructies een grote afzet. Belangrijke overheidsopdrachten voor de bouw van scholen komen binnen. Over heel België, maar ook in West-Duitsland, worden tientallen moderne en kleurrijke Decoba-schooltjes opgericht. Met de levering van speciale, extra-isolerende Super-Decoba's voor de Belgische wetenschappelijke basis op de barre Zuidpool brengt de Kunstwerkstede in 1959 andermaal een uitdagende opdracht tot een goed einde.

 

In de loop van de jaren zestig ontwikkelt De Coene nieuwe geïndustrialiseerde bouwsystemen die zowel hoog- als laagbouw toelaten. De constructie van winkels, kantoren, een bowling, een internationale school en een mess voor het hoofdkwartier van de NAVO in Bergen zijn gevarieerde toepassingen van deze systeembouw. Maar de meest opmerkelijke realisaties zijn zonder twijfel de jeugdhuizen in Frankrijk. Via haar filialen in Komen en Parijs slaagt De Coene erin om tot tweemaal toe een wedstrijd te winnen van het Ministère de la Jeunesse et des Sports. De opdracht bestaat uit het ontwerpen en uitvoeren van duizend Clubs de Jeunes. Na de revolte van mei 1968 hoopt de Franse regering de jongeren van straat te houden door ze een eigen clubhuis te schenken, dat ze bovendien zelf mogen opbouwen en inrichten. In het studiebureau van De Coene gaat men onmiddellijk aan de slag, wat resulteert in de DC 333. De jeugdclub wordt in elkaar geklikt met ruimtelijke modules van drie meter op drie. De instructies worden in de vorm van een stripverhaal onderricht. In de tweede wedstrijd in 1971 is de Tridim 120 de winnaar. Het is een echte meccano, een vooruitstrevend kleurrijk, speels en strak design. De Clubs de Jeunes komen over het hele Franse grondgebied terecht, inclusief de Caraïben. Tot op vandaag zijn een aantal nog steeds in gebruik.

 

 

SPROOKJES IN ARABIË, PATATTEN IN IJSLAND

 

De Kortrijkse Kunstwerkstede zoekt altijd naar afzetmarkten over de grenzen heen. Onder leiding van de broers De Coene verovert het bedrijf de Noord-Franse markt met zijn luxemeubelen. Vanaf de jaren twintig exporteert het triplexplaten en serieproducten naar Nederland en Groot-Brittannië. Leveringen buiten West-Europa zijn uitzonderlijk, maar daar komt verandering in na de Tweede Wereldoorlog. De nieuwe directie die in 1952 het roer overneemt, kan het commerciële netwerk in het buitenland gevoelig uitbreiden.

 

Hoewel de buurlanden de meeste bestellingen plaatsen, stuurt De Coene ploegen naar alle uithoeken van de wereld. Een heel speciale opdracht is de meubilering van het Koninklijk paleis van Riyad in 1958. Na de Suez-crisis zijn Franse en Britse meubelmakers uit de gratie van het Saudische koningshuis gevallen. De Kortrijkse Kunstwerkstede wordt de nieuwe hofleverancier en sleept een bestelling in de wacht van 100 slaapkamers, 5 eetkamers en 45 salons voor koning Ibn Saud en zijn uitgebreide harem. Deze realisatie spreekt enorm tot de verbeelding. "Oosterse sprookjes ontstaan te Kortrijk," kopt het Nieuwsblad en over PR-man Pierre De Coene schrijft de krant: "Met zijn tweeduizend medewerkers is de man immers de biezonderste leverancier geworden van de felgekleurde, goudbestikte, zwaar versierde duizend-en-één-nacht wereld waarin, zo heet het toch, oosterse prinsen en gesluierde prinsessen alle geneugten des levens trachten te proeven." Dertien arbeiders van De Coene trekken voor vier maanden naar het oosten om de meubels ter plaatse te installeren. Ze moeten zich aanpassen aan het verblijf in een vreemd land zonder café's of enige ander westers vertier. Een voetbalpartijtje met de lokale bevolking zorgt voor de nodige ontspanning.

 

Het koninklijk paleis is het eerste maar zeker niet het laatste avontuur van De Coene. De firma staat onder meer in voor de bouw van een paviljoen in Colombia, de inrichting van de Belgische ambassade in Australië, het optrekken van een hotel in Kameroen en het leveren van prefab-elementen voor twee Zuidpool-expedities. De Kunstwerkstede versiert opdrachten in alle delen van de wereld: van het tropische Congo tot het koude IJsland. Halfweg de jaren zestig zendt de firma vijftien werknemers naar Reykjavik, waar ze hotel Loftleidir van twee extra verdiepingen gingen voorzien. Op de bestaande fundering kon constructief alleen een lichte bouwconstructie toegevoegd worden, De Coene kon die leveren. Vervoer en logement zijn geen probleem, want de opdrachtgever is een luchtvaartmaatschappij. Maar de IJslandse keuken baart directeur Jérôme Dervichian zorgen: hij eist contractueel dat er voldoende pattaten worden overgevlogen voor zijn arbeiders en trakteert op tijd en stond met een fles whisky. Aardappelen kunnen daar immers niet worden gekweekt en alcohol is er verschrikkelijk duur.

 

Aan het eind van de jaren zestig transformeert De Coene tot een industriële houtgroep met internationale vertakkingen. De Houtindustrie De Coene bezit verkoopsfilialen in Nederland (Kunstwerkstede Amsterdam), Frankrijk (SEDECO Parijs) en Duitsland (De Coene Holzbetrieb in Ratingen). Daarnaast beschikt de houtgroep over vertegenwoordigers in Aarhus, Athene, Jeddah, Kinshasa, Koeweit, Londen, Montréal, New York, Oslo, Reykjavik, Stockholm en Utrecht. In het Noord-Franse Comines heeft De Coene een productiefiliaal (Bois Sciés Manufacturés) en in Europa en Afrika is het bedrijf betrokken bij een aantal bosexploitaties.

 

 

DE OPSPLITSING VAN DE COENE

 

Vanaf 1952 wil De Coene als vooruitstrevend bedrijf opnieuw tot de nationale en Europese top doordringen. Het bedrijf ondergaat een opmerkelijk expansie. De Coene ontplooit talrijke nieuwe activiteiten, maar een goede economische strategie ontbreekt. In de jaren zestig kan het familiebedrijf de groei niet meer dragen en in 1966 doet het een beroep op financiële middelen van twee koloniale subholdings van de Generale Maatschappij. De Generale krijgt de meerderheid van de aandelen en de Kunstwerkstede wordt een industriële houtgroep: NV Houtindustrie De Coene & Co, in 1973 kortweg NV De Coene.

 

De ambitie is groot en het bedrijf kent opnieuw een grote groei, maar dat vertaalt zich niet in behoorlijke winstcijfers. De nieuwe bedrijfsleiding voert verschillende reorganisaties door, maar slaagt er niet in om van de heterogene houtgroep een winstgevend geheel te maken. In de jaren zeventig stapelen de verliezen zich op en beslist de Generale Maatschappij om over te gaan tot de opsplitsing en uitverkoop van de Houtindustrie De Coene. De Nederlandse groep Internationale Bouwcompagnie, de Kameroense groep Khoury, het Italiaanse Knoll Europe en de Kortrijkse groepen Potteau, Despriet en Van Marcke nemen elk een deel van de activiteiten of de fabrieksterreinen over. Bijna 30 jaar later zijn verschillende opvolgers van het grote De Coene nog actief en bouwen verder op de goede reputatie van de Kortrijkse Kunstwerkstede.

 

 

OVER AMBACHT EN INDUSTRIE

 

De Kortrijkse Kunstwerkstede is de verwezenlijking van een ideaal: het samenbrengen van alle mogelijke kunstambachten voor de inrichting van interieurs. John Ruskin en William Morris, de bezielers van de Arts & Crafts-beweging, vormen met hun pleidooi voor de terugkeer naar de schoonheid van het ambacht een belangrijke bron van inspiratie. Meubelmaker Adolphe De Coene leert zijn arbeiders alle knepen van het vak. In de beginperiode werkt iedere arbeider een volledig meubel uit massief hout af. De zaak breidt uit met een smederij en men werft schilders, marmerkappers, spiegelslijpers en tapijtwevers aan. De nieuwe fabriek vult de bestaande bedrijfstakken aan met ateliers voor glasramen, carton-pierre, plaaster, koper, brons en kroonluchters. De taken worden verdeeld tussen tekenaars, meubelmakers, plakkers, vernissers, enzovoort.

 

De broers De Coene hechten veel belang aan de vorming van nieuwe werknemers, die de nodige stielkennis moeten opdoen in het bedrijf of op de kunstacademie van Kortrijk. In tegenstelling tot Morris en Ruskin, staan de leiders van de Kunstwerkstede niet afkerig tegenover machines en geloven met Henry van de Velde in de verzoening van kunst en industrie. Bedrijfsleider Joseph De Coene volgt de ontwikkelingen in de houtindustrie op de voet. Een bezoek aan Amerikaanse triplexbedrijven in 1921 overtuigt hem van het grote potentieel van deze nieuwe techniek. Hij laat twee houtschilmachines, een snijmachine en een pers overkomen uit de Verenigde Staten.

 

Triplex is de benaming voor platen, samengesteld uit drie dunne laagjes hout (fineren) die kruiselings op elkaar worden gelijmd. Wanneer er meer dan drie fineren worden gebruikt, spreekt men van multiplex. De methodes voor de productie van triplex zijn op dat moment een goed bewaard geheim en pas na lang zoeken slaagt De Coene erin om de juiste formules te vinden. In 1922 produceert De Coene Frères als eerste firma in België triplex. Het gebruik van triplexplaten levert meubels op van een betere kwaliteit: "Met deze werkwijze wordt het niet alleen mogelijk nette, verzorgde meubelen te vervaardigen die ineensluiten en vastblijven als een stalen werktuig, maar zij leveren tevens de volstrekte waarborg tegen opentrekken of krimpen door hitte van stoomverwarming in huis." Doordat de productie met triplex een stuk efficiënter verloopt, kan De Coene nu ook goedkopere modellen maken voor de gewone burger. Bovendien laat deze nieuwe techniek toe om meubelen te voorzien van prachtige ronde vormen, een kunst die De Coene perfect onder de knie heeft.

 

In haar publicaties verkondigt de Kunstwerkstede trots dat ze het hele verwerkingsproces van het hout beheerst: "In onze werkhuizen wordt langs den eenen kant de boom naar binnen gevoerd, en hij gaat er langs den anderen kant weer uit in meubels herschapen." De firma gaat zelf op zoek naar de beste stammen en koopt hele bossen op in Frankrijk, Polen, Hongarije en Zweden. Daarnaast specialiseert De Coene zich in het gebruik van exotisch hout. Joseph De Coene is de eerste die het aandurft om hout uit Belgisch Congo te verwerken op een industriële schaal.

 

De innovatieve geest van De Coene leeft verder na de Tweede Wereldoorlog. De nieuwe directie koopt een grote pers aan voor de productie van gebakeliseerd hout (1952). Beukfineren, doordrenkt met bakeliethars, zijn waterdicht en maken architectonische toepassingen mogelijk. De Decoba- panelen bijvoorbeeld, kunnen dienst doen als buiten- of binnenwanden van geprefabriceerde woningen. De Coene ontwikkelt ook twee types van gelijmde spanten, een toepassing die al in 1901 in Zwitserland is uitgevonden maar een doorbraak kent met de ontdekking van nieuwe synthetische lijmen. De Kunstwerkstede is vertrouwd met deze lijmtechnologie vanuit de triplexproductie. Talrijke nieuwe producten vloeien voort uit de triplexindustrie. Een succesvolle innovatie van De Coene zijn de Decowall, eenvoudig te monteren decoratieve wandpanelen.

 


 

UITLEIDING

DE SLUIER OVER DE KORTRIJKSE KUNSTWERKSTEDE

 

Van de lange geschiedenis en de internationale dimensie van de Kunstwerkstede heeft het grote publiek nauwelijks weet. De vraag is: waarom bleef deze 'erfgoedschat in de toegepaste kunsten' zolang verborgen?

 

 

In België, tot heel recent, is de wetenschappelijke interesse voor de toegepaste kunsten van de twintigste eeuw eerder gering. Wanneer die er is, vertrekt ze meestal van uit een architecturale visie, verbonden met persoonlijkheden die eveneens hun sporen verdienden in de architectuurwereld: Henry van de Velde, Victor Horta, Paul Hankar, Renaat Braem, Louis H. De Koninck, Alfred Hendrickx of Willy Van Der Meeren.

 

Dikwijls diende het onderzoek aan een tweede voorwaarde te voldoen. Het onderwerp moest al te vaak aan de avantgardistische of modernistische dogma's van 'radicale vernieuwing' en 'vernieuwend experiment' of 'originaliteit' beantwoorden. Zo viel de Kortrijkse Kunstwerkstede buiten het gezichtsveld van potentiële onderzoekers. Het is inderdaad moeilijk om De Coene-realisaties in uitzicht of vorm tot de avant-garde of de pure modernisten van het interbellum te rekenen. Hierbij gaat men echter voorbij aan een essentiële dimensie van het vooroorlogse modernistische denken, namelijk het voortdurend experimenteren in technieken en productieprocessen die massaproductie mogelijk maken. Deze massaproductie had een sociaal, democratisch effect voor ogen. Bij de avant-garde was er interesse voor nieuwe technieken en materialen, maar nauwelijks voor het geduldig ontwikkelen en het perfectioneren van de productieprocessen. De Kunstwerkstede De Coene deed dat wel en op grote schaal. Onophoudelijk investeerde het bedrijf in het maken van nieuwe soorten goedkopere maar duurzame hout- en bouwmaterialen. Deze kracht en vaardigheid maakten van de Kunstwerkstede De Coene het belangrijkste houtverwerkende bedrijf van België. Als leveranciers van het goedkope triplex maakten ze - oh ironie - vele van de experimenten van de avant-garde mogelijk.

 

Zij die voorbij het vaak oogverblindende van sommige hedendaagse design kunnen kijken, beseffen dat voldragen duurzame design ontstaat uit een continue wisselwerking of een intens heen-en-weer experimenteren, tussen 'de functionele invulling', 'het ontwerpen', en 'het maken'. In de Kortrijkse Kunstwerkstede is dit voor de hele periode van haar bestaan het fundament van haar productie gebleken. In die zin was en is De Coene modernistisch, zonder het predicaat te krijgen, laat staan het op te eisen. De ontwerpers stonden op gelijke voet met de makers. Logischerwijze profileerde de Kortrijkse Kunstwerkstede zich niet zozeer als een school van geniale creatievelingen maar als een moderne werkplaats in de toegepaste kunsten, waar iedere werknemer een essentiële rol in het raderwerk opnam. Binnen de toenmalige tijdsgeest waagde men zich niet zoals nu aan een personencultus van ontwerpers, designers of architecten, een trend die zich opdrong sinds begin jaren 1980. Niet de ontwerper, maar het kwaliteitsvolle product stond centraal. Daardoor miste het ongrijpbare fenomeen De Coene de nodige aantrekkingskracht bij kunst- en architectuurhistorici. Ofwel was het gewoonweg niet geweten, ofwel was het niet eenduidig gefocust op een geniale persoon.

 

Er zijn nog redenen voor het gebrek aan interesse. Er is enerzijds de enorme variëteit aan De Coene producten en anderzijds een dramatisch verlies aan historische bronnen. Het bedrijfsarchief is grotendeels verloren gegaan in bombardementen tijdens de twee wereldoorlogen en door de vereffening van nv De Coene in 1977 raakte een groot deel van het naoorlogse archief verloren of verspreid. Tenslotte heeft de veroordeling voor economische collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog menig kunsthistoricus weerhouden onderzoek naar de producten van De Coene te voeren. Geschiedkundigen hebben een dikke kluif aan de Tweede Wereldoorlog. Kunsthistorici daarentegen hadden weinig zin om de vele obstakels op te ruimen rond kunst die geassocieerd werd met collaboratie onder welke vorm ook. Op dit vlak doet zich sinds tien jaar in binnen- en buitenland een opmerkelijke trendbreuk voor. De oorlog ligt nu ver genoeg achter ons om rationeler met dat verleden om te gaan en ook de kunstproductie van De Coene minder emotioneel te benaderen.

 

De tentoonstelling Kunstwerkstede De Coene 1888-1977 hoopt de interesse op te wekken van het grote publiek en van de academische wereld. Dankzij de inspanningen van de oud-medewerkers, nu leden van de vzw Stichting De Coene, de Stedelijke Musea Kortrijk, de erfgoedcellen van Kortrijk en Antwerpen en de Afdeling Architectuur en Stedenbouw UGent, is een eerste fundament gelegd. Honderden projecten zijn opgelijst, vele duizenden stukken beeld- en archiefmateriaal zijn samengebracht. En nieuwe informatie blijft maar binnenstromen. Daarom is deze OKV-uitgave eveneens een warme uitnodiging aan de specialisten in en buiten de academische wereld om hun expertise mee in te zetten. Heel wat topics zijn het onderzoeken waard. Slechts één voorbeeld: de naam Henry van de Velde duikt van bij de start decennia lang op in relatie met de Kunstwerkstede De Coene, maar meermaals is de aard en het waarom nog uit te klaren.

 

Ruben Mayeur, Frank Herman, Terenja van Dijk

 


 

PRAKTISCH

 

Van 15 september 2006 tot 7 januari 2007 is de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene de inspiratiebron voor een overzichtstentoonstelling en voor een staalkaart van activiteiten in en buiten de stad Kortrijk. De kern van het gebeuren is de tentoonstelling Kunstwerkstede De Coene 1888-1977, waar in het Broelmuseum de Kortrijkse Kunstwerkstede bijna 4 maanden lang tot leven komt. 


WERKTEN MEE AAN DEZE UITGAVE

Isabelle De Jaegere (Conservator Stedelijke Musea Kortrijk), Peter Monbailleu (Stad Kortrijk), Philippe De Craene (vzw. Stichting De Coene), Bernard Pauwels (Erfgoedcel Kortrijk), Véronique Lambert (Erfgoedcel Kortrijk)


AUTEURS

 

Ruben Mayeur (Wetenschappelijk medewerker)
(°1980, Lic. Geschiedenis; studies Internationale Betrekkingen en Conflictbeheersing, KU Leuven,) maakte zijn scriptie over de gemeentebesturen van Kortrijk en Rollegem tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als wetenschappelijk medewerker van het erfgoedproject Kunstwerkstede De Coene verrichtte hij archiefonderzoek en stelde hij de bedrijfsgeschiedenis samen. Zijn interesse gaat uit naar het politieke en het sociaal-economische.

 

Frank Herman (Erfgoedcel Antwerpen, curator)
(°1957, Lic. Archeologie, KU Leuven, MA in Anthropology, Univ. of Pennsylvania) is samen met Terenja Van Dijk curator van de tentoonstelling Kunstwerkstede De Coene 1888-1977, Kortrijk (2006). Na 20 jaar archeologisch onderzoekvoeren, is hij sinds 2000 coördinator erfgoedbeleid bij de Erfgoedcel Antwerpen. Hij coördineerde o.a. het tentoonstellingsparcours Rubens in de Monumentale Kerken van Antwerpen (Rubens 2004) en het boek & video Schoonselhof nu!, 2005). Hij was o.a. curator van de dubbeltentoonstelling Van Moderne Makelij 1952-1977, de Kortrijkse Kunstwerkstede De Coene in Antwerpen, Merksem, Deurne (2002).

 

Terenja van Dijk (curator)
(°1959, Ir.-Architect, Universiteit Delft) is samen met Frank Herman curator van de tentoonstelling Kunstwerkstede De Coene 1888-1977. Zij doceerde aan de faculteit Bouwkunde in Delft. Als onderzoeker, film -en/of tentoonstellingsmaker werkt zij vooral aan projecten rond architectuur, landschap en stedenbouw zoals Homeward. Contemporary Architecture in Flanders (Biënnale Venetië 2000, Le Magasin, Grenoble, e.a. ), Van Moderne Makelij (Merksem-Deurne, Antwerpen 2002), Recollecting landscapes (SMAK, Gent, 2005) en Werken, Maarten Van Severen (o.a. Designmuseum Gent, MARTa Herford 2004).


MEDEWERKERS


In de geest van de Kunstwerkstede werd aan deze aflevering gewerkt. Het is het resultaat van vele inspanningen in teamwork. Het is o.a. gebaseerd op de bijdragen in het boek Kortrijkse Kunstwerkstede De Coene 2006 (Groeninghe, Kortrijk), waaraan tevens meewerkten: Werner Adriaenssens, Rita Devos, Marc Dubois, Lieven Douchy, Fredie Floré, Marc Goethals, Noël Hostens, Paul Thiers, Sophie Vlieghe en Norbert Poulain. In die zin zijn de auteurs - opnieuw in de geest van de Kunstwerkstede - slechts de woordvoerders.


ILLUSTRATIES

(De illustraties kan u bekijken in het PDF-formaat)

 

  • Joseph De Coene, Zeilboot op de Leie, Olie op paneel, 40 x 70 Uit: De Geest Joost, Jozef De Coene. De Kunstenaar - L'Artiste, Tielt, Stichting De Coene & Uitgeverij Lannoo, 2005
  • Joseph De Coene aan het schilderen langs de waterkant Archief Stichting De Coene vzw.
  • Joseph De Coene, Stijn Streuvels, Albert Saverys en Arthur De Leu heffen het glas tijdens hun boottocht op de Vlaamse binnenwateren, 1924, AMVC-Letterenhuis, Antwerpen.
  • Trappenhal van de villa Léon Verbreyt, ontworpen door architect Jan-Albert De Bondt, 1927, Het hele ensemble werd uitgevoerd door De Coene, inclusief glasramen en luchter.
  • Roltrappen van het grootwarenhuis De Bijenkorf te Amsterdam. De Coene realiseerde de houten bekledingen onder toezicht van architecten Breuer en Elzas in 1956, Archief Stichting De Coene vzw
  • Vergaderzaal van de Verenigde Naties in het Palais de la Société des Nations te Genève, ingericht door De Coene onder toezicht van ontwerpster Charlotte Perriand, 1959-1969 Archief Stichting De Coene vzw
  • Ontwerptekening van het sport- en cultuurcentrum Arena (Fortje) in Deurne. Gebouwd door architecten Renaat Braem en Oktaaf de Koninckx i.s.m. De Coene, 1959-1960 A.A.M., Brussel 
  • Interieur van sport- en cultuurcentrum Arena (Fortje) te Deurne, 1959-1960 Opgetrokken met spanten van De Coene. Het ontwerp van architect Renaat Braem veranderde drastisch toen hij opteerde voor De Coene glulam-spanten, Archief Stichting De Coene vzw
  • Het transport van de signaalmast voor Expo 58 door de straten van Kortrijk, Archief Stichting De Coene vzw
  • De houten signaalmast aan de grote Paleizenpoort van Expo 58, een realisatie van De Coene i.s.m. ir. André Paduart, Archief Willy Delaere
  • Opbouw van het hoofdstation van de telelift van Expo 58 met spantenbogen van De Coene naar een ontwerp van Roger Thirion, Archief Stichting De Coene vzw
  • Nachtzicht van het Kortrijks Dakpannenkantoor op Expo 58, een paviljoen van architect Geo Bontinck, uitgevoerd door De Coene en het Dakpannenkantoor, Archief Stichting De Coene vzw
  • Benzinestation in de Avenue Demeisse in Brussel, opgetrokken naar aanleiding van Expo 58 met spanten en prefab-elementen van De Coene, Archief Willy Delaere
  • Illustratie van het verwerkingsproces van stam tot meubel, Tekening door Karel Noppe, 1925, Uit: Gedenkboek De Coene Frères Courtrai 1900-1925, Kortrijk, Drukkerij Jos Vermaut, 1925 (Archief Stichting De Coene vzw)
  • Reclame voor Decowall, de eenvoudig te monteren decoratieve houten wandpanelen, na 1960, Archief Stichting De Coene vzw
  • Tafel op hoefijzerpoot, Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene, eind jaren 1920-1930, Privé-collectie Van Marcke
  • De gigantische uitbeelding van de Zeeslag van Sluis in de toenmalige speelzaal (de vroegere concertzaal) van het Casino-Kursaal van Blankenberge, ontwerp Albert Saverys, 1946, Privé-verzameling Cis Kennis, Blankenberge
  • De medewerkers van de behangerszaak De Coene-Tavernier, met rechts de jonge Joseph De Coene, circa 1890, Uit: Germonprez Fred, Jozef De Coene, Tielt, Lannoo
  • Het personeel van De Coene en talrijke gasten tijdens het Jubileumfeest van de Kortrijkse Kunstwerkstede, 12 mei 1956, Archief Stichting De Coene vzw
  • "Eene afdeeling der schrijnwerkershalle", ateliers De Coene in de jaren 1920, Uit: De Eikelaar 2, 1927
  • De 'eerste voortbrengst' van Joseph De Coene, tentoongesteld in het stadhuis van Kortrijk begin 1900, Uit: De Eikelaar, aflevering I, 1926
  • Meubelontwerp van Joseph De Coene uit de beginperiode, circa 1900, Archief Stichting De Coene vzw
  • Art Nouveau interieur in villa Tribouillet, Moeskroen, 1905, met o.a. rechts een fragment van het haardwandmeubel dat in 1903 de Eerste Prijs behaalde op het Salon Triënnal des Beaux-Arts te Brussel. De ondertussen afgebroken villa werd in 1905 door Joseph De Coene ontworpen en door De Coene Frères ingericht, Archief Stichting De Coene vzw
  • Fabrieksloods, ontwerp van Joseph De Coene, 1912, aquareltekening op transparant papier, Stadsarchief Kortrijk, Bouwaanvragen 1912
  • Briefhoofd van de familievennootschap De Coene Frères, 1924, Archief Stichting De Coene vzw
  • De vier pioniers van de Kortrijkse Kunstwerkstede, boven: Joseph De Coene (links) en Adolphe De Coene (rechts), onder: Marcel Brunein (links) en Arthur De Leu (rechts), Uit: Gedenkboek De Coene Frères Courtrai 1900-1925, Kortrijk, Drukkerij Jos Vermaut, 1925, Archief Stichting De Coene vzw
  • Art Deco stoel, circa 1925, Archief Stichting De Coene vzw
  • Afbeelding van een tapijt van de Gebroeders De Coene uit De Eikelaar, het maandblad van de Kortrijkse Kunstwerkstede dat tijdens het interbellum door Stijn Streuvels werd uitgegeven, Uit: De Eikelaar, aflevering 3, 1928
  • Art Deco stoel met rug in gebogen multiplex, circa 1923-1935, Archief Stichting De Coene vzw
  • Een houtschilmachine schilt boomstammen tot een lange band fineer, Archief Luc André Vandenbogaerde
  • Wandbekleding met royaal gebruik van hout in de raadszaal, van het gemeentehuis van Vorst, 1935-1938
  • Raadszaal van het gemeentehuis van Vorst, 1925-1938, ingericht door De Coene tussen 1935 en 1938 naar ontwerp van architect Jean-Baptiste Dewin
  • 'De Vlaamsche Moderne Woonkamer' van De Coene, op de Internationale tentoonstelling voor moderne decoratieve en industriële kunsten, Parijs 1925 Uit: Savoir et Beauté, Numéro spécial, octobre 1925, Archief Norbert Poulain
  • Tapijt De Coene met scarabé-motief naar ontwerp van M. Grootaerts, 1933, Collectie en Foto Design Museum, Gent
  • Spiegelwand verfraaid met verguld carton-pierre met een gestileerd motief van twee reeën tussen exotische plantengroei, De Castillon, Brugge, 1934, Archief Stichting De Coene vzw.
  • Boottocht met de 'Waterhoen' op de Leie, in het gezelschap van koningin Elisabeth en figuren uit de Vlaamse artistieke wereld, 1931, V.l.n.r.: Stijn Streuvels, Albert Servaes, Graaf de Grünne, August Vermeylen, koningin Elisabeth, Herman Teir1inck, Adolphe de Coene; gezeten Gaston Martens achteraan(?). Waren o.a. nog aanwezig: Gustave van de Woestijne, Cyril Buysse, Valerius de Saedeleer, Isidoor Opsomer, Joseph De Coene, Henry van de Velde, Marcel Brunein, AMVC-Letterenhuis, Antwerpen
  • Bureau van koning Leopold III, uitgevoerd door De Coene naar een ontwerp van Henry van de Velde, 1935, Archief Stichting De Coene vzw.
  • Het paviljoen van de Kortrijkse Kunstwerkstede, ontworpen door Arthur De Leu, op de Wereldtentoonstelling van Brussel, 1935, Archief Familie De Coene
  • Bridgehoek van De Coene met stoelen waarvan de rugleuning versierd is met speelkaarten naar een ontwerp van Albert Saverys, Internationale tentoonstelling van Parijs, 1937, Archief Stichting De Coene vzw
  • Links: Woonkamer voor de ambachtsman met haardhoekje en eetplaats in eikRechts: Slaapkamer voor de ambachtsman in hout van Belgisch Congo, Beide gepresenteerd door de Coene op de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1937, Uit: Catalogus Kunstambachten en Nijverheid in België 1937, Brussel 1937, Privé-archief, Brussel
  • De vernielde fabriek van De Coene na de bombardementen van mei 1940, Archief Luc André Vandenbogaerde
  • Knoll interieur met tafel in wit carrara marmer en Tulip Chairs (150A fauteuil en 151C stoel), ontwerp van Eero Saarinen, 1956, Publiciteitsfolder Knoll International Brussels, zd, Archief Stichting De Coene vzw
  • Drie vertegenwoordigers van de nieuwe bedrijfsleiding bij de terugkeer van de familie De Coene in 1952, Pol Provost (links), Charlotte De Coene (centraal) en Pierre De Coene (rechts), Archief Stichting De Coene vzw
  • Leeszaal in de Koninklijke Bibliotheek Albert I, met tafel van De Coene en Knoll-stoelen van Eero SaarinenDe Coene Ontwerpafdeling, Philippe Neerman, 1956-1969
  • Tijdschriftenzaal in de Koninklijke Bibliotheek Albert I, De Coene Ontwerpafdeling, Philippe Neerman, 1956-1969
  • Leestafel in het handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel, uitgevoerd in gebakeliseerde multiplexlamellen, die met roestvrije stalen bevestigingsschroeven worden samengehouden, De Coene Ontwerpafdeling, Philippe Neerman, 1956-1969
  • De grote Raadszaal van de Koninklijke Bibliotheek Albert I, met meubilair en wandbekleding van De Coene
  • Op de foto Knoll-armstoelen 180A ontworpen door Vincent Cafiero, 1964, De Coene Ontwerpafdeling, Philippe Neerman, 1956-1969
  • Voorgevel van de Sint-Laurentiuskerk te Lokeren naar ontwerp van architect Jan Windels, zoon van De Coene-medewerker Georges Windels. Ook de klokketoren werd uitgevoerd in gelamelleerd hout. Eerste prijs Nationale Architectuur, Prijskamp 1955, Archief Stichting De Coene vzw
  • Belgisch paviljoen op de Feira Internacional de Bogota, 1956, opgebouwd door De Coene naar ontwerp van architect Jacques Dupuis, Archief Stichting De Coene vzw
  • Interieur van een Tentoonstellingszaal van de Kortrijkse Hallen, opgetrokken circa 1964 met spanten van De Coene
  • Paraplubouwsysteem ontworpen door de architecten Guy en Francis Van Oost
  • Arbeiders van De Coene op de werf van een spantenconstructie, na 1952, Archief Willy Delaere
  • Een Decoba schoolpaviljoen van De Caene, jaren 1960, Archief Stichting De Coene vzw
  • De ploeg van De Coene en lokale medewerkers openen de 369ste en laatste kist met meubelen voor het Koninklijk paleis in Riyad, Saudi-Arabië, 1958, Archief Stichting De Coene vzw (Paul De Groote)
  • Een Congolese arbeider bouwt één van ongeveer 1000 prefab-woningen van De Coene in Leopoldstad, circa 1953, Archief Stichting De Coene vzw
  • De Belgisch-Nederlandse Zuidpoolexpeditie (1964-1965) voor de basis, opgetrokken met prefab-elementen van De Coene, Archief Stichting De Coene vzw
  • Luxueus bed voor het paleis van koning Ibn Saud in Riyad, Saudi-Arabië, 1958, Archief Stichting De Coene vzw
  • Jeugdhuis type TRIDIM 120, circa 1971, De Coene levert 500 bouwpaketten van dit type over heel Frankrijk, inclusief de overzeese gebieden, Archief Stichting De Coene vzw
  • Kraan met het nieuwe logo van de nv Houtindustrie De Coene (1966-1977) op de houtwerf van het bedrijf, Archief Stichting De Coene vzw