U bent hier

OKV 2005.1 tento

OKV 2005.1 tento

 

EDITO: LAAT U HOREN

 

Het wordt weer een druk en interessant tentoonstellingsjaar. De 175ste verjaardag van België gaat gepaard met verschillende grote evenementen in onze musea. De Romantiek in België mag de spits afbijten met een tot nog toe vrij onbekende periode uit onze kunstgeschiedenis. Een unieke gelegenheid ook om het minder bekende Wiertzmuseum te bezoeken waar een deel van de tentoonstelling te bewonderen is. In de schaduw van het Europees Parlement ligt dit vroegere schildersatelier van de megalomane schilder uit Dinant. Hendrik Conscience zwaaide er ooit nog de plak als conservator! Het kan verkeren.

 

In de zomer krijgt men de unieke kans om de Vlaamse Kunstcollectie in al haar glorie te zien in het Paleis voor Schone Kunsten. Drie Vlaamse topmusea tonen hun beste stukken en een deel van ons vroegere 'openbaar kunstbezit' zal uit het buitenland terugkomen. In het najaar pakt Brugge uit met portretten van Memling en Europalia Rusland brengt ongetwijfeld onbekende pareltjes naar ons land.

 

Wij werken ondertussen aan een nieuwe Vlaamse Museumgids die u in het najaar mag verwachten en blijven sleutelen aan het tijdschrift zelf. Maar hierover wensen we uw mening te kennen. Laat ons eens weten of u geabonneerd bent voor de themanummers of voor de tento-bijdragen of voor allebei. Wenst u meer themanummers of minder? U krijgt bij ons volgende nummer een mini-enquête, maar u kan zich nu al laten horen op onze site www.tento.be en de bevraging on-line invullen. Als onze onschuldige hand er u uitpikt, komt u mee in aanmerking voor een erfgoedarrangement in Brussel voor twee personen. Een Art-Nouveau-pakket met een Belgisch 3-gangen-diner, gratis toegang tot het Horta-museum en dé Art-Nouveautentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis krijgt u er bovenop. Niet aarzelen.

 

Peter Wouters

 


INHOUD

KUNST IN OPENBARE RUIMTE: Van Knossos tot Beaufort

MUSEUM APART: Toc H: Huis van oorlog en vrede

TALENT: Michaël Borremans. Ik schilder om mensen te troosten

IN BEELD
De koloniale tijd van Congo
Belgische romantiek heeft vele gezichten
Schoudert penseel voor kunst uit de bunker
Het allermooiste uit het Prentenkabinet
Abondance!
Erfgoeddag trotseert vele gevaren

KUNSTTOER: Verrassend, veelzijdig Tervuren

UIT DE BOEKEN

ZWART OP WIT

KEUZE VAN DE REDACTIE

KLARA

WEBSTEK: Graaf eens digitaal


 

KUNST IN DE OPENBARE RUIMTE

VAN KNOSSOS TOT BEAUFORT

 

 

Straten, pleinen, openbare gebouwen, ze worden almaar meer het terrein van de kunst. “De straat is een mythe, maar het verlangen naar een publieke sfeer leeft” weet kunsthistorica Pieternel Vermoortel die over het onderwerp een interessante thesis schreef aan de UG.

 

 

Openbare versus publieke ruimte

 

"De relatie tussen kunst en maatschappij heeft me altijd al geboeid," zegt Pieternel Vermoortel die onlangs afstudeerde met de thesis Kunst - leven - openbare ruimte. "Vanuit die relatie kom je algauw in het vaarwater van de openbare ruimte terecht. Kijken we achterom in de tijd, dan zie je al heel vroeg hoe kunst, maatschappij en openbare ruimte tot elkaar stonden. Denk maar aan de wandschilderingen in Knossos of aan de middeleeuwse wandtapijten in burchten en lusthoven. Beeldhouwwerken, maar ook schilderijen stonden doorgaans op plaatsen van betekenis."

 

Kunst, zo blijkt, leunde vanouds tegen de samenleving. Ze refereerde aan het leven zelf. Niettemin ontstond in de vorige eeuw een gevoelige breuk. De kunst werd autonoom. Pieternel Vermoortel: "Toch verdween kunst niet uit de straat en andere openbare ruimtes. Na de Tweede Wereldoorlog is ze zelfs heel prominent aanwezig op openbare plaatsen. Ze verscheen als een ‘kritisch’ accent in het straatbeeld en elders. En dat heeft zo zijn logica. Na de onderdrukking van de nazi’s bloeit de kunst in alle hevigheid open. Er is weer hoop, de eerste Documenta (1956) van Arnold Bode kan je als een Wiedergutmachung na een periode van ‘Entartete kunst’ lezen. Zeg maar kunst als uiting van een democratisch ideaal. Bij ons kwam ondermeer de procentregeling die speciaal hiertoe in het leven werd geroepen."

 

In vergelijking met onze buurlanden waren we erg laat om kunst een plaats te geven in de openbare ruimte. Het beeld aan het begin van de E40 van de onlangs overleden Jacques Moeschal is een van die vroege naoorlogse gebaren. Kunst in de Brusselse Metro kadert evenzeer in deze democratische beweging. Zonder echter een oordeel te vellen over de kunst zelf, ontwikkelde Pieternel Vermoortel een theoretisch model, een kader om begrippen als openbare ruimte beter te kunnen begrijpen en te vatten. Dat de publieke ruimte zoveel aandacht geniet heeft allicht te maken met het verlies ervan.

 

Vermoortel: "De mythe van de straat, de mythe van het forum leeft vandaag heel sterk omdat publieke ruimtes in onze samenleving onder druk staan. Ook is de verwarring groot tussen publieke ruimte en openbare ruimte. Publieke ruimte is een ruimte waar mensen elkaar willen ontmoeten en waar ze een toekomst kunnen formuleren. Sociologen als Maarten Hajer en Arnold Reijndorp beschouwen de Ramblas in Barcelona als de publieke ruimte bij uitstek. Dichter bij ons zie ik voorbeelden als de Dansartstraaat in Brussel, de Gras- en Korenlei in Gent. Het zijn kruispunten van verschillende doelgroepen. Vandaag zie je dat de publieke ruimte zich verplaatst naar het internet. Voor mijn studie echter gebruik ik niet het begrip publieke ruimte dan wel openbare ruimte. Omdat openbaarheid gelieerd is aan specifieke regels voor specifieke ruimtes. Het begrip is breed uitgemeten, maar kent ook zijn beperkingen. Openbare gebouwen zijn weliswaar openbaar, toch betreedt niet om het even wie deze gebouwen. Er bestaan dus gradaties van openbaarheid. Op straat doe je ook niet om het even wat."

 

 

De mythe van de straat

 

De openbare ruimte is niet per se een fysieke ruimte, mentaal kan ze even hard doorwerken. Pieternel Vermoortel: "Het is de ruimte tussen onze oren, zoals Tom van Gestel het mooi formuleert. De auto heeft ons de stad anders doen ervaren en heeft mee de nieuwe stedelijke perceptie en onze identiteit helpen vormgeven."

 

Opmerkelijk in de studie van Vermoortel is de sterke klemtoon op de netwerkmaatschappij en de daarmee gepaard gaande maatschappelijke en stedenbouwkundige veranderingen. Het onderscheid tussen centrum en periferie valt stilaan weg en beide worden steeds meer naar elkaar georganiseerd. Er is de binnenstad, de winkel- en industriezone. Straten zijn er om van de ene zone naar de andere te gaan, het zijn veelal transitzones geworden. Het publieke karakter van de straat is in dit geval ver te zoeken. De mythe van de straat voedt zich met het verlangen naar publieke ruimte."

 

Wat met kunst in de openbare ruimte die intussen zo verkaveld en eenduidig is geworden? En hoe is de relatie van kunst en openbare ruimte? Pieternel Vermoortel: "Het ICC in Antwerpen vertolkte het antimuseale gevoel van weleer. Karel Geirlandt sprak in Gent als voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst over de ‘museumcrisis’. Musea waren in zijn ogen ‘verkalkte instellingen’, zonder enige binding met het leven. De nieuwe postmoderne musea die later het daglicht zagen, het Muhka en het SMAK, nemen die rol op zich om leven, openbare ruimte en kunst met elkaar te verzoenen. Ze volgen de kunst op de voet en herprofileren zich als instelling. Samen met de kunstenaars verkennen ze de openbare ruimte."

 

 

Extra muros-tentoonstellingen

 

De rol van de curator/museumdirecteur is nooit eerder zo doorslaggevend geweest? Pieternel Vermoortel: "Musea zijn zich sinds de museumcontestatie serieus gaan ontplooien als denk- en productieplaatsen. De curator kreeg daardoor zijn zegje over creatie en concept. Het museum, en dat is een van zijn taken, onderzoekt tegenwoordig zijn eigen begrenzingen." Dat onderzoek gebeurt onder meer door extra muros-tentoonstellingen. Een markant voorbeeld was Chambres d’Amis van Jan Hoet in 1986. Vermoortel onderzocht binnen deze manifestatie de gradaties van openbaarheid van zowel kunst als museum.

 

"Het museum wilde met Chambres d’Amis naar buiten treden. Toch is dat niet voor honderd procent gelukt. In mijn onderzoek stelde ik vast dat het museum eerder op verplaatsing was. De ingepalmde huizen stegen weliswaar op de ladder van de openbaarheid maar je kon bij Chambres d’Amis nog niet echt gewagen van een publieke sfeer. Daarvoor is het huis als tentoonstellingsruimte te beperkt en in dit geval nog te zeer gericht op die een enkele doelgroep: de museum­ganger. Bovendien hebben we in het geval Chambres d’Amis nog altijd te maken met een site-specifieke expositie met site-specifieke kunst. Voor de toeschouwer veranderde er hoegenaamd niet zoveel. Hij of zij bevond zich als het ware in een museum op verplaatsing. In de perceptie van de bezoeker was er nauwelijks iets veranderd. Wel voor de bewoners die met de kunstenaars een soort van verbond waren aangegaan."

 

In een tweede case onderzocht Pieternel Vermoortel hoe het SMAK zijn lessen trok uit Chambres d’Amis. In de stadstentoonstelling Over the Edges (2000) merkten we die verschuiving, zien we hoe in tegenstelling tot Chambres d’Amis het museum nu veel explicieter in de openbare ruimte trad. Pieternel Vermoortel: "Binnensteden zijn hoe langer hoe meer onderwerp van de citymarketing. We krijgen steeds meer eenduidig gedefinieerde ruimtes. Dat betekent dat de kunst in de binnenstad al dan niet inspeelt op het stedelijke spektakel. Kunst bewandelt in deze situatie de grens van haar kritisch gehalte. Wat speelt, is dat kunst in de openbare ruimte rekening moet houden met de vigerende regels van de straat.

 

De Nederlandse beeldende kunstenaar John Kormeling wilde tijdens Over the Edges al de straatnamen weghalen. Dat ging natuurlijk niet en zijn kunst ging dan ook voor een stuk in rook op. Interessant is dat qua perceptie de toeschouwer bij Over the Edges niet het gevoel had dat hij zich in een museum bevond. Van belang was dat zowel de objectieven van de stad als die van het museum hier samenliepen. Enerzijds had je de citymarketing, anderzijds het democratische ideaal van de vrijheid geprojecteerd op de kunstenaar. Deze expo was beslist geen slechte zaak voor het SMAK omdat het duidelijk liet zien waarvoor het staat. Niet zozeer gaat het om de kwaliteit van de kunst alleen. In een tentoonstelling als Over the Edges ging het vooral om de conceptuele aard van het gebeuren."

 

In een derde case bestudeerde Pieternel Vermoortel Beaufort 2003 van Willy Van den Bussche. "Hier waren er meer belangengroepen en was het gebied groter en heel verscheiden. Bovendien was het evenement geconcentreerd rond het thema zee. Bij Beaufort wordt het thema bevraagd, in Chambres d’Amis zagen we een onderzoek van de ruimte, in Over the Edges werd het museum als instituut onderzocht. Door de grootschaligheid van Beaufort 2003 verdween het museum zo goed als uit het blikveld. Wat bleef was de zee en de kunst, het komen en gaan van badgasten, kortom een mix van doelgroepen. Kunst kon door een brede massa worden gesmaakt. Zoiets bereiken is op zich al een mooie prestatie."

 

Philip Willaert


Illustraties

"Wat bleef was de zee en kunst", V.(enus) van Johan Tahon op Beaufort 2003

Beeld uit de tentoonstelling ‘Rintracciamento dei mondi perduti' (1997) met werk van Luk Van Soom in de Slijperij te Geel
Foto: Dominique Van Huffel

Joep Van Lieshout, (Zonder titel), 2003, GC De Kriekelaar, Schaarbeek
Uit Beeldpleister(s) van VGC-Directie Cultuur

“Het museum verdween uit het blkveld”. Dirck Braeckman op Beaufort 2003

GAL, De Veer, 1998, gevel GC Everna, Evere Uit Beeldpleister(s) van VGC-Directie Cultuur

Wim Delvoye, Eendje voor onderweg, 2002, Dapperheidsplein, Anderlecht
Uit Beeldpleister(s)van VGC-Directie Cultuur

Narcisse Tordoir, (Zonder titel), 1991, zijgevel GC De Linde, Haren
Uit Beeldpleister(s) van VGC-Directie Cultuur

Een aantal illustraties bij dit artikel komen uit Beeldpleister(s). Zestien artistiek gemanipuleerde plaatsen in Brussel, een uitgave van de Directie Cultuur van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (tel. 02 208 02 80 of www.vgc.be)


 

MUSEUM VOOR MIDDEN-AFRIKA PLUIST KOLONIALE TIJD VAN CONGO UIT

 

“Het geheugen van Congo” is zowat de omvangrijkste en meest gevarieerde tentoonstelling die het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika ooit heeft georganiseerd.

 

 

De koning van Congo, georganiseerd geweld en slavernij

 

Het geheugen van Congo belicht het koloniaal verleden vanuit vele invalshoeken. Betekenisvolle voorwerpen, documentaire foto's, verhelderende tekstpanelen en kunstwerken uit deze bewogen periode worden aangevuld met recent gefilmde getuigenissen. "De meningen over de kolonisering zijn zeer verdeeld," waarschuwt directeur Guido Gryseels. "We reiken de bezoeker uiteenlo­pende denkpistes aan, zonder zelf een waardeoordeel op te dringen. Als wetenschappelijke instelling hebben we onze reputatie hoog te houden en opteren we voor een genuanceerde benadering van dit complexe thema."

 

Ook de machtsstructuren en de handelsnetwerken, die al voor de komst van Livingstone en Stanley bestonden, komen in het openingsluik aan bod. In de brede Congovallei kwamen vroeger vooral bestuurssystemen voor die waren gebaseerd op afstamming en leeftijd. Hun precieze geschiedenis is moeilijk te achterhalen omdat ze schrift noch bureaucratie kenden. Nabij de mon­ding van de Congorivier troffen Portugese missionarissen, die in de zestiende eeuw verkenningstochten ondernamen, een rijk aan dat enigszins geleek op de Europese koninkrijken van die tijd. De bewindsman werd de 'koning van Congo' genoemd. Met zijn onderdanen werd hij door ijverige zendelingen gekerstend. Zijn Europese collega's erkenden hem officieel als een christelijke monarch.

 

In het prekoloniale tijdperk kwamen in het uitgestrekte Congobekken heel wat vormen van georganiseerd geweld voor. Vaak hielden die verband met de slavenhandel. Vanaf de vijftiende eeuw onderhandelden West-Europese kooplui, die de Afrikaanse kust afschuimden, met lokale chefs en notabelen over slavenleveringen. De plaatselijke handelspartners van de Europese slavenhandelaars werden aangemoedigd om oorlogen te voeren, die verkoopbare krijgsgevangenen zouden opleveren. Sommigen verkochten zelfs hun eigen familieleden aan buitenlandse schippers. Toen de Royal Navy na de Britse afschaffing van de slavernij enkele slavenschepen in volle zee overmeesterde, stonden de geconfisqueerde passagiers bekend als de 'Congo's'. Hun afstammelingen worden in Liberia trouwens nog steeds zo genoemd. Deze West-Afrikaanse staat werd in 1822 gesticht om de bevrijde slaven een permanente veilige verblijfplaats te bieden. Op sommige delen van de Afrikaanse kust riepen de Europeanen zichzelf tot heersers uit.

 

 

Vruchtbare ontmoetingen tussen artiesten

 

De tentoonstellingsmodule over de macht belicht uitvoerig de nieuwe hiërarchieën die tijdens het Leopoldiaans regime in de Onafhankelijke Congostaat en ook na de overdracht aan België op een radicale manier werden ingevoerd. De ontginning van de bodemrijkdommen vormde de hoeksteen van de kolonisering. Aanvankelijk leidde het winstbejag vooral in de ivoor- en rubberwinning tot talloze misbruiken, waarbij velen werden verminkt en duizenden - volgens sommige bronnen zelfs honderdduizenden - het leven lieten. De exploitatie van grondstoffen ging gepaard met de aanleg van een indrukwekkende infrastructuur en dit was uniek op het zwarte continent. Maar niet alle burgers waren blijkbaar evenwaardig. In stedelijke trekpleisters als Leopoldville en Elisabethville woonden de Europeanen en de inheemse bevolking in aparte wijken. Die waren van elkaar gescheiden door een neutrale zone.

 

"Hoewel het er minder repressief aan toe ging dan in Zuid-Afrika was het rassenonderscheid in Congo even erg," stelt Sabine Cornelis, die zich in het historisch onderzoek heeft gespecialiseerd, vast. "Maar er waren ook vruchtbare ontmoetingen. Congolese artiesten hebben de Europese leefstijl met verve uitgebeeld. Soms met een vleugje humor of ironie. Op ivoren slagtanden werden al heel vroeg westerlingen met hun gesofisticeerde wapenrusting gesculpteerd. Op muurschilderingen zitten de nieuwkomers statig op hun rijdieren. De volksschilder Gustavus portretteerde een koloniaal koppel en penseelde een vermakelijk bal, waar blanken op moderne ritmes dansen. Anderzijds reisden talloze kunstenaars, waaronder heel wat Belgen, naar Congo. Dit tweerichtingsverkeer zetten we in de verf."

 

Arsène Matton, Alfred Bastien en Paul Mathieu verzamelden in 1911 de nodige documentatie voor hun 'panorama', dat door het Ministerie van Koloniën was besteld voor het Congolees paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Gent. Anne Eisner trok voor haar schilderijen het woud in en sloot vriendschap met de pygmeeën. In de jaren dertig begaf de Limburgse Joanne Tercafs zich driemaal naar de noordoostelijke streek om er authentieke beeldjes van Congolese vrouwen te vervaardigen. In Elisabethstad opende de Franse kunstenaar Pierre Romain-Desfossés zelfs een atelier voor jonge talenten. Daar kwamen niet enkel Congolese, maar ook Rhodesische artiesten over de vloer. Enkele leerlingen van deze academie, zoals Bela en Pilipili, zouden later beroemd worden. Ook de Belgische schilder Laurent Moonens startte in het begin van de jaren vijftig met een kunstacademie. In Leopoldstad gaat de eer naar broeder Marc Stanislas, die een school oprichtte, waar Ndamvu, Mavinga en Zowa zich konden ontplooien. Alle drie zouden ze internationale faam verwerven. De kruisbestuiving op muzikaal vlak is evenmin te onderschatten. Vooral in de Afro-Cubaanse genres en de jazz. Belgische en Congolese instrumentalisten vulden elkaar aan. De expositie belicht de oprichting en de rol van interculturele muziekuitgeverijen.

 

 

Naar een vernieuwd museum

 

Met de reacties op de tentoonstelling Het geheugen van Congo wordt rekening gehouden bij de nakende renovatie van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Het museum zou een dynamische ontmoetingsplaats moeten worden, waar de culturele, geografische en biologische diversiteit van Afrika de nodige discussiestof aanreikt. "We moeten af van ons stoffig imago," bevestigt directeur Guido Gryseels. "Nu kijken we anders tegen Congo en de rest van Afrika aan dan in 1960. Toch dateert de huidige zaalopstelling uit die tijd."

 

Het museum is zelf ontstaan uit een tijdelijke, koloniale tentoonstelling. Het was voor Leopold II een propagandistisch uitstalraam dat bij de bevolking en de ondernemers interesse moest opwekken voor 'zijn' Congo. Over de moorddadige wanpraktijken van zijn medewerkers werd toen geen woord gerept Voor zelfverheerlijking is in het huidige wetenschappelijk onderzoekscentrum, dat aan objectieve kennisverspreiding doet, geen plaats. Laakbare feiten uit de geschiedenis worden niet verzwegen, maar evenmin uitvergroot.

 

"De visie op Afrika is in de loop der jaren ingrijpend veranderd," zegt Guido Gryseels "De landbouwactiviteiten, de stamverbanden, de rituele praktijken en de kunstuitingen worden nu in een ruimere context geplaatst. Om ons koloniaal verleden te doorgronden luisteren we ook naar wat de Afrikanen zelf hierover te vertellen hebben. Zij zijn onze partners." Het museum pretendeert een bijdrage te leveren tot de duurzame ontwikkeling van dit economisch verarmde continent. Vanuit die optiek worden samenwerkings-verbanden gestimuleerd.

 

"België telt nog ongeveer 14.000 oud kolonialen," onderstreept Guido Gryseels. "Die spitsen hun aandacht toe op de vele verwezenlijkingen tijdens de koloniale periode. En die zijn er inderdaad. Het wegennet, het vervoer, het onderwijs, de geneeskunde en de administratie kenden in Belgisch Congo een ongeëvenaarde ontwikkeling. In 1960 stond dit land in Afrika aan de top. Na de onafhankelijkheid daalde de productiviteit zienderogen. Ziektes die bezworen leken, keerden terug. Het inkomen ging achteruit. En ook de scholen worden minder druk bezocht. Maar de kolonialen gedroegen zich indertijd veel te paternalistisch. Tussen 1885 en 1908 - tijdens de periode van Congo Vrijstaat - liep het echt uit de hand en waren er wreedaardige excessen, waarover het laatste woord nog niet is gezegd. Die donkere bladzijde wekt veel verontwaardiging op, maar het gaat niet op om ook de andere tijdperken in de Congolese geschiedenis hiermee gelijk te schakelen."

 

Een groot gedeelte van Het geheugen van Congo wordt na de renovatie in een aangepaste opstelling in de permanente tentoonstelling opgenomen. Verborgen schatten uit de collectie worden eveneens opgediept. De opgezette dieren en de andere expositieobjecten, die op dit moment in het hoofdgebouw te zien zijn, vormen slechts vijf procent van de immense museumverzameling. Missionarissen, wetenschappers, handelaars, militairen en koloniale ambtenaren legden de basis van de museumcollectie. En daarvan ligt het grootste deel opgeslagen in de kelders, die Guido Gryseels wil ontsluiten voor het publiek. De verschillende onderzoeksdomeinen en artistieke expressievormen zijn zo ruim vertegenwoordigd dat zich voor elke tentoonstelling keuzeproblemen stellen. Voor Het geheugen van Congo moest bijvoorbeeld een representatieve selectie uit 500.000 foto's en 8000 muziekinstrumenten worden gemaakt.

 

"In de toekomst zal het Afrikaanse continent in zijn totaliteit worden benaderd," onthult Gryseels. "De bezoeker wordt dan uitgenodigd op een virtuele reis langs de Congostroom. Hij doorloopt de Atlantische kuststreek, de pool, de Rift, het gebied van de Grote Meren en de zuidelijke savanne. In de aanpalende ruimtes worden antropologische, aardrijkskundige, zoologische en economische onderwerpen uitgediept. Dank zij die multidisciplinaire aanpak wordt de beeldvorming van Afrika verfijnd." Aan het gebouw zelf wordt niet geraakt. Het werd indertijd ontworpen door de Franse architect Charles Girault, die zich op Versailles en het Petit Palais in Parijs inspireerde.

 

Ludo Dosogne


KONINKLIJK MUSEUM VOOR MIDDEN-AFRIKA

Leuvensesteenweg 

1380 Tervuren

Tel. 02 769 52 11

www.africamuseum.be


Illustraties

Pierre Romain-Desfossés in zijn atelier Elisabethstad-'Atelier d'Art indigène', 1950
KMMA, Foto C. Lamote

Pilipili, Slang die haar eieren beschermt
Olie op papier, Elisabethstad, omstreeks 1956, KMMA

Francis Meynell, The Slave Deck of the Albanez (Het slavendek van de Albanez), ca. 1860

Muziekopname gemaakt door de Zweedse missie in de Beneden-Congo
Let op de dubbele klok en de likembe, twee bijdragen van Afrika aan het werelderfgoed van muziekinstrumenten.

Volksschilderkunst, Ngongo-Lutete in 1805

Een Congolese handarbeider maakt koloniale helmen
Foto J. Costa, Leopoldstad, 1944 - Verzameling KMMA-Geschiedenis (56.15-7962 SABAM)


 

Toc H: HUIS VAN OORLOG EN VREDE

 

 

Meer dan een half miljoen soldaten van het Britse leger verpoosden tijdens Wereldoorlog I in Talbot House achter de Ieperse frontstreek in Poperinge. Weg van de gruwel van de zompige loopgraven. Eventjes konden ze gewoon weer mens zijn. Doodgewoon als thuis aan een tafel zitten en in een echt bed slapen. Een partijtje biljarten, in de tuin kuieren, een boek lezen of een debat bijwonen. Vandaag brengt Talbot House het verhaal van de Tommy's in Every Man's Club en van het leven achter de frontlijn.

 

 

Helend groen

 

'Come into the garden and forget about the war' nodigt een muurbordje in de ruime hall van Talbot House uit. "De tuin, de grootste kamer van het huis, moet zowat een van de weinige plekken geweest zijn waar nog groen gras en bomen groeiden," merkt educatief medewerker Dries Chaerle op. Die aanblik van groen moet helend geweest zijn en stond in schril contrast met de grijze modder en het desolate kapotgeschoten landschap van de 'Ypres Salient' of 'Ieperboog' met alleen nog zwartgeblakerde boomstronken. "De tuin van Toc H, zoals de seingevers Talbot House noemden, is sindsdien nauwelijks veranderd. Behalve dan het paviljoentje dat begin jaren '30 werd opgetrokken als sanitair complex," vervolgt onze gids Chaerle. Nu is het paviljoentje ingericht als presentatieruimte met foto's en een audiovisuele montage die de geschiedenis van Talbot House in beeld brengen.

 

 

Every Man's Club

 

Die geschiedenis begint in december 1915 wanneer aalmoezenier Philip Clayton in opdracht van de Britse legerleiding een soldatenclub in Poperinge opent. Het soldatenhuis kreeg de naam Talbot House mee, als herdenking aan Gilbert Talbot, de jonge broer van hoofdlegeraalmoezenier Neville Talbot, die sneuvelde op 30 juli 1915. Talbot House was een 'Every Man's Club', een huis voor iedereen. Opmerkelijk: in het hele huis werd de strenge legerhiërarchie aan de kant geschoven, verloren klassenverschillen van de burgermaatschappij hun betekenis. De meest onwaarschijnlijke vriendschappen konden er opbloeien. Tegelijkertijd was Toc H 'a home from home' vol rust en vrede. Er was een tea-bar en een winkeltje op het gelijkvloers, de prachtige tuin. Er stond een piano en een biljart, er werd gelachen en gezongen. Op de verdieping was een bibliotheek, en in de schrijfkamer werd menige brief naar huis geschreven. Langs een steile trap ging het tot helemaal boven in het huis, naar de 'Upper Room', de zolderkapel. "Tijdens de spraakmakende debatten en lezingen die in Toc H werden ingericht, stonden maatschappelijke problemen in de kijker. Die moesten de militairen weer aansluiting geven met het burgerleven," weet Chaerle. "Er werden proffen van Oxford en Cambridge uitgenodigd." Ze onderhielden de Tommy's over politiek, architectuur, ethiek, topografie... En er werden grote debatten gehouden over de zin en onzin van de oorlog. Ook items als het vrouwenstemrecht en multiculturele thema's kwamen aan bod. Zo was er de brandende kwestie of West-Indiërs, die aan de zijde van het Britse leger streden, ook toegang moesten krijgen tot Talbot House. En ja, dat moest zo werd beslist.

 

 

Chinezen

 

Al gauw groeide Toc H uit tot soldatenhuis waar een bont gezelschap van Brits-koloniale gasten vertoefde. Chaerle: "Ook Chinezen zijn in Talbot House geweest." In het kleurrijke Talbot House viel altijd wel iets te beleven, er hing een onbeschrijfelijk thuisgevoel. Daar tekende Philip Clayton voor, de kleine gezette aalmoezenier die omwille van zijn 'tonvormige' verschijning al snel Tubby werd genoemd. Vandaag lijkt zijn ziel onveranderd in Toc H rond te zweven en slingert de rondborstige Tubby Clayton de nietsvermoedende bezoeker zijn vlijmscherpe fijnzinnige Britse humor in het gezicht. 'To pessimists way out' wijst een bordje in de hall van Talbot House zwartkijkers resoluut de deur. Het hele huis is bezaaid met fijnzinnige spreuken van de gedreven Tubby. Niets of niemand leek de opmerkelijke aalmoezenier te kunnen stoppen. Wanneer in het voorjaar van 1918 heel Poperinge en dus ook Talbot House ontruimd moest worden, zet Tubby in een vijftal houten hutten de werking van het huis onverdroten voort. Op en top Brits doopt hij zijn geïmproviseerde Talbot House om in 'Talbot Park'. Zelf verbleef Tubby een tijdlang in één van die barakken en raakte er zo aan verknocht dat hij ze na de wapenstilstand liet verschepen naar Engeland, naar de tuin van zijn ouderlijk huis. Vandaag is de hut heropgebouwd in het badhuis-paviljoentje.

 

 

Concert Hall

 

In 1917 beleefde Talbot House het toppunt van zijn succes. Met de voorbereiding van de derde slag bij leper, toen veel nieuwe Britse manschappen naar de Westhoek kwamen, barstte Talbot House langzaam maar zeker uit zijn voegen. Gelukkig werden vanaf december 1916 de mogelijkheden van het aanpalende hopmagazijn ontdekt. Dat gaf nieuwe ademruimte. De zolderkapel in Talbot House bleek steeds vaker te klein. Daarom werden de eucharis­tievieringen voortaan in het grote magazijn gehouden. Dat Talbot House over dergelijk hopmagazijn beschikte, is niet toevallig: Poperinge is dé hoppestad bij uitstek. Al snel bood de opslagplaats ook ruimte aan meer werelds vertier en kreeg het de allure van een socio-cultureel centrum avant la lettre. Zo werden er schaaktornooien en whist drives ingericht, maar even goed sinter-klaasfeestjes voor Poperingse kindertjes. Dan weer deed de hopzolder dienst als cinemazaal en werden voor de soldaten films gedraaid.

 

De eerste verdieping van het hopmagazijn werd ingenieus omgebouwd tot een 'Concert Hall'. Er werd een artistiek directeur aangesteld, en er was een vast huisorkest. Avond na avond stond een grote waaier aan activiteiten op het programma. In de winter van 1917 werd een vast toneelgezelschap opgericht. Komedianten, voordrachtskunstenaars, goochelaars en illusionisten verrasten de soldaten met hun kunnen en tekenden voor een magische sfeer temidden een wereld vol van waanzinnige vernieling en droefenis. Vandaag kan de bezoeker op de eerste verdieping voluit proeven van die betoverende sfeer. In een Engelse productie onder leiding van Lester Simpson, bekend van de vredesconcerten Passendale, evoceren acteurs en muzikanten een toenmalige concert party. Het scenario is gebaseerd op bronnenmateriaal uit het Talbot House-archief, flink doorspekt van Britse humor, terwijl muzikanten instrumenten uit die tijd bespelen. Dat alles maakt de evocatie van de concert party levensecht. Voor even, want de lichtvoetige toon wordt al snel gesmoord in de aanpalende ruimte van de concert hall. De sfeer van het magisch feeërieke sprookje wordt hier ingeruild voor een bezinning over oorlog en vrede. Hier ligt het Liber Vitae opengeslagen, een register met de trieste stoet van namen van de jonge Tommy's van Talbot House die op de slagvelden van de Ieperboog sneuvelden en nooit meer terugkeerden.

 

 

Little Paris

 

Tijdens het krijgsgewoel veranderde het eens zo rustige provinciestadje Poperinge tot dé draaischijf van de Britse sector en hét zenuwcentrum van het militaire leven. In 1917 verbleven ongeveer 250.000 manschappen in de omgeving van de stad. "Bij het begin van de oorlog werden huizen opgeëist voor het onderbrengen van de legertroepen, maar dat lokte beschietingen uit. Vandaar dat naar andere mogelijkheden werd uitgekeken. Het duurde niet lang of de omliggende weides van Poperinge lagen bezaaid met legertenten," zegt Chaerle. Poperinge was de laatste halte voor de Ieperse slagvelden enkele kilometers verderop, en tegelijkertijd de eerste halte achter de frontlijn. Het provinciestadje werd omgetoverd in een bruisende smeltkroes van Brits-koloniale culturen.

 

Daartussen probeerde de lokale bevolking te overleven door handel te drijven, een koffiehuisje te openen, of te gaan werken in dienst van het leger. Al snel werd Poperinge omgedoopt tot 'Little Paris' en 'Klein Soho'. De gelijkvloerse verdieping van het hopmagazijn schetst een beeld van dit leven achter het front in onbezet gebied. Hier wordt het brede verhaal opgehangen van de soldaten in de rustkampen, de medische zorg in de veldhospitalen, het zwoegen van de Chinese koelies bij de uitbouw van de oorlogsinfra-structuur, van de intelligence officers die zich buigen over stafkaarten en foto's van vijandelijke troepenbewegingen. Ook het verhaal van de burgers, hun handeltjes, de vrouwen in de legerwasserijen komt uitgebreid in beeld. Elk thema wordt opgehangen aan een centrale figuur. Voorts is uitvoerig geput uit verhalen uit eerste hand, foto's, tekstfragmenten uit dagboeken en brieven. "De bezoeker wordt aangesproken door de mensen, de getuigen zelf. En dat geeft een grote betrokkenheid," verzekert Chaerle.

 

 

Friendship's Corner

 

Ook de Tommy's zelf konden na de oorlog Toc H moeilijk loslaten. Er groeide een heuse Toc H-beweging met pluralisme, verdraagzaamheid, en respect als sleutelwaarden. In Londen en andere Britse steden werden huizen opgericht; en in zowat alle landen van het Britse Rijk kwamen mensen samen die Talbot House in het begin hadden gekend. Ogenblikkelijk na de oorlog al groeide het huis in Poperinge, dat inmiddels weer door de eigenaar betrokken werd, uit tot een pelgrimsoord voor de oud-soldaten en hun families. In 1923 bood zich zelfs een groep van meer dan achthonderd pelgrims aan. Enkele jaren later, in 1929 ziet de Toc H-beweging haar kans schoon en koopt majoor P. Slessor het voormalige Poperingse 'home from home'.

 

Vandaag nog komen er jaarlijks 25.000 bezoekers en is het een huis voor iedereen, waar je zelfs kan overnachten. Veel van de oorspronkelijke sfeer is hier bewaard gebleven. In de hal van het huis hangt nog steeds de kaart van Ieper en omgeving zwart van de soldatenvingers die destijds op de kaart toonden waar zij in de Ieperboog gevochten hadden. Al even aangrijpend is de Friendship's Corner, een lijst met zoekertjes van soldaten in de hoop zo hun vriend of broer op het spoor te komen. Recent kwam een Britse man in Talbot House, nooit had hij kunnen vermoeden dat hij hier de naam van zijn grootoom zou lezen. Ook vandaag is Talbot House nog altijd een beetje thuiskomen.

 

Liliane Stakenborghs en Philip Willaert

 


TALBOT HOUSE

Gasthuisstraat 43

8970 Poperinge
Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17.30 uur - Op maandag voor groepen
Tel. 057.33.32.28

www.talbothouse.be


Illustraties

Geen plaats voor pessimisme in Talbot House

Herinneringen aan de Grote Oorlog

Philip 'Tubby' Clayton, een opmerkelijke aalmoezenier

De zolderkapel in Talbot House was al snel te klein

Talbot House, veel van de oorspronkelijke sfeer bleef bewaard


 

Michaël Borremans: IK SCHILDER OM DE MENSEN TE TROOSTEN

 

Het gaat goed met de Vlaamse kunstenaars. Voor het eerst sinds lang reizen hun tentoonstellingen langs internationale musea. Hun werken scheren hoge toppen op veilingen en jonge kunstenaars hebben er opnieuw goesting in. In het kielzog van enkele groten schieten minder bekende schilders als kometen de hemel in. Michaël Borremans is één van hen.

 

 

Later wil ik kunstenaar worden

 

Michaël Borremans was tot voor enkele jaren nog illuster onbekend, maar dit voorjaar is hij sterk aanwezig met twee tentoonstellingen in het SMAK, waarvan de tekening-tentoonstelling doorreist naar The Cleveland Museum of Art in de Verenigde Staten van Amerika en de schilderijententoonstelling naar de Parasol Unit foundation for contemporary art, een nieuw kunstencentrum in Londen. Vandaar reist de tentoonstelling weer verder naar de Royal Hibernian Aca­demy in Dublin.

 

De kunstenaar ontvangt me in zijn atelier, een voormalige schrijnwerkerij in een eenvoudige arbeidersbuurt in het Gentse. Terwijl zijn assistente de telefoon opneemt en de vele mails beantwoordt ("vroeger deed ik dat allemaal zelf maar voor je het weet zit je uren achter de computer") belanden we al snel in zijn 'proper' atelier, want er is ook nog een 'vuil' atelier. Het is een grote ruimte die vooral rust en orde uitstraalt met vele boeken, fictieliteratuur naast kunstboeken, een tekentafel en allerlei prenten, uitgescheurde foto's, kleine snuisterijen. Een wereld op zichzelf.

 

Michaël Borremans komt niet echt uit een artistieke familie. Zijn grootvader was fotograaf, zijn moeder had een winkel en vader werkte in de wegenbouw. Hij wist al van zijn zes jaar dat hij kunstenaar ging worden. Vooral beelden intrigeerden hem. Tekenen bleef een passie. Zijn vader telefoneerde veel voor het werk en krabbelde ondertussen verschillende agenda's vol. Die krabbels intrigeerden hem. "Wanneer ik lang op het vliegtuig zit, teken ik graag."

 

Het werd dus de kunsthumaniora en later Sint-Lukas in Gent. "Mijn optie was Vrije Grafiek en, paradoxaal, niet schilderen. Tijdens een opendeurdag konden we de schilderateliers bezoeken. Het was de periode van de Neue Wilden en de verf hing er aan de muren en droop van het plafond. Het Pollock-effect noem ik dat, maar dat beviel me niet. Ik specialiseerde mij vrij snel in grafiek en leerde grondig etsen op grote zinken en koperen platen. Maar niemand was geïn­teresseerd in wat ik deed. Op een bepaald moment voelde ik ook hoe ik de grenzen van het medium had bereikt. Ik leerde mezelf schilderen."

 

Grote schilders wezen Borremans de weg. In zijn oeuvre vindt je sporen terug van Velázquez en Spilliaert. Hij zag onlangs in Madrid de grote overzichtstentoonstelling van de Spaanse portretschilderkunst van El Greco tot Picasso. "Dat pakt op je adem. Het was zeker niet te vroeg dat ik die tentoonstelling zag want anders had ik niet meer verder durven schilderen. Maar het leren schilderen was zeer moeilijk en het ging traag. Mijn tekenenergie stak ik nu in het schilderen maar je hebt met dit medium zoveel keuzes." Andere kunstenaars die op hem indruk maakten waren Goya met de beroemde reeks Caprichos en de etsen van Rembrandt. "Hun licht-donker-effecten hebben me altijd geïntrigeerd. Velázquez daarentegen schildert zo transparant, zeer indrukwekkend, onmogelijk te evenaren, maar je mag er niet moedeloos van worden." Michaël Borremans werkt met olieverf op een gekleurde grondlaag. Die kleur komt soms mee naar boven in de composities zoals bij de oude meesters uit de zestiende en zeventiende eeuw.

 

 

Gretige Amerikanen en het Tuymanseffect

 

De echte aftrap van zijn carrière kwam er enkele jaren geleden. De Vereniging van het SMAK, die altijd op zoek is naar jonge en nieuwe talenten, stelde Michaël Borremans tentoon en kocht werk. Na het SMAK is het snel gegaan. Hij stelde tentoon bij Zeno X Gallery, die toen ook al bekend was in het buitenland omdat ze een rits internationaal gewaardeerde kunstenaars vertegenwoordigde. Op die eerste tentoonstelling werd werk verkocht aan het LA Moca, SF Moma en het Los Angeles County Museum of Art. Maar het is vooral het Öffentliche Kunstsammlung in Basel die zich vrij vroeg voor zijn werk ging engageren en nu ook de tekening-tentoonstelling maakt die nadien naar het SMAK komt. Ondertussen hangen er werken in het Museum of Modern Art (MOMA) in New-York, in het Museum of Fine Art in Boston, het Art Institute of Chicago. Vanwaar die gretigheid van de Amerikanen terwijl Vlaanderen in het begin toch eerder koeltjes reageert? "Het is typisch voor de Belgische situatie. We hebben nooit een goed aankoopbeleid gevoerd. Jan Hoet uitgezonderd. We hebben altijd goede kunstenaars gehad maar van zodra iemand iets anders doet, een persoonlijke methode ontwikkelt, valt hij buiten het circuit."

 

Bestaat er dan zoiets als het Tuymanseffect? "Ongetwijfeld, de academies zitten vol met jongeren die in zijn stijl schilderen. Ook de internationale markt heeft meer interesse voor wat er hier gebeurt op het vlak van de beeldende kunsten. We zijn beiden beïnvloed door Spilliaert, maar elk op een andere manier. Formeel gezien zijn er natuurlijk gelijkenissen: het kleinere formaat, een typisch, eerder somber koloriet. Inhoudelijk zijn de verschillen veel groter. Waar Tuymans' werk zakelijk en precies is, is het mijne eerder romantisch van aard, de conceptuele inbedding is ook veel minder present. In het begin was het wel even wennen wanneer je weet dat er een wachtlijst voor je werk bestaat. Wanneer je dan je borstel vastneemt denk je wel even na. Maar nu lig ik er niet meer wakker van. Ik ben sowieso een trage schilder en maak maar tien à vijftien schilderijen per jaar. Vele schilderijen blijven hier nog een tijdje liggen want zoals goede kaas moeten mijn werken ook rijpen."

 

 

We zijn allemaal altijd met iets bezig

 

In Amerika daarentegen is men altijd op zoek naar iets nieuws, iets anders. Wat is dat dan, het nieuwe van Borremans? Wie zijn schilderijen bestudeert ziet schijnbaar geconcentreerde handelingen van filmische personages die uit een ander tijdperk lijken te komen. Zo schildert hij een oudere man in een ballerinakostuum. Een beeld dat de schilder zag bij Samson en Gert op televisie. Vele figuren op Borremans' schilderijen buigen zich geconcentreerd over één of andere onduidelijke activiteit. Het is een metafoor: we zijn allemaal met iets bezig. We proberen allemaal iets zinvols te doen. Maar wat betekent het? Verschillende keren zegt de schilder dat hij een romanticus is. Maar de beelden zijn raadselachtiger dan ze op het eerste zicht lijken. "Dat is ook het verschil tussen de fotografie en de schilderkunst: de fotografie toont een mogelijkheid maar de schilderkunst creëert een aparte wereld, een autonome plaats. Het medium bepaalt de context. Mijn personages zien er niet uit als echte mensen, we bekijken ze precies door verschillende lagen glas. Dat creëert een afstand."

 

Zoals bij vele goede kunstenaars zijn de tekeningen en waterverfschetsen nooit ver weg. In het SMAK hangt naast de schilderijententoonstelling ook een tekeningen-tentoonstelling. Een unieke combinatie die nergens anders zal te bewonderen zijn. Een intrigerend werk is de waterverfschets The Swimming Pool. "Ja, het is wel confronterend. Het verhaal van de straf staat haaks op het ontspannen zwemmen in het zwembad. De reusachtige figuur heeft iets totalitairs. Schuldbesef speelt een grote rol in dit werk. Maar het is met zoveel van mijn werken, het lijkt een relatief onschuldig beeld maar wie er lang naar kijkt gaat vanzelf nadenken, het beeld moet iets genereren."

 

Hij toont me een fraai geborsteld landschap op een klein stukje karton. In het midden van de heuvels staat een vreemd en groot hedendaags gebouw, hermetisch als een monoliet. Het werk doet denken aan een achttiende-eeuws landschapsschilderij, snel geschilderd tijdens de Grand Tour. De dikke haren van de grote borstel voor de gekleurde grondlaag geven een mooi reliëf. Daarop snel en soepel geverfd een stemmig landschap, hier en daar opgehoogd met potlood. Een meesterwerkje met een boodschap. Het huis staat er zoals vele huizen in Vlaanderen, plompverloren, een aanslag op onze publieke ruimte. De kunstenaar geraakt op dreef. Hij begrijpt niet hoe onverschillig architecten omgaan met onze publieke ruimte. Beeldende kunst integreren in architectuur zoals de 1% regel beoogt, vindt hij dwaas. Goede architectuur is altijd kunst en men zou beter eerst het kunstwerk maken en daar rond een gebouw zetten.

 

Andere uitdrukkingsvormen liggen in het verschiet maar de schilder wil er voorlopig nog niet veel over uitweiden. Je proeft de ambitie en ziet de dromen in de tekeningen. Ook de schets van Mae West is zo'n verhaal. De kleine bollen op haar buste zijn luidsprekers waaruit zeer luid een oneliner van haar zou te horen zijn. Als bezoeker loop je langs het beeldhouwwerk en hoor je tegelijkertijd haar uitspraken, maar zo luid dat je onmiddellijk doorloopt. Hij laat het aan iemand anders over om het te maken. Hij kan er van dromen en dat is zeker zo belangrijk. Het feit dat de werken driedimensionaal kunnen gemaakt worden, verklaart het sculpturale karakter van de imaginaire wereld op zijn schilderijen. Ze zijn bedacht om in meerdere dimensies gezien te worden en dat voel je en geeft dat bevreemdend eenzaam karakter aan de personages.

 

Peter Wouters

 


AN UNINTENDED PERFORMANCE

Michaël Borremans in het SMAK met twee tentoonstellingen: schilderijen en tekeningen.

www.smak.be


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

Cover: Michaël Borremans, A Mae West Experience, 2002

Michaël Borremans, Foto Saskia Vanderstichele

Michaël Borremans, The Swimming Pool, 2001
34 x 28,2, potlood, waterverf op karton Courtesy Zeno X Gallery, Antwerpen

Michaël Borremans, The German, 2002
50 x 42, olieverf op doek

Michaël Borremans, Foor Fairies, 2003
110 x 150 x 3, olieverf op doek, Courtesy Zeno X Gallery, Antwerpen

Michaël Borremans, From Telly, 2003
31 x 25 x 3, olieverf op doek, Courtesy Zeno X Gallery, Antwerpen

Michaël Borremans, The Pupils, 2001
70 x 60, olieverf op doek, Courtesy Zeno X Gallery, Antwerpen

Michaël Borremans, A Mae West Experience, 2002
16,3 x 20,3, potlood, waterverf op karton, Courtesy Zeno X Gallery, Antwerpen


 

BELGISCHE ROMANTIEK HEEFT VELE GEZICHTEN

 

Ter gelegenheid van de 175ste verjaardag van België organiseren de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België een grootse tentoonstelling over de romantiek.

 

 

Hoog oplaaiende gevoelens en verstilde dromerijen

 

Onder Leopold I beleefde de romantiek in de Belgische schilder- en beeldhouwkunst haar hoogtijdagen. En dat was iets later dan in de buurlanden. Patriottische taferelen en verwijzingen naar de eerste vorst mochten op de tentoonstelling De Romantiek in België uiteraard niet ontbreken. Toch zijn het vooral romantische thema's als heimwee en verlangen, die de aandacht opeisen. Hoog oplaaiende gevoelens worden geconfronteerd met verstilde dromerijen. Dominique Marechal, die zowel commissaris is van de expositie, als conservator van de negentiende-eeuwse doeken uit de vaste collectie, selecteerde naast de verhalende schilderijen ook sfeerrijke landschappen en geraffineerde portretten. De Berlijnse Nationalgalerie, de Petersburgse Hermitage, de Londense National Gallery en het Musée des Beaux Arts van Dijon leenden representatieve werken uit.

 

"De romantiek fungeert als scharniermoment tussen andere kunstrichtingen", stelt Dominique Marechal. "De sporen van het classicisme zijn niet uitgewist en ook het realisme kondigt zich aan. Sommige kunstenaars leunen aan bij het symbolisme. Kunststijlen komen echter zelden in zuivere vorm voor en beperken zich niet tot een welomschreven periode. Bovendien blijft het begrip 'romantiek' erg vaag en dekt het vele ladingen. Dat het bij het grote publiek haast uitsluitend met muffe, historiserende schilderijen wordt geassocieerd, is een groot misverstand dat we met deze tentoonstellingen uit de wereld willen helpen".

 

Het spectaculaire schilderij, waarop Gustaaf Wappers op een theatrale manier de Brusselse revolutionaire septemberdagen van 1830 oproept, opent de expositie. Het gigantische doek werd onlangs opgefrist en verhuisde van de vestiaire naar het forum, waar het beter tot zijn recht komt omdat de oorspronkelijke lijst werd teruggevonden en gerestaureerd. Met zwier wordt de patriottische gedrevenheid in de verf gezet. De barokke opbouw herinnert zelfs aan Rubens, die in feite ook een romantisch schilder avant la lettre was.

 

Van Wappers is ook het stemmig doek waarop hij koningin Johanna van Napels en haar boezemvriendin weergeeft, terwijl ze in een verleidelijke houding naar een bevallige Boccaccio luisteren. Op de schoot van de schrijver ligt zijn Decamerone opengeslagen. De rokende vulkaan op de achtergrond zinspeelt op de erotische aantrekkingskracht tussen de personages. De vrouwen lijken eerder op odalisken dan op dames van hoge komaf. Hoewel de kunstenaar de aandacht vestigt op hun gemoedstoestand is elk detail zorgvuldig geconstrueerd.

 

De romantiek is een vat vol tegenstrijdigheden", nuanceert Dominique Marechal. "Het gevoel primeert niet altijd en overal op de rede. Soms wordt de werkelijkheid op een nuchtere, bijna wetenschappelijke wijze geobserveerd. Het academisme blijft doorwerken. Toch wordt tijdens de 'romantische jaren' - zoals de kunsthistorici vroeger voorzichtigheidshalve deze periode noemden - heftig gereageerd op de principes van de Verlichting".

 

 

Vluchten in een droom

 

Wereldberoemde sleutelfiguren zoals Goya in Spanje, Delacroix in Frankrijk, Runge in Duitsland en Turner in Engeland, heeft de 'Belgische romantische beweging' niet gekend, De meeste artiesten waren allround en lieten zich leiden door de smaak van de potentiële kopers.  Vooral de burgerij speelde een doorslaggevende rol.

 

Velen  voelden zich in  hun leefwereld gevangen en droomden van verre oorden. "De vlucht is één van de hoofdmotieven van de romantische reis," licht Marechal toe. "De ontwikkeling van het toerisme na de slag van Waterloo en moderne vervoermiddelen als trein en stoomboot boden nieuwe mogelijkheden. De kunstenaars trokken niet alleen naar Italië, maar bezochten ook minder bekende oorden als Noorwegen, Schotland en Spanje. Sommigen exploreerden ook Noord-Afrika en het Nabije Oosten". De Vilvoordse schilder Jan Frans Portaels, die trouwens de schoonzoon was van de neoclassicist Navez, vestigde zijn naam met het oriëntalistisch doek De samoen, dat als ondertitel Herinnering aan Syrië meekreeg. Van de Luikenaar Gilles Closson zijn een hele serie werken samengebracht, waarmee hij vroeger vergeefs op de Salons trachtte door te breken zoals zijn Zicht op de Vesuvius, Castellamare, Resten van het Romeinse Colloseum en Landschap van Latium.

 

 

Hoogtepunten van de tentoonstelling

 

Dat ook twee werken van de Italiaanse schilders Mathilde Malanchini Meoni in de tentoonstelling zijn opgenomen is te danken aan haar woelige liefdesrelatie met de Brugse politicus en journalist Louis de Potter, die van het Voorlopig Bewind deel uitmaakte, maar omwille van zijn republikeins streven spoedig geïsoleerd raakte. Zij portretteerde de vrijdenker tijdens zijn verblijf in Italië. Hoewel ze met hem hoopte te trouwen, werd ze door hem verstoten. Romantiek kan echter een gevaarlijke wending nemen. In een vlaag van waanzin duwde zij haar dienstmeid uit het raam.

 

De opgesloten violist van de Doornikse schilder Louis Gallait kan zijn liefdeshonger evenmin stillen. Op de muur van zijn cel heeft hij de naam van zijn beminde gekrabbeld. Het sierstuk van Eugène Simonis, dat een bedroefde kleuter voorstelt, oogt eerder grappig dan vertederend. De moedeloze figuur, die de Oostendenaar Edouard Hamman in gelaten houding uitbeeldt, is er veel erger aan toe, want hij is al zijn illusies kwijt. Misschien mijmert hij over het 'verloren paradijs', zoals dat door de Engelse dichter John Milton zo uitvoerig werd beschreven. Maar ook in religieuze kringen is het niet altijd rozengeur en maneschijn. Charles De Groux penseelde twee geestelijken in traditionele toga. Ze wandelen langs een korenveld. De oudste is zo slecht ter been, dat hij niet enkel op een wandelstok steunt. Hij geeft ook zijn jongere collega een arm. Die kijkt echter misprijzend de andere kant uit. Alsof hij de opgelegde ongehuwde staat betreurt.

 

Op Gallaits Verzoeking van Sint Antonius duikt achter de heilige geen wulpse, maar een peinzende naakte vrouw op. De lijst is versierd met engelen, duivels, putti en taferelen, die verwijzen naar de bijbelpassages over de zondige Eva en de kuise Suzanna. De godsdienstbeleving en de mystiek schenken de romanticus troost of bieden hem een houvast in onzekere tijden. De geknielde figuren op De dertigdagenmis van Berthal de Haze gaan volledig op in hun rouwgebed. De schildertechniek, die Henri Leys op dit doek toepast, doet duidelijk denken aan de Vlaamse Primitieven. Even ingetogen kijken de eenvoudige lieden, die bij Charles De Groux een dankgebed na de maaltijd uitspreken. De engelbewaarder van Henri Decaisne brengt de kinderlijke toeschouwer, die nestwarmte onder hemelse vleugels apprecieert, in hogere sferen. Voor De wroeging van Kaïn baseert de Waalse schilder Joseph Barthélemy Vieillevoye zich meer op De dood van Abel van Salomon Gessner dan op de oorspronkelijke bijbeltekst omdat in het afgeleide verhaal meer gevoelsmatige details zijn verwerkt.

 

Vele romantische kunstenaars zijn geobsedeerd door de vergankelijkheid en de dood. De mooie Rosine van Antoine Wiertz komt oog in oog te staan met een macaber skelet. De extravagante Dinantenaar, die met zijn immense doeken de grootmeesters uit de baroktijd wilde evenaren schilderde ook De overhaaste begrafenis. Een dood gewaande man duwt grijnzend zijn kist open. Johanna de Waanzinnige, die 's nachts met het lijk van haar man rondzeulde, inspireerde Louis Gallait. De hond die de wacht houdt bij het lijk van zijn baas is volgens de titel 'eerder trouw dan gelukkig'. Van het met kaarsen verlichte graf van Rubens worden twee versies van de Antwerpse schilder Jan Hendrik Schaefels en één versie van Kremer getoond. Dit expositieluik wordt afgerond met schimmige doeken, waarop de ruïnes van de abdij van Villers-la-Ville en van het kasteel van Kenilworth zijn afgebeeld.

 

Ongetwijfeld hebben toonaangevende schrijvers hun stempel gedrukt op de romantiek. Zowel Henri Leys als Nicaise De Keyser borduren voort op Goethes Faust. Zij beelden het vrouwelijk hoofdpersonage Margarita uit, die naar de kerk gaat. Ook Friedrich Schiller, Jean Jacques Rousseau, Victor Hugo, Chateaubriand en Lamartine hebben veel invloed uitgeoefend.

 

Talrijke sociaal-realistische doeken horen op de tentoonstelling thuis omdat ze doordrenkt zijn van melodramatische pathos. De dronkaard en De armenbank van Charles De Groux zijn bevolkt met meelijwekkende figuren. Opmerkelijk is het Sint-Anna drieluik van Eugene Legendre, dat afkomstig is uit het klooster van Speermalie. De schilder komt op de proppen met een oplossing voor de problemen. De blinde prikt in een bord en de dove wordt niet aan zijn lot overgelaten. Als het luik wordt gesloten zie je de rest. Ook de hogere sociale klassen worden niet vergeten. De Brusselaar Jean Baptiste Madou laat de toeschouwer meegenieten van een luisterrijk kasteelfeest. Louis Dubois observeert de chagrijnige gezichten aan de roulettetafel. Portaels gunt ons een blik in de loge van een theater in Pest (nu een onderdeel van Budapest).

 

"Verbeelding en rake observatie vloeien vaak samen," legt Dominique Marechal uit. "De donkere of de zonnige kant van het leven wordt uitvergroot. Tussen de schilderijen kunnen verbanden worden gelegd omdat ze thematisch zijn geordend. Door het enorme aanbod moesten we een drastische selectie doorvoeren. Maar die bevordert de overzichtelijkheid."

 

Ludo Dosogne

 


DE ROMANTIEK IN BELGIË, Eén tentoonstelling op drie locaties: (2005)

  • Schilderijen en beeldhouwwerken in KONINKLIJKE MUSEA VOOR SCHONE KUNSTEN VAN BELGIË, Regentschapsstraat 1A,1000 Brussel
  • Tekeningen en ontwerpschetsen in ING CULTUURCENTRUM, Koningsplein 6, 1000 Brussel
  • ANTOINE WIERTZMUSEUM, Vautierstraat, 62, 1000 Brussel

Illustraties

Dominique Marechal: "De romantiek is een vat vol tegenstrijdigheden. Het gevoel primeert niet altijd en overal op de rede".
Foto Saskia Vanderstichele

Antoine Wiertz, De mooie Rosine, (1847)
Olieverf op doek, 140x 100 cm, Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Wiertzmuseum

Eugène Simonis, De droevige kleuter, ca. 1842
Gips, 47x 83 x 40.5 cm, Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België

Gustaf Wappers, Tafereel van de Septemberdagen 1830 op de Grote Markt te Brussel, 1835
Olieverf op doek, 444 x 660 cm, Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België

Gilles-François Closson, Landschap met watervallen in Latium, 1825-1829
Olieverf op papier, 38 x 58 cm, Luik, Cabinet des Estampes et des Dessins de la Ville de Liège

Jean-François Portaels, De samoen / Herinnering aan Syrië, 1847
Olieverf op doek, 136,5 x 193 cm, Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België


 

SCHOUDERT PENSEEL VOOR KUNST UIT DE BUNKER

 

 

Tentoonstellingen worden aangeprezen en geprezen omwille van de kostbaarheid, de zeldzaamheid, de diversiteit, de buitenissigheid, het exotisme van de voorwerpen die zij ons laten bewonderen. De titel van 'Langstlopende Tentoonstelling' werd nog niet toegekend. Met 'Penseel op het Geweer' kan het Legermuseum te Brussel daar nu wel aanspraak op maken.

 

 

De tentoonstelling Penseel op het geweer ging open op 28 oktober 2004 en loopt nog tot elf november 2008. Dan wordt de wapenstilstand van 1918 voor de negentigste maal herdacht. Een expo van volle vier jaar met als thema de kunst aan het front tijdens de volle vier jaar van de Eerste Wereldoorlog. De werken zijn ondergebracht in een tijdelijk paviljoen dat in de grote zalen van de afdeling Eerste Wereldoorlog werd opgetrokken. Bijna een vaste opstelling mag je stellen. Een museum in het museum, dromen wij hardop.

 

 

Tentoonstelling of Art Gallery?

 

In het Imperial War Museum te Londen bestaat een volwaardige Art Gallery met een eigen parcours. In Brussel zou dat ook kunnen, maar zo'n vaart neemt het nog niet. Het potentieel is inderdaad aanwezig en dat bewijst deze tentoonstelling op overtuigende wijze. De honderdvijftig tentoongestelde werken behoren allemaal tot de vaste verzameling van het museum. Het iconografisch fonds van het museum telt ongeveer vijftienhonderd werken: schilderijen, tekeningen en grafiek, de rijke verzameling affiches niet meegerekend.

 

Met een aantal van de tentoongestelde werken en kunstenaars konden wij al enkele jaren terug kennismaken tijdens tentoonstellingen zoals 14-18 Kunstenaarsvisie in ditzelfde museum en Het Front in Kleur in de galerij van het Gemeentekrediet (in 1999 was dat nog de naam van Dexia). De samenstellers zijn niet gezwicht voor de gemaksoplossing om het succes nog eens over te doen, maar zijn met vernieuwde ijver de bunker ingedoken. Zij zijn met onvermoede schatten voor de dag gekomen en hebben die in een thematisch interessant parcours opgesteld.

 

Kunstenaars werden brutaal met de oorlogsrealiteit geconfronteerd. De frontbelevenissen zijn slechts één van de facetten van deze schokkende ervaring. Het is de verdienste van deze tentoonstelling om diep menselijke gevoelens, zoals angst, pijn, verdriet ontreddering, vertwijfeling, verveling, heimwee eveneens te belichten. Het heroïsche is ver te zoeken. Het had wellicht mooi geweest de hiphiphoera iconografie van na de oorlog met het werk van diegenen die midden in het conflict zaten te confronteren. Daar zit stof in voor een latere tentoonstelling.

 

 

De kunstenaar als ooggetuige

 

Bij kunstenaars kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Zij werken op de onderwerpen zoals zij zich aandienen: de overstroming van de IJzervlakte, de loopgraven, de beschietingen, de oorlog in de lucht (ondanks alles de poëzie van het vliegen), de militaire kantine (en de povere ontspanningsmogelijkheden), de vluchtelingen, het kampleven (ook krijgsgevangenen en geïnterneerden schilderen hun miserabele alledaagsheid).

 

Kunstenaars blijven in de extreme toestanden trouw aan hun stijleigenheid. Ze hebben wel iets anders aan hun hoofd dan nieuwlichterij. Overleven, daar komt het op aan. Achille Van Sassenbrouck is en blijft een fauvist pur sang. In een somber zelfportret lijkt hij de inventaris op te maken van de verminkingen die hij als zwaar gekwetste opliep. Zijn gezichtsvermogen kon gered worden, maar één oog was hij definitief kwijt. Van die zwaarmoedigheid is in zijn overige werken niets te bespeuren. Hij blijft een onvermoeibaar colorist. Die eigenschap valt ook op in een werk van Marcel Canneel, waarbij de puinhopen van Nieuwpoort verdwijnen onder een kleurrijk bloementapijt. Het schilderij draagt nochtans het jaartal 1916.

 

Helemaal merkwaardig is een groot doek van Franz Gailliard dat de verwoesting van Leuven voorstelt. Gailliard is een symbolist die zijn volledige technische bagage inzet om het drama in al zijn facetten uit te drukken. Zijn geliefkoosde kleur, een violet van eigen brouwsel, legt hij over heel de compositie als een sluier vol weemoed, als contrast met de scherp afgetekende vuurgloed van de brandende bibliotheek. De gloeiende gensters trekken een sterrenspoor boven het puin. Een groots werk dat slechts zelden de reserves van het museum verlaat. Dit geldt ook voor een aantal pakkende taferelen van Alfred Ost. Ost heeft de vlucht uit Antwerpen zelf beleefd. De diepe indruk die de gebeurtenissen van 1914 op hem gemaakt hebben, zet hij meesterlijk om in een grote tekening met aquarel getiteld Ontreddering. Drie vrouwen staan op de voorgrond, terwijl achter hen de stroom vluchtelingen verder trekt. Zij reageren emotioneel op het drama dat zij beleven, elk vanuit hun eigen ingesteldheid: de oudere vrouw die alles verloren heeft, de jonge moeder die vreest voor haar kind, de zelfbewuste jonge vrouw die zich niet bij het onherroepelijke kan neerleggen. Helemaal terecht prijkt dit beeld op de affiche van de tentoonstelling.

 

Een ander hoogtepunt is ongetwijfeld de grote aquarel Het einde van Maurice Langaskens. De kunstenaar heeft in een reeks werken een pakkend beeld opgehangen van het doffe krijgsgevangenenbestaan, een doelloos vegeteren vol verveling en heimwee. Het overlijden van een kameraad is een nog pijnlijker moment. Soldaten op klompen dragen een lijkkist weg in een bos dat ondoordringbaar lijkt en de droeve stoet lijkt op te slorpen.

 

Het beeld van de kunst in oorlogstijd is rijker, emotioneel sterker dan het uitgangspunt liet vermoeden. De vals klinkende vrolijkheid van de titel Penseel op het Geweer heeft ons op het verkeerde been gezet. In sommige werken kan inderdaad vrolijkheid of ten minste onverschilligheid geveinsd worden. Maar in de grond is geen enkel kunstenaar door het drama onberoerd gebleven. De Fransman Charles Fouqueray lijkt zich volledig op zijn taak als militair schilder toe te leggen. Sfeerschepping dient bij hem om de omstandigheden op dat punt van het front op dat tijdstipt zo exact mogelijk weer te geven. Maar diezelfde Fouqueray brengt een ontroerend en militair totaal irrelevant beeld van burgers die via een pontonbrug de stad Antwerpen ontvluchten.

 

 

Nieuwe opdrachten, nieuwe inzichten

 

De opvattingen aangaande oorlog en vrede evolueren in het Legermuseum met de tijdgeest mee. Uit de persbrochure maak ik op dat het museum - dat nog steeds ressorteert onder het Ministerie van Landsverdediging - zich inderdaad tot doel stelt (ik citeer) 'het levendig houden van de herinnering aan de conflicten en het aansporen tot een open debat over het behoud en de verdediging van de democratie'. De eerste van die tweedelige opdracht wordt nu al ruimschoots ingevuld door de rijke verzameling krijgstuig waarvan er ook ruime reserves bestaan.

 

De tweede taak is minder voor de hand liggend, maar hierbij lijkt het mij toch aangewezen de grote eigen verzameling kunstwerken aan te spreken, zonder het rijke fonds aan affiches en ander drukwerk te vergeten. De tijdelijke constructie waarin Penseel op het Geweer is ondergebracht zou best na 2008 niet worden ontmanteld. Democratie is een kostbare parel die een dergelijk schrijn dubbel en dik verdient.

 

Rik Sauwens

 


PENSEEL OP HET GEWEER, KUNST AAN HET FRONT 1914-1918 (2008)

Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis 

Jubelpark 3 

1000 Brussel  

www.legermuseum.be


Illustraties

Achille Van Sassenbrouck (1886-1979), Zelfportret in uniform, (z.d.)
olieverf op doek, "In extreme toestanden trouw blijven aan de stijleigenheid"  

Marcel Canneel (1894-1953), Ruïnes te Nieuwpoort, (1916)
Olieverf op doek, "Een onvermoeibaar colorist"

Charles Fouqueray (1872-1956), De vlucht uit Antwerpen, (z.d.)
Olieverf op doek, "Militair irrelevant maar wel ontroerend"

Maurice Langaskens (1884-1946), Het einde, (z.d.)
Aquarel op papier, "Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling"

Alfred Ost (1884-1945), Soldaat getroffen door een ontploffende obus, (1914)
Chinese inkt op papier, "Eindelijk uit de reserves van het Museum"

Franz Gailliard (1861-1932), De brand van Leuven, (1914)
Olieverf op doek, "Een drama in al zijn facetten"


 

HET ALLERMOOISTE UIT HET PRENTENKABINET

 

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen zal gedurende een jaar een selectie van zijn mooiste tekeningen en prenten tonen in diverse ensembles. In de zalen "Ensor en de modernen" wordt een aangepaste ruimte ingericht waar om de vier maanden een nieuwe keuze van ongeveer dertig werken uit het rijke aanbod van de prentencollectie zal ontsloten wordeen voor het publiek.

 

 

Kwetsbaar

 

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen bewaart ongeveer 3.600 tekeningen en andere werken op papier. De verzameling omvat werken van Dominique Ingres, Lawrence Alma Tadema, Wilhelm von Kaulbach, Edward Burnes-Jones, Xavier Mellery, Edgar Degas, August Rodin, Henri Evenepoel, Leon Spilliaert, Edouard Vuillard, James Ensor, Rik Wouters, Marc Chagall en Karel Appel.

 

Lange tijd kregen prenten, aquarellen, pas­tels en tekeningen niet dezelfde status als schilderijen en sculpturen. Pas op het einde van de negentiende eeuw beschouwden sommige kunstenaars en verzamelaars te­keningen als kunstwerken van dezelfde rang en waarde. Zo toonden de jaarlijkse ten­toonstellingen van Les XX te Brussel vanaf 1884 voor het eerst schilderijen van Renoir, Monet, Ensor, Gauguin of Seurat naast wer­ken op papier van Redon, Whistler, Mellery en Ensor.

 

Vele tekeningen, prenten en andere kunst­werken op papier leiden een sluimerend bestaan in laden en donkere ruimtes van de museumreserve. Zij verdragen geen licht, zijn uiterst gevoelig voor te droge of te voch­tige lucht en zijn te fragiel om veel gemani­puleerd te worden. Kortom zij liggen, ook in musea, meestal ver weg van een publieke ruimte en kunnen hoofdzakelijk enkel door wetenschapsvorsers op aanvraag bekeken worden.

 

 

Ensor, Evenepoel, Rodin, Spilliaert, Wouters...

 

In tegenstelling tot het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel dat voornamelijk de geschiedenis van de grafi­sche kunsten wil documenteren, is de rijke verzameling van de KMSKA ontstaan om de permanente collectie schilderkunst te ver­sterken. De verzameling bevat enkele unieke stukken van Breughel, Jordaens, Degas en Redon, maar vooral enkele ongeëvenaarde ensembles. Zo zijn er meer dan 800 ont­werptekeningen van Nicaise De Keyser voor de decoratie van de zogenaamde De Keyserzaal van het KMSKA.

 

Van James Ensor bezit het museum meer dan 600 schetsen en composities. De te­keningen onthullen vaak de 'verborgen aspecten' van zijn werkwijze: studies naar het leven, kopieën naar oude en moderne meesters (Rembrandt, Turner, Delacroix en Manet.) Ensor kopieerde hoofdzakelijk van reproducties en niet naar oorspronkelijke kunstwerken en had interesse voor techniek én inhoud. Door samenvoegen van meerdere schetsen op één blad maakte hij nieuwe, vaak ironische composities. Vooral de reeks chinoiserieën, getekend in de jaren 1885 - 1887, zijn door het accentueren van het es­sentiële en de vloeiende omtreklijn de uit­drukking van een geheimzinnige wereld van demonen, tovenaars, skeletten en monsters. Ze zijn als het ware een inleiding op zijn maskertijd in de schilderkunst. In de teke­ningen van Ensor is de algemene evolutie in zijn werk te ontdekken.

 

De periode 1880 - 1885 wordt gekenmerkt door een impressionistisch getint realisme. Hij vulde vele schetsboeken met studies, meestal in zwart krijt, naar zijn directe omgeving. Uit de kamers van het ouderlijk huis in Oostende en vanuit zijn zolderatelier tekende hij het straatleven in levendige en rake krijttrekken, maar ook voorwerpen binnenskamers lijken bezield en soms zelfs fantastisch.

 

Wie niet vertrouwd is met het werk van Evenepoel, kent hem toch als een schilder van kinderportretten. Zijn modellen waren zoon­tjes en dochtertjes van vrienden en bekenden en vooral de kinderen van zijn nicht Louise-Henriette, Sophie en Charles. In zijn tekenin­gen weet hij de vluchtigheid en de verganke­lijkheid van de momenten uit een kinderleven vast te leggen met zachte potloodtrekken: soms zijn ze wazig en onbepaald, dan weer haarfijn. In mei 1897 bezocht hij een tentoon­stelling van vrouwen- en kinderportretten op de Quai Malaquais te Parijs. Zijn respect en waardering aldaar voor de oudere meesters (Reynolds, Hals, Greuze en Goya) weerhield hem niet om een eigen vlotte soepele potlood­lijn te hanteren waar het momentane meester­lijk wordt gevat in een ongedwongen pose. Hier blijft Evenepoel duidelijk niet in de scha­duw van Manet of Whistler staan.

 

Auguste Rodin domineert de beeldhouw­kunst bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw, niettegenstaande de hevige tegenstand bij de pers en het publiek. Hij creëert een gedreven realisme, verankerd in de traditie van de Grieks-Romeinse beeldhouwkunst, maar voert de dramatiek op door tegenstellingen in de pose en licht-schaduweffecten in de textuur van klei of brons te accentueren. Rodin liet een groot aantal tekeningen na die studies van houdingen en beweeglijk­heid voor zijn beelden genoemd mogen worden. De KMSKA bezit zeven potlood- en aquarelstudies van vrouwelijke naakten. In enkele trefzekere potloodtrekken wordt de vaak gedurfde pose van het model in de ruimte van het blad vastgelegd. Door nadien de tekening bij te schilderen met warme waterverftinten wordt de sensualiteit van het soepele lichaam verhoogd. Sommige van deze aquarellen slaan een brug naar het Weense expressionisme van Egon Schiele en Gustav Klimt.

 

Ook het debuut van Léon Spilliaert viel samen met de eeuwwisseling. Bij het on­derzoek naar het werk van Spilliaert verwijst men gemakkelijk naar de dialectiek tussen het symbolisme en het expressionisme in het werk van Edward Munch.

 

Eén van de thema's die beide kunstenaars gemeen hebben is de uitdrukking van de angst en de eenzaamheid van het individu. Bij Spilliaert is de reeks zelfportretten die hij schildert in Oost-Indische inkt en opgehoogd met pastel of krijt een auto­biografisch verslag en vaak letterlijk een spiegel van het zelfonderzoek. Spilliaerts zelfportretten zijn introspectieve evocaties van de dialogen die hij met zijn 'ik' in deze observerende spiegeling uitvoert. Afgebeeld op kniehoogte in het centrum van de compo­sitie is hij letterlijk en figuurlijk het middel­punt van de introspectie. Zijn doordringende blik dwingt ons echter deelgenoot te worden van zijn eigen innerlijke nerveuze bewogen­heid.

 

Rik Wouters is de meest markante figuur onder de Brabantse fauvisten. In de Vlaamse kunst heeft niemand op even exuberante wijze het leven en de liefde verheerlijkt. In snelle rake toetsen legt hij de innigheid en beweeglijkheid van zijn geliefd model vast: al snel schakelt Rik over van houtskool naar het soepele penseel en de mysteri­euze diepte van het fluweelzwart van Oost-Indische inkt. De KMSKA bezit een 35-tal aquarellen waar zijn levensgezellin Nel de enige hoofdrol lijkt te spelen.

 

 

Een rijke collectie

 

De rijkdom van deze collectie zit hem niet in een weloverwogen aankoopbeleid, maar veeleer in de generositeit van verschillende verzamelaars. In 1912 schonk H. Hymans een verzameling van 100 tekeningen van ver­schillende kunstenaars, gaande van Alma-Tadema tot Floris Jespers. De collectie N. De Keyser werd door zijn dochter in 1922 geschonken. De 41 teke­ningen van de hand van H. De Braekeleer werden in 1926 door A. Van de Nest gelega­teerd en 37 werken van Rik Wouters door L. van Bogaert in 1989. Enkele jaren voordien, in 1986, ontving het museum van Galerie Ronny Van de Velde 150 werken op papier van Paul Joostens. De 550 tekeningen van James Ensor zijn alle door een vorige hoofd­conservator W. Vanbeselaere in 1951 bij één particulier gekocht ter gelegenheid van een retrospectieve tentoonstelling gewijd aan Ensor.

 

Tot 25 november 2005 kan het publiek mondjesmaat kennismaken met een strenge selectie van het allermooiste uit dit pren­tenkabinet. Omwille van conservering en behoud van deze fragiele werken op papier worden zij per dertig stuks getoond en om de vier maanden afgewisseld door een nieu­we selectie. Jammer genoeg is er geen ten­toonstellings-catalogus, noch een audiogids. Maar voor de liefhebbers verwijzen wij graag naar de catalogus van tekeningen, aquarel­len en prenten uit de negentiende en twin­tigste eeuw, uitgegeven door het KMSKA.

 

Karl Marcelis

 


KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN

Leopold de Waelplaats 

2000 Antwerpen  

www.museum.antwerpen.be/kmska


Illustraties

Lawrence Alma-Tadema, Nehalia Populus
Aquarel en witte dekverf op grijs gespikkeld papier, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Léon Spilliaert, Zelfportret
Aquarel, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Auguste Rodin, Naakt
Potlood en aquarel, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Marc Chagall, Bij het Raam, 1927-28
Dekverf, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Rik Wouters, Rustende vrouw, 1912
Aquarel, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Xavier Mellery, De ziel der dingen
Wit en zwart krijt, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Charles Mertens, Zeeuws paar
Pastel, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Pieter Bruegel I, Landschap met pelgrims
Pentekening in bruin, deels met bister gewassen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Karel Appel, Dier en kind op blauwe achtergrond, 1953
Gouache, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen


 

ABONDANCE!

 

Het Nationaal Museum van de Speelkaart in Turnhout heeft vele troeven. Het bezoekersaantal zit in de lift en er vinden interessante tentoonstellingen plaats, zoals 'Daveluy, portret van een kaartenmaker'.

 

 

Turnhout op de wereldkaart

 

De grafische geschiedenis van Turnhout begint in 1796 wanneer Pieter Corbeels (1755-1799) zich in de stad vestigt. Deze drukker-herbergier is ook politiek actief. Zijn verzet tegen de Franse bezetting en zijn aandeel in de Boerenkrijg bekoopt hij met de dood. P.J. Brepols, een leerling van Corbeels, neemt in 1800 de zaak over. Een kwarteeuw later start Brepols de productie van speelkaarten. Hij krijgt al vlug navolging en uiteindelijk telt Turnhout acht speelkaartenmakerijen. De meest bekende zijn Van Genechten, Biermans, Glénisson en Mesmaekers.

 

De concurrentie is groot en de drukkers dwingen elkaar om steeds verder op zoek te gaan naar afzetgebieden. De Turnhoutse kaarten gaan naar alle hoeken van de wereld. Vooraf na 1850 neemt de export een hoge vlucht.

 

Met het einde van de Tweede Wereldoorlog begint een zware crisis in de Turnhoutse speelkaartenindustrie. Na vele afslankingen, fusies en overnames wordt wat overblijft in 1970 gebundeld in het bedrijf Carta Mundi. Turnhout herwint zijn elan en is nu ongeslagen nummer één inzake uitvoer van kaartspellen.

 

Heel dit verhaal kan de bezoeker ontdekken in een permanente tentoonstelling die niet alleen de economische bedrijvigheid illustreert, maar ook aandacht heeft voor de sociale aspecten.

 

 

Een werkend museum

 

Het Nationaal Museum van de Speelkaart opende in 1969 de deuren in een zestiende-eeuwse patriciërswoning in de Begijnenstraat te Turnhout. Sinds 1990 kreeg het een definitieve stek in de voormalige papier- en speelkaartenfabriek Mesmaekers aan de Druivenstraat. Het is een bedrijfsgebouw uit 1926, opgetrokken in baksteen en gewapend beton. Na een sluiting van bijna vier jaar heropende het speelkaartmuseum in 2003. Er kwam uitbreiding in een achterliggend gebouw uit 1911. Het gelijkvloers van beide panden is grondig gerenoveerd en aangepast aan de noden van een toekomstgericht museum.

 

In de voormalige speelkaartenfabriek voelt de unieke verzameling drukpersen zich thuis. Een houten zeventiende-eeuwse pers, hand te bedienen hoogdruk- en steendrukpersen en lithografische snelpersen: ze zijn er allemaal. En ze werken. Daar zorgt een ploeg enthousiaste drukkers voor. Het resultaat zijn veelkleurige vellen papier waarop de Turnhoutse spelkaartengeschiedenis tot leven komt. Ook in het jeugdatelier toveren kinderen van vandaag prachtige drukwerkjes uit eeuwenoude persen.

 

Het museum bewaart verschillende getuigen van negentiende-eeuwse machinebouwers uit eigen land. Onze constructeurs behoorden toen tot de wereldtop. De stoommachine van het speelkaartmuseum is een geval apart. Ze werd in 1896 gebouwd door de Gentse firma CH. Nolet. De kolos weegt enkele tientallen tonnen, heeft een imposant vliegwiel van bijna zes meter doormeter en het totale vermogen bedraagt 257 pk. Ook deze gigantische machine werkt en kreeg een ereplaats in een speciaal gebouwde annex.

 

Het museum bezit de belangrijkste collectie speelkaarten uit de historische Nederlanden. De klemtoon ligt op de industriële periode, vanaf de achttiende eeuw tot heden, en omvat de opkomst en bloei van de Turnhoutse kaartenmakers. Omdat het grootste deel van de spellen was bestemd voor de export, is meteen de hele wereld vertegenwoordigd in het museum. Verder beheert het museum een verzameling grafiek, foto's en aanvullende documentatie. De gespecialiseerde bibliotheek bevat werken over de geschiedenis, het gebruik en de fabricatie van speelkaarten.

 

 

Daveluy: drukker, uitgever en fotograaf in Brugge

 

Met de tijdelijke tentoonstellingen kijkt het Nationaal Museum van de Speelkaart over de Turnhoutse kaartenmuren. Zo ook met Daveluy, portret van een kaartenmaker. De expositie vertelt het verhaal van de firma Daveluy en haar opvolgers die tussen 1835 en 1936 actief waren als drukkers en fotografen.

 

Nicolas Alexis Antoine Daveluy (1770-1838) is een Fransman die in Gent prenten verhandelt. In 1835 vestigt hij zich in Brugge en start de Lithografische Drukkerij Daveluy. Zijn zoon Edouard-Alexis (1812-1894) is een ondernemend en technisch begaafd drukker. Hij neemt verschillende brevetten voor verbeteringen bij het drukken en bij het maken van speelkaarten. Daveluy geniet grote vermaardheid met de fabricage van porseleinkaarten. De porseleinkaart is een gelegenheidsdrukwerk uit de negentiende eeuw. Wie het kan betalen, gebruikt ze voor menu's, uitnodigingen en programma's, of als reclame- en visitekaartje. Ze tonen tekst en decoratie, maar zijn vaak prachtig versierd met afbeeldingen van gebouwen en stadsgezichten. Porseleinkaarten worden in lithografie of steendruk uitgevoerd. Het karton is eerst ingestreken met een verf, samengesteld uit loodwit en kaolien (porseleinaarde). Hierdoor krijgt het karton een satijnglans. Bij het drukken worden verschillende kleuren en goud of zilver gebruikt. Het resultaat: schitterende chromolitho's met een luxueus en verfijnd uitzicht. Het hoogtepunt van de porseleinkaarten situeert zich tussen 1840 en 1860.

 

Edouard-Alexis Daveluy is ook actief als fotograaf. Zijn zaak krijgt een stevige reputatie voor portret-, landschaps- en kunstfotografie. De faam als lithograaf wordt bevestigd door de titel Lithographe du Roi die koning Leopold I aan Daveluy verleent in 1842. En dan staat hij nog maar aan het begin van een lange carrière en van groot succes, met bijhuizen in Oostende en Blankenberge. Edouard-Alexis houdt de touwtjes van het moederbedrijf aan de Groene Rei in Brugge in handen tot 1892. De drukkerij en de speelkaartenmakerij gaan naar de weduwe van zijn zoon. Zij verkoopt de zaak in 1895 aan het drukkerspaar Geûens-Seaux. Het assortiment speelkaarten wordt uitgebreid met reclamekaarten. Ook kinderprenten rollen van de persen. Brepols koopt in 1936 het bedrijf en meteen verdwijnt de laatste Belgische speelkaartenmaker buiten Turnhout van het toneel.

 

 

Historische stijl en piraterij

 

Daveluy specialiseert zich in kaartspellen met historische taferelen. De voorkeur gaat naar de zestiende eeuw, niet toevallig de bloeiperiode van de thuisbasis Brugge. Alle kaartmakers uit de negentiende eeuw koesteren een levendige belangstelling voor geschiedenis. Dat is eigen aan deze periode van nationalisme en romantiek. Vooral de Middeleeuwen zijn erg populair. De reeks 'Middeleeuwen' is de meest beroemde van Daveluy. Er bestaan tientallen versies van. Het kaartspel in 'historische stijl' sluit naadloos aan bij de smaak van toen. Maar ook moderne elementen sluipen in de kaarten. Voor de dames wordt naar de eigentijdse mode gekeken, zodat een vreemd mengsel ontstaat van oude, historische kledij en negentiende-eeuwse jurken en accessoires.

 

Daveluy heeft durf en talent. Hij weet als kaartenmaker een eigen identiteit te ontwikkelen die tot vandaag herkenbaar blijft. Bewust van de originaliteit van zijn speelkaarten, laat hij zijn ontwerpen wettelijk beschermen. Dat belet Daveluy niet om zelf succesvolle beelden te kopiëren, zoals de 'cartes parisiennes', het Batavia-spel of het buitenlands spel met figuren uit opera's van Wagner. Daveluy is niet de enige die plagieert. De meeste negentiende-eeuwse kaartenmakers doen het. Turhout heeft dan ook een reputatie als nest van piraten en roofdrukkers.

 

 

Versierde azen en goud

 

De negentiende-eeuwse kaartenmakers zoeken naar luxe en schoonheid en ze benutten verbeterde druktechnieken. Een innovatie is het opvullen van de achtergrond. De kartonnen koningen en koninginnen verschijnen in een heus decor. De ontwerpers plaatsen de figuren in een landschap opgevuld met een kasteel, jachtscènes of een riddertornooi. De behoefte aan verfraaiing gaat nog verder en brengt de versierde azen in de mode. Deze lege kaart krijgt allerlei motieven en taferelen: landschappen, stadsgezichten, bekende gebouwen, exotische plekken, veldslagen, muziekinstrumenten of bloemen. Ook Daveluy heeft heel mooie series in de aanbieding, zoals de stadsgezichten van Antwerpen en Oostende en de reeks over Nederlands-Indië.

 

De neogotiek brengt nog een andere nieuwigheid: het 'gotische punt'. De eenvoudige maar effectieve vorm van harten, ruiten, schoppen en klaveren maakt plaats voor een veel grilligere vorm. De verfijning zit niet enkel in het drukwerk, maar ook in de afwerking. Daveluy past het procédé van de porseleinkaarten toe op luxe-edities van zijn speelkaarten. En er is nog meer. De 'cartes bronzées' krijgen een goudlaagje op de randen.

 

Daveluy vervaardigt vele soorten kaarten: gewone spellen voor dagelijks gebruik, luxe edities voor de kapitaalkrachtige speler, een dierentarok en zelfs waarzegkaarten.

 

Mark Vanvaeck

 


DAVELUY, PORTRET VAN EEN KAARTENMAKER (2005)

Nationaal Museum van de Speelkaart

Druivenstraat 18

2300 Turnhout

Tel. 014.41.56.21


Illustraties

Daveluy, bijzondere kaart van het spel 'Nain jaune', ca.1860 - 1885, chromolitho

Daveluy, Oostendse azen, ca. 1880-1885, chromolitho

Unieke drukpersen in het Nationaal Museum van de Speelkaart

Daveluy, Antwerpse azen, ca. 1860-1885, chromolitho

Daveluy, Eénhoofdig spel met historische figuren (o.a. Infante Isabella, Filips de Goede, Maria van Bourgondië), ca 1850-1885, Chromolitho

Daveluy, Tweehoofdig patiencespel met figuren uit de late Middeleeuwen en de zestiende eeuw (o.a. Jacob van Artevelde, Godfried van Bouillon en Karel de Grote)
ca. 1860-1885, chromolitho

Daveluy, Batavia, 1860-1885, chromolitho met gouden rand en 'gotische' punten, elke kaarthelft is verschillend.

Daveluy, Dierentarok, ca. 1850-1885, chromolitho

Azen met diverse stadszichten, ca. 1905, chromolitho

Daveluy, Luxe beeld met figuren in historische stijl en decors, 1868, chromolitho


 

VERRASSEND, VEELZIJDIG TERVUREN

 

Toerisme Vlaams-Brabant heeft met De Groene Gordel een nieuw aanbod uitstappen en arrangementen. "Verrassend, veelzijdig Tervuren" is er één van.

 

De Groene Gordel: de vlag dekt de lading. Met dit aanbod van Toerisme Vlaams-Brabant kom je terecht in een brede strook van landschappen, parken, bossen, tuinen en velden, met tussenin pittoreske dorpen, die als een gordel van groen Brussel omsluiten. Er zijn drie subregio's: Brabantse Kouters, Pajottenland-Zennevallei en Dijleland.

 

 

De Brabantse Kouters

 

De Brabantse Kouters zijn een deel van de vruchtbare leemstreek waar talrijke beekjes en rivieren ontspringen. Ze zorgen voor een versneden reliëf, waar ruimte is voor akkers en weiden en voor grote hoeven. Met wandelschoenen of per fiets kan je alle kanten op. In Grimbergen kan je de norbertijnenabdij ontdekken, en de molens op de Maalbeek, de volkssterrenwacht en het Prinsenkasteel. Steenhuffel-Londerzeel heeft het schitterende kasteel van Diepensteyn en een kwekerij van Brabantse trekpaarden. In Meise bezoek je de Nationale Plantentuin.

 

 

Pajottenland en Zennevattei

 

Het heuvelende land, doorsneden door de Zenne en haar bijrivieren, inspireerde menig kunstenaar. Breugel en Felix De Boeck, Herman Teirlinck en Adriaan Servais kregen nooit genoeg van het landschap waarin de kastelen van Gaasbeek en Beersel, van Groenenberg en Coloma herkenbare bakens zijn. Het historische stadje Halle en de abdij van Affligem rij je niet voorbij. Neem ook de tijd voor Alsemberg en Huizingen. Of voor een geuze en een lambiek.

 

 

Het Dijleland

 

Tussen Leuven en Brussel ligt het meest bosrijke deel van Vlaams-Brabant. Het is heerlijk wandelen in het Zoniënwoud, Heverleebos en Meerdaalwoud. Een fietsennetwerk van driehonderd kilometer laat je kennis maken met nog vele andere plekjes en met de vele streekproducten: druiven in Hoeilaart en Overijse, witloof in Kampenhout, asperges in Keerbergen,... Toch is Tervuren pas echt overweldigend. Hier hebben hertogen, koningen en keizers het decor bepaald.

 

 

Tervuren: cultuur en natuur

 

Tervuren ligt in het hart van Vlaams-Brabant. Je kan er fietsen en wandelen in het Zoniënwoud en in de omliggende dorpjes. Voor cultuur zit je goed in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, waar de boeiende tentoonstelling Het geheugen van Congo loopt.

 

En er is het gemeentelijk museum Hof van Melijn dat in oktober 2004 werd geopend. Het bevindt zich in de prachtig gerestaureerde hoeve Het Hof van Melijn. Naast voorwerpen uit de opgravingen van het hertogelijk kasteel en de geschiedenis van Tervuren, vind je er ook schilderijen van de School van Tervuren. Die ligt aan de basis van een vernieuwde landschapschilderkunst in ons land en in het buitenland. Het museum toont werk van onder meer Boulenger, Montigny en Coosemans, die vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw een zeer realistisch pleinairisme beoefenden.

 


TOERISME VLAAMS-BRABANT

Provincieplein 1

3010 Leuven

Tel. 016 26 76 20

www.vlaamsbrabant.be


 

UIT DE BOEKEN

 

Contemporary Art in Belgium

 

Contemporary Art in Belgium is de allernieuwste poging om een jaaroverzicht te brengen van wat er op het gebied van de actuele kunst is gebeurd in België. Laat ons duidelijk zijn; een interessante, zeg maar geslaagde, poging.

 

Het werk is tot stand gebracht onder leiding van Henry Bonameaux en Bart De Baere. De eerste is verbonden aan een art consultancy-bedrijf en geeft les aan de ULB, de tweede is directeur van het Muhka. De beide heren waarschuwen in het voorwoord de kritische lezer voor lacunes en overbodigheden. Het is inderdaad zo dat je van de 116 geselecteerde instellingen (galeries, kunstcentra en musea) moeilijk kunt verwachten dat ze "geregeld tentoonstellingen met een internationale uitstraling op het programma hebben staan". Als ze allemaal een nationaal niveau zouden halen, zou dat al een hele prestatie zijn. Maar goed, dergelijke keuzes zijn steeds voor een stuk subjectief.

 

De optie om een aantal museummedewerkers een keuze te laten maken uit het brede tentoonstellingsaanbod dat zich in de loop van 2004 heeft gemanifesteerd, is lovenswaardig. Zo werden een dertigtal exposities geselecteerd met de individuele kunstenaar als referentiepunt. Iedere presentatie kreeg vier bladzijden toegewezen, plaats voor een korte tekst en veel beeldmateriaal.

 

In hun voorwoord houden de beide samenstellers onder meer een pleidooi voor het samenhouden van de vaak indrukwekkende privé-verzamelingen die er in ons land bestaan, Ze hopen dat die ooit - al was het maar voor een deel - aan het publiek kunnen worden getoond binnen de museale instellingen. Hiervoor moet de Belgische mentaliteit veranderen: "Verzamelaars zullen slechts leren geven als de instellingen zullen hebben leren ontvangen."

 

Twee auteurs werden uitgenodigd om een meer beschouwend artikel te schrijven. Cécilia Bezzan behandelt kunst in de openbare ruimte en in publieke gebouwen. Ze beschrijft hierbij een aantal geslaagde voorbeelden, voorbeelden die zich voornamelijk in Vlaanderen en Brussel situeren. Jeroen Laureyns zorgt zonder meer voor de interessantste bijdrage in het boek. Zijn essai is getiteld: "De wetten van de kunst - Aandacht voor de rechtmatige erfgenamen van een historisch modernisme". Hij buigt zich hierbij over de noodzaak die de kunstenaar voelt om te breken met het verleden zonder daarom dat verleden te willen loochenen. Te veel kunstenaars zijn vooral gefascineerd door de 'breuk' (de auteur geeft het voorbeeld van Kendell Geers die een muur in het Muhka liet exploderen). Als tegenpool brengt Laureyns een indringende en begrijpelijke analyse van het werk van Jan De Cock die op een (letterlijk) constructieve manier te werk gaat. Zijn werk Denkmal 9 in de Universiteitsbibliotheek in Gent is hiervan een schitterend voorbeeld. Hij verkondigt op een intelligente manier wat hij te zeggen heeft, zonder dat moraliserende dat sommige kunstenaars zich hebben eigen gemaakt. Hier spaart de auteur een aantal kunstenaars niet die zich er op een zeer makkelijke manier vanaf maken. Vanuit een bevooroordeelde houding menen ze een aantal gratuite statements ten beste te moeten geven waarbij de enige verdienste zou kunnen zijn dat ze politiek correct zijn. Voorbeelden hiervan waren te zien op de Manifesta 5 in San Sebastian.

 

Hier komt een andere kunstenaar wat uitvoeriger in de aandacht: Renzo Martens. Hij maakte een videoreportage in het roerige Tsjetsjenië. Hij interviewt hierbij zeer diverse mensen, maar hij refereert, in tegenstelling tot de gebruikelijke afstandelijkheid van de reporter achter de camera, voortdurend naar zichzelf. Laureyns spreekt hier over een autoreferentieel werk, en dat is niet wat men puur narcisme zou kunnen noemen. De kunstenaar wordt juist hierdoor zeer kwetsbaar en stelt ook andere vragen aan de orde dan de loutere weergave van een politiek of ander probleem.

 

Al met al dus een interessant jaarboek voor mensen, die een beeld willen overhouden voor wat er in de loop van het voorbije jaar op het vlak van de actuele kunst in België is gebeurd. De teksten zijn hetzij in het Nederlands hetzij in het Frans, alle met een Engelse vertaling.

 

Daan Rau

 


Redactie: Henry Bonameaux en Bart De Baere, Contemporary Art in Belgium
Best Of Publishing en Stichting voor de Kunsten, 256 blz. - ISBN 2 930150 82 3 - €30,00
Stichting voor de Kunsten te Brussel, Flageyplein 18 B15, 1050 Brussel, tel. 02.219.74.16


 

Een indrukwekkend panorama van het symbolisme in België

 

Volgens Michel Draguet van de Université Libre de Bruxelles bestaan over het Belgisch symbolisme veel misverstanden. Dat het vooral een ultiem bolwerk van de figuratieve tegen de abstracte schilderkunst was, zoals de jongste tijd vaak wordt beweerd, vindt hij ongenuanceerd en overdreven. In zijn omvangrijke studie, die zopas bij Mercatorfonds  verscheen, trekt hij van leer tegen fervente aanklagers van de avant-garde, die, het symbolisme naar hun hand trachten te zetten. Liever dan het een kunststroming te noemen, omschrijft hij het als een nevelsliert, die voortdurend van vorm verandert. Hij begint zijn verhaal bij Félicien Rops, die in 1864 in contact kwam met Charles Baudelaire. Maar ook Antoine Wiertz, die doorgaans als het prototype van de romantische kunstenaar wordt beschouwd, wordt bij de gangmakers gerekend. Vele van zijn schilderijen zijn inderdaad raadselachtig en bulken van betekenissen.

 

Draguet verwerpt de heersende opvatting dat Les Vingt het belangrijkste forum van het symbolisme zou geweest zijn. Fernand Khnopff, James Ensor en Theo Van Rysselberghe maakten weliswaar deel uit van de groep. Maar buitenlandse sleutelfiguren als Edward Burne-Jones, Gustave Moreau en - niet te vergeten - Puvis de Chavannes weigerden op hun Salon te exposeren.

 

De esoterische strekkingen komen in het boek even uitgebreid aan bod als de idealistische tendensen. Niet zelden reageerden de symbolisten op de spirituele crisis, waarin de maatschappij en zijzelf verkeerden. De invloed van Sar Péladan, die van de kunstenaar een nieuwe Parsifal wilde maken, was, volgens de auteur, vooral te merken bij gedesillusioneerde katholieke estheten. De buitenissige goeroe had enkele fervente aanhangers, zoals de Leuvense schrijver en schilder Jean Delville, die er een punt van maakten om het decadentisme te bestrijden en de kunst te vergeestelijken. Ook in andere artistieke domeinen heerste een gelijkaardige sfeer. Symbolistische opera's van Wagner en zijn zielsverwanten vierden triomfen in de Munt, Pelléas en lisande van Massenet op tekst van Maeterlinck was daarvan het schoolvoorbeeld.

 

Het boek beperkt zich niet tot de beeldende kunst, de literatuur en de muziek. Het sprekend glaswerk van Emile Gallé en de wazige fotogravures van Hannon en Marissaux worden evenzeer op symbolische aspecten getoetst. De strandtekening van Léon Spilliaert, die de doorwrochte studie van Michel Draguet afsluit, bewijst dat de grens tussen symbolische en abstracte beeldvorming soms erg vaag is. De auteur suggereert dat de symbolistische beweging, die door de kunsthistorici tussen 1884 en 1904 wordt gesitueerd en op uiteenlopende manieren wordt gedefinieerd, misschien wel een culturele fictie is.

 

Ludo Dosogne

 


Michel Draguet, Het symbolisme in België, Mercatorfonds, 2004 - 344 blz, ruim geïllustreerd, hard cover - ISBN 90 6153 556 5, €79.00


 

Forum: mag een museum haar kunstbezit verkopen?

 

 

Enkele maanden geleden kwam het Antwerpse OCMW in het nieuws met het plan zijn financiële put te dempen door de verkoop van een deel van haar kunstpatrimonium. Naar aanleiding hiervan lanceerde OKV de forumdiscussie: mag een museum kunstwerken te gelde maken?

 

In de meeste reacties is een negatief antwoord te lezen: "Een museum mag zijn kunstbezit niet verkopen," vat Trees Mestdagh uit Deinze het kernachtig samen. Bart Vandeweghe uit Knes­selare ziet het anders: "Wanneer een schenker er op staat dat de door hem gelegateerde kunst­werken in het museum dienen te blijven, dan moet dit gerespecteerd worden. Als in andere gevallen iets door het museum verkocht wordt, mag ik veronderstellen dat het werk in handen komt van mensen die er respect voor opbrengen. Dus, waarom zou een museum een kunstwerk niet mogen verkopen?" Bart Vandeweghe besluit met een suggestie voor Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen: "Vroeger verkocht OKV in beperkte oplagen kunstwerken van al dan niet bekende kunstenaars. Op die manier kwamen minder gerenommeerde namen toch voor het voetlicht en kon een kunstminnende (zoals ik) voor een zacht prijsje een waardevol werk kopen. Tot daar een opmerking van een héél trouwe klant van OKV." Voor zijn forumdeelname en zijn bemerking wint Bart Vandeweghe het boekenpakket met Sanctus, meer dan 500 heiligen herkennen en Sanctus, nog meer heiligen herkennen.

 

 

Jongste OKV-abonnee?

 

Tijdens de boekenbeurs mocht Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen op zijn stand vele oude en nieuwe abonnees verwelkomen. Ook Nicolas De Maeyer uit Veldegem. Niets speciaals, ware het niet dat Nicolas dertien jaar is en met eigen spaargeld een abonnement op OKV betaalde. Is Nicolas de jongste OKV-abonnee?

 

 

OKV-Club: streven naar beter

 

De OKV-Club biedt de abonnees de mogelijkheid deel te nemen aan een gevarieerd aanbod geleide bezoeken aan minder gekende musea, interessante tentoonstellingen en markant erfgoed. Steeds meer lezers nemen deel en reageren enthousiast. Af en toe komt er ook kritiek. Zoals van Frits Berckmans uit Bilzen die met de OKV-Club het Museum Mayer van den Bergh bezocht. "Aan alle deelnemers werd een bijdrage van € 6 gevraagd, zoals dat ook vooraf was aangekondigd," schrijft lezer Berckmans. "Wij namen aan dat dit bedrag bedoeld was voor de inkom en de gids. Omdat wij allebei over een lerarenkaart beschikken, waardoor wij gratis inkom hebben, vroegen wij dit bedrag in mindering te brengen. Het baliepersoneel verwees ons naar de verantwoordelijke van OKV, maar die wuifde onze vraag weg. Nadien kregen wij aan de balie nogmaals te horen dat wij inderdaad recht hadden op gratis inkom en er werd zelfs beweerd dat de groepsprijs voor het museum, inkom plus gids, €3 per persoon bedraagt. Als dat waar is, vragen wij ons af waar die andere €3 dan wel naartoe is en vooral, waaruit bestaat dan wel de extra-aanbieding van OKV aan zijn leden?"

 

OKV antwoordde aan Frits Berckmans dat de activiteiten van de OKV-Club dikwijls gratis zijn en indien dat niet kan, alleen de kostprijs gevraagd wordt aan de deelnemers. Voor het geleid bezoek aan het Museum Mayer van den Bergh bedroeg die €5,90 per persoon, wat afgerond werd naar €6. Dat sommige abonnees recht hebben op extra kortingen, zoals met de lerarenkaart, is bij de inschrijving en bij de bestelling door OKV niet geweten. Er kan dus moeilijk rekening mee gehouden worden.

 

Op de vraag naar de meerwaarde van het aanbod, verwees OKV naar de inspanningen die geleverd worden om aan de activiteiten een bijzonder cachet te geven. Bijvoorbeeld: bezoek aan de Rubenstentoonstelling in Rijsel met curator Hans Devisscher, aan het Museum Eugeen Van Mieghem met de conservator, kennismaking met minder bekende musea. Hierop reageerde Frits Berckmans dat OKV niet te zwaar moet tillen aan zijn bemerkingen en: "Al decennia lang zijn wij - bij manier van spreken van vader op zoon - trouwe en tevreden abonnees."

 

 

Schoolreizen: in onze tijd...

 

Na het succes van de extra bijlage Kinderen en kunst werkt de redactie van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen aan de special Jongeren en Musea. Hierin komen ook de schooluitstappen aan bod. Graag willen we de topbestemmingen van nu vergelijken met die van vroeger. Waren dat Bokrijk, de Zoo, de Leeuw van Waterloo? Laat ons weten waar u op schoolreis ging, welke musea of monumenten u in schoolverband bezocht. Wie meedoet aan deze mini-enquête maakt kans op het prachtige OKV-boek Herinneringen. Veertig Vlamingen en hun geliefkoosd kunstwerk. Schrijf naar Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, Hofstraat 15, 2000 Antwerpen of mail info@okv.be.

 

 

Opsporing verzocht

 

Het televisieprogramma Man bijt hond van maandag 24 januari 2005 bracht een stukje over een man die het Museum Mayer van den Bergh bezocht. De man bleek een OKV-abonnee te zijn die fier zijn museumkaart toonde. Zoveel publiciteit op tv is onbetaalbaar. Graag wil OKV deze lezer bedanken met een mooi kunstboek. Help ons deze abonnee op te sporen! Bel naar 03 224 15 30 of mail naar info@okv.be.

 


 

ERFGOEDDAG TROTSEERT VELE GEVAREN

 

 

De erfgoeddag pakt dit jaar uit met een heikel thema. De deelnemende verenigingen, archiefinstellingen en musea vestigen de aandacht op erfgoed dat in gevaar is of van gevaar getuigt.

 

De Erfgoeddag op 17 april plant in Vlaanderen en Brussel meer dan zeshonderd activiteiten, gaande van tentoonstellingen en vertelbijeenkomsten tot geleide wandelingen. Ze worden gecoördineerd door Ellen de Jans en Géraldine Leus, die zich na hun opleiding in de kunstgeschiedenis op het cultureel erfgoed hebben toegespitst. Vanuit Huis Den Rhyn, een historisch pand in de Antwerpse oude stad, waar ook het Steunpunt Culturele Biografie en de redactie van uw lijfblad zijn ondergebracht, worden tienduizenden programmafolders en affiches over het hele land verspreid. Toch azen de organisatoren niet op een zo groot mogelijk publiek. Al zijn ze uiteraard wel tevreden over de toeloop van vorig jaar, toen bijna vierhonderd lokale verenigingen deelnamen. Zij brachten ongeveer 180.000 geïnteresseerden op de been. "De media berichten steeds vaker over bedreigd cultureel erfgoed." bevestigt Ellen de Jans. "Daar zijn de erfgoeddagen niet vreemd aan. Wij stimuleren de belangstelling voor lokale initiatieven en daar pikken de kranten, de televisiestations en de radio op in. Vroeger werd het begrip 'erfgoed' slechts in beperkte kring gebruikt. Maar nu is het in vele milieus doorgebroken. Alleen mogen we niet vergeten dat het ook onvermoede betekenissen dekt."

 

"Erfgoed tref je niet enkel in de musea of in de archieven," zegt Géraldine Leus. "Je kan er zelfs de thuissituatie bij betrekken. Daar kan zich bijvoorbeeld een dierbaar, maar fragiel trouwkleed bevinden. Dat behoort tot het familiaal erfgoed. Bij de programmabrochure hebben we ditmaal een brochure met 'wijze raad van tante Kaat' gevoegd. Daar wordt uitgelegd hoe zo'n familiestuk, dat in gevaar is, het best bewaard wordt. En dat is zeker niet met mottenballen of in een plastic hoes! Hoe het wel moet verklappen we voorlopig niet, maar kan in de brochure worden nagepluisd."

 

"En dan is er nog het geestelijk of immaterieel erfgoed," vult Ellen de Jans aan. "Ook bedreigde volkssporten kunnen als 'erfgoed in gevaar' worden beschouwd." Vlaanderen telt vele heemkringen. De Erfgoeddag biedt hen een uitzonderlijke gelegenheid om aan de buitenwereld te tonen wat ze in huis hebben. Met vertegenwoordigers van de musea, de bibliotheken, de archieven en de erfgoedcellen wordt elk jaar een ander thema bepaald. "Zo kan op een gerichte manier worden gewerkt," licht Ellen de Jans toe. "Bovendien ontstaan op die manier hechte samenwerkingsverbanden. Er wordt vanuit een specifieke invalshoek over erfgoed nagedacht. In de tweede helft van de maand april wordt er al gebrainstormd over het thema van volgend jaar."

 

Omdat sinds 2004 het Erfgoedweekend door één enkele Erfgoeddag werd vervangen weet het publiek precies waar het aan toe is. Vroeger kwamen de bezoekers versnipperd en waren er onduidelijkheden over de toegangsgelden. Nu is alles meer geconcentreerd - wat de onderlinge communicatie bevordert - en zijn principieel alle activiteiten gratis.

 

Enkele blikvangers, die het thema overduidelijk illustreren, zijn het vermelden waard. Het Museum voor Hedendaagse Kunst van Antwerpen (MUHKA) exposeert uitzonderlijk De Grote Plumbiet van Panamarenko. Het magnetisch veld van dit kunsttuig maakt bankkaarten onklaar en ontregelt pacemakers. Bezoekers worden van deze gevaren uiteraard op de hoogte gebracht. In het kasteel van Gaasbeek wordt men met de onthoofde Egmond geconfronteerd. De geest van de vermoorde Hendrik van Alijn dwaalt rond in het Huis van Alijn. Het Rijksarchief van Beveren ontsluit de gerechtelijke dossiers van een andere beruchte misdadiger. In de cellen van de vroegere gevangenis in Tienen (het Toreke) worden griezelverhalen verteld. Aan welke gevaren striphelden van allerlei slag zijn blootgesteld is te zien in het Centrum voor het Beeldverhaal in Brussel. De tekenaars zinspelen niet alleen op struikrovers en virussen, maar ook op nonchalant weggeworpen bananenschillen! Het Sportimonium in Hofstade toont opmerkelijke relikwieën van de Vlaamse sportgeschiedenis.

 

Het gevaar schuilt in vele hoekjes. Daarom zijn zelfs de lokalen van de Erfgoeddag-coördinatoren stevig vergrendeld. Toch houden ze voeling met de buitenwereld. Dag in dag uit ratelen de faxen en rinkelen de telefoons in dit broeierig zenuwcentrum, waar ook de webstek van de erfgoeddag wordt ingevuld.

 


 

 

KEUZE VAN DE REDACTIE

 

GEGOTEN VOOR DE EEUWIGHEID

 

Het enige etnografische museum in de wereld dat voorwerpen uit zowel Afrika, Amerika, Azië en Oceanië toont, bevindt zich in Antwerpen. Het bescheiden museum pakt elk jaar uit met sterke wetenschappelijke tentoonstellingen die over de hele wereld met aandacht en respect gevolgd worden. Ditmaal koos conservtor Jan Van Alphen voor een presentatie van bronzen beelden uit Indië en de Himalaja uit Belgische en Nederlandse collecties. Collecties betekent hier zowel privé-kunstverzamelingen als musea. Een interessante confrontatie en een ode ook aan de privé-verzamelaar die dikwijls een deel van zijn collectie aan een museum schenkt, wat maar al te veel vergeten wordt. Conservator Jan Van Alphen vertelt: "Aanleiding voor de tentoonstelling was een schenking van de verzamelaar Esman. Hij gaf het museum zo'n 54 Tibeto-Chinese bronzen beelden waaronder enkele van zo'n topkwaliteit dat ik samen met de antiquair Marcel Nies besloot om ooit eens een tentoonstelling te maken over bronzen beelden die zowel uit de privé als uit onze musea komen."

 

De tentoonstelling volgt een geografisch parcours langs India, Sri Lanka, Nepal en Tibet. De oudste beelden dateren uit de zesde eeuw en de jongste komen uit de achttiende eeuw. Ook het technische aspect komt uitvoerig aan bod op de expositie. De kunstenaars gebruikten hoofdzakelijk de methode van de 'verloren-was'. Men stak het originele wassen beeld in een omhulsel van klei. Nadien smolten de ambachtslui de was en in de plaats werd het brons gegoten. Het kunstwerk bleef op die wijze uniek. Soms werd het beeld ook gedreven of gehamerd in koperplaat, zilver of goud. Het minder bekende procédé van de kwikvergulding krijgt ook een plaats op deze mooie tentoonstelling. Met goudpoeder en kwik en een plaatselijke verhitting krijgt men een unieke egale vergulding.

 

Dat de gespecialiseerde ambachtslui er na vele jaren aan ten onder gingen belet Nepalese ambachtslui niet om er vandaag nog altijd mee door te gaan. 81 beelden illustreren de verschillende functies van de bronzen beelden. Grote bronzen beelden vervaardigden de kunstenaars in Zuid-Indië vanaf de zevende eeuw speciaal als processiebeelden. Ze worden bij religieuze feesten en rituelen in stoeten rondgedragen. Kleinere bronzen beelden vonden hun weg vaak naar huisschrijnen. Het boeddhisme verspreidde zich over heel Azië en samen met de monniken gingen ook de draagbare bronzen beelden mee. De Indische voorbeelden werden in de nieuwe gebieden aanvankelijk gekopieerd, maar geleidelijk aan ontstonden eigen stijlen in het hele Indische cultuurgebied.

 

Bij de tentoonstelling hoort traditioneel een degelijke catalogus met bijdragen van onder andere Marcel Nies over de culturele betekenis van de beelden, van de Amerikaanse specialist Ian Alsop over de Nepalese kunst en van David Weldon over Tibet. De conservator nam het Indische gedeelte voor zijn rekening. Allemaal vermaarde specialisten die, zoals andere fans van deze unieke verzameling, hopen dat het bescheiden museum ooit eens kan uitbreiden om de duizenden waardevolle stukken die nu in het depot staan de plaats te geven die ze verdienen. Het museum lonkt al lang naar het aanpalende Volkskundemuseum. Wanneer dit zou opgaan in het toekomstige Museum aan de Stroom zou dit de ideale uitbreiding zijn voor het Etnografisch Museum. Wordt vervolgd.

 

(PW)

 


'Gegoten voor de eeuwigheid'

tot 26 juni 2005 in het Etnografisch Museum

Suikerrui 19, 2000 Antwerpen, Tel. 03.220.86.00 

www. antwerpen.be/cultuur/etnografisch_museum


Illustraties

Boeddha Vajrasana, Tibet, ca. twaalfde eeuw, Koperlegering, 28,7 x 32,3 x 14,5 - Privécollectie, Nederland

Shiva als Chandrashekhara, 'gekroond met de maan', Indië, Tamil Nadu, Chola-periode, twaalfde eeuw, Brons, 48 x 20,17 - Collectie Etnografisch Museum, Antwerpen


 

MAGRITTE EN DE FOTOGRAFIE

 

Wie dacht dat het werk van René Magritte voor hem of haar geen geheimen meer kent, moeten wij nu ontgoochelen of juist gelukkig maken. Bozar, niets anders dan dat Paleis voor Schone Kunsten te Brussel waar Magritte, bij leven en postuum, al zo vaak tentoon stelde, brengt een selectie van ruim driehonderd foto's van en rond Magritte. Curator is Patrick Roegiers die over fotografie publiceerde, zijn gevoelens over België te boek stelde (Le Mal du Pays) en naar eigen zeggen gek is van het werk van René Magritte. Voor het eerst worden de foto's die Magritte en zijn vrienden ensceneerden niet als een amusant aanhangsel van zijn overige werk beschouwd. Roegiers focust bewust op dit deel van zijn productie en maakt zich sterk dat hij de intenties van de kunstenaar kan blootleggen.

 

De houding van Magritte ten opzichte van fotografie baadt in dubbelzinnigheid en is verre van onschuldig. Magritte dolt graag met het beeld op het doek, in het hokje van de fotoautomaat (een nieuwigheid in het interbellum die hij naar zijn hand zet!), in huis of in de natuur met de surrealistische vrienden. Wanneer anderen hem fotograferen is het dikwijls de vraag of hij niet een rolletje speelt, vaker wel dan niet. Typerend is op dat gebied de prachtige reeks die Duane Michals halfweg de jaren zestig maakte en die in één zaal is samengebracht. Kunstenaar en werk vallen volledig samen, haast te goed. Vanwege Magritte is het acteerwerk van de bovenste plank, of toch niet? De tentoonstelling biedt ons alvast de kans Magritte recht in de ogen te kijken, behalve wanneer hij ze sluit zoals het op meerdere foto's het geval is.

 

Magritte heeft tijdens de laatste jaren van zijn leven ook de achtmillimeter filmcamera gehanteerd. De filmpjes werden op initiatief van de VRT (toen nog BRTN) vakkundig gerestaureerd en digitaal opgeslagen. Elf van de filmpjes en een montage uit de overige worden in de diverse tentoonstellingsruimten geprojecteerd, op die wijze dat van de ene zaal naar de andere meerdere filmbeelden tegelijk zichtbaar zijn. Schilderijen van Magritte zijn op de tentoonstelling haast volledig afwezig, zijn beeldenarsenaal daarentegen niet.

 

Het is ook uitkijken naar het begeleidende boek Magritte en de Fotografie van Patrick Roegiers (verschijnt ook in het Nederlands). Zijn conclusie over Magritte: 'Un génie très belge'.

 

(RS)

 


'René Magritte en de fotografie', 2005

Paleis voor Schone Kunsten

Koningsstraat 10

1000 Brussel

Tel. 02.507.82.00

www.bozar.be


 

In de wolken

 

De dienst Cultuur van de Provincie West-Vlaanderen bestaat vijftig jaar. Opener van het feestjaar is de tentoonstelling In de wolken, met tekeningen van twaalf West-Vlaamse illustratoren van kinder- en jeugdboeken.

 

Vlaanderen heeft een schat aan illustratoren. Onze prentenboeken hebben een kwaliteit waar buitenlandse uitgevers alleen maar kunnen van dromen. Niet voor niets winnen ze vaak gerenommeerde internationale prijzen. In de wolken getuigt van die kwaliteit en van de enorme diversiteit. Carll Cneut, die met Mijnheer Ferdinand en Het ongelooflijke liefdesverhaal van heer Morf hoge ogen gooide, heeft als geen ander het vermogen om in sobere vormen een brede waaier van gevoelens te leggen. Samen met Carll Cneut is Klaas Verplancke één van de bekendste en meest gevraagde illustratoren. Het werk van Verplancke weerspiegelt vakmanschap en een bonte persoonlijkheid. Zijn vorm- en techniekbeheersing zijn fenomenaal, zijn inspiratie is bodemloos. De tentoonstelling toont onder meer zijn Wortels en Ozewiezewoze, het liederenboek dat werd bekroond met de Bologna Ragazzi Award (zeg maar: de Nobelprijs voor kinderboekillustraties).

 

In de wolken laat ook kennismaken met jonger talent, zoals Pieter Gaudesaboos. Met hem kreeg het Vlaamse prentenboekenlandschap er een opmerkelijke vormgever bij. Roodlapje uit 2004 is er een schitterende illustratie van.

 

En vergeten we vooral de vrouwen niet: schrijver-illustrator Gerda Dendooven, winnares van de Gouden Uil voor Luna van de boom, Goele Dewanckel, Isabelle Vandenabeele... Dat alleen West-Vlamingen aan bod komen, is logisch voor dit provinciaal initiatief. Het provinciebestuur mag trouwens in de wolken zijn. Niet minder dan zeven kunstenaars die in het Brugse Provinciaal Hof vertegenwoordigd zijn, werden ook geselecteerd voor de tentoonstelling die het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur samenstelde. Ze is bedoeld om onze illustratoren in het buitenland te promoten. Voor ze op reis gaat, is deze tentoonstelling vanaf 22 april 2005 opgesteld in de vernieuwde Centrale openbare Bibliotheek van Antwerpen.

 

(MV)

 


'In de wolken', 2005

in het Provinciaal Hof, Markt 3 te 8000 Brugge
Informatie over de tentoonstelling van het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur:

www.villakakelbont.be


Illustraties

Klaas Verplancke,  'Ozewiezewoze'  -   'Wortels'


 

KLARA

 

Elke zaterdag en zondag tussen 7 en 10 uur kiest Herwig Verhovert voor u de opvallendste tentoonstellingen en culturele manifestaties waar u de volgende dagen naartoe kan. Elke week is er ook een reportage over een vaste collectie van een museum.

 

 

Museum voor Sleutel en Slot

 

Het Museum voor Sleutel en Slot in Oostduinkerke is enig in zijn soort. Het bevindt zich in de oude kistenmakerij Litto nv, de grootste Belgische slotenproducent, die in het verleden belangrijke hoeveelheden naar Afrika en Zuid-Amerika exporteerde. In dit karaktervolle fabriekspand kreeg de unieke verzameling histo­rische sleutels en sloten van verzamelaar Raf Declercq een permanent onderkomen. Het gebouw is ingericht als moderne tentoonstellingsruimte waarin zowel hedendaagse preventieproducten als een historisch overzicht van drieduizend jaar sleutel en slot op een attractieve en educatieve manier aan een ruim publiek worden voorgesteld. (Uitzending 12 maart 2005)

 

 

Erfgoeddag 2005 'Gevaar'

 

De Erfgoeddag die plaatsvindt op zondag 17 april 2005 heeft als thema 'Gevaar'. Het gaat zowel over 'erfgoed in gevaar' als over 'gevaar in erfgoed'. Er staan meer dan zeshonderd activiteiten op stapel, in Vlaanderen en Brussel: een dodelijk kunstwerk van Panamarenko in het MUHKA, de onthoofde Egmond in het kasteel van Gaasbeek, sporen van beruchte misdadigers in archieven, griezelen in musea... Herwig Verhovert grasduint in het indrukwekkende aanbod en is niet bang om er enkele markante projecten uit te kiezen. (Uitzending 7 april 2005)

 


 

GRAAF EENS DIGITAAL

 

Archeologie spreekt tot de verbeelding. En het zijn niet alleen de Hollywoodiaanse avonturen van Indiana Jones of nostalgische bodemspeurtochten naar oude, mythische beschavingen die een sterke aantrekkingskracht uitoefenen. Ook lokale bodemschatten kunnen een ruim publiek boeien.

 

Archeologen die aan het werk waren op het Sint-Pietersplein van Gent stelden tot hun eigen verbazing vast dat hun vooronderzoek in functie van een nieuwe, ondergrondse parkeergarage op heel wat belangstelling kon rekenen. Buurtbewoners volgden de activiteiten van nabij en meer dan één voorbijganger hield er halt om met grote ogen te zien welke geheimen de ondergrond prijsgaf. Om de opgravers niet al te veel te storen, besliste men zelfs om wekelijks speciale rondleidingen te organiseren - een kans waarvan meer dan 5.000 geïnteresseerden gretig gebruik maakten. De opgravingen op het plein zijn inmiddels achter de rug, maar een overzicht over andere lopende opgravingcampagnes in het Gentse zijn te vinden op Archeoweb Gent.

 

 

Archeoweb Gent

 

Archeoweb Gent is een initiatief van de vzw Gent Cultuurstad / Erfgoedcel Gent en de Dienst Stadsarcheologie van de stad Gent. Deze website die in november online ging, bundelt archeologische kennis over Gent, vanaf de oudste menselijke aanwezigheid tot vandaag. Het is een dynamisch archief waar in klare taal het archeologisch patrimonium in al zijn facetten uit de doeken gedaan wordt.

 

Hoewel een erg compacte website, is Archeoweb Gent toch vlot navigeerbaar. Het aantal rubrieken is niet zo groot, maar alleszins ruim voldoende om u laag na laag 'Archeologisch Gent' te laten ontdekken. De eerste, gelijknamige rubriek laat u kennis maken met alle spelers op het veld. Vooreerst de Dienst Stadsarcheologie, die verantwoordelijk is voor het beheer en behoud van dit patrimonium, maar ook andere Gentse partners en instellingen met een archeologische inslag of musea die over een archeologische collectie beschikken, zijn er netjes opgelijst. Wie een ontdekking doet in de eigen tuin, weet dus meteen waar terecht.

 

De Gentenaar die meer wil weten over die hoop zand in zijn straat, wendt zich best tot het online 'Informatiecentrum'. Daar kan iedereen de belangrijkste opgravingen volgen. Weliswaar niet live want tot dusver staat er geen webcam op de sites, maar de werkhypothesen van de archeologen worden er wel uit de doeken gedaan. Dat dit voorlopige interpretaties zijn die kunnen veranderen naarmate het onderzoek vordert, zal vooral de amateurarcheologen onder ons kunnen boeien.

 

Voor de digitale graver die zelf op ontdekkingstocht wil, is er het 'Virtueel museum'. Men kan er zelf sporen volgen of zich doorheen de collecties laten gidsen via 4 grote categorieën: objecten, sites, tijdslijn of thema's. Hier ontdekt u meer over materiaalsoorten en perioden of volgt u bijvoorbeeld, via 'stadsomwallingen' - het enige thema dat al beschikbaar is - de uitbreiding van de stad Gent doorheen de eeuwen.

 

De collecties van dit museum zijn op allerlei manieren ontsloten. Zoeken kan op periode - van het stenen tijdperk tot de post-middeleeuwse periode - of voor wie het iets preciezer wil ook op tijdsaanduiding, op onderzoeker of op herkomst. Dit laatste leert ons dat artefacten van over de hele wereld bedolven raakten in de Gentse geschiedenis en ondergrond. En dat kunnen de vreemdste dingen zijn. Zo blijkt dit plein, dat al eeuwenlang een pleisterplaats is voor kermissen en circussen, een schat aan kleipijpjes van schietkramen te herbergen! Deze pijpjes zijn echter niet terug te vinden op archeoweb. Het aanbod is momenteel nog beperkt, maar zal de komende jaren worden aangevuld met nieuwe sites, objecten en thema's. De objecten die er wel al op te delven zijn, werden gedateerd, qua materiaal en herkomst gedefinieerd en historisch beschreven. Zo weet u meteen wat een snorrebot precies was en waar het van gemaakt werd. Een nieuwsrubriek en een agenda met een overzicht van de tentoonstellingen en lezingen zorgen tenslotte voor een duidelijk overzicht van de laatste weetjes en projecten.

 

 

Archeoweb Antwerpen

 

Het Archeoweb-format bestond al sinds 2001. Het werd ontwikkeld door de Antwerpse Erfgoedcel en de afdeling archeologie van de stad Antwerpen en met de steun van Culturele Biografie Vlaanderen verder geoptimaliseerd. Gent is de eerste stad die hier - met haar eigen vormelijke en inhoudelijke accenten - op verder borduurt. De komende jaren zullen nog meer steden en gemeenten, waaronder Mechelen, hun ondergronds patrimonium op een gelijkaardige manier via internet ontsluiten. Wie overweg kan met Archeoweb Gent, graaft zich blindelings een weg doorheen Archeoweb Antwerpen waar de vondsten nog groter zijn.

 

In Antwerpen staan ze dus al een stapje verder. Niet alleen is de invulling al verder gevorderd, zij beschikken ondertussen ook al over een Archéoweb Anvers, Archäoweb Antwerpen en Archeoweb Antwerp in het Frans, Duits en Engels. Een vertaling naar de leefwereld van jongeren bestaat ook. Pienternet, een website voor jongeren en leerkrachten uit het secundair onderwijs, maakte op zijn website een stukje vrij waar leerlingen en leerkrachten kunnen kennis maken met archeologisch onderzoek. Leerkrachten vinden er voldoende materiaal om een archeologieles te stofferen. Leerlingen hebben hun eigen virtueel lapje grond gekregen op het wereldwijde web. Voor hen is er een leuk voorwerpenspel dat hen de betekenis van de vreemdste objecten laat zoeken, in de rubriek 'beroepen' komen enkele medewerkers van de archeoloog aan het woord en in 'Tijdglijders' ziet u de stad letterlijk uitdeinen.

 

Eva Wuyts

 


Delf u een weg doorheen Archeoweb en bekijk Antwerpen en Gent eens van een andere kant. Archeoweb Gent vindt u op http://www.archeoweb.gent.be.

Voor hetAntwerpse archeoweb surft u naar http://archeologie.antwerpen.be.

De junior-versie vindt u op http://www.pienternet.be/archeoweb

Ook op de Link-pagina van www.tento.be kan u dit artikel en de bijbehorende links terugvinden.


 

Alma Tadema Lawrence, Alsop Ian, Archeologie op: Archeoweb Gent - Archeoweb Antwerpen - Pieternet Antwerpen, Art Institute Chicago, Bastien Alfred, Baudelaire Charles, Bezzan Cécilia, Boccaccio Giovanni, Bode Arnold, Bonameaux Henry, Borremans Michaël, Burnes-Jones Edward, Canneel Marcel, Chaerle Dries, Chagall Marc, Chateaubriand, Clayton Philip, Closson Gilles, Cneut Carll, Corbeels Pieter, Cornelis Sabine, Daveluy Nicolas & Edouard, De Baere Bart, de Braekeleer Henri, De Cock Jan, de Groux Charles, de Jans Ellen, de Keyser Nicaise, de Lamartine Alphonse, de Potter Louis, Decaisne Henri, Declercq Raf, Degas Edgar, Delacroix Eugène, Delville Jean, Dendooven Gerda, Desfossés Pierre Romain, Dewanckel Goele, Dosogne Ludo, Draguet Michel, Dubois Louis, Eisner Anne, El Greco, Ensor James, Esman, Evenepoel Henri, Fouqueray Charles, Gailliard Franz, Galerie Ronny Van de Velde, Gallait Louis, Gaudesaboos Pieter, Gauguin Paul, Geers Kendell, Geirlandt Karel, Gessner Salomon, Goethe, Goya, Greuze, Gryseels Guido, Gustavus, Hals Frans, Hamman Edouard, Hermitage Sint Petersburg, Hoet Jan, Hymans H., Imperial War Museum London, Ingres Jean Auguste Dominique, Johanna van Napels, Joostens Paul, Khnopff Fernand, Klimt Gustav, Kormeling John, Kremer, Langaskens Maurice, Laureyns Jeroen, Legendre Eugene, Leopold I, Leopold II, Leus Géraldine, Leys Henri, Livingstone, Los Angeles County Museum of Art, Madou Jean Baptiste, Maeterlinck Maurice, Magritte René, Malenchini Meoni Mathilde, Manet Edouard, Marcelis Karl, Marechal Dominique, Martens Renzo, Mathieu Paul, Matton Arsène, Mavinga, Mellery Xavier, Michals Duane, Milton John, Moeschal Jacques, Monet Claude, Moonens Laurent, Moreau Gustave, Munch Edvard, Musée des Beaux-Arts Dijon, Museum of Fine Art Boston, Museum of Modern Art New York, National Gallery London, Nationalgalerie Berlin, Navez, Ndamvu Julien, Neue Wilden, Nies Marcel, Öffentliche Kunstsammlung Basel, Ost Alfred, Parasol Unit Foundation for Contemporary Art London, Picasso Pablo, Pilipili, Portaels Jan Frans, Puvis de Chavannes Pierre, Rau Daan, Redon Odilon, Rembrandt, Renoir Auguste, Reynolds, Rodin Auguste, Roegiers Patrick, Rops Félicien, Rousseau Jean Jacques, Royal Hibernian Academy Dublin, Rubens Peter Paul, Runge, Sar Péladan, Sauwens Rik, Schaefels Jan Hendrik, Schiller, Seurat Georges, Simonis Eugène, Simpson Lester, Spilliaert Léon, Spilliaert Léon, Stakenborghs Liliane, Stanislas Marc, Stanley, Talbot Neville & Gilbert, Tercafs Joanne, The Cleveland Museum of Art, Turner William, Tuymans Luc, Van Alphen Jan, Van Beselaere Walter, van Bogaert L., Van de Nest A., Van den Bussche Willy, Van Rysselberghe Theo, Van Sassenbrouck Achille, Vandenabeele Isabelle, Vanvaeck Mark, Velazquez, Vermoortel Pieternel, Verplancke Klaas, Victor Hugo, Vieillevoye Joseph Barthélemy, von Kaulbach Wilhelm, Vuillard Edouard, Wappers Gustaaf, Weldon David, Whistler James, Wiertz Antoine, Willaert Philip, Wouters Peter, Wouters Rik, Wuyts Eva, Zeno X Gallery Antwerpen, Zowa, OKV2005, Appel Karel, Bela, OKV2005.1+