U bent hier

OKV 2004.3 tento

Edito

 

Kunst in de publieke ruimte 

 

Enkele maanden geleden kwamen de inwoners van Milligen aan de Plas, een nieuwbouwwijk in het Nederlandse Zwolle,  bijeen om de inhuldiging van een kunstwerk in de publieke ruimte bij te wonen. Het kunstwerk stond in een tent. Groot was de verbazing van de nieuwsgierig opgekomen menigte wanneer ze alleen maar een luid­spreker zag. Hieruit klonk de stem van de fictieve kunstenaar Luis Listoni. Hij sprak over de 'mythe van het kunstwerk' en vooral hoe moeilijk hij het wel had wanneer hij eenzaam in de tent aan zijn kunstwerk verder werkte. Of althans probeerde, want zijn inspiratie stokte en het hele project liep vast, zo zei de krakerige stem uit de luidspreker. Om de bewoners van Milligen aan de Plas niet onder ogen te moeten komen, was de fictieve kunstenaar met een bootje weggevaren, vertelde hij verder tot verbijstering van de inwoners. Want zo ging de ingeblikte stem verder: "Moet iedere wijk waar nog geen scheet is gelaten al een kunstwerk hebben? Kunst is een illusie of is illusie kunst?"

 

Het budget van het kunstwerk bedroeg € 100.000 en dat vonden de Milligenaars wat van het goede teveel. Het hoefde geen ruiterstand­ beeld te zijn, maar een 'wegge open kunstenaar' kon voor het opge­komen publiek niet. De echte kunstenaar verdedigde zich. Ze had een documentaire gemaakt over de fictieve kunstenaar en ze had allerlei gebruiksvoorwerpen van de bewoners gefotografeerd en in een catalogus opgenomen.

 

Het blijft altijd een moeilijke opdracht. Kunst in de publieke ruimte blijft balanceren tussen de autonomie van de kunstenaar en de draagkracht en het platform van de lokale gemeenschap.  In dit nummer extra aandacht voor Bren Heymans, een jonge kunstenaar die al heel wat concrete kunstprojecten in de publieke ruimte op zijn naam heeft staan.

 

Verder stellen we twee nieuwe eigen uitgaven voor: Baksteengotiek in de Kempen en Tuinen van Hingene. De eerste twee van een nieuwe reeks erfgoed gidsen die we samen met de provincie Antwerpen maken. We staan ook stil bij de erfgoedpolitiek van de stad Mechelen met de recente aankoop van een topschilderij uit de zestiende eeuw en de restauratie van een goudleerkamer. Volgend jaar staat Mechelen trouwens in de belangstelling met Stad in vrou­wenhanden, een bundelingvan verschillende tentoonstellingen en evenementen rond de twee Margareta's. Abonnees van Openbaar Kunstbezit  in Vlaanderen kunnen er volgend jaar alles over lezen in een speciale aflevering. Herabonneer u voor 31 december 2004 dan bent u alvast verzekerd van deze aflevering en hoeft u onze kleine prijsverhoging niet te betalen: 25 € voor een abonnement en € 11 voor de opbergmap. Nieuwe posttarieven en duurdere grond stoffen dwingen ons tot deze prijsaanpassing. Maar we blijven hiermee nog altijd het goedkoopste kunst- en museumtijdschrift  in Vlaanderen en Nederland. Profiteer ervan.

 

Peter Wouters


KUNST IN OPENBARE RUIMTE

 

Bren Heymans zal het misschien niet graag horen, dat ik hem voor een dromer hou.  Deze jonge kunstenaar is namelijk een pragmaticus en dat maakt zijn dromen net zo boeiend.

 

Dromen zijn bedrog, maar niet altijd 

 

Ik bezoek Bren Heymans in zijn atelier op het HISK, voluit het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen.  De campus van de school is gelegen aan de Lange Leemstraat, in de gebouwen van het vroeger militair hospitaal. Achter de kasteelachtige torens van een neogotisch poortgebouw ligt een stukje militaire industriële archeologie.

 

De mix van vergane glorie en ongestoord verval werkt niet deprimerend. Als het gras maar hoog genoeg tussen de kasseien groeit, hangt hier zelfs een rustgevende sfeer. Het complex herbergt bovendien tien­tallen ateliers van uiteenlopende afmetingen.

 

Het programma van het HISK is inderdaad vrij eenvoudig. Het biedt jonge afgestu­deerde beeldende kunstenaars de kans om in een eigen atelier zelfstandig en in een professioneel klimaat hun werk te ontwik­kelen, los van vaste studieprogramma's, maar deskundig begeleid en gestimuleerd.

 

 

Het eiland Sawu

 

De vroegere ziekenzalen waarover Bren Heymans beschikt zijn twee achter elkaar liggende ruimten, strak van structuur, met een mooie lichtinval. Zieken zullen er zich miserabel gevoeld hebben, maar een kunstenaar kan zich midden in de stad geen rustigere, cleanere ruimte dromen. Bren Heymans is net geen dertig, afgestudeerd aan de Academie van Antwerpen. Zijn rich­ting was Monumentale Kunsten. Een keuze die hij met een fijne glimlach als een eerder gunstig toeval bestempelt.

 

Op dat monumentale laat hij zich niet echt vastpinnen, maar het houdt hem wel dege­lijk bezig.  Hij troont mij mee naar een maquette en enkele foto's.

 

Bren Heymans: "Ik ben net terug van een verblijf van enkele maanden op het eiland Sawu in Oost-Indonesië. Ik heb er aan twee projecten gewerkt: een watercondensatie­tent en een serre."

 

Verrassend en niet bepaald monumentaal. De aard van de projecten zou eerder naar ontwikkelingssamenwerking verwijzen, de uitvoering naar zachte technologie. Of vergis ik mij?

 

Bren moet al vaker dit soort opmerkingen gehoord hebben, al dan niet gekruid met een hatelijke ondertoon.

 

Heymans: "Je kan, je mag de zaken niet losmaken van de plaatselijke omstandigheden. Je moet weten dat Sawu één van de meest geïsoleerde en armste eilanden van Indonesië is. Er is een probleem van droogte; waterbronnen zijn schaars. Als gevolg is er een groot tekort aan groenten en fruit en dat heeft nefaste gevolgen voor de gezondheid van de bevol­king. Tijdens mijn prospectie heb ik de toestand grondig in mij opgenomen en ik bestudeerde tegelijk de plaatselijke archi­tectuur. De traditionele huttenbouw is fasci­nerend. Hiërarchie, vaste regels die als zinvol ervaren worden en niet als holle superstitie. De bevolking is erg aan haar tradities gehecht. Zij ondergaat dus ook de schaarste die haar ondergang kan bete­kenen.  Ik vond dat er iets aan de kern van het probleem moest gedaan worden, met moderne technieken, gekoppeld aan eerbied voor traditie. De serre is dus opge­trokken uit het plaatselijke bouwmateriaal, de lontarpalm, in de traditionele skeletten­bouw met overhangend dak, bekleed met plastic."

 

Op de reeks foto's die Bren Heymans mij toont, zie ik de serre helder afsteken tegen de schaduwrijke hutten. De volumes zijn identiek, maar het plastieken bouwsel licht op, als een schrijntje vol wondere voort­brengselen.

 

Heymans: "Het is natuurlijk niet de bedoe­ling om aan grootschalige cultuur te doen. Voor het plaatselijk niveau is het gebouwtje uitstekend geschikt en de herkenbaarheid speelt mee."

 

Met de condensatietent plant Heymans een nuttige infrastructuur die door de gehele dorpsgemeenschap gebruikt kan worden. De vormgeving grijpt terug naar die van de ceremoniële hut en dat is zeker geen toeval. Door het opvangen van condenswater uit een tentvormige constructie wordt een kleinschalige oplossing geboden aan een structureel probleem op het eiland: het watertekort Hij droomt ervan zijn twee projecten in combinatie te brengen.

 

De tent zorgt voor irrigatiewater voor de serre. Het is in principe mogelijk en hij popelt om het project verder te zetten.

 

 

Tropische vluchtheuvel

 

Het inwerken in het plaatselijk niveau blijkt een constante te zijn in de projecten van Bren Heymans. Tijdens het gesprek valt het mij op dat hij graag verwijst naar begrippen zoals bodem, wortels,  verankering. Hij schuwt het exotische niet, maar bij hem staat dat niet voor enige vorm van goedkoop escapisme. Eigenlijk steekt hij er op subtiele manier de draak mee. Hij gaat zelfs verder en gebruikt het als een opbouwend onderdeel in het concept.  In die zin heeft hij een project in gediend voor de heraanleg van een rondpunt te Halle. De rotonde, een kaal, onbereikbaar schijfje braakland, wordt als een tropisch eiland aangekleed. Straatcoating, beton en asfalt zouden samen een ander, speels resultaat ople­veren dat er uit zou zien als gouden stranden, zwarte en grijze rotskusten, dat alles opgevrolijkt met palmbomen. Dit reis­brochurevisioen dat voor de chauffeur plots uit de grauwe omgeving opduikt, zou hem tot minder verkrampt rijgedrag moeten aan zetten. Het project werd zonder commentaar afgewezen.

 

 

Het basketbaltapijt

 

Wij rijden naar een project dat het wel haalde: de aankleding van de Kerkstraat op de grens van Borgerhout en Antwerpen. Voor de Willebrorduskerk is de straat verbreed tot een plein dat eigenlijk geen naam draagt.

 

Het was ook geen plein in de letterlijke zin van het woord, eerder een plaatselijke verbreding van de rijweg om de kerk een soort voorplein te geven. Een verloren ruimte omringd door een erg banale bebou­wing. Heymans ingreep bestond erin het verkeer langs één kant te kanaliseren waar­ door de kale vlakte plein werd. De kern van het plein is een kleurrijk basketveld dat er uitziet als een Oosters tapijt. Het ' basketbal­tapijt' is uitgevoerd  in marmermozaïek en terrazo met Berberse en Oosterse elemen­ten door elkaar, een mengvorm die bij het tapijtweven vaker voorkomt. Met het kerk­gebouw op de achtergrond lijkt het alsof de vloer van de kerk tot op het plein doorloopt. Het oogt bijzonder goed, warm en chic.

 

Dat schrikt de plaatselijke jongeren niet af; de ongewone sportinfrastructuur wordt alvast intens gebruikt. Het forum-gevoel wordt extra beklemtoond door een kringvor­mige opstelling van bomen en banken. Enkele goed doordachte in grepen die budgettair niet zwaar doorwegen en weg is de banaliteit.

 

 

Een zwevend parkje

 

Het aankleden van de openbare ruimte kan een ondankbare taak zijn, zeker als het pleintje, het perceel of de insprong zich tot geen andere zinvolle invulling leent en dan maar moet opgefleurd worden. Het is de verdienste van kunstenaars als Bren Heymans om dat soort vergiftigde ge­schenken met een frisse blik te benaderen en er even utopisch over te denken. Heymans vertelt mij hoe hij onder de indruk kwam van het discours van iemand als Luc Deleu die de problemen in hun letterlijkheid durft te benaderen en hieruit krachtige voor­stellen formuleert. Een opdracht voor een parkje aan de Penitentienenstraat te Leuven had op niets kunnen uitmonden zonder dat vleugje schijnbare absurditeit. Wat kan je aanvangen met een verloren hoek die dan nog gedeeltelijk door de inrit van een onder­ grondse parking wordt ingenomen? Niet veel natuu rlijk, tenzij je heel het pleintje optilt en het verkeer er gewoon onderdoor laat rijden. Het parkje is nu een eiland geworden, zwevend in de kruin van de bomen. De rustbank staat onder een afdak dat veel verwantschap vertoont met de tuin­huisjes in deze volkswijk. De vloer is bekleed met zuiders aandoende mozaïek-steentjes. De kringvormige patronen zijn de uittekening van de doorbuiglijnen van het platform. Gewild of ongewild worden wij zo geconfronteerd met basisgegevens over de bodem waarop wij staan. Laat die daaronder maar parkeren. Vanuit deze boom hut hebben wij een frisse kijk op een vertrouwde omgeving.

 

Het verheugt Bren Heymans dat dit project inderdaad uitgevoerd zal worden, spijtig genoeg niet op de plaats waarvoor hij het ontworpen had. Toch hoopt hij dat de essentie van het concept bewaard blijft.

 

Wij overlopen nog enkele andere projecten. Telkens weet Heymans mij te verrassen door een combinatie tussen oud en nieuw, telkens benaderd vanuit een verrassende en toch ongecompliceerde invalshoek.

 

Een compact zitmeubel voor de Antwerpse diamantbuurt is een hedendaagse interpretering van een palaverhut van de Dogon uit Mali. Over de zithoek hangt een laag, zwaar dak. Het voorkomt dat de sprekers in het vuur van de discussie zouden recht veren en op de vuist gaan.

 

Een plein waaronder een autoweg loopt voorziet hij van een verticaal kijkgat met beglazing. Een obelisk op een plein plaatsen kan gezien worden als het summum van inspiratieloosheid. Maar laat de obelisk in slappe uitvoering naar de grond buigen en de kinderen beschikken over een pracht van een glijbaan.

 

Synthetisch denken, zonder oogkleppen, zonder krampachtige nieuwlichterij, met een open geest. Laat Bren maar dromen. Hij doet dat verdraaid goed.

 

Rik Sauwen


Hans Bol, de Margareta's en goudleer : het verhaal van Mechelen in de zestiende eeuw 

 

Mechelen noemt zichzelf "Stad in volle vaart".  Te meten aan de initiatieven op het vlak van kunst en cultuur is die titel meer dan terecht.   

 

Het nieuwe erfgoeddecreet dat volgend jaar in voege gaat, geeft steden en gemeenten heel wat mogelijkheden om het lokale erfgoed te ontsluiten. Ook Mechelen - de 'Stad in volle vaart' - weet van wanten. In het begin van de zestiende eeuw was het de hoofdstad van de Nederlanden en aan die bloeiperiode herinneren nog tal van histori­sche gebouwen. Mechelen kent ook een actief aankoop- en restauratiebeleid. Onlangs kocht het stadsbestuur een prachtig werkje van de zestiende-eeuwse schilder Hans Bol en restaureerde ze een beroemde goudleerkamer.  En volgend jaar komen er verschillende tentoonstellingen rond de Margareta's.

 

Bart Stroobants, conservator van de Stedelijke Musea Mechelen : "De stad bezit ongeveer tienduizend kunstwerken, maar die hebben niet altijd iets met Mechelen te maken. De collectie bevat schitte­rende werken van Emile Claus en Leon Frederic, maar men kan zich afvragen of die wel thuishoren in de Mechelse verzameling. Van nu af aan staat de stad zelf centraal in de aankooppolitiek en willen we met de kunstwerken het verhaal van Mechelen vertellen."

 

 

Hans Bol: weg en weer in Mechelen

 

Een illustratie van deze aanpak is de aankoop van een prachtig werkje van de Mechelse schilder Hans Bol. Het ovalen klei­nood is gesigneerd en gedateerd '1590', meet amper 9 op 12 centimeter en heeft een ebbenhouten kader, ingelegd met edelstenen. Bol schilderde een gevecht tussen boeren en Spaanse soldaten. Het speelt zich af voor een herberg. Het uithangbord is een omgekeerde wereldbol met een bijna onleesbaar opschrift ('In de Valk'?).   Allicht heeft Hans Bol het werkje gemaakt met in het achterhoofd de evenementen van 2 oktober 1572, toen de troepen van Farnèse lelijk huishielden in Mechelen en de schilder berooid naar Antwerpen vluchtte.

 

De scènes zijn levendig en herkenbaar. Vier figuren kruipen uit een raam. Links van deze groep belet een vrouw haar man zijn zwaard te trekken.  Opvallend in dit schilderij is het gebruik van goud als hoogsel wat we enkel terugvinden in een ander werkje van Bol dat in het Louvre hangt: Prediking van Johannes de Doper

 

Volgens de kunstenaarsbiograaf Karl Van Mander zag Hans Bol het levenslicht in Mechelen in december 1534 als zoon van Simon en Catherina van der Stock, zijn tweede vrouw. Opnieuw volgens Van Mander, wiens typische overdrijvingen we gewoon zijn, leerde Hans Bol al op zijn veertiende schilderen bij een "gemeen slechte meester".  Daar houdt de jonge Bol het na twee jaar voor bekeken en trekt op zijn zestiende de wijde wereld in. We vinden hem terug in Duitsland waar hij twee jaar in Heidelberg verbleef.  Hier liet hij zich vooral door het prachtige landschap inspireren.

 

Het feit dat het hof van de gouvernanten na 1530 (overlijdensjaar van Margareta van Oostenrijk) uit Mechelen verdwenen was, heeft Bol wellicht ernstig geschaad in zijn vorming: de eersterangs-kunstenaars vertrokken immers ook. Bij zijn terugkeer van de Duitse reis vestigde Hans zich weer te Mechelen waar hij in 1560 in de Sint-Lucas gilde opgenomen werd. Hij legde zich toe op het schilderen van grote decoratieve doeken die als vervangmiddel dienden voor de al te duur wordende wandtapijten.  Hij zou ook kartons voor tapijten getekend hebben die te Brussel werden gerealiseerd, naast een hele reeks aquarellen met prachtige land­schappen.

 

 

De plundering van Mechelen

 

Op 2 oktober 1572 werd Mechelen door de soldaten van Alva geplunderd. Hans Bol schijnt één van de zwaarst getroffen slachtoffers te zijn geweest. Zoals velen vluchtte hij naar Antwerpen waar hij het geluk had opgevangen te worden door Antoon Couvreur, een kunstminnaar uit Belle (Bailleul) in Frans-Vlaanderen. Deze bezorgde hem niet alleen onderdak maar ook de nodige materiële middelen om opnieuw als kunstschilder te starten.     

 

Volgens Van Mander zou hij zich in deze periode met boekverluchting beziggehouden hebben, onder meer in het dierengenre.  In 1574 ruilde hij het Mechelse poorterschap voor het Antwerpse en liet zich in de Sint-Lucasgilde opnemen. Het was in deze periode dat Bol overschakelde op uitsluitend kleinschalige werken.  In de Antwerpse  kunsthandel kon hij vaststellen dat zijn werken op ruime schaal werden gekopieerd en als authentieke stukken verkocht. Om deze oneerlijke concurrentie onmogelijk te maken legde hij zich voortaan nog alleen toe op miniaturen, aquarellen en boekverluchting, waarin zijn talent niet te evenaren was.  

 

Ondertussen koos Antwerpen partij voor de opstand en was de hertog van Parma, in opdracht van Filips II, begonnen aan de systematische herovering van de Nederlandse steden en gewesten. Bol, wellicht getraumatiseerd door zijn ervaringen van 1572, had weinig vertrouwen in de kansen van Antwerpen en trok in 1581 naar het Noorden. Hij verbleef in Bergen-op-Zoom, Dordrecht en Delft, om ten slotte in Amsterdam te belanden. Daar kende hij een verdiend succes, te oordelen naar de omvang van zijn productie. Hij legde zich vooral toe op panoramische gezichten van Amsterdam, nu eens vanuit zee, dan weer van op het land gezien. Volgens Van Mander gingen Bols zaken in die tijd schitterend. Hij huwde met een weduwe.  Haar zoon, Frans Boels, ging bij zijn stiefvader in de leer maar Bols beste leerling was Jacob Savery. Hans Bol overleed omstreeks 1590.  

 

Van de schilder is slechts een zestigtal werken in kleur bekend, hetzij  in olieverf, tempera, water- en dekverf of combinaties ervan. Veel van Bols werken werden door diverse graveurs in koper gesneden. Kenmerkend voor het Bols talent is zijn uniek vermogen om accuraat de werkelijk­heid af te beelden op zeer gereduceerde schaal. Op dat vlak evenaarde hij de boek­verluchters van de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw. Dat verklaart ook zijn opdrachten in die richting, zoals voor het getijdenboek van François de France (1554-1584), hertog van Anjou (Alençon), beter bekend als Les Heures du Duc d'Alencon,  bewaard in de Bibliothèque Nationale in Parijs.

 

Anderzijds moet er bij het publiek een hang zijn geweest naar het kostbare van de met de hand geschilderde boekverluchtingen die in hun eigen tijd werden verdrongen door de machinaal reproduceerbare illustraties zoals gravures en houtsneden. Bol speelde hierop  in en nam formele aspecten over die typisch zijn voor de miniatuurkunst, zoals de gedecoreerde marges.

 

Het nieuw aangekochte schilderij van Hans Bol hangt in het Hof van Busleyden, dat samen met het Schepenhuis en de Brusselpoort de toekomstige Mechelse museumas zal vormen. Het is een zestiende­ eeuwse residentie, gebouwd in opdracht van Hiëronymus van Busleyden, die bijna volledig is gerestaureerd en aangepast aan de noden van een hedendaags museum.

 

 

De boenwasmythe van het goudleer

 

Bart Stroobants: "We willen in het Hof van Busleyden vooral het verhaal van Mechelen rond 1600 vertellen.  In de Brusselse Poort spitsen we de aandacht toe op archeologie en in het Schepenhuis op het zestiende- en zeventiende-eeuwse houtsnijwerk."

 

Mechelen verrijkt niet alleen haar openbaar kunstbezit met gerichte aankopen, maar heeft ook oog voor vroegere tradities.

 

Zo was Mechelen gedurende eeuwen een belangrijk centrum voor goudleer. De hoofd­conservator vertelt: "Tot de jaren 1990 stelde men het goudleer tentoon in Museum De Zalm. Toen besloot het stadsbestuur het museum te sluiten om dat de verzameling niet meer 'toonbaar' was. Onwetendheid en gebrek aan respect voor dit specifieke erfgoed versnelden de aftakeling van het goudleer. Men gebruikte bijvoorbeeld boenwas om het leder te reinigen, wat zeer nefast is. In 1993 startte de stad met een grootscheepse restauratiecampagne. Samen met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium behandelden we gedurende vijf jaar het leder om alle boenwas te verwijderen.

 

De restaurateurs dienden ook de randen van de vellen te verstevigen om verdere verbrok­keling tegen te gaan. De achterkant van zo'n vel laat zich lezen als een roman over stunte­lige herstellingen. Vandaag is ongeveer de helft van de goudleercollectie gerestaureerd en stellen we enkele ensembles tentoon in Hof van Busleyden."

 

Oorspronkelijk ligt de bakermat van het goudleer in de Noord-Afrikaanse plaats Ghadames. Nadien ging het via Cordoba naar de rest van Europa.  In de vijftiende eeuw drong de productie van goudleer tot de Zuidelijke Nederlanden door maar daar­over is niet veel bekend. Paradoxaal genoeg komt er géén goud te pas bij het maken van goudleer. Het is een goudbruine vernis aan het op het leer aangebrachte bladzilver het aanzicht van goud geeft.

 

In onze streken werkte men vooral met kalfsleder dat heel wat soepeler is dan het stijve geitenleer uit zuidelijk Europa. Op dit leer komen verschillende laagjes bestaande uit eiwit of lijm, nadien bladzilver, dan opnieuw lijm en uiteindelijk de specifieke vernis die de kleuring bepaalt.  Het summum van het goudleer ontstaat wanneer er een reliëf­structuur werd in verwerkt. Men legde daar­ voor de vellen tussen twee houten platen.  In de ene plaat was de gewenste afbeelding uitgesneden terwijl bij de andere plaat de houtdelen die dezelfde afbeelding omringden exact waren weggesneden.

 

De bedreven ambachtslui legden het goud­ leer zo op de mal dat de afbeelding als het ware uit de met bladzilver bedekte zijden naar voren leek te springen. Gedurende de bijna driehonderd jaar dat er in de Neder­landen goudleer werd geproduceerd, veranderden de patronen en motieven.

 

Het is een unieke ervaring in het halfduister de volledig gerestaureerde goudlederen muren te bewonderen. Je ziet er ensembles van de zestiende tot de achttiende eeuw waarmee je een hele stijlevolutie in één oogopslag kan bewonderen.

 

 

Op naar 2005: Dames met Klasse

 

Ook in de collectie van Margareta van Oostenrijk zat vermoedelijk goudleer en hiermee belanden we in 2005. Bart Stroobants: "Volgend jaar opent de Lamotsite. Het is een oude brouwerij waar regelmatig tentoonstellingen zullen plaats­ vinden, maar waar ook congressen en semi­naries kunnen gehouden worden. De kers­verse tentoonstellingsruimte bijt volgend najaar de spits af met een kunsthistorische expositie over Margareta van Oostenrijk en Margareta van York. Dames met Klasse luidt de titel van één van de toptentoonstellingen van volgend jaar. Het laat de wereld zien van deze twee machtige vrouwen. Wat hield hen bezig, hoe stonden zij in het leven? Ook de romantische beeldvorming vele eeuwen later rond de twee vrouwen krijgt aandacht."

 

In het Europa van rond 1500 spelen de twee Margareta's een belangrijke rol en de tentoonstelling staat stil bij hun familiebanden, genealogie en diplomatie. Het verlangen de macht te behouden en liefst uit te breiden komt tot uiting in de aandacht voor dynastie en genealogie. De tentoon­stelling toont de portretten van de vorsten en hun kinderen, hun uiterlijke tekenen van de macht, zoals kronen en zegels. Hun kort­ stondige relaties - Margareta van York met Karel de Stoute en de afgebroken verloving van Margareta van Oostenrijk met Charles VIII - en de huwelijken met Juan van Castillië en Philibert van Savoye komen aan bod. Erg boeiend wordt ongetwijfeld de kennismaking met de kunst-verzamelingen van beide 'dames met klasse'. Die presen­teren de wonderlijke wereld in het klein: juwelen, boeken, kleinoden, schilderijen en sculpturen. Zelfs een collectie van voor­werpen uit het pas veroverde Mexico worden opgesteld in een feeërieke schatkamer.

 

Luxe, kunstzinnige smaak en rijkdom zijn de ingrediënten van de wereld van deze twee Margareta's. Wat een contrast met de vech­tende boeren en soldaten van Hans Bol.

 

Peter Wouters


Op zoek naar Eugeen Van Mieghem (1875-1930)

 

 

Je verwacht het niet echt, op een paar stappen van de voetgangerstunnel, in een flatgebouw op Antwerpen Linker-oever: het Eugeen van Mieghem Museum. 

 

Het Eugeen Van Mieghem Museum is een duplexappartement waarin een kleine maar interessante verzameling werken en memo­rabilia is samengebracht. Je bezoekt het best onder de bezielende begeleiding van conservator Erwin Joos. Het wordt dan één groot en spannend verhaal dat groeit vanuit het werk van de meester zelf.

 

Het gaat hier om een privé-initiatief dat recht wil doen aan een schilder en tekenaar die de jongste tijd meer en meer op een internationale belangstelling kan rekenen.

 

 

Aan de deur, zoals Van Gogh

 

De vader van Eugeen Van Mieghem is een binnenschipper. Hij opent een café in de Antwerpse havenbuurt aan de Rietdijk, zowat de Antwerpse Reperbahn. Het is er een kleurrijke en sfeervolle  omgeving die bepalend zal blijven voor Van Mieghems later werk. Het café verhuist later naar de Montevideostraat op het zogenaamde Eilandje waar nieuwe dokken zijn aangelegd. Het is de tijd dat de Red Star Line wordt opgericht met binnen- en buitenlands kapitaal en dat talrijke landverhuizers de overtocht naar de Nieuwe Wereld wagen. Het café ligt recht tegenover de kantoren van de nieuwe maat­schappij. Het is een bloeiende zaak waar niet alleen het scheepsvolk komt maar ook mensen van alle rang en stand en van velerlei nationaliteiten.

 

Eugeen loopt school in het Atheneum waar Paul De Mont les geeft. Die ziet het talent van de jongen en introduceert hem in de academie. Op dat moment is Henri Van de Velde verbonden aan de academie en toont er werk van vernieuwers zoals Van Gogh, Signac en anderen. (Later wordt Van de Velde ontslagen.) Van Mieghem zit in de invloedssfeer van de vernieuwende beweging op het vlak van de beeldende kunst in Europa en ziet werk van Picasso en Toulouse-Lautrec.  Hij komt in opstand tegen het bloedloze academisme en wordt van de academie verwijderd. Dat gebeurt onder impuls van dezelfde leraar die ook Van Gogh de deur liet wijzen.

 

 

Artistieke getuige van de landverhuizing

 

De jonge Van Mieghem laat het niet aan zijn hart komen, hij slijt zijn dagen in de havenbuurt. De talloze emigranten die hij daar dagelijks ziet zijn een bron van inspiratie voor vele tekeningen. Hij is een trouwe bezoeker van een nieuwe vereniging die haar activiteiten ontplooit in een gebouw aan de Falconrui. De Kapel, zoals de club heet, is een soort vrije academie waar tal van beroemde en vooruitstrevende sprekers hun opwachting maken. We schrijven anno 1885. Van Mieghem legt zich toe op een indringende reeks werken die de eenzaamheid van de mens in de grootstad weer­geven. Ook de moederfiguur wordt een blij­vend en belangrijk thema in zijn oeuvre.

 

In juni 1899 sterft vader Van Mieghem. Twee dagen later volgt de begrafenis en maakt Eugeen een ontroerende pastel. De dood van zijn vader zorgt voor een periode van donker en deprimerend werk. We stellen vast dat ondertussen ook de invloed van Van Gogh zijn sporen nalaat en een blijvende bron van inspiratie is.

 

Het is wellicht onder impuls van Henri Van de Velde dat Van Mieghem in 1901 uitgenodigd wordt om deel te nemen aan een salon van La Libre Esthétique.  Hij toont er schilde­rijen van werkvolk, het publiek is de betere klasse.

 

Eugeen Van Mieghem huwt op 28 januari 1902 met Augustine die een heel belangrijke rol zal spelen in zijn leven en werk. Het koppel betrekt het achterhuis van het goed­ draaiend café dat gerund wordt door zijn moeder, die hem verder ondersteunt. De wereld van de emigrant blijft hét onderwerp van Van Mieghem en hij is zowat de enige artistieke getuige van de landverhuizing van twintig miljoen mensen! Naast Constantin Meunier en Eugène Laermans, die ook de situatie van het gewone volk afbeelden, heeft Van Mieghem de directe confrontatie in zijn voordeel.  Zijn werk is levensecht en onverbloemd, in tegenstelling tot de meer geïdealiseerde arbeiders van Meunier. Hierdoor wordt het onverkoopbaar, er was immers een rijke, socialistische elite, maar die is niet geïnteresseerd in de levensechte situaties  die Van Mieghem neerzet.

 

 

Dood en oorlog

 

Uit het huwelijk met Augustine wordt een zoon geboren (Eugeen jr.) en de zwangerschap van Augustine geeft aanleiding tot nogal wat werken waarin kinderen figureren. Zijn vrouw is besmet met tuberculose en gaat zienderogen achteruit, ze sterft op 24-jarige leeftijd. Van Mieghem maakt een reeks pakkende tekeningen van zijn zieke, stervende vrouw die ontroeren door de voel­bare liefde waarmee haar (tanende) schoon­heid wordt weergegeven. Deze tekeningen heeft hij nooit getoond tijdens zijn leven.

 

Als hij 37 is houdt Van Mieghem zijn eerste individuele tentoonstelling.

 

Nog tijdens zijn leven wordt werk van hem getoond  in groepstentoonstellingen in Nederland en Duitsland. De Eerste Wereld­ oorlog verstoort de beloftevolle kunste­naarscarrière maar houdt de man niet tegen om gedreven verder te werken.  Hij maakt honderden tekeningen, een aantal daarvan zet hij na de oorlog om in schilderijen.  Zijn tekeningen hebben niet alleen een artis­tieke waarde, ze vormen ook een schitte­rende historische bron om een beeld te krijgen van het leven van de gewone mensen tijdens de oorlogsjaren.

 

De tentoonstelling  die na de wereldbrand met zijn oorlogswerk wordt gehouden, is niet echt een succes. De mensen hebben genoeg van de miserie.

 

Van Mieghem wordt opgenomen in een sanatorium, keert genezen terug, hertrouwt en wordt leraar aan de academie die hem ooit heeft verwijderd.  Hij breekt opnieuw door in de jaren '20.

 

 

Internationale belangstelling

 

Eugeen Van Mieghem werd lange tijd vergeten. De jongste jaren zien we interna­tionaal een hernieuwde belangstelling voor zijn werk. Dat is zeker ook te danken aan het onverdroten werk van Erwin Joos en de Stichting Eugeen Van Mieghem.

 

Tentoonstellingen in het Joods Museum te Amsterdam, in Hamburg en ook in het druk­ bezochte Migratiemuseum op Ellis lsland in New York zorgden voor een belangrijke door­ braak, iets wat ook weerspiegeld wordt in de veilingprijzen die tegenwoordig voor het werk van deze kunstenaar worden gehaald.

 

Het Eugeen Van Mieghem Museum is geen voorbeeld van museale inrichting, het wordt immers met bescheiden middelen gerund. Toch is het museum de moeite waard omwille van het werk zelf en een aantal zeer interessante documenten en parafernalia. Het museum doet er ook alles aan om het werk en de figuur van de kunstenaar bij een breed publiek bekend te maken. Onder impuls van de Stichting wordt op 24 maart 2005 op de Rijnkaai aan de ingang van het Bonapartedok een beeld onthuld dat zowel Van Mieghem als zijn onderwerpen moet herdenken. Het Antwerpse havenmeisje is geïnspireerd  op één van zijn talrijke teke­ningen, het is een gepaste hulde aan de meester en de gewone mensen. Vanuit het museum is ook een bijzonder interessante route uitgestippeld die de wandelaar laat kennis maken met de wereld van de kunste­naar en de periode waarin hij werkzaam was. Het geplande museum Red Star Line Memorial dat de grote emigratiestroom moet onder de aandacht brengen, kan een ontroerende aanvulling betekenen bij het werk van een kunstenaar die terecht weer in de belangstelling komt.         

 

Daan Rau


Gery De Smet: beeld en betekenis

 

 

Schilder Gery De Smet heeft de ruimte gevonden om al zijn ideeën uit te werken.

 

 

Verrassende start

 

Gery De Smet heeft een vaste stek gevonden in Sint-Amandsberg bij Gent, en wat voor stek. Hij woont er met zijn familie in het voormalig postkantoor.  De lokettenzaal is omgevormd tot een immens atelier en in wat ooit de kamergrote brandkast was, stapelt hij nu zijn werken.  Het ruime atelier laat hem toe aan verscheidene schilderijen tegelijk te werken en zijn reeksen op een overzichte­lijke manier uit te bouwen. Hij kan er in alle rust ideeën uitwerken en gestalte geven. En aan ideeën en thema's ontbreekt het hem niet. Zijn werk is gelinkt aan het dagelijkse leven en ook al is hij een schilder, het gebruik van andere media is hem niet vreemd.

 

Dat Gery De Smet een schilder is, wordt bewezen door het inmiddels respectabele oeuvre van groot en kleiner werk. In 1988 verraste hij het publiek van de Gele Zaal met een reeks grote doeken van oorlogstuig onder de veelzeggende titel Birth of a Nation. In 1990 bracht hij een serie werken waarvan  de kracht nog steeds blijft beklijven.  In grijsblauw geschilderde  land­schappen worden in gotisch schrift teksten aangebracht als 'ic dien' of 'op de wereld breek ik I in den hemel vereenig ik'. Het werkt zeer bevreemdend, wat bedreigend ook. Het combineren van zeer toegankelijke onderwerpen met even toegankelijke, naar een voorbije periode verwijzende teksten, levert spannende beelden op.

 

In diezelfde reeks bevindt zich een tweeluik waarvan beide elkaars spiegelbeeld vormen. Het stelt dansende Basken voor in een berglandschap. Het is een onschuldig tafereel maar toch is het meer dan dat. In de context van de reeks roept het tal van inter­pretaties op en schept het, mede door die grijsblauwe kleur, een onbehaaglijke sfeer. Het zijn beelden die nazinderen en die ons wijzen op een verleden dat bezwaarlijk onschuldig kan genoemd worden. Het beeldmateriaal is immers veelal geïnspireerd op foto's uit het interbellum en de felrode teksten die als slogans over de werken zijn geschilderd verwijzen ontegen­ sprekelijk naar dieze lfde periode waar het nationalisme hoogtij viert.

 

De Smet maakt in de loop van een decen­nium (1988-1998) een honderdtal kleine doeken van vierkant formaat die hij als een bibliotheek presenteert. Ze staan als boeken in rekken gerangschikt en onderzoeken "het spanningsveld tussen beeld en betekenis, en in het bijzonder tussen de clichés, de codes en hun symboolwaarde."  (Florent Bex in Kunst in België na 1945) . Je kan de schil­derijtjes bij wijlen uit het rek nemen en bekijken, erbij verwijlen.  De kunstenaar zet je aan het denken.

 

In een grote reeks werken onder de titel Wijzen van wonen schildert Gery De Smet tal van woningtypes, gaande van het vakwerk­huis tot de modernistische woning. Hij voor­ziet ze van ironiserende titels die verwijzen naar Belgische toestanden en onze kleinbur­gerlijke wooncultuur. Zijn schilderijen zijn evenwel van die aard dat ze ondanks het cliché matige van het afgebeelde helemaal niet thuis horen in een doorsnee interieur.  Ze zijn er te scherp en te wrang voor, ze zijn helemaal niet behaaglijk, je kan ze moeilijk negeren.

 

 

Op bedevaart

 

Opmerkelijk in het werk van Gery De Smet is dat hij niet alleen gebruik maakt van de schilderkunst om zijn ideeën vorm te geven. Wanneer hij uitgenodigd wordt om in de kapel van het Campo Santo te Sint­ Amandsberg te exposeren, doet hij iets merkwaardigs.  Hij is zich blijkbaar meer dan anderen bewust van het genius loci en beslist om de plaats als het ware in eer te herstellen. Daar waar vele kunstenaars vóór hem de strijd aangingen met de sterk bepalende ruimte of die ruimte op één of andere wijze gingen verdoezelen, gaat hij ze terug benadrukken.  Hij bezoekt bedevaartsoorden en kapellen en doet er zijn inspiratie op. Van de kapel maakt hij een bedevaartsoord . De avond van de opening worden de genodigden verwacht aan zijn toenmalig atelier in de buurt van de kapel en er wordt een processie gevormd. De genodigd en dragen standaarden, vlaggen en wimpels en gaan in optocht naar de kapel waar alles een plaats vindt. De wanden zijn er reeds bezet met tientallen ex veto's. Je waant je terug in het rijke Roomse leven van weleer.

 

Wie de zogenaamde ex veto's van dichterbij bekijkt, ontwaart vreemde teksten. Ze doen je glimlachen, zetten je op het verkeerde been of doen je gewoon even nadenken. Sommige hebben een Bond Zonder Naam­ gehalte met een wrange bijsmaak.  De kapel staat ook weer vol met kerkstoelen, ze bewijzen dienst bij de receptie. Bij de tentoonstelling verschijnt een publicatie onder de veelzeggende titel Toewijding I Devotion. Het is een soort dagboek vanaf het moment dat hij voor de tentoonstelling werd uitgenodigd tot de uiteindelijke realisatie. Het is interessant omdat het je laat zien hoe de kunstenaar werkt, hoe hij associeert, hoe hij zich voorbereidt, hoe hij twijfelt enkeuzes maakt.

 

Voor een tentoonstelling in het Museum van Deinze en de Leiestreek kiest hij de titel Leeuwenhart: de wil van God.  De tentoon­stelling zelf wordt onderverdeeld in een aantal hoofdstukken. Het loont de moeite ze even te vermelden: 'Uit liefde voor de vlag '­ - 'Gemaskerd door het leven '- 'De dood komt ook zo wel' - 'De wil van God' - 'Het rijk der vrouw'.

 

Het zijn citaten, her en der samengeraapt of gevonden, maar die door het samenbrengen ervan een wat surreële betekenis geven aan de werken zelf, die elk op hun beurt ook weer een titel hebben . We vinden citaten in de titels maar ook in de beelden. Ze intri­geren, ze verschillen soms danig van mekaar en toch is er een draad, een zeer eigenzin­nige coherentie. De verbondenheid tussen die diversiteit is juist de variëteit van het beeldmateriaal. De Smet wil ons duidelijk maken dat wij leven in een erg gefragmenteerde wereld. Waar het leven in vorige generaties zeer duidelijk monolitisch gestructureerd was - er was immers de zuil waartoe je behoorde en waarin alle voorzie­ningen voorhanden waren - is dit niet meer zo. We zijn/we nemen nu van alles wat, we zijn gefragmenteerd én op zoek naar een identiteit.

 

De tentoonstelling waaraan hij op het ogen­blik van mijn atelierbezoek werkt, is gepland voor september 2004 in Galerie Het Zwart Huis te Knokke. Kleine landeigendom is de titel van de expositie als geheel, maar ook van één van de werken.  Het werk toont een vallei met een hoge rotswand, kale dennen, een bouwkeet, een put en een groepje menselijke figuurtjes torsen een kist op de schouders, is het een begrafenisstoet?

 

Ook een reeks van landschappen in vogel­perspectief, kleine berglandschappen, over­stroomde gebieden en meer werk van die aard geven aan de titel van de tentoonstel­ling een betekenisvolle bijklank. Hoewel de kunstenaar overkomt als een ernstige figuur, is humor en enige vorm van zelfrelativering hem dus zeker niet vreemd. Ook als je onwetend bent van achtergronden en titels blijft het werk picturaal en plastisch interes­sant en boeiend, soms is het monumentaal ondanks het klein formaat, soms intimis­tisch, het spreekt de toeschouwer aan, laat hem niet on beroerd. En is dát nu ju ist niet het beste wat een kunstenaar zich kan wensen?

 

Daan Rau


Joseph Germain Dutalis, edelsmid van Europees formaat

 

 

Het Zilvermuseum Sterckshof in Deurne pakt momenteel uit met een tentoonstelling over de Brusselse edelsmid Joseph Germain Dutalis. Wat deze man zo bijzonder maakt is dat hij zowel de Nederlandse Koning Willem I als de Belgische vorst Leopold I van fraai edelsmeedkunst voorzag.  Maar de tentoonstelling laat niet alleen edel metaal schitteren, ze schetst uitmuntend het geslacht Dutalis in de context van de negentiende-eeuwse maatschappij.

 

 

Het Zilvermuseum werkte voor deze tentoonstelling nauw samen met Nederlandse onderzoekers op het terrein. Na Antwerpen steekt de tentoonstelling de grens over richting paleis Het Loo in Apeldoorn . Aan het project ging drie jaar studie vooraf.  Net zoals in voorgaande tentoonstellingen profileert het Zilvermuseum Sterckshof met deze expositie rond Dutalis zich sterk als onderzoeks­instituut. Uiteraard doet het museum nog veel meer. Er is de publiekswerking, het beheer van de eigen collectie en de vele initiatieven m.b.t. de actuele edelsmeed­ kunst.

 

 

Maatschappelijke aspecten

 

Door het uitgebreide onderzoek naar de de activiteiten van Joseph Germain Dutalis (1780-1852) komt de Belgische edelsmeedkunst duidelijk in Europees vaarwater terecht.  "Evenwel gaat het om veel meer dan alleen maar edelsmeedkunst," oppert Wim Nys, wetenschappelijk medewerker van het Zilvermuseum Sterckshof.  "De tentoonstellling Joseph Germain Dutalis (1780-1782), Edelsmid van Koning Willem I belicht niet alleen de edelsmeedkunst in een geïsoleerde context, maar betrekt in het gebeuren zowel de politieke, sociale als economische aspecten van de negentiende eeuw.  Dat maakt dat het gebeuren zich niet uitsluitend richt op de zilverliefhebber.  Geïnteresseerden in de negentiende-eeuwse maatschappelijke ontwikkelingen, zullen in het Sterckshof evenzeer hun hart kunnen ophalen."

 

 

Illustere edelsmid

 

Over Dutalis was tot voor kort nauwelijks iets geweten.  Wim Neys reisde langs talloze openbare en private collecties in ons land, maar trok ook naar Nederland en Duitsland op zoek naar sporen omtrent deze illustere edelsmid die in latere jaren, zo is gebleken, tot de honderd rijkste burgers van Brussel behoorde. "Bij aanvang van het onderzoek beschikten we maar over enkele gegevens.  We wisten dat hij hofleverancier was. Meer niet. Ook wisten we dat hij zilverwerk voor Prins Frederik - de zoon van Willem I - heeft gemaakt.  Die stukken zijn thans verspreid over paleis Het Loo, enkele voorwerpen bevinden zich in privé-collecties.  Ten derde wisten we dat hij een toiletensemble heeft gebouwd samen met de Mechelse beeldhouwer Louis Royer.  Het pronkstuk was betemd voor prinses Marianne, dochter van Willem I.  Het fameuze toiletensemble werd in 1830 tentoongesteld in het nijverheidspaleis, maar met het uitbreken van de revolutie werd het kostbare voorwerp vroegtijdig weggehaald.

 

Het pronkstuk is momenteel te zien op de tentoonstelling in Deurne naast onder meer enkele voorwerpen van Dutalis uit de eigen collectie van het Sterckshof zoals wijnkoelers, een waterketel en bestek.  "Wat opviel was dat sommige voorwerpen van Dutalis een hoge graad van afwerking vertoonden", zegt Wim Neys.  Dutalis was kennelijk op de hoogte van internationale stromingen en trends.  Vader Dutalis - Pierre Gabriël Dutalis (1755-1814) - een wees, had zich als edelsmid opgewerkt en liet zijn zoon in Parijs studeren.  Drie jaar zou Germain Dutalis er verblijven - van 1800 tot 1803 - en beïnvloed worden door de allergrootste meesters van het ogenblik, met ronkende namen als Marin-Guillaume Biennais (1764-1843) en Jean-Baptiste-Claude Odiot (1763-1850).  De internationale context van de Dutalis-story wordt in de bijbehorende tentoonstellingscatalogus uitvoerig beschreven door Johan ter Molen, directeur van het Paleis Het Loo in Apeldoorn. Hij ontdekte onder meer dat de Duitse edelsmid Peter Bruckmann op dat moment ook in Parijs was.  Via Bruckmanns gepubliceerde catalogus kon de link gelegd worden met Germain Dutalis en kwam het internationale veld waarin hij zich voortbewoog aan het licht.  Parijs had Odiot, Brussel Dutalis en Heilbronn Bruckmann.  Wim Neys : "Er zijn modellen van Dutalis die het werk van Bruckmann letterlijk "citeren" en we hebben modellen gevonden van Dutalis en Bruckmann die teruggaan op Odiot. 

 

Zo zie je duidelijk ook het nut van dit onderzoek om België op de kaart te zetten van de Europese edelsmeedkunst."

 

 

Warwiek-vaas en juwelen

 

Tijdens het onderzoek speurden Nys en zijn confraters als echte Hercule Poirots naar nog meer sporen. En wie zoekt, die vindt. Zo is er de fameuze Warwiek-vaas die de link legt tussen Dutalis, Piranesi en Engeland. Een spetterend verhaal waar Wim Nys van glundert. De Warwiek-vaas werd in 1770 in Tivoli opgegraven en kort daarna door niemand minder dan Piranesi afgebeeld in zijn graveerreeks Vasi, Canelabri, Cippi. Niet lang daarna kwam de vaas in handen van George, Earl of Warwick.

 

Dutalis moet op de een of andere manier kennis hebben gehad van deze vaas want hij ontwierp onder meer een vergulde kopie voor de paardenrennen die in Brussel plaatsvonden onder auspiciën van Belgische vorst Leopold l. Dutalis' pronkstuk uit 1833 lijkt erg veel op de Warwiek-vaas.  Niet alleen maakte Dutalis de vase executée par ordre du roi, ook de Prix de la Reine werd bezegeld met een gelijkaardige siervaas van Dutalis. De correspondentie hieromtrent kwam Nys toevallig op het spoor in de politiearchieven van Brussel. Niet alleen legde Dutalis zich toe op edelsmeed kunst, eveneens brengt de tentoontelling zijn ontworpen juwelen voor het voet1icht, waaronder twee armbanden van Prinses Anna Paulowna.

 

 

Boeiende familiegeschiedenis

 

Niet minder spannend is de familiegeschie­denis van Germain Dutalis die in de boven­ zaal van het Zilvermuseum Sterckshof uitge­breid uit de doeken wordt gedaan. Doorheen dit verhaal, gelardeerd met talloze docu­menten, trilt fijntjes de negentiende-eeuwse sociale, politieke en econom ische samenleving. Het begint met de geboorte van vader Dutalis in 1755 die het als wees schopte tot edelsmid en eindigt met het overlijden van Germain Dutalis' dement geworden kleinkind Oswald Dutalis. Laatstgenoemde vergezelde prinses Charlotte en Keizer Maxiliaan naar Mexico en beleefde er alle ellende van de wereld. Bij zijn terugkeer vertrok hij op initiatief van Leopold II op expeditie naar Afrika en ontmoette er zelfs Stanley. De man eindigde in Geel waar hij uiteindelijk in 1907 stierf. De familiale omstandigheden van edelsmid Joseph Germain Dutalis waren niet evenredig aan zijn succes als edelsmid en zakenman.

 

Zijn huwelijk met de protestantse Augusta Hooper liep uit op een scheiding van tafel en bed. Maar afgezien van al deze huiselijke perikelen bouwde hij een enorm fortuin op. In 1817 en in 1818  heeft hij een jaarlijkse omzet van 25.000  gulden. Maar de revolutie zorgt eventjes voor een dip van formaat: de omzet daalt spectaculair van 40.000 naar 7.000 gulden. Toch weet hij zich snel te herpakken en na het vertrek van de Hollanders floreren de zaken als tevoren. In 1844 zet hij zijn winkel aan de Brusselse Magdalenastraat stop en kan hij rustig rentenieren. Immers bezit Germain Dutalis talloze huizen en gronden, een patrimonium waarvan je vandaag de dag alleen maar kunt dromen.

 

Philip Willaert


Fusie met het Diamantmuseum?

Al geruime tijd is er sprake van een nakende fusie tussen het Zilvermuseum Sterckshof en het Diamantmuseum in Antwerpen. Als alles doorgaat kan in 2006 met de werkzaamheden worden begonnen. ln Deurne is men evenwel niet happig op de geplande fusie. Men vreest voor identiteitsverlies en minder middelen . Ook vreest men dat de fusie een soort lifestyle-museum zal opleveren waarin wetenschappelijk onderzoek op het achterplan geraakt.  De nieuwe gebouwen waarin het Sterckshof zal worden ondergebracht behoren toe aan de Antwerpse Zoo en zijn beschermd. Aan het interieur in artnouveau-stijl mag niet getornd worden. Bovendien krijgt het Zilvermuseum er minder ruimte tot zijn beschikking. Men vraagt zich in Deurne hardop af waarom het kasteeltje ineens niet meer goed is. Komt daar nog bij dat het Zilvermuseum zich niet alleen toelegt op juwelen maar op een veel groter segment van edelsmeedkunst.  De tentoonstelling Dutalis bewijst dit eens te meer.


Erfgoedgidsen Provincie Antwerpen

 

 

"Erfgoedgids" is een nieuwe reeks publicaties die de provincie Antwerpen uitgeeft in samenwerking met Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.  De serie opent met twee boeiende onderwerpen : de baksteengotiek in de Kempen en de tuinen van het kasteel van Hingene.

 

 

Van klei tot kerk. Baksteengotiek in de Kempen 

 

'Je staat er onvoldoende bij stil'. Dat was de eerste gedachte die bij mij opkwam bij het zien van die erfgoedgids over Baksteen­gotiek in de Kempen. Het steekt nochtans de ogen uit. Probeer je een kerk in de Kempen voor de geest te halen en automatisch zie je een gotische kerk, in baksteen uiteraard.

 

Met de titel Van klei tot kerk bevestigt auteur Serge Migom enigszins dit cliché. Maar in de tekst brengt hij de nodige nuances aan. En die tekst mag er zijn: helder opgedeeld en goed leesbaar waardoor u en ik die geen specialisten zijn goed meekunnen. In dit soort studies wordt dat al te vaak vergeten.

 

In de inleiding wordt het hoe en het waarom van het gebruik van baksteen bij de kerken­bouw in de Kempen uit de doeken gedaan. Het antwoord is eenvoudig en eigenlijk voor­ spelbaar: omdat er niets anders was. Uiteraard is daar meer over te vertellen, maar daarom moet u juist het boek lezen. Dan volgt een beschrijving van de gotische gebouwen in de Kempen. De meeste daarvan zijn kerken, vooral uit de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw.

 

En in derdaad er is een opvallende verwant­schap tussen die kerktorens te zien. Met het schip is het vaak anders gesteld: te hoog, te laag, herbouwd, en ga zo maar door. Maar dan zijn er die kleinere varianten die het verhaal kruiden, een groeiproces van eigen gewestelijke accenten, van de ongekun­stelde eenvoud van een Sint-Bavokerk te Oud-Turnhout tot de weelderige pracht van de Sint-Catharinakerk te Hoogstraten.

 

De burgerlijke architectuur wordt gelukkig niet vergeten, en daar zit heel wat variatie in: van de lakenhalle van Herentals tot het kasteel van Turnhout.

 

De neogotiek is uit de Kempen, zoals uit de rest van Vlaanderen niet weg te denken.  Terecht stelt Serge Migom zich de vraag of er tijdens de negentiende eeuw bij de mooie traditie van de hoogdagen van de Kempische gotiek wordt aangesloten of niet. Het antwoord  is genuanceerd, maar niet meteen positief. Bepaalde verhalen hebben mij uiterst geboeid, zoals dat van de weder­opbouw van de abdij van Tongerloo (en dat niet enkel omwille van die bizarre torenbekroning in art deco).  In andere gevallen - en laat dit de enige kritische noot zijn - werd ik gehinderd door een zekere overbelichting van de administratieve rompslomp. Langs de andere kant mag wel gezegd worden dat de negentiende eeuw zo in elkaar zat.

 

Het laatste  hoofdstuk is kort, maar daarom niet minder opmerkelijk.  De auteur behan­delt er de Kempense stijl en baksteengotiek in de twintigste eeuw. Dit verhaal is volledig nieuw en met belangstelling heb ik vernomen hoe architecten in de pas verlopen eeuw in het reine probeerden te komen met die rijke, maar ook belastende erfenis  van de gotiek.  De voorbeelden zijn niet talrijk, maar ze spreken boekdelen. Hoe traditioneel kan een traditionalist wel zijn? Of wat beleef je als architect als je een brug wil slaan tussen heden en verleden? Zeer verhelderend. Tot slot worden, kort en goed, een veertigtal technische termen uitgelegd. Je staat er onvoldoende bij stil, maar dat is geen overbodige luxe voor een tekst die tegelijk vlot leesbaar en toch technisch correct wil zijn.

 

Met deze studie over baksteengotiek in de Kempen steekt de Provincie Antwerpen van wal met een nieuwe reeks publicaties over het eigen erfgoed, geplaatst in thematische context. Indien de volgende afleveringen in kwaliteit deze eersteling evenaren, dan kijken wij daarvol verwachting naar uit.

 

Rik Sauwen

 

 

De tuinen van Hingene tussen Schelde, Rupel en Vliet

 

Begin september verscheen de tweede in de nieuwe reeks erfgoedgidsen, uitgegeven door de Provincie Antwerpen in samenwerking met Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. Auteur Katrien Hebbelinck neemt de lezer mee voor een verrassende ontdekkingstocht doorheen het provinciaal domein d'Ursel te Hingene.

 

Gedurende vele eeuwen was het kasteel van Hingene het maison de plaisance of de zomerresi­dentie van de adellijke familie d'Ursel. Vrijwel elke d'Ursel-generatie heeft het kasteel en het park aan de heersende wooncultuur en mode aangepast, telkens bijge­staan door internationaal gerenommeerde ontwerpers zoals Jean Beaucire, Giovanni Nicolano Servandoni of Eduard Keilig.  Het boek illustreert, aan de hand van waardevolle en veelal onu uitgegeven documenten, onder meer uit het archief van de familie d'Ursel, hoe dit domein evolueerde. Het is een bijzonder boeiende ontwikke- ling:  eerst een laat­ middeleeuws stenen huis en hof, daarna een bak- en zandstenen buitengoed met Vlaamse renaissancetuin, nog later een door water omkaderd kasteel in een baroktuin, en vandaag het monumentaal en classicistisch perspectief in het landschappelijk waarde­volle park.

 

De geschiedenis van het domein d'Ursel is tegelijk ook een verhaal over een stukje Scheldevallei en het dorp van Hingene, waarin de familie d'Ursel een centrale plaats bekleedt.  Door hun omvangrijk patrimonium en hun eeuwenlange  aanwezigheid zijn het landschap, het dorp en het kasteeldomein onlosmakelijk met elkaar vervlochten. Na een leegstand van bijna twintig jaar kocht de provincie Antwerpen in 1994 het als monu­ment beschermde kasteel.  Sinds het voor­jaar 2000 is dit domein samen met de omgeving van het paviljoen De Notelaer ook beschermd als landschap. Hierdoor is de eenheid van deze histori­sche kasteelsite hersteld en kunnen de banden met deze kleurrijke geschie­denis en omgeving opnieuw worden aangehaald.

 


KUNSTTOER Stille Waters

 

 

Fietsen op de kruin van de Scheldedijk in Klein-Brabant, met aan de ene zijde de schitterende rivier en aan de andere kant het donkere polderland.

 

 

Klein-Brabant en de kronkelende Schelde

 

De naam Klein-Brabant zou gegeven zijn aan het Land van Bornem, dat in het graafschap Vlaanderen lag, maar oorspronkelijk behoorde tot het gebied van het hertogdom Brabant. Vandaag omvat Klein-Brabant drie gemeenten: Bornem, Puurs en Sint-Amands. Een ideale manier om dit unieke stukje Vlaanderen te verkennen is met de fiets de Scheldedijk route volgen.  Het is een gesloten parcours van 43 kilometer dat je op eender welke plek kan starten.

 

Het is zalig fietsen door de Klein-Brabantse beemden met in het binne gebied rijen knotwilgen en canada's, groen lover en bloemkoolvelden, boerderijen met over de hoevegracht mispelaars en kweepeerbomen. Dit is een inspirerend landschap waar heel wat pleinairisten hun schildersezel hebben neergezet.

 

 

Emile Verhaeren

 

Op de kaai in Sint-Amands herinnert alles aan Emile Verhaeren (1855-1916), de bekendste Klein-Brabander. De schrijver hield zo van de Schelde dat hij aan de oever van 'zijn' stroom wenste begraven te worden. Het grafwerd in 1927  ingewijd.

 

In het midden van de Scheldekaai te Sint­ Amands prijkt sinds 1985 het standbeeld van Emile Verhaeren. Beeldhouwer Leopold Van Esbroeck heeft de schrijver voorgesteld in een zwierige  houding als voordrager met vurige zeggingskracht

 

Wat verder langs de Scheldedijk staat het beeld De Veerman, geïn­spireerd op Verhaerens bekende gedicht Le Passeur d'eau.

 

Wie veel meer wil weten over leven en werk van de schrijver kan terecht in het Provinciaal Museum Emile Verhaeren, ondergebracht op de eerste verdieping van het Dorpshuis De Leeuw in de Kerkstraat van Sint­ Amands.

 

 

Natuur en nog meer schrijvers

 

Voorbij de Scheldebocht van Sint-Amands ligt Mariekerke, geboorteplaats van priester-dichter Jan Hammenecker. Verderop volgt een stuk rustige natuur. In het kleine Weert is de wissenteelt nog van enig belang en hier en daar is er nog een wijmenveld, met die mooie kleurovergang van geel naar boven roodachtig uitlopend, of een aan plant met grove wij men, net een plantage van laagstamknotwilg.

 

Achter de bocht verschijnt de kleine begroeide stenen molenromp van het, vanwege oorlogse smokkelactiviteit in de volksmond genoemde 'dievenmoleke'. Aan de overzijde zien we de monding van de Durme en het standbeeld dat herinnert aan Filip de Pillecijn, de 'prins van de Vlaamse letteren'.

 

Even verder in Weert, wat weg van de dijk, ligt het Streekmuseum De Zilverreiger. Het geeft een beeld van de verdwenen Scheldevisserij, de klompenmakerij en de vlasteelt.

 

 

De Notelaer

 

Hier en daar zie je in het dijkenlandschap opnieuw notelaren. Eens stonden ze met honderden aan de voet van de dijk. De Klein­ Brabanders verzamelden de okkernoten en verscheepten ze naar Engeland, waar ze verwerkt werden in de befaamde Engelse pickles.  In de Eerste Wereldoorlog gingen de notelaren tegen de grond omdat hun hout bijzonder geschikt was voor geweerkolven. De Notelaer is de naam van een frivool bouwwerk aan de dijk in Hingene, waar het Toeristisch Recreatief Onthaalcentrum onderdak heeft gevonden. Het merkwaar­dige paviljoen, dat deel uitmaakt van het kasteel van de familie d'Ursel, werd opge­trokken in 1791-94. Bouwmeester Charles de Wailly ontwierp een fantasierijk zomerhuis in classicistische  stijl. Zes Dorische kolommen dragen in het dijkgedeelte vijf gewelfbogen, waarin in halfverheven beeld­ werk de Schelde en haar bi rivieren zijn voorgesteld.  Het boeiende verhaal van het paviljoen De Notelaer en het kasteel van Ursel is te ontdekken in De tuinen van Hingene tussen Schelde, Rupel en Vliet, een nieuwe erfgoed­gids die de Provincie Antwerpen heeft gepubliceerd, samen met Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.


Kunst online

 

 

De tijd dat catalogi en tentoonstellingen voor musea de belangrijkste instrumenten waren om hun collectie onder de aandacht van het publiek te brengen, is voorbij.

 

 

Vlaamsekunstcollectie

 

In het internettijdperk verkennen meer en meer musea de mogelijkheden van het web. Ook de steekkaartencatalogus is als classificatie en registratiesysteem in de museum wereld verdrongen door IT-toepassingen. In het voorjaar kwamen de Vlaamse en de Brusselse kunsthistorische musea zowat gelijktijdig naar buiten met een databank die via een website ook voor het grote publiek toegankelijk is.

 

Eerder al kon u in deze rubriek lezen over het Museum voor Schone Kunsten te Gent dat via haar website enkele hoogtepunten uit de collectie virtueel toegankelijk maakte. Toen ging het nog om een eerder beperkte selectie. Sinds eind maart 2004 zijn deze en andere meesterwerken van ons Vlaams patrimonium ook via de Vlaamsekunstcollectie op het computerscherm te bekijken.

 

De Vlaamsekunstcollectie - in één woord geschreven dus - is de naam van een samenwerkingsverband dat eind 2001 onder impuls van de Vlaamse Gemeenschap tot stand kwam tussen de drie grote kunsthistorische musea die Vlaanderen rijk is. Onder deze nieuwe koepel werken het Brugse Groeningemuseum, het Gentse Museum voor Schone Kunsten en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen samen op alle vlakken van de museumwerking.  In 2002 leidde dit al tot de satelliettentoonstelling Groeninge te gast en ondertussen is ook een combiticket gelanceerd dat museum bezoe­kers aan reductietarieftoegang verleent tot de permanente collectie van de drie participerende musea.

 

Een snellere manier om u onder te dompelen in de pracht en praal van zeven eeuwen Vlaamse kunst is een bezoek aan de webstek van de Vlaamsekunstcollectie.  Het gaat hier om een nieuwe beel­dendatabank waarin de verschillende verzamelingen virtueel  samenge­voegd worden tot dé Vlaamse kunstcollectie.

 

Gezien de omvang - de drie museumcollecties tellen samen bijna 50.000 stuks - is dit een lopend project. Op lange termijn zullen de verschillende collecties stap voor stap ontsloten, gedigitaliseerd en via de webstek gepresenteerd worden.

 

Nu al kunnen de eerste stukken op de eerder kleine, maar overzichtelijke website bekeken worden. Wie klikt op 'collectie' komt terecht op een zoekscherm waar alfabetisch (auteur en titel), op trefwoord (auteur, titel en omschrijving) of op onderwerp (voorstelling, object, stroming, periode en materiaal) kan gezocht worden.  De zoekresultaten zijn voorlopig nog beperkt maar worden wel overzichtelijk gepresenteerd: per kunstwerk verschijnt een pagina met daarop een afbeelding en wat rudimentaire informatie. Sommige werken zijn voorzien van een omschrijving maar over het algemeen moet de bezoeker het stellen met eerder technische gegevens. Deze databank is dus voorlopig vooral afgestemd op de functionele gebruiker: conservatoren, museummedewerkers, onderzoekers enzovoort. Al kan ook de gewone kunstliefhebber hier iets van opsteken.

 

Behalve een kalender en aparte infopagi­na's met praktische gegevens over de drie musea, is er tenslotte nog de minirubriek 'In de kijker' die uitnodigt om ook eens een minder evident kunstwerk op te vragen. Dit en de optie om meer werk van dezelfde auteur op te vragen, zijn voorlopig de enige extraatjes. Wie eerder intuïtief wil rondsurfen, blijft dus op zijn honger zitten. De Brusselse tegenhanger van de Vlaamsekunstcollectie biedt meer mogelijkheden om te gaan browsen doorheen collec­ties.

 

 

Fabritius

 

Fabritius, wat staat voor Fine Arts  BRussels InTernet and Intranet Users, is de tweeta­lige, geïnformatiseerde catalogus van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel.  In deze database vindt u gegevens over de kunstwerken van het Museum voor Oude Kunst, het Museum voor Moderne Kunst, het Wiertzmuseum en het Constantin Meuniermuseum. Momenteel is ongeveer een derde van de schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerken, foto's, drukwerken, installaties, wandtapijten en ge bruiksvoorwerpen raadpleegbaar via deze on-linecatalogus.

 

Qua design is deze webstek niet te verge­lijken met de fraaie vormgeving van de Vlaamsekunstcollectie, maar de aangeboden informatie is wel uitgebreider en meer divers. Vandaar dat er een heuse gebruikersgids beschikbaar is. De zoekmo­gelijkheden laten toe dat er onder meer op iconografische thema's of op het gebruikte materiaal gezocht wordt. Zelfs de combi­natie van beide is mogelijk. Wie benieuwd is naar het thema 'de appel' doorheen de kunstgeschiedenis of wie wil weten welke kunstenaars met galnoteninkt aan de slag geweest zijn, vindt hier al een uitstekende startpagina.

 

Gelukkig kan de databank ook op andere manieren bekeken worden. Fabritius biedt de mogelijkheid tot een 'Geleid bezoek' waarbij u eeuw per eeuw, of aan de hand van de voorbije en lopende tentoonstellingen doorheen de verzamelingen kan surfen.  Het gaat dan uiteraard enkel om werken uit de eigen collectie en u zal het ook moeten stellen zonder de catalogusteksten. Maar aangezien een gedeelte van de beschrij­vingen dieper ingaat op de stijl of de inter pretatie van de kunstwerken, is er toch enige duiding voorhanden. Handig is dat elke fiche met de afbeelding en gegevens van een kunstwerk afgedrukt kan worden.

 

De getoonde afbeeldingen  kunnen net als bij de Vlaamsekunstcollectie gedownload worden, maar in beide gevallen is hun kwali­teit niet schitterend. Een goedkope reproductie op ware grootte van het Portret van Marguerite Khnopff zal u hier dus niet vinden.

 

De  Vlaamse beeldendatabank is consulteerbaar op www.vlaamsekunstcollectie.be. De Brusselse versie vindt u op www.opac-fabritius.be.

 

Eva Wuyts


Keuze van de redactie

 

 

Moeders, Godinnen en Sultanes

 

Zo'n tiental jaren geleden blies het kunstenfestival Europalia onder zware politieke druk de veelbelo­vende Turkse editie af. Bozar, het vroegere Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, ziet nu wel moge­lijkheden om dit najaar een mini­festival aan Turkije te wijden, waar­onder een grote tentoonstelling over de rol van de vrouw in de Turkse cultuur, van in de prehistorie tot op het einde van het Ottomaanse Rijk.

 

Topmusea uit Turkije en West­-Europa verenigen hun krachten voor deze tentoonstelling. Alleen al de collectie van het Topkapi Paleis ­- thuishaven van de Ottomaanse sultans - spreekt tot de verbeel­ding. Unieke stukken uit o.a. het Louvre, het Kunsthistorisches Museum in Wenen, de Berlijnse musea, het Victoria & Albert Museum en de belangrijkste Turkse musea vullen het plaatje aan tot een totaal van circa 350 kunstwerken. In de loop van 9.000 jaar ontmoeten we de volkeren die in Anatolië hun sporen hebben nagelaten.  De tocht leidt langs roemruchte culturen als de Hettieten, de Griekse en Romeinse oudheid, het Byzantijnse rijk en de Ottomanen.  In elk van deze vier centrale cultuurperiodes treden vrouwen naar voren als onze gids.

 

De Hettietische  koningin Putukhipa bijvoorbeeld doet haar dagelijkse doen en laten uit de doeken en verhaalt over de oorlogen tussen haar land en Egypte.  Het bekende verdrag van Kadesj is niet enkel door koning Khetasar, maar ook door haar ondertekend. De laatste keizerin van Byzantium evoceert dan weer haar leven en rol aan het hof, alsook de val van haar rijk. En Hurrem Sultan (alias Roxelana, haar westerse naam) vertelt over haar leven aan het hof van Suleyman de Grote en het belang van de heerschappij van haar man. Naast de godinnen, koninginnen en sultanes ontmoeten we ook de vooraanstaande en gewone vrouwen uit alle standen. Al deze - vaak naamloze vrouwen - lieten hun sporen na op het vlak van kunst, litera­tuur en het dagelijkse leven. Bovendien stammen bijna alle vrouwen die, vanaf de oudheid, hun stempel drukten op de westerse bescha­ving uit dit gebied. Ze zijn geboren in deze streek en vertrokken er naar de vier windstreken.  Denken we maar aan Afrodite, de godin van de liefde, geboren uit het schuim van Cyprus, net ten zuiden van het schiereiland.  De Amazones, beroemde strijdsters die ons eveneens via de oude legendes bekend zijn, kwamen Troje ook van hier ter hulp, waarschijnlijk vanuit de buurt rond Samsun. Zelfs de Maagd Maria werd in iconen afgebeeld als een vrouw van vlees en bloed en gold als het overheersende symbool van het heilige gedachtegoed in de duizend Byzantijnse jaren na de Oudheid. Zo verspreidde ze als Moeder Gods medeleven, vruchtbaarheid en hoop vanaf de kerk­muren. Toen de Byzantijnse beschaving verdrongen werd door de Seltsjoeken en de Ottomanen, bleef de verering van Moeder Maria aanwezig in de symboliek van zowel de katholiek-orthodoxe volkeren in Anatolië als van de heersende moslims. Moeders, Godinnen en Sultanes laat de historische, archeologische en artistieke elementen zien achter deze brede 'mythologie der vrouwen'.

 

(PW)

Moeders, Godinnen en Sultanes. Vrouwen in  Turkije van de prehistorie tot het einde van het Ottomaanse rijk, van 6 oktober 2004 tot 16 januari 2005 in Bozar, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel.

 

 

Luc Deleu - Values

 

Luc Deleu is architect van opleiding maar hij is wellicht meer bekend in het circuit van de beeldende kunsten. Zonder ophouden heeft hij zijn projecten en voorstellen gelanceerd via musea en galeries, heeft hij bij kunstverenigingen  lezingen en conferenties gehouden om zijn ideeën te verkondigen. Het zijn proposities die wat ongewoon, soms op het eerste gezicht wat gek overkomen. Toch zijn ze alle de vrucht van een zeer logische en rijke gedachtegang. Zo was er in 1972 zijn voorstel voor een mobiele universiteit waarbij drie vliegdekschepen zouden gebruikt worden om studenten en profs te logeren en te onderwijzen, maar ook om ze de wereld te laten zien. Veel van zijn voorstellen zijn ingegeven door een ecologische bezorgdheid én bieden een mogelijke oplossing.

 

In 1970 richtte hij zijn studiebureau op voor stedenbouw en architec­tuur: TOP Office. Een provocerende naam, zeker, maar tegelijk ook een naam die al die andere dure namen relativeert.  In datzelfde jaar houdt hij een tentoonstelling met de titel Luc Deleu neemt afscheid van de architectuur in het vacuüm voor nieuwe dimensies. Hij bevrijdt zich van de lichtende voorbeelden van de moderne architectuur en laat dat de goegemeente weten door letterlijk een kruis te trekken over een fotocollage met iconen van die architectuur. Zo zit hij wel in elkaar, een wat rebels heerschap maar met schitte­rende ideeën.

 

Hij reist naar New York en bewondert er de in middels verdwenen Twin Towers. Ook een verkenning in de wouden van Mariposa in Californië met die schitterende bomen, laat hem niet onberoerd. Ze vormen de inspiratiebron voor een reeks tekeningen en modellen met de titel Principes voor lessen in perspectief. Hij toont hoe de waarne­ming verschilt, hoe wij het perspectief anders ervaren wanneer het in de hoogte dan wel in de lengte gebeurt. Dat verschil in perceptie zal een hele tijd doorwerken in vele van zijn projecten en realisaties.  Zo legt hij in 1981 in de reusachtige Montevideoruimte aan de Antwerpse kaaien een bouwkraan neer. Meer nog dan anders ervaart de kijker de immensiteit van het tuig dat daar geveld ligt als een nutteloos object en waaruit een zekere schoonheid kan gepuurd worden.

 

Sedert 1983 gebruikt Luc Deleu ook containers. Voor het eerst in Bazel met zijn Kleine triomfboog, wat later gevolgd door Grote triomfboog in Neuchätel. De banale, onbeduidende en als lomp tuig ervaren container krijgt hier een grote uitstraling, wordt monumentaal en refe­reert naar de groten der aarde. Sindsdien wordt de container door de kunstenaar veelvuldig aangewend voor soms gedurfde constructies in tal van steden in Europa en daarbuiten. Het zijn mobiele monumenten. Het is pas onlangs dat in ons land de beslis sing viel om een werk van Luc Deleu in de openbare ruimte te plaatsen. Een containerwerk wordt door de provincie Oost-Vlaanderen aangekocht en zal een plaats vinden in het uitbreidingsgebied van de Gentse haven.

 

Vanaf 1988 werkt Luc Deleu aan grote stadsprojecten, utopische ontwerpen van grote stadsinfrastructuren en vanaf 1995 is hij bezig met de studie van De Onaangepaste Stad. Het zijn verscheidene ontwerpen van immense steden bouwkundige interven­ties. Hij ontwerpt de wijken Brikabrak (1998), Dinkytown (1998-99) en Octopus (1999). Vipcity is de vierde etappe: een grote verkaveling voor 38.000 inwoners in vrijstaande woningen  met een 7-5 km lange stadsas. Toevallig is de lengte van Vipcity dezelfde als van een zeemijl: 1851 meter. De maquette op schaal 1/100 is dus 18,51 m lang.

 

Naast zes kantoorgebouwen, bevat Vipcity alle comfortuitrustingen zoals horeca, sport en amusement, sociale voorzieningen en de diverse transportcirculaties.  Zo beschikt de wijk over een handig fietscircuit en een luchttram. Deleu wil hiermee laten zien dat sommige mensen nog vat hebben op de wereld en dat een gigantisch concept als De Onaangepaste Stad ook door een klein bureau als TOP Office, dat maar zes medewerkers telt, perfect gerealiseerd zou kunnen worden.

 

De tentoonstelling  Luc Deleu -Values bestaat uit twee delen. De abso­lute blikvanger is de nieuwe maquette van Vipcity en de omkadering daarvan in een eerste deel. In het tweede deel van de tentoonstelling heeft de architect-kunstenaar zich toegespitst op de stad Antwerpen. De bezoeker krijgt hier Deleu's voorstellen te zien die niet alleen iets vertellen over de stad,  maar ook oplossingen bieden voor acute bestaande problemen. Mobiliteit te land en te water is hier natuurlijk niet ver weg.  Een tentoonstelling die erg goed inspeelt op de dage­ ijkse actualiteit waar zowel de Antwerpenaar als de reiziger naar en rond Antwerpen mee te maken heeft. Kan kunst dan toch de wereld redden?

 

(DR)

Luc Deleu - Values, nog tot 28 november 2004 in het Muhka, Leuvenstraat 32, 2000 Antwerpen.

 

 

Karel Appel. Onderweg

 

De tentoonstelling Onderweg neemt de bezoeker mee op een reis langs vijf eeuwen kunst uit de Noordelijke en Zuide-l ijke Nederlanden. Rode draad is het oeuvre van Karel Appel. De verschillen en verwantschappen tussen Vlaanderen en Nederland borstelen een breed panorama. Het experiment van CoBrA vormt het denk­beeldige oriëntatiepunt. Reisleider is Rudi Fuchs, vermaard tentoonstellingsmaker en voormalig directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Stedelijk Museum Amsterdam.

 

Fuchs kent het werk van Appel door en door. Hij maakte tentoonstel­lingen met hem en schreef over hem. Fuchs over Appel in 1990:  "Ik zie een kunstenaar die zich ondanks het opzienbarende van zijn experi­ment, eerder behoedzaam ontwikkelt. Voor mij is dat een grote kwali­teit, zijn kunst maken in het bewustzijn van de grote meesters voor hem, maar het is enigszins in tegenspraak met de manifesten en de heroïsche uitspraken van de vroege tijd, in de kringen van de Nederlandse Experimentelen en ook van CoBrA." Experiment versus traditie: dat maakt Appels zwerftocht langs de kunstgeschiedenis extra boeiend.

 

De reis op de tentoonstelling begint met een schilderij van Antoon Van Dyck, Marteling van de Heilige Petrus, uit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Appel laat zich in een nieuw werk door dit schilderij inspireren. Vervolgens splitsen de wegen zich. Langs de ene kant zien we een kruis­oprichting van Rubens, aan de andere kant hetzelfde thema door Rembrandt. De barokke Vlaming versus de nuchtere Hollander. Het klinkt misschien wat zwart- wit, maar de toon is gezet.

 

In de volgende zalen ontmoet Appel onderweg collega-schilders. Niet in chronologische volg­orde maar volgens een thematische, associatieve logica. Portretten, landschappen, stillevens, bloemen, bomen en naakten van onder andere Ensor, Mondriaan, Permeke, Brusselmans en Panamarenko treden in dialoog met werken van Appel.  Halfweg de tentoonstelling groet Appel zijn CoBrA-kompanen : Pierre Alechinsky, Hugo Claus, Lucebert en anderen.

 

En hoe zit het nu megt de verschillen tussen Noord en Zuid ?  Rudi Fuchs vatte het ooit kernachtig samen: "Nederlanders houden ervan dicht bij de concrete werkelijkheid te blijven, die hun iets geeft om zich aan vast te houden. Ze beteugelen hun verbeeldingskracht en 'verdiepen' zich vervolgens in wat ze gevonden hebben. Bij de Vlamingen liggen de dingen een beetje anders: in plaats van dicht bij de werkelijkheid  te blijven, 'blijven ze dicht bij huis'. Daar thuis op hun eigen plek beleven ze verrukkelijke avonturen: melan­cholische, absurde, lyrische, weemoedige, surrealistische avonturen."

 

(MV)

Karel Appel. Onderweg. Reis van Rudi Fuchs langs de kunst der Lage Landen, van 13 oktober 2004 tot 16 januari 2005 in Bozar, Ravensteinstraat 23, 1000  Brussel.