U bent hier

OKV 2005.3 tento

OKV 2005.3 tento

 

EDITO 'Bien en aviegne'

 

Het was een warme zomer, helaas niet letterlijk maar wel figuurlijk in de kantoren van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. Niet alleen bracht de post tientallen postzakken met niet minder dan duizend ingevulde enquêteformulieren van u, maar ook de honderden musea reageerden op onze oproep voor hun recentste gegevens voor onze museumgids. Uit onze enquête bleek dat u gedrukte informatie zeer op prijs stelt en de uitgave van een nieuwe museumgids is een eerste stap in die richting. Uw andere opmerkingen bestuderen we ernstig zodat we vanaf volgend jaar u nog beter kunnen bedienen.

 

In dit nummer ook aandacht voor de fascinerende geschiedenis van Mechelen en het beleid van Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. Beiden drukten een zichtbare stempel op de stad. Onze volgende thema-aflevering vertelt hun boeiend verhaal en we willen u hier niet op laten wachten. Tegelijk met de opening van de tentoonstelling Dames met Klasse ontvangt u dus uitzonderlijk een Tento en een aflevering. Naast de aflevering maakten we ook nog een boeiende wandelgids waarmee u moeiteloos in de voetsporen van verschillende Mechelse vrouwen kan treden. Een betere voorbereiding op de tentoonstelling kunnen we ons moeilijk voorstellen. Met de woorden van Margareta van York groeten we u, 'Bien en aviegne', moge goeds ervan komen.

 

Peter Wouters

 


INHOUD

TALENT: Videokunstenares Anouk De Clercq

REPORTAGE: De allerverste reis van de Mercator

MUSEUM APART: Jakob Smitsmuseum: een stulpje in (het) Achterbos

IN BEELD
Herfsttijd: Europaliatijd
Art nouveau & Design
Dames met Klasse

WEBSTEK: Ontroerend goed

KUNSTWERK VAN DICHTBIJ: Prova-car, een testrit voor Vlaanderen

OPEN NIEUW: BELvue museum volledig heringericht

KUNSTTOER: Mechelen: stad in vrouwenhanden

KLARA

ZWART OP WIT

KEUZE VAN DE REDACTIE

AGENDA

UIT DE BOEKEN


 

VIDEOKUNSTENARES ANOUK DE CLERCQ

 

Op zoek naar een gevoelige taal

 

"Ik ben videokunstenares geworden vanuit een innerlijke noodzaak", zegt Anouk De Clercq overtuigd. Op de jongste editie van Art Brussels maakte ze furore met Building, een video geïnspireerd op het Brugs Concertgebouw waarvoor ze de Illy-prijs ontving.

 

 

Iets in kunst doen

 

In Building gaan tijd en ruimte langzaam in elkaar op. Het is een wat tegendraadse video. Het flitsende, snelle en beweeglijke van de klassieke filmische retoriek wordt compleet losgelaten. De uitgekiende syntaxis en het trage verloop vergen voor de maakster bijzondere concentratie. Die concentratie vindt Anouk De Clercq vandaag in een rustige buurt in de nabijheid van het Schumannplein. Tevoren woonde ze in de bruisende Dansaertstraat pal in het centrum van de hoofdstad. We zoeken haar op in haar appartement in een typisch Brussels herenhuis uit het begin van de vorige eeuw. Het is een warme zomerse dag. De ramen staan open, de bewegin­gen op de planken vloer echoën lichtjes in de hoge woonruimte. Aan de voet van de schoorsteenmantel liggen enkele silex-keien keurig gegroepeerd. "Een souvenir van een van mijn reizen," zegt Anouk, net terug van een werkvakantie in IJsland. Op tafel glanzen escapadetijdschriften: Grande, Elders &Anders. "Mijn moeder brengt ze voor me mee. Ze weet dat ik van reizen houd."

 

Over thuis: "Mijn ouders hebben me cultuurminnend opgevoed. Op mijn elfde nam mijn moeder me bijvoorbeeld mee naar Rosas en Alain Platel." Toen ze nog in Gent woonde, volgde Anouk gedurende tien jaar zang, piano en ritmiek aan de muziekschool. Op haar zestiende sloeg de twijfel toe en verkende ze als leergierige bakvis andere wegen. "Ik trok naar Studio Skoop, ging naar De Andere Film, bezocht Arca en Nieuwpoorttheater. Er was het Proka-gebeuren aan de Gentse Academie waar ik onder de indruk raakte van Japans Butoh theater. De indrukken sloeg ik op. Ik voelde vrij vroeg al dat ik iets in de kunst wilde doen. In die dagen schreef en las ik veel. Ik verslond avonturenboeken en schreef over dingen die gebeurden, ook theaterstukken die ik dan met andere kinderen opvoerde."

 

 

Een eigen filmtaal ontwikkelen

 

Verschillende disciplines interesseerden Anouk De Clercq, wat haar studiekeuze er niet gemakkelijker op maakte. "Ik twijfelde tussen theater, film en Germaanse filologie. Een ding wist ik toen zeker: ik was in cultuur geïnteresseerd. Sint-Lukas Brussel was toen een erg complete opleiding, dus ik dacht: dat is het, en schreef me in voor een klassieke filmopleiding. De studie heb ik nooit afgemaakt maar via Sint-Lukas kwam ik gelukkig in contact met Ana Torfs. Ze gaf een workshop in het eerste jaar, wat me ontzettend is bijgebleven. We hebben veel gesprekken met elkaar gevoerd. Door haar werk besefte ik hoe dicht ik bij haar taal stond, ik begreep haar werk en ik zag daarmee ook ineens die band die ik in mijn prille jaren had met Rosas. We zaten, hoe moet ik het zeggen, omzeggens in hetzelfde taalbad. Die taal die ik herkende was een organische en gevoelsmatige taal. In de klassieke filmopleiding gaat het te dikwijls over rationaliteit en structuur. Ik vond dat weinig uitdagend en ook te weinig diepgang hebben. Men ging teveel in op de psychologie, banale kwesties tussen mannen en vrouwen."

 

"Gevoelsmatige zaken liggen mij meer," zegt Anouk De Clercq. "Ik houd ervan om op een abstracte en organische manier beelden aan elkaar te haken, iets te vertellen. Dat is iets heel anders dan een klassieke narratieve film. Daar heb je af te rekenen met een hoop rationele regeltjes. Omwille van die regeltjes kreeg ik het altijd aan de stok tijdens de lessen. Daar is mijn opleiding stukgelopen. Ik vind dat gedurende een opleiding je iemand zijn taal moet laten ontwikkelen en niet een bepaalde taal moet opleggen. In het derde jaar ben ik er uiteindelijk mee gestopt."

 

 

Knokken in New York

 

Niet lang nadat ze haar studies vaarwel zei, kreeg Anouk De Clercq in het Kaaitheater de kans om als assistent aan twee producties mee te werken bij Jan Ritsema en Guy Cassiers. "Muziek en theater kwamen hier samen onder de vleugels van één regisseur. In het Kaaitheater was ik in contact gekomen met een van de acteurs van The Wooster Group. Zo ging de bal aan het rollen. In 1995vertrok ik voor een jaar naar New York en werkte er met The Wooster Group, een collectief van acteurs en muziekanten. Het was multimediaal theater waar ik honderd procent achter stond. The Wooster Group was een heel dynamisch geheel Het is het meest Europese theatergezelschap van New York. Heel diep allemaal. Ik moest er wel knokken en met de ellebogen werken wilde ik niet op de achtergrond blijven hangen. Ik dacht, ik ben hier wel gekomen om iets te betekenen. De leden apprecieerden mijn honger. Dat gaf hen vertrouwen. In New York heb ik ongeveer alle experimentele video's bekeken die je maar kunt dromen. Voor de opera The true last words of Dutch Schulz heb ik een film gemaakt die als in een scène in het geheel van de voorstelling werd opgenomen. Zeker, New York was een rijke en mooie ervaring"

 

Na New York belandde Anouk De Clercq terug in Brussel waar ze medeoprichtster was van Cinema Nova, vandaag nog altijd de cinema in de marge. Cinema Nova wordt gerund door vrijwilligers en vertoont maandelijkse programma's die tegelijk vreemd en uitdagend zijn. Uniek in België, en zelfs buiten de landsgrenzen, staat Nova vandaag bekend als het Mekka van de onafhankelijke, excentrieke film. "Ik ben er uiteindelijk mee gestopt om eigen werk te creëren. Ik kocht een computer waarin alles nagenoeg samenviel. De computer betekende voor mij een lege ruimte, in staat om werk te maken waarin architectuur, taal, beeld, muziek samenvloeien. In mijn autonoom werk worden beelden niet gelieerd aan tonen. Geen synchroniciteit tussen beeld en muziek. Ik houd er niet van dat de klank het beeld illustreert. Ik houd juist van de wrijving tussen de verschillende lagen, tussen taal, muziek en beeld. Al die elementen geven verhaal en gevoel."

 

 

Een gebouw, een gevoel, een sfeer

 

Met haar bekroonde videocreatie Building bracht Anouk De Clercq een opmerkelijke hommage aan het Brugse concertgebouw van de architecten Paul Robrecht en Hilde Daem. "Het gebouw zit goed qua ritme, er zit muziek in. Architectuur is voor mij verstilde muziek. Building illustreert die gedachte en brengt een verhaal, een verhaal over architectuur. Ik begin in de video abstract met een lijn, een vlak dat een volume wordt. Volume wordt stilaan ruimte die je begint te herkennen. Building gaat over bouwen: een gebouw, een gevoel, een sfeer. Het werk is heel organisch samengesteld met digitale middelen, maar de wijze waarop die middelen worden aangewend is gevoelsmatig. Het verhaal gaat zowel over licht als over ar­chitectuur. En verder is er nog de muziek. 'Verstilde muziek' introduceert het begrip tijd en je ziet stapsgewijs een structuur ontstaan."

 

In Kernwasser Wunderland (2004) werkte Anouk De Clercq samen met kunstenaars uit andere disciplines, meer bepaald met Joris Cool en Eavesdropper (Yves De Mey). "Je kan dit werk vergelijken met de schilderijen van de romantische school. Je komt mentale landschappen tegen vol gevoelens en gedachten. Kernwasser Wunderland vertrekt in de mist. Je glijdt doorheen een abstract nevelig landschap. Het is een ontdekkingstocht. Toen ik er aan begon wist ik niet waar ik zou komen. Tsjernobil vormde het uitgangspunt van de video. De idee dat er een plek is waar een ramp ineens alles doet stilstaan greep me aan. Schriften en pennen bleven na de ramp roerloos liggen in de klaslokalen. De plaats is gevuld met dreiging en gevaar, genoteerd door geigertellers. Je hoort hoe de muziek het beeld opjaagt maar in geen geval er een illustratie van wil zijn."

 

Het videowerk van Anouk De Clercq was tot voor kort vooral te zien op filmfestivals. Musea en kunstinstellingen bleven wat buiten schot maar daar begint stilaan verandering in te komen. "Op een bepaald moment kwam de zin om mijn werk ook ruimtelijk te maken en dan rezen de vragen: hoe presenteer je je werk in de ruimte, hoe verleid je een publiek, hoe trek je het publiek in die ruimte? De ruimte onderzoeken, is ook je publiek ontdekken."

 

Philip Willaert

 


TENTOONSTELLINGEN MET WERK VAN ANOUK DE CLERCQ

PICTURE THIS! 6 ANOUK DE CLERCQ (2005), in Museum Dhondt-Dhaenens
Museumlaan 14, 9831 Deurle - Tel. 09 282 51 23 - www.museumdd.be

CONTOUR, TWEEDE BIENNALE VOOR VIDEOKUNST (2005), Een wandeling in Mechelen langs 20 werken op 13 locaties
Organisatie Contour Mechelen vzw, F. de Merodestraat 67, 2800 Mechelen - Tel. 015.33.08.01

Voor meer informatie over het werk van Anouk De Clercq, surfen naar www.portapak.be


Illustraties

Tsjernobil als uitgangspunt, Kernwasser Wunderland, 2004 - Anouk De Clercq, Joris Cool, Eavesdropper

Portal, 2002, Anouk De Clercq

Conductor, 2004 - Anouk De Clercq

Een verhaal over licht en architectuur, Building, 2003 - Anouk De Clercq

Een gebouw, een gevoel, een sfeer, Building, 2003 - Anouk De Clercq


 

DE ALLERVERSTE REIS VAN DE MERCATOR

 

 

Belgische archeologen vinden en onderzoeken de oudere bouwfase van cultusbeelden op het Paaseiland. Wat hebben het museumschip Mercator, aangemeerd in Oostende, en het Brusselse Jubelparkmuseum, een luttele honderd kilometer landinwaarts, met elkaar gemeen? Een reis van duizenden zeemijlen, naar een piepklein eiland in de Stille Oceaan. In de jaren dertig voer het voormalige opleidingsschip Mercator naar het verre Paaseiland. Het bracht toen unieke objecten mee die er voor hebben gezorgd dat de Musea voor Kunst en Geschiedenis nu over een van de mooiste collecties over het Paaseiland wereldwijd beschikken. Wetenschappers van de KMKG doen sinds enkele jaren opnieuw onderzoek naar de geschiedenis van het Paaseiland, of Rapa Nui.

 

 

Pater Damiaan en Paaseiland

 

De Mercator, gebouwd begin jaren dertig en in 1961 uit de vaart genomen, was dertig jaar lang in gebruik als opleidingsschip van de koopvaardijvloot. Tegenwoordig vaart het schip, in 1996 beschermd en kort daarna volledig gerestaureerd, alleen nog maar uit voor speciale evenementen. De rest van de tijd ligt het in Oostende, en kunnen de tienduizenden bezoekers die er jaarlijks aan boord komen, een idee krijgen van hoe zo'n schip er uitziet en functioneert. Ze leren er hoe het opleidingsschip voor de Tweede Wereldoorlog vooral werd ingezet bij wetenschappelijke ondernemingen, zoals het verzamelen van specimen voor het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel. De bekendste reizen van de Mercator zijn die in 1936 naar het melaatseneiland Molokai, waar het de stoffelijke resten ging oppikken van Pater Damiaan, die daar in 1889 was overleden. En de trip twee jaar eerder naar het Paaseiland. Wat de toeristen aan de Belgische kust natuurlijk niet kunnen ervaren, is hoe het voelt om met zo'n schip weken onderweg te zijn.

 

Op het Paaseiland moest de Mercator de leden oppikken van een Frans-Belgische wetenschappelijke expeditie, onder leiding van de Zwitserse etnoloog Alfred Metraux en van de Belg Henry Lavachery, die er gedurende enkele maanden onderzoek verrichtten. Lavachery was kunsthistoricus, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Hij had zich op het mysterieuze eiland vooral beziggehouden met het optekenen en bestuderen van de petrogliefen, tekeningen op rotsen. Lavachery had zich ook altijd erg bekommerd getoond om de bewoners van de leprakolonie op het Paaseiland, een bekommernis die ook John Fernhout in zijn filmverslag uit die periode toont. Fernhout draaide er een documentaire in opdracht van niemand minder dan cineast Henri Storck, die de beelden ook monteerde. Een paar jaar geleden trok Lavachery's kleinzoon Thomas weer naar het Paaseiland, om er op zijn beurt te filmen en de 'laatste getuigen' van het verblijf van zijn opa te ontmoeten.

 

 

God van de tonijnvissers

 

In een achterafzaaltje van het Jubelparkmuseum wordt de expeditie uit het interbellum nog steeds geëvoceerd en kan u enkele van de beelden bewonderen die door de wetenschappers werden meegenomen. Er is prachtig houtsnijwerk bij, in de jaren dertig gemaakt door een artiest die in de traditie van Rapa Nui werkte, maar die er toch in slaagde zijn sculpturen een zekere individualiteit mee te geven. Niet alleen dat maakt de collectie bijzonder - de beelden die een toerist nu van op het Paaseiland kan meebrengen, zijn naar verluidt immers veel kitscheriger. Maar ook de aanwezigheid van de bijna zes ton zware stenen kolos Pou Hakanononga zorgt er voor dat de Jubelparkverzameling speciaal is.

 

Deze 'God van de tonijnvissers', eveneens door de expeditie meegebracht, wijkt af van de gebruikelijke stenen beelden op het Paaseiland, de moai, waarvan even verder in de Jubelparkzalen een replica staat opgesteld. Pou Hakanononga is om te beginnen kleiner, heeft een veel ronder hoofd en werd vervaardigd uit basalt, een steensoort die minder gemakkelijk erodeert dan de tufsteen van de andere beelden. Wellicht werd de 'God van de tonijnvissers' door de expeditieleden uitgekozen omdat hij vlak bij de zeelijn lag in het dorpje Hanga Roa, op korte afstand van de ankerplaats van de Mercator. Zijn naam, bekend bij de toenmalige bevolking, dankt het beeld vermoedelijk aan het feit dat bij de plaats waar het indertijd stond opgesteld, de tonijnvangst meestal zeer behoorlijk was. Het moet heel wat moeite hebben gekost om Pou Hakanononga aan boord van de Mercator te hijsen. Het verhaal wil dat de kolos op een bepaald ogenblik pardoes in het water terechtkwam.

 

 

Kwamen ze uit de hemel?

 

75 jaar na zijn kidnapping naar de andere kant van de wereld, wekte Pou Hakanononga opnieuw de belangstelling van wetenschappers. Een team van het Jubelparkmuseum onder leiding van archeoloog Dirk Huyge toog in 2001 met steun van de National Geographic Society voor het eerst weer naar het Paaseiland. Niet om er opnieuw vondsten te gaan ophalen voor het Jubelparkmuseum - die komen nu gelukkig in het plaatselijke museum terecht. Wél om meer te weten te kunnen komen over de context van het beeld. Want in de jaren dertig van de vorige eeuw had men nagelaten om die grondig te documenteren. Huyge, die vooral in Egypte opgraaft, gaat er immers van uit dat de vele mysteries waarmee het Paaseiland graag wordt omgeven, voor een groot deel uit onwetendheid voortspruiten.

 

Al heeft de geïsoleerde ligging van het Paaseiland of Rapa Nui in de Stille Zuidzee uiteraard ook iets met die geheimzinnigheid te maken. Het heeft zelfs tot beweringen geleid als zouden 'extra-terrestials' de moai hebben opgetrokken. Het eiland, 'ontdekt' door Jacob Roggeveen op Paasdag 1722, ligt op drieduizend kilometer van de dichtst bijgelegen bevolkingscentra, Tahiti en Chili, land waartoe het Paaseiland momenteel staatkundig behoort. Toch is men het er ondertussen wel over eens dat de bevolking die de stenen beelden bouwde, niet uit de hemel kwam neergedaald, noch van Latijns-Amerikaanse afkomst was, zoals Thor Heyerdahl nog beweerde, maar wel van Polynesische origine. Over het precieze moment van hun overkomst is minder zekerheid: meestal wordt het jaar 400 vooropgesteld. "Men heeft houtskool gevonden die men in die periode dateert, maar die net zo goed afkomstig kan zijn van een natuurlijke bosbrand. Er bestaat wél zekerheid dat werktuigen die men aan de noordzijde van het eiland heeft gevonden uit de periode 800 - 1000 dateren," zegt Dirk Huyge. De typische moai op de grootste opgravingssites, zo weet men, moeten zijn gebouwd in de vijftiende - zestiende eeuw, het hoogtepunt van de megalithische cultuur op het eiland. Veelal beschouwt men ze als voorouderbeelden die de Rapa Nui in staat stelden om te dialogeren met hun voorouders, en die hen beschermden.

 

 

Speuren naar de context

 

Dat Roggeveen in 1722 nauwelijks nog een levende ziel op het eiland aantrof, wijt men nu onder meer aan een ecologische ramp vrij kort voor diens aankomst. Misschien door een lichte klimaatswijziging, maar bijna zeker ook door overbevolking, ontstond er een tekort aan hout op het eiland. Dat moet vroeger een weelderige begroeiïng hebben gehad, maar heeft nu een kaal, desolaat uitzicht. De overbevolking en het daarmee gepaard gaand voedseltekort moeten hebben geleid tot gewelddadigheden, een terugloop van het bevolkingsaantal en een veel ruwere samenleving.

 

Maar Huyge weerlegt dat het om een ecocide, een 'volkerenmoord' door een ecologische ramp, zou zijn gegaan. "Er kwam een andere, ruwere samenleving, die evenwel nog steeds functioneerde. Maar later zijn de inwoners als slaven meegevoerd naar Peru, waaronder de intelligentsia. De enkelingen die terugkeerden, brachten pokken mee, zodat er op een bepaald ogenblik maar een honderdtal overlevenden op Rapa Nui zijn gebleven." De moai die op het eiland door de eerste bezoekers achteraf werden aangetroffen, lagen overigens alle neer. Diegene die nu rechtstaan, zijn opnieuw rechtgezet voor de toeristen.

 

De archeologische speurtocht naar de context waarin Pou Hakanononga werd gevonden, is voor de Belgische wetenschappers intussen uitgegroeid tot een zoektocht naar de onbekende (bouw-)geschiedenis van Rapa Nui, naar de periode tussen 400 of 1000 enerzijds, de vijf­tiende en zestiende eeuw anderzijds. "We willen te weten komen wat er voorafging aan dat hoogtepunt van de megalithische cultuur in de vijftiende-zestiende eeuw. Pou Hakanononga is eerst bedolven geweest onder een nieuw, jonger bouwwerk, maar daarna door omstandigheden weer vrijgekomen. We vonden het stenen podium terug waarop het beeld eertijds heeft gestaan, en konden het met behulp van de radiocarboonmethode dateren in de late dertiende eeuw, of de daaropvolgende eeuw," vertelt Huyge. Het maakt de God van de tonijnvissers tot het oudste gekende beeld van het Paaseiland, wat misschien zijn afwijkende vorm verklaart. Verbeeldt hij ook een voorouder? En werd hij dan later een baken voor vissers die wisten dat de tonijn in zijn buurt rijkelijk aanwezig was?

 

 

Voorzichtige vragen

 

Het succes van die ene vondst zorgde er in ieder geval voor dat vanuit België een financiering voor vier jaar bijkomend onderzoek werd verstrekt. Dus trokken de wetenschappers de voorbije jaren enkele keren opnieuw naar Rapa Nui, om er op verschillende locaties terreinprospecties te doen. Aan de zuidkust van het eiland, in Viri o Tuki, vond men de funderingen van een ander cultusplatform, opnieuw uit het eind van de dertiende eeuw of de veertiende eeuw. Deze ahu bevond zich op een spectaculaire plek, aan de rand van een rotsklif dertig meter boven het niveau van de zee - en was begrijpelijkerwijs aan erosie onderhevig geweest. Op de oostelijke punt van het eiland, dat wordt gevormd door de vulkaan Poike, werd eind vorig jaar onder de overblijfselen van een platform uit de klassieke periode, opnieuw een ouder platform ontdekt. Het is nog niet helemaal gedateerd, maar vermoedelijk komen we weer in de dertiende-veertiende eeuw terecht.

 

In afwachting van de resultaten en uiteindelijk wellicht een monografie over deze oudere bouwfase, waagt Dirk Huyge zich wel al aan enkele voorzichtige vragen op basis van het onderzoek. Dat de Paaseilanders nieuwe platformen en nieuwe beelden plaatsten op oudere - zoals ook bij Pou Hakanononga het geval was - kan volgens hem op twee tegengestelde manieren worden geïnterpreteerd. Of men wou de prestaties van eerdere generaties uitwissen en de tijdelijkheid van het gewijde karakter van cultusplatformen en beelden aangeven. Of, en dat is even plausibel, moest de recyclage van het oude materiaal juist voor een religieuze continuïteit zorgen en een overdracht van waarden symboliseren. Misschien wordt de allerverste reis, wel die om de denkwereld van de oude Rapa Nui te bereiken.

 

Anne Brumagne

 


Illustraties

(u kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

De 'God van de tonijnvissers' wordt aan boord van de Mercator gehesen

Pou Hakanononga nu in het KMKG te Brussel

Hel team onder leiding van archeoloog Dirk Huyge: zoeken naar contexten op het Paaseiland

(Foto's: Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)


 

KLARA

Elke zaterdag en zondag tussen 7 en 10 uur kiest Herwig Verhovert voor u de opvallendste tentoonstellingen en culturele manifestaties waar u de volgende dagen naartoe kan. Elke week is er ook een reportage over een vaste collectie van een museum.

 

Europalia Rusland: Trans-Siberian Express

 

De Trans-Siberian Express is een mythische trein die sedert het einde van de negentiende eeuw Rusland doorkruist. Hij vertrekt in Moskou voor een reis van acht dagen: door de Oeral, dwars door de Siberische taïga, langs het Bajkalmeer, via de Amoerrivier tot Vladivostok. De treinreis is één grote ontmoeting tussen mensen, volkeren en culturen, tussen heden en verleden.

 

De Europaliatentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel illustreert dit traject, maar ook historische gebeurtenissen, religies, volksstammen en landschappen. De bezoeker reist langs exotische steden en streken en ontmoet onderweg Dostojevski, Tsjechov en Pasternak. Hij maakt kennis met sjamanistische en boeddhistische rituelen en geniet van de aparte sfeer in en rond de trein. (Uitzending 29 oktober 2005, tussen 7 en 10 uur)

 


Illustratie

Europalia Rusland, Trans-Siberian Express (Foto: Transportmuseum, Sint-Petersburg)


 

BELvue museum

 

In het historisch kader van wat ooit het Bellevue Hotel was, vertelt het volledig heringerichte BELvue museum de geschiedenis van 175 jaar België. Alle belangrijke gebeurtenissen passeren de revue: de strijd voor het algemeen stemrecht, de taalstrijd, beide wereldoorlogen, de recente staatshervormingen... Taboes zijn er niet. De mishandeling van de Kongolese bevolking onder Leopold II of de koningskwestie die het land aan de rand van een burgeroorlog bracht, komen aan bod.

 

De presentatie is opmerkelijk. De bezoeker heeft direct contact met unieke historische documenten, boeiende filmfragmenten en pakkende foto's. Samen geven ze inzicht in sociaal-economische, politieke en culturele ontwikkelingen, ontwarren ze de institutionele wirwar en belichten de rol van de monarchie. Kortom, de complete historie van een klein landje. Ter gelegenheid van het Feest van de Dynastie bezoekt Klara dit koninklijk kader. (Uitzending 13 november 2005, tussen 7 en 10 uur)

 


Illustratie

BELvue museum, volledig heringericht


 

JAKOB SMITSMUSEUM, Een stulpje in (het) Achterbos

 

Vele duizenden rijden er jaarlijks langs wanneer ze een dagje gaan zonnen of ontspannen in het Provinciaal Domein Zilvermeer in Mol. Het gehucht Achterbos had, net als vele andere parochies, een imposante pastorie naast de kerk en precies daar vond het Jakob Smitsmuseum onderdak. En ja, van die duizenden komen er toch wel enkelen verwijlen in dit ongemeen stemmig oord.

 

 

Bezielde medewerkers

 

In 1977 startte het Jakob Smitsmuseum met een bescheiden collectie van voornamelijk grafiek. Het werd opengehouden door een aantal bezielde en enthousiaste vrijwilligers, de Vrienden van het Jakob Smitsmuseum. Nu is het een gemeentelijk museum dat erkend werd door de Vlaamse Gemeenschap maar waar de Vrienden nog steeds aan de kar trekken. Ik mocht er kennismaken met een gedreven gewezen voorzitter, Ivo Verheyen, en zijn even geestdriftige opvolgster, Marina Nuyts. Ze zijn trots op hun werk, en terecht. Het museum kwam in de loop van vorig jaar ruim in het nieuws met een Goya-tentoonstelling die er mocht wezen. De pastorie werd in de loop der jaren opgeknapt en uitgebreid met een aanbouw, de tuin werd heraangelegd en is bijzonder uitnodigend. Het museum is een vriendelijk gebouw, op mensenmaat en helemaal niet kneuterig. Je kan er op een gemoedelijke manier het werk van die grote meneer, die Jakob Smits toch was, leren kennen.

 

 

Van Wenen en Rome naar Mol-Achterbos

 

Jakob Smits wordt geboren in Rotterdam op 9 juli 1855 in een welgesteld gezin. Zijn vader leidt een decoratiebedrijf met 150 personeelsleden. Jakob is de derde van vier kinderen en gaat studeren aan de Rotterdamse academie met de bedoeling om later in het ouderlijk bedrijf te werken. Hij doet dat een tijdje en reist dan naar Brussel waar hij drie jaar lang aan de academie studeert bij Joseph Stallaert en Jean Portaels. In 1876, terug in Nederland, wint hij een zilveren medaille op een tentoonstelling voor decoratieve kunst in Amsterdam. Twee jaar later vertrekt hij naar Duitsland voor een studie van twee jaar aan de Münchense academie. Hij is uitgeput en ziek en komt bijna kaal in 1880 naar Nederland terug. Hij herstelt en vertrekt naar Wenen om er eveneens aan de academie te studeren. Hij is er erg ontevreden over zijn werk en vernietigt het. Hij trekt verder naar Rome waar hij in de Sixtijnse Kapel Michelangelo kopieert. Geldgebrek dwingt hem terug te keren naar zijn vaderland en hij aanvaardt er een baantje als tekenaar bij een decoratiezaak. Dat bevalt hem niet echt en hij geeft er al vlug de brui aan.

 

In 1882 huwt hij in Den Haag met zijn rijke Friese nicht Antje Doetje Kramer. Zij woonde als wees in bij zijn ouders. Ze zijn beiden katholiek. Het paar vestigt zich in een statige woning in Amsterdam waar een ruim atelier wordt aangebouwd. Hier voert Jakob zijn eerste belangrijke opdrachten uit, zoals decoratieve figuurcomposities voor de hal van het Museum Boijmans in Rotterdam en ook voor het Teylers' Museum in Haarlem.

 

Precies één jaar na het huwelijk wordt op 25 mei 1883 zijn dochter Theodora geboren. Anderhalf jaar later ziet een tweede dochter, Annie, het levenslicht. Het huwelijk voldoet desondanks niet aan de verwachtingen en in gemeenschappelijk overleg besluiten de beide echtelieden uit elkaar te gaan. Smits wordt om den brode directeur van de Nijverheids- en Decoratieschool in Haarlem en vestigt zich in Blaricum, een dorp waar wel meer kunstenaars hun stek hebben. Zijn vriend Albert Neuhuys, een schilder van de Haagse School, woont hier ook en neemt hem mee op zijn omzwervingen in Drente en de Limburgse en Antwerpse Kempen. Zo leert Jakob Smits het gehucht Achterbos kennen. Hij is diep onder de indruk van het landschap én van de schrijnende sociale toestanden bij de boeren.

 

 

Arm maar werkzaam

 

In het voorjaar van 1888, hij is dan 32 jaar, koopt hij voor 2.000 frank met hypotheek, in Mol-Achterbos een boerenhuisje waar hij zich definitief vestigt. Het wordt de kern voor het latere Malvinahof. Hij is inmiddels ontgroeid aan het impressionisme van de Haagse School en zoekt zijn eigen weg. In datzelfde jaar huwt hij de tere en niet zo gezonde Malvina Dedeyn, dochter van een Ukkelse advokaat en cultuurschepen. Vader Dedeyn is niet echt opgetogen en onterft zijn dochter. In het landelijke Achterbos volgt nu een tijd van armoede, maar ook van intens werk en huwelijksgeluk. Er worden twee zonen en drie dochters geboren.

 

Het is pas na lange tijd van werken in stilte en teruggetrokkenheid dat Smits zich weer waagt aan een paar tentoonstellingen in Brussel. Het gaat om aquarellen en pasteltekeningen. Hij krijgt lovende kritieken in de kunsttijdschriften De Vlaamsche School en L'Art Moderne, maar hij verkoopt weinig. Hij behaalt een gouden medaille op de Internationale Tentoonstelling in München en in Dresden voor zijn Kempische aquarellen op goudgrond. In Mol is ondertussen een niet onbelangrijke schilderskolonie gevestigd met kunstenaars die voornamelijk uit het Antwerpse en het Brusselse afkomstig waren, maar ook Duitse kunstenaars zijn er gevestigd en Smits ontvangt tal van buitenlandse gasten zoals de Amerikaan William Sherwood en de Canadees Frederick Coburn. Van hen beiden maakt hij portretten.

 

Zijn tweede dochtertje is twee weken na de geboorte overleden, op nieuwjaarsdag 1899 overlijdt ook het derde dochtertje, amper één jaar oud. Een kleine week later overlijdt zijn vrouw Malvina. Ze wordt samen met hun dochtertje begraven. De talrijke portretten van Malvina getuigen van de innige liefde die hen bond. Hij toont werk in de tentoonstelling van La Libre Esthétique en maakt ook zijn eerste ets (Mater Amabilis I) in de hoop dat hij met de verkoop van etsen beter in het levensonderhoud van zijn drie kinderen zal kunnen voorzien.

 

 

Miskend en gehuldigd

 

In december 1900 neemt hij voor het eerst deel aan het Driejaarlijkse Salon van Brussel. De Belgische Staat koopt er, onder impuls van minister Beernaert, één van de drie geëxposeerde werken: Het Einde van de dag. Het werk kost 4.000 frank en behoort tot de verzameling van de Koninklijke Musea in Brussel. Smits is nu 45 jaar en in 1901 huwt voor de derde maal, nu met Josine Van Cauteren. Ze is een vrouw die van aanpakken weet, ze is een toegewijde pleegmoeder en staat haar man ook bij op zakelijk en praktisch vlak.

 

In juni van datzelfde jaar toont hij liefst 66 werken in het Kunstverbond in Antwerpen. Belangrijke kunstenaars als Meunier, Mellery, Laermans en schrijvers als De Mont, Verhaeren, Eekhoud en Lemonnier zijn vol lof. Alle kunsttijdschriften publiceren zeer positieve commentaren. Alleen de Antwerpse pers en de lokale academieprofessoren kunnen geen goed woord over hem kwijt. Gevolg: hij verkoopt niets. Het doek De vader van de veroordeelde wordt door de Antwerpse museumcommissie afgewezen, het wordt gelukkig later op het jaar door het Brussels museum aangekocht voor het niet onaardige bedrag van 6.000 frank. Het jaar daarop koopt ook het Gentse museum een werk van hem: Piëta, een aquarel op goudgrond, aankoopprijs 2.000 fr. Smits is ondertussen Belg geworden en krijgt in 1903 een onderscheiding. Zijn ouders zijn door diefstal geruïneerd en heeft hij sedert 1885 niet meer gezien. Hij neemt ze op in zijn gezin in het Malvinahof. Een maand later overlijdt zijn moeder.

 

In 1905 organiseert Meester Smits - want zo liet hij zich graag aanspreken - op vraag van het Molse gemeentebestuur een grote tentoonstelling van kunstenaars die in Mol en omgeving gewerkt hebben, liefst 68 kunstenaars nemen er aan deel. In 1910 geeft hij een bundel van 25 etsen uit, opgedragen aan koningin Elisabeth. Dirk Baksteen wordt in 1912 zijn leerling en assistent en blijft tot 1920 werken op het Malvinahof. In het voorjaar 1914 richt Kunst van Heden te Antwerpen een hulde-tentoonstelling in: Jakob Smits - Vincent van Gogh - Rik Wouters.

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wijdt Smits zich uitsluitend aan sociaal werk. Hij is voorzitter van het comité voor voedselvoorziening en hulpverlening van het kanton. Smits had in Duitsland gestudeerd en sprak vloeiend Duits. Hij zette zich hier echt voor in alhoewel hij zich niet echt verbonden voelde met de lokale bevolking. Zijn tussenkomsten worden evenwel sterk gewaardeerd en in 1919 wordt hij Officier in de Kroonorde. Na de oorlog zet de gewijzigde schilder­stijl, die zich al in 1912 had aangekondigd, verder door. Hij wordt in 1925 uitgebreid gevierd bij zijn zeventigste verjaardag. Kamiel Huysmans is hierbij aanwezig. Het Antwerpse museum krijgt het jaar daarop van de 'Vrienden van de Moderne Kunst' vijf schilderijen van Smits ten geschenke.

 

Op 15 februari 1928 overlijdt Jakob Smits in zijn woning. Hij wordt begraven op het kerkhof van Mol-Achterbos, George Minne maakt het grafmonument. Zijn geliefd Malvinahof wordt na de dood van zijn laatste vrouw, Josine, in 1956 verkocht.

 

 

Alle stijlen van Smits

 

Het Jakob Smitsmuseum brengt een goed overzicht van het oeuvre van deze soms zeer zelfingenomen kunstenaar, die zich altijd op een of andere wijze benadeeld voelde. Soms was dat terecht, veelal helemaal niet. Dat komt tot uiting in de uitgebreide correspondentie die door hem en andere kunstenaars en kunstliefhebbers werd gevoerd.

 

De verzameling van het museum is aangevuld met langdurige bruiklenen. Zo was het museum ooit het eerste buitenlands museum dat van het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen een bruikleen kreeg. Ook uit het KMSK in Antwerpen en van privé-verzamelaars zijn er bruiklenen. Op die manier kan men ook kennismaken met alle technieken die Smits heeft aangewend.

 

Het museum en de ploeg die het bezielt gaan de uitdagingen niet uit de weg. In 2002 realiseerden ze een tentoonstelling met etsen van Rembrandt en Smits, een erg boeiende confrontatie. En vorig jaar kwam dan de kroon op het werk met de tentoonstelling van Goya's Desastres de la guerra. Een ongetwijfeld beklijvend gebeuren in dit intieme museum waar je niet direct aan oorlogsgruwelen denkt wanneer je geconfronteerd wordt met het eerder ingetogen en naar binnen gerichte werk van Smits. Benieuwd wat ze voor een volgende tentoonstelling in petto houden. In het najaar verleent het museum uiteraard zijn medewerking aan de Smits-retrospectieve in het al even eigenzinnige Charliermuseum in Sint-Joost-ten-Node. In elk geval is een uitstap naar Mol-Achterbos echt wel de moeite waard.

 

Daan Rau

 


GEMEENTELIJK JAKOB SMITSMUSEUM 

Sluis 155 a 

2400 Mol

Open: van dinsdag tot en met zondag van 13 tot 17 uur

Tel. 014.31.74.35

www.info@jakobsmits.be

 

OVERZICHTSTENTOONSTELLING JAKOB SMITS (1855-1928) 

Charliermuseum 

Kunstlaan 16 

1210 Brussel

Tel. 02.220.28.19  

info@charliermuseum.be


Illustraties

Jakob Smits, Malvina met Baby, 1890
zwart krijt, 44,5 x 35,5 cm

Jakob Smits, De profeet Jona, 1880
aquarel, 64 x 49 cm

Jakob Smits, Mater Amabilis, 1895
aquarel, dekverf, krijt en bladgoud, 65 x 55 cm.

Jakob Smit, Kempens landschap, 1927
olie op doek, 93 x 97,5 cm

Jakob Smit, Schetsen op binnenzijden v/ schetsboeken, (zd)
zwart & rood krijt, 25.5 x 19.5 cm

Jakob Smit, De Kempen, (zd)
ets, 38 x 49.1 cm

Jakob Smits, Vrouw aan de wastobbe, 1886
olie op paneel, 41 x 33 cm

Joseph Bouuaert, Portret van Jakob Smits, 1927
olie op doek, 46 x 55 cm


 

HERFSTTIJD: EUROPALIATIJD

 

 

Europalia.russia zal in de komende maanden onze culturele honger ruimschoots stillen. Een regelrechte invasie mag het heten, niet door de gevreesde pletwals, wel door een bont, exotisch gezelschap. U bent gewaarschuwd: 'De Russen komen er aan!' Hou cliché's en agenda's alvast in de aanslag.

 

Het cultureel herfstfestival Europalia is aan zijn twintigste uitgave toe. Europese naties, grote en kleine, kregen de kans het beste van zichzelf te tonen. Zelfs Mexico en Japan waren te gast. En nu is Rusland aan de beurt, eindelijk. Niet dat de initiatiefnemers van het festival deze geografische gigant tot nog toe over het hoofd zouden gezien hebben. Er werden al lang pogingen ondernomen, maar die stuitten op onoverkomelijke moeilijkheden. Maar de tijden zijn ten goede veranderd.

 

Kristine De Mulder, directeur-generaal van Europalia International, is ervan overtuigd dat het uitstel een goede zaak was: "Er zijn nu dingen mogelijk die een paar jaar geleden nog ondenkbaar waren. De wil is er en gelukkig het geld ook. Ja, de Russen zijn er klaar voor." Op mijn vraag of deze Europalia een gewone jaargang wordt of een grand cru laat het antwoord niet op zich wachten: "Een grand cru, ongetwijfeld." Of de samenwerking vlekkeloos verloopt? (na een heel korte aarzeling) "Ze zijn enorm positief ingesteld, geestdriftig zelfs. Soms vraagt het wat aanpassing, maar je hoort mij niet klagen." Dat wat de sfeer betreft, nu de programmatie nog.

 

 

Een droom van een trein

 

Kwantitatief wordt het alvast weer één van die Europalia's waar je ogen en tijd tekort komt. Harde tijden voor twijfelaars en trage beslissers. De toon wordt natuurlijk gezet met de tentoonstellingen. Het zijn er meer dan twintig. Een enorm land, dus een enorm aanbod, zou je zeggen. Kristine De Mulder: "Ja maar een weinig bekend land voor ons, veel minder dan bijvoorbeeld Italië, ons vorig gastland. We hebben dus gekozen voor een mix van vertrouwde dingen en ontdekkingen, heel letterlijk." En ja hoor, mij wordt het grondplan voorgelegd van de tentoonstelling Trans-Siberian Express die in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel wordt opgebouwd.

 

Uiteraard wordt hier vertrokken van een huizenhoog cliché, stenografisch en inhoudelijk uitgediept door een aantal oerdegelijke dromers waaronder François Schuiten en Eric De Kuyper. Maar de Mythe met een grote M wordt opengetrokken tot een ontdekkingstocht door een onme­telijk land waarvan wij slechts het uiterst westelijk puntje een beetje kennen. De Transsiberische spoorlijn, 9.289 km lang (een rit van zeven dagen), is de rode draad van deze ontdekking. De bezoeker is een reiziger. Van bij het begin bestaat daar geen twijfel over. De museumruimte is een stationshal geworden, met de eigen architectuur en de onvervalste sfeer. De trein staat klaar - geen maquette, de echte - en de reizigers stappen in. Via een twintigtal stations wordt een aantal uiteenlopende facetten van het land bezocht, blootgelegd, verkend, beluisterd (schrappen wat niet past). Cliché en realiteit zijn broederlijk verenigd. Film, literatuur, kunstwerken, documenten, beelden, souvenirs, cultusvoorwerpen, muziek, diorama's, noem maar op. De exploratie is niet onder één noemer te vangen. Zij is zowel etnografisch, cultureel, toeristisch, religieus als natuurhistorisch. Naargelang de halte, verspringt het accent: Dostojevski te Omsk, de laatste dagen van Nikolaas II in Ekaterinburg, de sjamanen in Novosibirsk, fauna en flora van het Bajkalmeer, de taïga. Rusland in vogelvlucht, beleef het in de trein!

 

 

Bozar: Metro en Paleis

 

Stellen dat die ene tentoonstelling alle andere overbodig maakt gaat natuurlijk wat ver, maar zij dekt de Europalialading op voortrefelijke wijze. Een festival heeft natuurlijk behoefte aan meer dan één blikvanger. Het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel schotelt er ons meteen twee voor. Als eerste Van Tsaar tot Keizer. Hier krijgen wij een overzicht van drie eeuwen Russische cultuur en geschiedenis van Ivan de Verschrikkelijke tot Catharina de Grote, schittering verzekerd.

 

Het tweede parcours in Bozar brengt onder de titel Avant-garde in Rusland 1900 - 1935 een breed panorama van de vernieuwende tendensen in de Russische kunst, van fauvisme tot constructivisme. De tentoonstelling is een gedurfde première, op meer dan één vlak. Het panorama wordt erg breed gezien en begint bij het verzet van kunstenaars tegen het naturalisme en het symbolisme met onder meer het opkijken naar figuren als Cézanne of Matisse, maar ook door een bewust teruggrijpen naar de volkskunst of het neoprimitivisme. De eerst tendens kennen wij enigszins, de andere al veel minder.

 

De grote namen zijn uiteraard allemaal present, zoals Gontsjarova en Larionov, Filonov, Malevitsj, Tatlin, Rodtsjenko, Pevsner en tal van anderen. De voorstelling is caleidosco-pisch, niet enkel interdisciplinair, maar ook met een bredere kijk op andere cultuuruitingen op het bewuste tijdstip. Daarom is het ook uitkijken naar het einde van het verhaal, vermits 1935 als einddatum gesteld is en dat op dat moment het socialistisch realisme al drie jaar tot cultureel dogma verheven is. Bozar doet zijn voornaam van paleis alle eer aan. Tsaren horen daar thuis, maar ook de allergrootste culturele revolutionairen van het constructivisme.

 

 

Sovjetkunst door een mildere bril

 

De sovjetkunst wordt niet uit de weg gegaan. Niet minder dan drie belangrijke tentoonstellingen zijn aan enkele aspecten ervan gewijd. Het Centre de la gravure et de l'Image imprimée te La Louvière toont een vijftigtal affiches Sovjetpropaganda 1930-1945, kleurrijke en beweeg­lijke creaties vol positieve opgewektheid bij het ophemelen van het socialistisch maatschappijmodel en vol karikaturaal sarcasme in de strijd tegen het fascisme.

 

Sovjetidealisme. Schilderkunst en film 1920-1939 in het Musée de l'Art Wallon te Luik lijkt uit hetzelfde vaatje te tappen, maar vestigt toch meer de aandacht op de boodschap dan op de stijl (die is onvermijdelijk het socialistisch realisme). Klef maakwerk zou het kunnen zijn, maar het resultaat valt mee. De alledaagsheid wordt boven zichzelf uitgetild, tot een geïdealiseerde en heroïsche uitvergroting van een beleefde ideologie. Dezelfde boodschap werd via de film uitgedragen. Daarom staan fragmenten uit klassieke sovjetfilms in wisselwerking met de schilderijen. Was het Lenin niet die stelde dat film 'de belangrijkste van alle kunsten' was?

 

De derde sovjettentoonstelling is wellicht de meest verrassende: De 7 Torens van Moskou 1935-1950 in Le Botanique te Brussel. De tweeënvijftig reusachtige tekeningen van megalomane architectuur die er getoond worden, lijken zo weggelopen uit een boek van François Schuiten. De titel herinnert dan weer aan E.P. Jacobs. Maar die torens staan er echt. In Moskou kan je er niet naast kijken. Vadertje Stalin heeft ze als een krans rond de oude stad laten bouwen, als een blijvende monumentale hulde aan het systeem (en uiteraard aan zichzelf). De gekozen stijl moest degelijkheid en voornaamheid uitstralen en was bedoeld als tegenhanger van de westerse wolkenkrabbercultuur. De torens of 'vysotky' kwamen niet zo maar tot stand. Er werden wedstrijden uitgeschreven, plannen van diverse pluimage getekend, hertekend, goedgekeurd of afgekeurd. Het kon gebeuren dat een bouwsel niet aan de verwachtingen vol­deed, dan werd het gewoon afgebroken en werd er opnieuw begonnen. De tekeningen die dankzij Europalia getoond worden, werden grondig gerestaureerd. Het zijn pareltjes van precisie die van een haast maniakaal vakmanschap getuigen. Zij verlaten voor het eerst het Moskouse Sjtsjoessev Museum voor Architectuur. Een niet zo populair museum, maar, als ik de enthousiaste beschrijving van Kristine De Mulder moet geloven, een goudmijn voor al wie belangstelling heeft voor architectuurgeschiedenis, met een heel aparte sfeer. En weer denk ik aan François Schuiten.

 

 

Van Rusland tot Brusland

 

Het verleden toont zijn schatten, van De Hunnen, een uitstap in de Oudheid, via het door de avant-garde verketterde Symbolisme (zo verderfelijk mooi), de haarscherpe opnamen van Meesters van de negentiende-eeuwse fotografie tot de verblindende hebbedingen van Fabergé juwelier van de Romanovs. Enkel het post-stalintijdperk en de nadagen van het sovjetimperium lijken niet in de gunst te staan. Gebrek aan kwaliteit of onverwerkt verleden? Sporen ervan tref je wel aan in het werk van de fotograaf Sergej Bratkov in het SMAK te Gent. Zijn realistische stijl draagt duidelijk nog de sovjetstempel. Daar kan en wil hij zich niet van ontdoen, wel integendeel. Hij hekelt de propagandistische benadering van binnen uit. De helden die hij uitbeeldt zien er zielig uit. Maar evenzogoed sneert hij naar de stereotypen waarmee de kapi­talistische massamedia ons overspoelen. Met Bratkov zijn wij bij het hedendaagse luik van het aanbod beland.

 

Kristine De Mulder: "Dat moest er uiteraard komen en gelukkig waren onze Russische gesprekspartners daar ook dadelijk van overtuigd. En hier is ook gestreefd naar een gevarieerd aanbod." Een kunstenaarsparcours te Brussel krijgt van mij alvast de palm van de origineelste titel: Brusland. In het Frans klinkt het ook niet slecht: Brussie.

 

Qua eigenzinnigheid is het zeker uitkijken naar Katarina Prospekt, een project van het ontwerpersduo A.F. Vandervorst in het ModeMuseum te Antwerpen. An Vandervorst en Filip Arickx verwerken in hun creaties de gangbare clichés over Rusland, zoals er zijn: de matroesjka, de wodka, de bontmuts, de Wolga (niet de machtige stroom, wel de robuuste auto), niet om ze te bevestigen, wel als uitnodiging om er doorheen te kijken naar het echte Rusland. Daarvoor kregen zij onbeperkt toegang tot de textielafdeling van het Staatshistorisch Museum van Moskou, waar ze wel een beetje overdonderd waren, maar toch met blind vertrouwen het project steunden.

 

Angels of History. Het Moskous conceptualisme en zijn invloed in het MuHKA te Antwerpen slaat een brug tussen de kunst die zich in de sovjetperiode tegen de dwingelandij van het socialistisch realisme afzette en de hedendaagse kunstscène. Met enige fierheid wordt naar die 'tweede avant-garde' opgekeken. Jonge kunstenaars trekken zich op aan modellen van eigen bodem.

 

Europalia is uiteraard ook muziek, film, dans en literatuur. Het programma oogt hier ook weer indrukwekkend. Je pikt er uit hetgeen je hebben wil. Het cliché komt altijd wel om de hoek gluren, maar alternatieven zijn ruimschoots voorhanden. Oom Vanja kán of het Zwanenmeer door het Bolsjoj, maar meerwaardezoekers-met-de-fijne-neus kiezen wellicht voor Nevsky Prospekt door de poppen van Theater Potudan of voor een eigenzinnige interpretatie van Ilias-Zang XXIII door de Moscou Theatre School of Dramatic Art. En als tijd geen punt is, dan is het verzamelen geblazen in Studio 4 van het Flageygebouw voor de integrale voorstelling van Oorlog en Vrede van regisseur Sergey Bondarchuk, een filmmarathon van driehonderd drieënzeventig minuten, weliswaar onderbroken door een pauze met buffet. Het worden drukke en lange dagen. Zoveel is duidelijk.

 

Rik Sauwen

 


Illustraties

Van tsaar tot keizer, Tsaar Aleksey Mikhailovich, 1670-1680
Staatshistorisch Museum, Moskou

Trans-Siberian Express, Moskou-Vladivastok

Avant-garde in Rusland (1900-1935), Kazimir Malevitsj, Koe en viool
Russisch Nationaal Museum

Karl Fabergé, (1846-1920), Juwelier van de Romanovs, Laurierboom
Stichting The Link of Times

Symbolisme in Rusland, Viktor Borisov-Musatov
Regionaal Kunstmuseum, Ivanova

Langs de Volga, Meesters van de 19de-eeuwse Russische fotografie, V. Karrik, De Pelgrim, 1870
Nationale Bibliotheek van Sint-Petersburg

De Hunnen, Riemplaten
Museum van het Buryat Wetenschappelijk Centrum

De zeven torens van Moskou (1935-1950), B. Iofann, Paleis van de Sovjet
Sjtsjoessev Museum van Architectuur, Moskou

Sergey Bratkov (°1960), Moskou, Regina Gallerie

Street, Art and Fashion. Actuele Russische fotografie, Chernichova
Huis van de Fotografie, Moskou

Sovjetpropaganda, (1930-1945), Korablev, Kameraad, vervoeg onze kolchoz

(Foto's Europalia Rusland)


 

ONTROEREND GOED

 

 

Het Fonds voor Roerend Cultureel Erfgoed werd in 1987 in het leven geroepen door de Koning Boudewijnstichting om belangrijke elementen van ons nationale erfgoed te verwerven, conserveren en ontsluiten. Achttien jaar later beschikt het Fonds over een indrukwekkende verzameling van ontroerend mooie objecten en een virtuele vitrinekast om ze in uit te stallen.

 

 

Kopen om te tonen

 

Hoewel de werking van het Fonds voor Roerend Cultureel Erfgoed in bepaalde opzichten doet denken aan het Topstukkendecreet - een initiatief van Vlaams Minister van Cultuur Anciaux waarmee hij het belangrijkste roerend cultureel erfgoed met bijzondere betekenis voor de Vlaamse Gemeenschap in Vlaanderen wil bewaren en beschermen - ambieert de Koning Boudewijnstichting meer dan de verwerving en eventuele restauratie van eigen kunst door de eeuwen heen.

 

Voor het Fonds is het eigenlijke verzamelen immers ondergeschikt aan het breed toegankelijk maken van dit erfgoed. Daarom verdwijnen hun stukken niet in depots of kluizen, maar worden ze telkens in permanent bruikleen gegeven aan musea, bibliotheken en andere bewaarinstellingen. Zo wordt hun meest recente aanwinst - de Art Nouveau kamerschermen van Paul Hankar - momenteel tentoongesteld in een expositie van het Belvue museum over Hankar als interieurarchitect. Na afloop krijgen de schermen een permanente stek in het Gentse Design Museum.

 

 

Nationale topstukken

 

Dat het Fonds voor Roerend Cultureel Erfgoed al bijna twee decennia lang Belgische kunstwerken van topniveau binnen de landsgrenzen houdt, wordt in 2007 gevierd met een retrospectieve waarin de resultaten van haar aankoopbeleid zullen worden getoond. Wie de deuren van deze schatkamer nu al wil opengooien kan hiervoor terecht op hun nieuwe webstek die gemakshalve de bondige naam Roerend Erfgoed kreeg. Hiermee kiest men bij de Stichting na tentoonstellingen, catalogi, CDroms en video's voor een hedendaagse vorm van ontsluiting. Omdat deze webstek viertalig is kunnen buitenlandse bezoekers eveneens in het Frans, Duits of Engels kennismaken met onze nationale topstukken.

 

Op Roerend Erfgoed worden alle aanwinsten gepresenteerd in zeven thematische rubrieken: Archeologie, Renaissance, Barok en achttiende eeuw, negentiende en twintigste eeuw, Archieven, Manuscripten en Muziek. Dit brede spectrum kan althans gedeeltelijk verklaard worden doordat het Fonds vaak aankopen doet op aanvraag van musea, archieffondsen, bi­bliotheken, universiteiten of wetenschappelijke instellingen. Concreet betekent dit dat hun roerend erfgoed varieert van een Gallische muntschat uit Thuin, over een Mechelse gildebreuk en handgeschreven documenten betreffende de industriële revolutie in Luik tot een collectie moderne kunst.

 

 

Prova-Car

 

Hiertoe beschikt het Fonds over een aankoopbudget van 500.000 euro. Een aanzienlijk kapitaal maar gezien de situatie van de huidige kunstmarkt - de Prova-car van Panamarenko werd onlangs nog door Christies geveild voor 200.000 Britse pond - geen vetpot. Daarom worden deze beperkte middelen slechts aangewend voor werken met een grote symboolwaarde die het grote publiek vanuit historisch of esthetisch oogpunt aanspreken of voor initiatieven die andere instanties niet of moeilijk kunnen verwezenlijken. Daarnaast slaagt het Fonds erin om ook via giften, schenkingen en legaten meesterwerkjes voor toekomstige generaties veilig te stellen. Het zilveren sierstel van Rubens - vandaag te bewonderen in het Rubenshuis - is slechts één voorbeeld van filantropie.

 

Dit pronkstuk wordt met verschillende foto's langs alle kanten voorgesteld op Roerend Erfgoed, maar voor de echte liefhebber zal dit misschien niet volstaan. Vooral het verfijnde zilverreliëf of de delicate verluchtingen van het Getijdenboek van Reynegom, ook al een gift, zouden gebaat zijn met grotere beelden of uitvergrootte details, maar een dergelijke functionaliteit is op de webstek niet aanwezig.

 

 

Wallpaper

 

Naast de beelden hoort er bij elk getoond object achtergrondinformatie, die soms beknopt, soms zeer uitgebreid kan zijn. Af en toe bevatten de teksten ook trefwoorden die toegang geven tot bijkomende toelichtingen of een beknopt bibliografisch overzicht. Hoewel niet altijd even consequent toegepast en sterk variërend naar inhoud, loont het meestal de moeite deze links aan te klikken.

 

Leuke extra's voor de cultuurminnende mens zijn de digitale prentbriefkaarten en de 'wallpapers'. Dit zijn beelden die kunnen gedownload worden om vervolgens als achtergrondbeeld op uw computer geplaatst te worden. Het aanbod wisselt zodat u elk seizoen wel een passend beeld kan vinden. Wie nog meer informatie wil of zweert bij een boek vindt op Roerend Erfgoed ook een lijst met al hun - overigens democratisch geprijsde - publicaties, alsook de links naar het bestelformulier.

 

 

Expo Catteau

 

Een echte aanrader zijn de inventarissen die het Fonds via haar webstek toegankelijk maakt. Voorlopig zijn het er slechts twee, maar het Fonds heeft de ambitie om in de toekomst nog meer collectie-overzichten via dit kanaal te verspreiden. Afgaande op het reeds toegankelijke en veel geconsulteerde collectie-overzicht van de vazen van Charles Catteau is dit goed nieuws. Want rond het oeuvre van deze ceramist bouwde het Fonds een knappe virtuele tentoonstelling die de afgelopen jaren enkel via de webstek van de Koning Boudewijnstichting te consulteren was. Nu krijgt u ook toegang via de Inventaris-rubriek van Roerend Erfgoed. De drie zoektoegangen - decor-, vorm- en inventarisnummer - zijn niet geschikt voor Catteau-leken, maar met behulp van pijltjes kan er ook vrijblijvend doorheen de verzameling gebrowsd worden. Misschien herkent u wel een erfstuk van oma?

 

Eva Wuyts

 


De webstek van het Fonds voor Roerend Cultureel Erfgoed vindt u op www.roerend-erfgoed.be
Voor bepaalde onderdelen wordt u doorgelinkt naar de site van de Koning Boudewijnstichting op www.kbs-frb.be
Dit artikel en de bijbehorende links kan u ook terugvinden op www.tento.be.


 

DE MUSEUMGIDS VLAANDEREN & BRUSSEL: 400 Musea in één boek

 

En als we eens een nieuwe museumgids zouden maken... Het idee ontstond een half jaar geleden. Vandaag ligt De Museumgids Vlaanderen & Brussel, uitgegeven door Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, in de winkel.

 

 

Alle musea, groot en klein

 

Het was lang wachten op een actueel en volledig overzicht van de musea in Vlaanderen en Brussel. De laatste editie van Museumgids. Van Oostende tot Maaseik, een uitgave van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dateert van 1997. Nu heeft Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen de klus geklaard.
De eerste vraag die zicht stelde, was: welke musea krijgen een plaats in de gids? Want Vlaanderen en Brussel bezitten honderden musea. Het is een bont gezelschap: van grote gerenommeerde instellingen tot piepkleine heem- en volkskundige musea. En de collecties zijn al even divers: van schone kunsten tot witloof, van muziekinstrumenten tot sleutels. Na wikken en wegen werd beslist ze allemaal op te nemen en alleen een onderscheid te maken in het voor het publiek toegankelijk zijn van de musea (toch een belangrijk criterium voor een organisatie als Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen). Musea die meer dan twee dagen per week open zijn, krijgen een volledige bladzijde. De andere - ook zij die tijdelijk gesloten zijn - zijn gemakkelijk terug te vinden in overzichtelijke lijsten.

 

Eenmaal deze krijtlijnen getekend, startte het in kaart brengen van de musea. OKV deed daarvoor een beroep op zijn website www.tento.be en op vele andere bronnen. De lijsten werden ter controle voorgelegd aan de provinciale museumconsulenten. Met hun aanvullingen en correcties werd de selectie definitief.

 

 

Boordevol informatie en toch toegankelijk

 

Het is een monnikenwerk waar het OKV-team en vele vrijwilligers zes maanden geleden aan begonnen. De musea kregen een formulier toegestuurd dat de nodige informatie verzamelde: officiële naam, adres, telefoon- en faxnummer, e-mailadres, website, openingsuren, toegangsprijzen, reducties, bereikbaarheid met openbaar vervoer. Ook naar de dienstverlening werd gepolst: museumshop, kindvriendelijkheid, groepsbezoek, bibliotheek, audio-gidsen, toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers, cafetaria. De antwoorden van de musea vulden honderden mails en ettelijke postzakken. Veel inspanning was nodig om de achterblijvers over de streep te halen en om twijfels (bijvoorbeeld over de juiste halteplaats van een tram of bus) weg te werken.

 

Ondertussen schreef Patrick De Rynck voor elk museum een boeiende stukje dat de lezer laat kennismaken met de collecties, telkens afgesloten met een bijzonder weetje. Deze voorstellingsteksten, geïllustreerd met een sprekende foto, en de zorgvuldig verwerkte praktische gegevens werden dan opnieuw voorgelegd aan de musea. Opnieuw stond de telefoon roodgloeiend, stroomden de e-mails toe en bracht de postbode bergen gecorrigeerde formulieren.

 

Dan was het tijd om de zoekindexen te maken. Om het de lezer gemakkelijk te maken in het enorme aanbod, zijn er indexen op museumnaam, plaatsnaam en inhoud van de collectie. Bovendien bevat De Museumgids kaartjes per provincie. Tenslotte werd alles in een aantrekkelijk vormgegeven fris kleedje gestopt.

 

Mark Vanvaeck

 


De Museumgids Vlaanderen & Brussel van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen telt 352 bladzijden en bundelt meer dan 400 musea. OKV-abonnees kunnen de gids aanschaffen voor € 6,00 voor België en € 13,80 voor Nederland (inclusief verzendkosten) per exemplaar (winkelwaarde € 15.00). Bestellen kan door storting op rekening 448-0007361-87 (België) of 135.20 (Nederland) van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen met vermelding van 'Museumgids'. Men zegge het voort!  Voor nieuwe OKV-abonnees: abonnement plus een exemplaar van De Museumgids (inclusief verzendkosten) slechts: € 33,00.


 

BRUSSEL: ART NOUVEAU EN DESIGN - De melodie van het object

 

 

In de tentoonstelling 'Art Nouveau & Design' rijgen hoogtepunten zich moeiteloos aan elkaar. Absolute smaakmakers zijn de pronkstukken van Victor Horta en Henry van de Velde. En verder zien we hoe dit magische hoogtepunt nooit meer werd geëvenaard.

 

 

Werner Adriaenssens, conservator van de afdeling art nouveau van het Jubelpark-museum, kan er honderduit over praten. Hij heeft de rotslechte relatie tussen de twee reuzen - Horta en Van de Velde - bestudeerd en kent hun scheldproza als zijn broekzak. Adriaenssens: "Horta was jaloers op het internationale succes van Van de Velde en beschouwde de kunst­schilder een beetje minachtend als een decorateur." Het verschil tussen de twee titanen? Adriaenssens: "Horta was een trendsetter, zocht altijd naar vernieuwing. Hij speelde in op de vraag van de rijke, progressieve elite van het jonge België, die snakte naar een nieuwe stijl waarmee ze zich kon identificeren. Van de Velde was meer een theoreticus. Hij besefte dat vernieuwing brengen werk van lange adem was, waarvoor eerst en vooral een basis moest gelegd worden in het kunstonderwijs. Voor dat kunstonderwijs heeft hij zich voluit ingezet, zowel in Duitsland als in België met de oprichting van de Brusselse kunstschool Ter Kameren."

 

In de tentoonstelling merk je tal van stilistische verschillen. Horta lijkt frivoler en sierlijker dan Van de Velde. Wellicht heeft dat te maken met Horta's scholing als architect waardoor hij goed vertrouwd was met de Franse stijl. De zwier van rococo sprak hem erg aan. Van de Velde echter werkte in een strakkere en sobere trant. Zijn vormgeving was vooral het resultaat van een theoretisch uitgangspunt: lijnen verhouden zich tot elkaar zoals noten zich tot elkaar verhouden om een melodie te vormen. Kortom, een object creëerde hij als een melodie met de juiste verhouding tussen de lijnen. Zijn kandelaar in de tentoonstelling is daar een subliem voorbeeld van.

 

 

Nieuwe rijken

 

Na de geslaagde inzending voor de Internationale tentoonstelling van Turijn in 1902, die nu voor een deel in het Jubelparkmuseum te zien is, ging het voor Horta wat zijn roem betreft bergafwaarts. Van de Velde kreeg meer buitenlandse opdrachten en genoot daardoor wereldfaam. Vooral in Duitsland werd hij op de handen gedragen. Hij ging er zelfs wonen, eerst in Berlijn later in Weimar. Het werkterrein van Horta bleef goeddeels beperkt tot België. Adriaenssens: "Je kan gerust zeggen dat het merendeel van Horta's oeuvre zich in Brussel bevindt en dan nog hoofdzakelijk in een bepaalde wijk. Ik denk dan aan de huizen van Solvay, Tassel en Aubecq, ze liggen niet ver van elkaar. Horta speelde in op de vraag van een fenomeen en mikte op de behoefte van de nieuwe rijken: industriëlen, advocaten, vrijzinnige professoren. De art nouveau gaf antwoord maar kon noch in Frankrijk noch in België bij het grote publiek op applaus rekenen. Daarvoor was art nouveau te duur omdat er veel handwerk aan te pas kwam."

 

Volgens de conservator schuilt hier het grote verschil tussen Henry van de Velde en Horta. Laatstgenoemde was een rusteloze ziel, schilder van opleiding die naast architectuur zich ook inliet met grafische vormgeving. Van de Velde ontwikkelde een discours, een visie en zag het belang ervan in om kunst en industrie op grote schaal te verbreden. Vandaar dat hij sterk de nadruk legde op het onderwijs om een brug te forceren. Adriaenssens: "De visie van Van de Velde vond in Duitsland een gretige voedingsbodem. We mogen hem in die zin zeker beschouwen als de grondlegger van het Bauhaus. De perceptie van Van de Velde is in Duitsland dan ook anders dan bij ons. Het feit dat van de Velde zich als theoreticus ontpopte maakte hem wijd en zijd bekend. Hij deed voortdurend aan herbronning en zijn houdbaarheidsdatum was bijgevolg van langere duur dan Horta."

 

 

Verdachtmaking

 

Het internationale succes van de Vlaming Van de Velde was voor de Franstalige Horta een kwalijke doorn in het oog. In 1922 circuleerde het plan om Van de Velde tot commissaris te benoemen van het Belgische paviljoen op de grote prestigieuze tentoonstelling voor decoratieve kunsten in Parijs (1925). Horta schreef een nota waarin hij Van de Velde verdacht maakte omdat die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Duitsland verbleef. Enkele kunstenaars en critici schaarden zich achter de duivelse nota. Gevolg: Van de Velde greep naast de benoeming en het Belgische paviljoen van 1925 werd, jawel, ontworpen door Horta. Na de Tweede Wereldoorlog heeft dezelfde groep andermaal geprobeerd om Van de Velde van collaboratie te beschuldigen. Maar hun klacht werd niet ontvankelijk verklaard. In elk geval was voor Van de Velde de maat vol: hij verliet België en ging voorgoed in Zwitserland wonen.

 

Net zoals het met de art nouveau verging, zo ook zal na de Wereldoorlog I het modernisme uitsluitend voorbestemd zijn voor een elite. Adriaenssens: "De Cubexkeuken van Louis Herman De Koninck (1930) is zowat het enige commerciële succes van het modernisme in ons land. Dergelijke keukens vond je veelal in de chique en burgerlijke appartementen langs de Louizalaan. Ze waren praktisch, maar het modernisme zie je niet of nauwelijks in de salons. Het salon was er om te pronken, om mensen te ontvangen en dus het uitgelezen deel van de woning om je rijkdom te etaleren. Art deco sloot terug aan bij de traditie en was het Franse antwoord op de Duitse decoratieve kunst."

 

 

Ensemblier

 

De breuk die de art nouveau had gemaakt met het verleden was de oorzaak van de faling. Het eerherstel van de Franse traditie beperkte zich niet alleen tot de stijl, ook technisch werd het doorgevoerd. Fijn meubelwerk, rijkelijk gedecoreerde stoffen en gobelins werden opnieuw gewaardeerd. Naar Duits voorbeeld ontstond hét fenomeen van de jaren twintig: de ensemblier. In het perspectief daarvan kregen lampen, meubels, vloerkleden en allerhande accessoires hun gewicht in het interieur.

 

De samenstellers van de tentoonstelling hebben de Luikenaar Marcel-Louis Baugniet wel heel erg op de voorgrond geplaatst als grote gangmaker van de art deco. Een tikkeltje van het goede teveel. De man pikte in op het modernisme maar als zakenman kon hij de radicale koers van de nieuwe lichting zich niet veroorloven. Zo ontwierp hij modernistische kasten à la Cubex voor de woonkamer maar ving hij bot. Zijn creatie uitgevoerd door Cambier in Ath, kon hij aan de straatstenen niet kwijt.

 

Baugniet moet bijgevolg concessies doen ten aanzien van het koperspubliek. Wie de schilderijen van Baugniet onder ogen ziet, komt precies hetzelfde verhaal tegen. Zijn kubistische vormentaal is een flauw schijnsel van wat Bracque en Picasso ooit uit hun kwast hadden getoverd. In tegenstelling tot Baugniet bezit het werk van Huib Hoste meer modernistische trekken. Maar ook hier geldt enige restrictie omdat zijn kleurtoepassing niet zoals bij Mondriaan gedragen wordt door een theorie maar eerder gevoelsmatig is ingegeven.

 

 

Ambitieus

 

De tentoonstelling Art Nouveau en design omvat meer dan vierhonderd stukken die de ontwikkeling van de decoratieve kunst in België van 1830 tot 1958 in beeld brengen. Het is de bijdrage van het Jubelparkmuseum tot de viering van 175 jaar België. Het klinkt erg ambitieus. Maar die ambitie weten ze in Brussel niet helemaal waar te maken. Terwijl de art nouveau de grote smaakmaker van het gebeuren is, verdwijnt al hetgeen nadien gekomen is zo goed als in het niets. Massaconsumptie en vrije tijd hebben zo te zien een grote verschraling met zich meegebracht. In de naoorlogse jaren wordt niet alleen de architectuur eenvoudiger ook het interieur. "Laten we de rust er in houden," schreef Paul Smekens in Interieurkunst, een publicatie uit 1946. Naoorlogse trefwoorden in die dagen zijn soberte en harmonie en bovenal weerklinkt een moreel besef. Uit die tijd stamt bijvoorbeeld de uitdrukking 'een eerlijk product'.

 

Ook maatschappelijke bekommernis is steevast aan de orde en komt in de jaren vijftig tot uiting in nieuwe begrippen als 'het moderne sociaal meubel' met als protagonist Adelbrecht Van de Walle. Deze architect-kunsthistoricus organiseerde tussen 1955 en 1957 drie maal het Nationaal Salon voor Modern Sociaal Meubel in het Gentse museum voor Sierkunst. Met Expo 58 verdwijnt het sociale en staat de 'industrial design' voor de deur. Het begrip was zowel voor de bedrijfswereld, de ontwerpers als voor de overheid nog goeddeels onontgonnen terrein. Het zou duren tot in 1963 toen in Brussel een Design Centre werd opgericht.

 

Philip Willaert

 


ART NOUVEAU & DESIGN 1830-1958 (2005)

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis 

Jubelpark 10 

1000 Brussel

Tel. 02.741.72.11  

www.kmkg.be


Illustraties

Marcel-Louis Baugniet, Servies, 1993 naar een ontwerp uit de jaren 1930
Porselein, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

Victor Horta: Jaloers op het internationale succes van de Vlaming Henry van de Velde
Foto: AMVC-Letterenhuis, Antwerpen

Henry van de Velde, thuis tussen zijn creaties: een langere houdbaarheidsdatum dan Victor Horta
Foto: AMVC-Letterenhuis, Antwerpen

Henry van de Velde, Kandelaar, rond 1898-1899
Zilver, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

Henry van de Velde, Salon, rond 1897-1898
Padouk en stof, Verzameling J.-M.Pochet, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel

Louis Herman De Koninck, Clubzetel voorgesteld op de Exposition Internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, Parijs, 1925
Reconstructie uit 1989 naar het origineel van 1925, hout en koper - Archieven van Moderne Architectuur, Brussel


 

PROVA-CAR, EEN TESTRIT VOOR VLAANDEREN

 

"Het Topstukkendecreet heeft een belangrijk kader gecreëerd," zegt Hans Martens, adviseur op het kabinet van Minister van Cultuur, Bert Anciaux. Dat de Prova-car, een uniek sleutelwerk uit het vroege oeuvre van Panamarenko, in Vlaamse handen blijft, is alvast een opsteker van formaat. Het MuHKA in Antwerpen is net zo blij als Panamrenko zelf die zijn marktwaarde als kunstenaar verzilverd ziet.

 

 

De auto met nummer 7

 

Dat de racewagen met de afgezaagde houten wielen definitief in Vlaamse handen terecht is gekomen, heeft vooral te maken met de commotie en de geruchten in de pers. Breedvoerig werd uitgesmeerd hoe de poëtische auto van Panamarenko voor Vlaanderen verloren dreigde te gaan, nadat het tuig jarenlang fungeerde als het paradepaardje van het SMAK. Tot de Bel­gische eigenaar, diamantair Isi Fiszman, die zich in de jaren zestig en zeventig frequent in de Brusselse en Antwerpse hedendaagse kunstkringen bewoog, besloot enkele van zijn collectiestukken te verkopen. Met de opbrengst wil hij vandaag een project helpen financieren rond een meditatiecentrum in de Sinaiwoestijn. Meteen na zijn bekendmaking riepen kunstkenners moord en brand. De alarmbel klonk, minister van cultuur Bert Anciaux werd aan de mouw getrokken.

 

Nu is Panamarenko in kunstmiddens en ook bij het grote publiek al een tijdje geen onbekende meer. Legendarisch waren de jaren zestig toen hij in de galerie Wide White Space van Anny de Decker op het Antwerpse Zuid, samen met kunstenaars als Joseph Beuys en Marcel Broodthaers, tentoonstelde. Fiszman was er dus wel echt vroeg bij en kocht in die prille artistieke dagen van Panamarenko een aantal werken waaronder de bewuste Prova-car. Naar eigen zeggen heeft Fiszman enkele jaren geleden aan toenmalig SMAK-directeur Jan Hoet voorgesteld de werken die hij in bruikleen had gegeven over te kopen, maar na diens vertrek raakte het dossier in de vergetelheid. Vandaar dat de diamantair besloot de werken te verkopen. Algauw besloot men het denkkader rond topwerken aan de praktijk te toetsen en werd er geld vrij gemaakt om het werk alsnog in Vlaanderen te houden. Op de veiling in Southeby in Londen werd een dikke 300.000 euro neergeteld. "Een redelijke prijs," oppert kabinetsmedewerker Hans Martens. Ook is de Antwerpse kunstenaar best tevreden. "Niet overdreven hoog, niet te laag. De veiling is duidelijk zonder gefoefel verlopen," zo liet hij zich in de media uit.

 

Hans Martens: "De symboliek van de aankoop is niet onbelangrijk, zeker omdat het wenselijk was dat het werk op eigen bodem bleef. Kunsthistorici zijn het erover eens dat dit kunstwerk erg belangrijk is. Panamarenko heeft maar twee wagens gemaakt. Dit werk staat in de oeuvrecata­logus op nummer 7 en geldt als het eerste museale werk van de kunstenaar."

 

 

Een topstuk, los van het decreet

 

Voor alle duidelijkheid werd de Prova-car niet gekocht op basis van het topstukken-decreet omdat er (nog) geen lijst bestaat van post-WO II-werken. Het opstellen van de 'beperkte lijst' is trouwens een werk van lange adem. Momenteel is er enkel een proeflijst met 'voorlopige beschermingen' en een decretale lijst uitsluitend voor de zeventiende eeuw. Komt daarbij dat het fonds die een eventuele aankoop binnen het topstukkendecreet moet financieren niet bijster groot is. "De aankoop van Prova-car gebeurde met de reguliere middelen 'aankopen kunstwerken', maar werd wel getoetst aan de criteria binnen het topstukkendecreet. Op basis van verslagen van specialisten en de administratie bestaat er consensus omtrent het 'topstukkengehalte' van dit werk waarvoor dezelfde criteria - zeldzaamheid, bijzondere waarde, collectieve geheugen, ijkwaarde - werden gehanteerd zoals die staan opgesomd in het decreet. Martens: "Dat is niet onbelangrijk want van het denkkader van het decreet, profiteert uiteindelijk ook de Prova-car."

 

Met veel bombarie werd de auto eind juni in aanwezigheid van de minister van cultuur in het MuHKA uitgepakt. Het leek wel op een Blijde Intrede, die het schandaal rond de verkoop van Ensors schilderij De Intocht van Christus in Brussel ineens weer fel in herinnering riep. Ook de affaire rond het unieke ensemble schilderijen van Joachim Beuckelaer, die sinds 1986 als bruikleen in het Museum voor Schone Kunsten in Gent hingen en nu te bewonderen zijn in de National Gallery in Londen, liggen evenzeer nog vers in ieders geheugen. Met maak van het decreet wil de Vlaamse overheid 'uittochten' van grote Vlaamse kunst beletten. Vlaanderen kende tot op heden geen toegepaste wetgeving en nauwelijks enige traditie op het vlak van bescherming van roerend erfgoed van uitzonderlijk belang. "Maar wil het decreet geen lege doos zijn," zegt Hans Martens, "dan moet er wel permanent geld in het laatje liggen."

 

 

Pro en contra

 

In een notendop komt het decreet' houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang' erop neer dat de houders van een stuk of een verzameling, opgenomen op de lijst, voor een goede staat van bewaring moeten zorgen, en in principe geen fysieke ingreep mogen uitvoeren. Er wordt hen een substantiële subsidie voor conservatie en restauratie gegarandeerd. Wanneer ze het stuk buiten de Vlaamse Gemeenschap willen brengen, hebben ze een licentie nodig. Als hen de licentie wordt geweigerd, moet de overheid zelf een aanbod tot aankoop doen, gebaseerd op de internationale marktwaarde. Blijft de overheid in gebreke, dan kan het stuk toch vertrekken. Zet de licentie-aanvrager zelf de onderhandelingen stop, dan moet hij drie jaar wachten eer hij een nieuwe aanvraag voor een licentie kan doen. De financiering van de verwerving van de beschermde voorwerpen zal gebeuren via een speciaal Topstukkenfonds. Dat fonds blijkt niet bepaald een vetpot te zijn.

 

Over het topstukkenbeleid zijn niet alle violen gelijk gestemd. Criticasters vinden zo'n lijst belachelijk en voeren aan dat een topstuk gedetermineerd wordt door tijd en ruimte. De Vlaamse Primitieven werden pas in de loop van de negentiende eeuw naar waarde geschat. Florent van Ertborn, burgemeester van Antwerpen en verwoed verzamelaar, kocht de wereldberoemde Madonna bij de fontein van Jan van Eyck bij een pastoor in een godvergeten dorp. Wat nu precies een topstuk is, is een niet gemakkelijk uit te maken zaak. En dat weten de experts die belast zijn met de opmaak van de lijsten natuurlijk ook. Zeker voor de naoorlogse beeldende kunsten is het een hele klus uit te maken welke kunst of kunstenaar het etiket 'top' verdient. Daarvoor is er nog onvoldoende historische afstand. Het is zoals de roep om zaligverklaring van de net overleden paus.

 

Maar het aantal topstukken uit de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw bij particulieren ligt niet echt dik gezaaid, ook al denken heel wat brave lieden wat overmoedig dat ze een meesterwerk in huis of kluis hebben. Er zijn stemmen die zo'n topstukkenlijst maar niks vinden en dat de aankoop van een enkel topstuk teveel hypotheek legt op de rest van ons patrimonium. De prijzen liggen in verhouding met wat men doorgaans uitgeeft voor onderhoud en restauratie van het cultureel erfgoed veel te hoog. Diezelfde critici zien liever dat de totaliteit van het patrimonium wordt aangepakt in plaats van een uitverkoren stuk. In de totaliteit ligt, zo redeneren zij, de kracht van Vlaanderen, zowel commercieel als toeristisch. Het patrimonium moet in hun ogen worden gezien op plaatsen waarvoor het gemaakt werd: kerken, kloosters en abdijen.

 

Hoe dan ook: de Sinjoren hebben er een Panamarenko bij. En wat voor een. Tot eind augustus was de wagen in het MuHKA te bewonderen om nadien spoorslags door te rijden naar de grote overzichtstentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. Wat het MuHKA nadien zal doen, hangt af van de wens van zijn directeur. Martens: "Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat Bart de Baere de Prova-car nog een tijdje onder de publieke aandacht zal houden." We zullen wel zien.

 

 

Grote overzichtstentoonstelling

 

De retrospectieve tentoonstelling die op 30 september 2005 opent in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, is het eerste volledige overzicht van Panamarenko's omvangrijke en bont geschakeerde oeuvre. Net zoals bij vorige grote monografische tentoonstellingen die het museum de voorbije jaren organiseerde, worden zowel het grote publiek als de gespecialiseerde onderzoeker verwend met een gedetailleerde kennismaking met het complete werk van de kunstenaar. Naast een brede, representatieve selectie van de soms zeer grote werken en installaties, presenteert de retrospectieve een uitzonderlijke keuze van tekeningen, ontwerpen en modellen. Dit alles is omkaderd met een boeiende verzameling documenten, catalogi en geschriften, die het tijdsbeeld schetsen.

 

Philip Willaert

 


PANAMARENKO (2006)

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België 

Museum voor Moderne Kunst 

Koningsplein 3 

1000 Brussel  

Tel. 02.508.32.11  

www.fine-arts-museum.be

De catalogus bij de tentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel, is een bijzonder boek. De kunstwerken en tekeningen van Panamarenko krijgen alle ruimte die ze verdienen. Het geeft een prachtig overzicht met nooit eerder gepubliceerde documenten, foto's en archivalia. De teksten komen van de museumconservatoren, Frederik Leen en Francisca Vandepitte, de Engelse criticus Jon Thompson en de wetenschapper Charles Hirsch. Panamarenko zelf kruidt het boek met pittige commentaren. Panamarenko. De retrospectieve! is een uitgave van Ludion, telt 240 bladzijden en 250 illustraties.


Illustraties

Cover

Panamarenko en minister Anciaux bij het uitpakken van Prova-car in de garage van het MuHKA - Foto: clinckx

Panamarenko, Magnetische schoenen en kepi

Panamarenko, Prova-car, 1967, Foto: clinckx

Panamarenko, Archeopterix Blauw

Panamarenko, Stekkedoosmotor


 

JORIS CAPENBERGHS, CURATOR VAN DAMES MET KLASSE

Welkom in een vreemde en herkenbare wereld

 

De tentoonstelling Dames met Klasse. Margareta van York en Margareta van Oostenrijk in de voormalige brouwerij Lamot is het hoogtepunt van Mechelen 2005, stad in vrouwenhanden. Curator Joris Capenberghs doet het verhaal achter en vóór de tentoonstelling.

 

 

Vrouw zijn toen, wat betekende dat?

 

Joris Capenberghs is kunsthistoricus en antropoloog en doceert de opleiding Cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen. Hij specialiseerde zich in de socio-semantiek van materiële cultuur en (stedelijke) ruimte en in de artistieke expressie van schriftloze volkeren. Hij werkt in binnen- en buitenland als adviseur, onderzoeker, museoloog en publicist. Toen Joris Capenberghs in juni 2004 van start ging als curator van Dames met Klasse zat hij meteen met een dilemma opgezadeld: brengt de tentoonstelling een historisch of een kunsthistorisch verhaal? Al snel voelde hij aan dat hij geen van beide pistes zou bewandelen.

 

Joris Capenberghs: "We kozen voor een cultuurhistorische benadering en voor een eigentijds verhaal. Want Margareta van York en Margareta van Oostenrijk zijn ook vandaag bijzonder interessant. Het uitgangspunt werd dan: vrouw zijn toen, wat betekende dat? Daarop volgde een hele batterij vragen. Wat bezielde deze twee dames? Hoe uitten ze gevoelens als liefde, geluk en verdriet? Op welke manier gingen ze om met rolmodellen, vrouwbeelden en hun lot als weduwe? Welke rol speelden traditie, religie, kennis en kunst in hun leven? Hoe hielden ze zich in stand in het door mannen gedomineerde internationale machtsspel?

 

Zo gingen we in gesprek met het wetenschappelijk comité, de tentoonstellingsarchitecten en het team van Mechelen 2005. Het was een permanente dialoog die de ideeën uitpuurde en het parcours verfijnde. Dames met Klasse kreeg twee delen. Het eerste stelt de innerlijke wereld aanwezig: wie waren deze twee Margareta's eigenlijk? Het tweede deel brengt objecten terug thuis in Mechelen en laat hen spreken. Hier heb ik mijn interesse voor het sociale leven van 'dingen' laten meespelen."

 

 

Van Eyck en de Azteken

 

Met het zoeken naar die objecten was het wetenschappelijk comité al druk bezig toen Joris Capenberghs als curator aan de slag ging. De coördinatie van het comité berust bij Dagmar Eichenberger, een gerenommeerde kunsthistorica, gespecialiseerd in de renaissance. In 2002 publiceerde ze het opgemerkte boek Leben mit Kunst. Wirken durch Kunst. Sammelwesen und Hofkunst unter Maria von Österreich, Regentin der Niederlande.

 

Zijn er veel kunstwerken en voorwerpen uit het verlanglijstje gesneuveld? Curator Joris Capenberghs: "Een aantal topstukken uit het buitenland is om budgettaire redenen geschrapt. Dat is achteraf eerder een zegen gebleken. Het heeft onze ogen geopend voor minder bekende maar bijzonder waardevolle werken in de Vlaamse musea, zoals het Erasmushuis, de Azteekse collectie van het Etnografisch Museum of de Juan de Flandes van het Museum Mayer van den Bergh. Zelf heb ik een aantal objecten toegevoegd die je kan catalogeren onder 'wonderen van de nieuw ontdekte wereld'. De tijd van Margareta van Oostenrijk was het begin van de rariteitenkabinetten. Op de tentoonstelling zijn ze dus terug samen: de laat middeleeuwse Van Eyck, het manuscript en het eerste gedrukte boek, het Azteekse masker en het West-Afrikaanse zoutvat. Het illustreert hoe de dames met klasse leefden op het snijvlak van Middeleeuwen en renaissance, van de oude en de nieuwe werelden."

 

Joris Capenberghs benadrukt dat het wetenschappelijk comité, dat vooral uit kunsthistorici is samengesteld, zich enthousiast in het cultuurhistorisch verhaal heeft ingeschreven. Hij geeft enkele voorbeelden die de kruisbestuiving illustreren. "Ooit bezat Margareta van Oostenrijk het Sforza-getijdenboek met miniaturen van Gerard Horenbout. Het is het aller­laatste hoogtepunt van de miniatuurkunst en mocht niet ontbreken op de tentoonstelling. Van de Londense British Library mochten we slechts één vel uitkiezen. Ik had er twee geselecteerd die in aanmerking kwamen. De uiteindelijke keuze nam het wetenschappelijk comité. Ze hebben niet alleen op inhoud beoordeeld maar hebben ook geopteerd voor de visueel aantrekkelijkste miniatuur.

 

Op een ander moment meldde ik dat ik op zoek was naar documenten die iets vertellen over de vrouw ten tijde van Margareta van York. Een van de leden van het wetenschappelijk team kwam op de proppen met een stuk uit het 'kattenbellenarchief' van Mechelen. Dat zijn documenten die niet de officiële status hebben van bijvoorbeeld oorkonden. Het betreft een eigenhandig ondertekende brief van Margareta van York aan de schepenen van Mechelen, geschreven op 15 december 1477. Ze klaagt er over dat er maar weinig gedaan is om een man te arresteren die een dame had geschaakt. Maragreta steekt haar nek uit voor een vrouw en tussen de regels lees je dat ze de schepenen beschuldigt van corruptie. Een eigentijds verhaal toch?

 

Een ander mooi voorbeeld is een diptiek geschilderd op het einde van de vijftiende eeuw. Het ene paneel is het portret van Margareta van Oostenrijk, het andere is dat van Filips de Schone. Beiden zijn op de panelen omringd door wapenschilden die de hoge afkomst aantonen. Het is duidelijk dat het politieke portretten zijn, bedoeld om een huwelijk voor de twee kinderen te arrangeren. Ook hier gingen we verder dan een louter kunsthistorisch discours en vertellen we het sociale leven van de panelen."

 

 

Vormgeefsters met klasse

 

De vormgeving van Dames met Klasse is in handen van Zaha Hadid in samenwerking met Caroline Voet. Zaha Hadid, geboren in Bagdad, is een Britse architect met wereldfaam. Recent haalde ze het nieuws met haar plannen voor een BMW-fabriek in Leipzig. Hadid won als eerste vrouw de prestigieuze Pritzker Architecture Prize. Eerder gaf ze in ons land vorm aan de tentoonstelling Borderline (2000) in het Paleis voor Schone Kunsten. De maquette van Zaha Hadid voor het casino van Knokke-Heist is nog tot 6 november 2005 tentoongesteld in CC Scharpoord. Dat Zaha Hadid meewerkt aan Dames met Klasse zegt veel over de inhoudelijke kwaliteiten van het project.

 

Joris Capenberghs: "Ik ben een vijftal keer naar Londen geweest. De dagdagelijkse dialoog gebeurt met Caroline Voet, die vroeger gedurende twee jaar in de Britse hoofdstad voor Hadid heeft gewerkt. Al zijn de twee dames architect, ik spreek in dit geval niet graag over tentoonstellings­architectuur. Het is veeleer scenografie. Wat ze doen is veel meer dan de toch wel moeilijke Lamot-site, die nog niets bewezen heeft, vullen met vitrines en panelen. In samenspraak met Zaha Hadid en Caroline Voet zijn vier criteria voor de scenografie opgesteld: het ritme van toen (het woord 'schrijden' vat dat goed samen), het licht (dag en nacht, binnen en buiten), de textuur, de schaal van die tijd (alles was klein, heel klein).

 

De uiteindelijke verhaallijn van de tentoonstelling is in voortdurende wisselwerking gegroeid. Aanvankelijke pistes werden verlaten, nieuwe werden uitgezet. Het is zoals het plannen van een wandeling in een gebied waar je nog nooit geweest bent. Je moet het einddoel voor ogen houden maar niet rigoureus vasthouden aan één tracé."

 

 

De derde protagonist

 

Door de naam van de twee Margareta's in de titel zou je bijna vergeten dat in de tentoonstelling nog een derde protagonist met beginletter M meespeelt: Mechelen. Joris Capenberghs: "De stad is ook vrouwelijk. En Mechelen heeft nog wat te bieden uit die tijd: het Hof van Margareta van Oostenrijk, de Sint-Romboutskathedraal. Mechelen komt aan bod in thema's zoals geld, ambachten en luxe, emoties, religie en stedenbouw. Kleine dingetjes uit de stad omringen we met stukken uit het buitenland. Zo is er een Mechels waterkannetje waarop de eigenaar in het Arabisch zijn naam liet graveren. Het blijkt dat het van Mechelen op een Venetiaans schip naar Damascus is vervoerd. In de tentoonstelling staat het naast een kannetje dat van Egypte of India naar Mechelen reisde. Het is zeker niet spectaculair maar het zegt veel over de uitwisseling van objecten en ideeën tussen Oost en West, toen en nu."

 

 

Toen de dieren spraken

 

Joris Capenberghs noemt zichzelf een 'publiekscurator'. "Ik wil niet de slimmerik van de objecten zijn. Ik wil een complex verhaal toegankelijk maken. Vandaar de keuze voor audiogidsen. Lezen en kijken gaan niet samen, luisteren en kijken wel."

 

"Objecten moeten aanspreken, voor zich spreken," zegt de curator nog. "De boodschappers van de tentoonstelling zijn vooral dieren en in hoofdzaak vogels. In alle tijden, die van de Margareta's zoals de onze, zitten de verhalen vol dieren omdat ze een hoge symboolwaarde hebben zonder ingewikkeld te zijn. Dames met Klasse opent met een meisje en een dode vogel. Van daaruit zie je de portretten van Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. Je mag je bezoek beginnen bij de ene of bij de andere. Altijd stap je een wereld binnen die tegelijk vreemd is en herkenbaar."

 

Mark Vanvaeck

 


DAMES MET KLASSE: MARGARETA van YORK en MARGARETA van OOSTENRIJK, 2005

Lamot 

Van Beethovenstraat 8-10 

Mechelen  

Info: Tet. 015.50.2005

www.mechelen2005.be


Nieuwe wandelgids: Vorstelijk Vrouwelijk

Voor 'Mechelen 2005, stad in vrouwenhanden', publiceerde Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen de wandelgids Vorstelijk Vrouwelijk. Op stap langs drie historische wandelingen in de stadskern maakt u kennis met de vrouwelijke kantjes van Mechelen.

  • Van Margareta's tot straatmadeliefjes start in het politieke hart van Mechelen anno 1500, aan de voormalige paleizen van Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. Van daaruit wordt de vroegere kunstenaarsbuurt bezocht. Hoe listig vrouwen wel kunnen zijn, wordt duidelijk in het Schepenhuis, het oudste stenen gebouw van Vlaanderen. De wandelaars ontdekken ook de Mechelse versie van Romeo en Julia. Waar de meisjes 'die makkelijk te krijgen zijn' zich ophielden, is na deze wandeling geen geheim meer.
  • De wandeling Van arbeidersvrouw tot koningin schetst een beeld van de economische rol en de werkomstandigheden van vrouwen tot ver in de negentiende eeuw. Hard labeur, zorgende functie en vaste rolpatronen waren algemene regels.
  • Daar tegenover stond ook veel plezant en volks vertier. Vrouwen met een passie, vrouwen met een missie leert Mechelse vrouwen kennen die uit de band sprongen door hun doorgedreven begeestering, doorzettingsvermogen en daadkracht. Passionele barokbeeldhouwsters, vlijtige kantklossters, gasthuiszusters, zwarte zusters... Ook de heksenvervolging kom je op deze wandeling tegen.

OKV-abonnees kunnen Vorstelijk Vrouwelijk - Historische wandelingen in Mechelen bestellen door storting van € 8,00 per exemplaar (inclusief verzendingskosten) op rekeningnummer 448-0007361-87 (België) of 135.20 (Nederland) van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, met vermelding 'Vorstelijk Vrouwelijk'.


Illustraties

Joris Capenberghs, curator, en Caroline Voet, scenografe, in de voormalige brouwerij Lamot.
De laatste rechte lijn van het parcours naar Dames met Klasse - (Foto's Kris Callens)


 

HET MOOIE ZICHT OP EEN KLEIN LANDJE: BELvue museum volledig heringericht

 

We hebben het allemaal al eens meegemaakt: buitenlandse vrienden die vragen hoe België nu juist in elkaar zit. Een quasi onmogelijke opdracht om dit duidelijk uit te leggen, maar een bezoek aan het BELvue museum zal veel vergemakkelijken. Een museumgebouw met geschiedenis, dat is duidelijk.

 

 

Sporen van de revolutie

 

"Wij beschouwden liever de beide onmetelijke hôtels, die zich bij den ingang van de Place des Palais en van de Rue Royale verheffen - de Bellevue en het Hôtel de l'Europe. Niet om dat ik zulk een bijzonder minnaar ben van trotsche logementen, waar de adel uit alle landen zijn verblijf houdt (...) maar ik sloeg er vooral aandachtig mijne blikken op, om dat uit die hôtels zoo vele kogels verradelijk zijn afgezonden op onze troepen, die in het Park, hetwelk daar aanvangt, aan het lood der opstandelingen waren bloodgesteld; om dat het Hôtel de Bellevue twee malen genomen en hernomen werd, zoo dat men nog voor ettelijke jaren de teekenen der verwoesting bespeurde, die onze kanonnen er hadden aangericht, waarvan thands echter alle sporen verdwenen zijn." Zo beschreef de Nederlander S.J. Van den Bergh in 1848 het toenmalige Bellevuehotel in zijn boek Reisindrukken, herinneringen, ontmoetingen, enz. op een uitstapje naar België in 1846.

 

Op dat moment bestaat het Bellevue-hotel al bijna 70 jaar. In 1776 verkreeg Philippe De Proft, wijnhandelaar en paardenverkoper, van keizerin Maria-Theresia de toestemming om een luxehotel te bouwen op de noord-oosthoek van het Koningsplein, op de grondvesten van de oude keizerlijke residentie. Het privé-etablissement krijgt de naam Bellevuehotel, naar de naam van de straat die naast het Park van Brussel loopt (nu Paleizenplein). Het gebouw is opgetrokken volgens de plannen van Barnabé Guimard (herzien door Nicolas Barré) in de Louis XVI-stijl van het geheel van het Koningsplein.

 

Onder de eerste belangrijke gasten van het hotel vinden we een reeks Franse adellijke personen, onder wie verschillende leden van de koninklijke familie op de vlucht naar Brussel na de revolutie van 1789. Het Bellevue bevindt zich in het middelpunt van de gevechten voor de Onafhankelijkheid van België (23-26 september 1830). De gevel aan de kant van het Park van Brussel komt gehavend uit de strijd. Het Bellevue wordt na de gevechten een 'nationaal monument'.

 

 

Van opvanghuis tot museum

 

De Fondation de la Couronne (van de Onafhankelijke staat Kongo) koopt het Bellevuehotel in 1902. In 1905 stopt het met het ontvangen van reizigers. Alle gebouwen die vroeger verbonden waren met het originele Guimard-hotel worden afgebroken om de bouw van de Borgendaalgalerij en het paviljoen met dezelfde naam mogelijk te maken, om het Bellevue te verbinden met de nieuwe vleugel van het Koninklijk Paleis.

 

Ondertussen wordt de Onafhankelijke Staat Kongo aan België overgedragen (1908). De Belgische Staat neemt voor zijn rekening de voortzetting over van de werkzaamheden om het Bellevue met het Koninklijk Paleis te verbinden. Het gebouw wordt eigendom van de Koninklijke Schenking en kende talloze functies: prinses Joséphine-Charlotte (toekomstige groothertogin van Luxemburg) komt er ter wereld in de voormalige slaapkamer van prinses Clementine en in 1953 stelt koning Boudewijn het Bellevue ter beschikking van het Rode Kruis tijdens de overstromingen die België teisteren. Het Bellevue zal in 1960 worden gebruikt om de vluchtelingen uit Kongo op te vangen. Het doet dienst als doorgangswoning voor de ambtenaren van de voormalige kolonie. Nog later stellen de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van België er een deel van hun collecties tentoon en het Museum van de Dynastie neemt in 1992 zijn intrek op de tweede verdieping van het Bellevue.

 

 

België: Vlaanderen, Brussel en Wallonië

 

Het Fonds Bellevue van de Koning Boudewijnstichting, dat het Hotel Bellevue en de collecties van het Museum van de Dynastie en het Memoriaal Koning Boudewijn sedert 2002 beheert, besloot dit museum om te bouwen tot een nieuw museum over de geschiedenis van ons land. De Stichting draagt zo haar steentje bij tot de feestelijkheden ter gelegenheid van 175 jaar België, maar speelt ook in op de verwachtingen van een publiek dat meer inzicht zoekt in de sociaal-economische ontwikkelingen, de institutionele werking en de rol van de monarchie.

 

De missie van het museum zit voor een deel in de naam vervat: 'BEL' verwijst naar ons land en 'vue' staat voor het overzicht van de Belgische geschiedenis dat het nieuwe museum geeft. De bezoekers ontdekken er twaalf zalen. Drie leesniveaus maken het mogelijk om van de algemene tijdgeest over te stappen op de chronologie van honderden opmerkelijke feiten. De opbouw en productie was in handen van Tijdsbeeld die hiermee één van hun fraaiste prestaties leverden.

 

Dat de Belgische geschiedenis er een is van Vlamingen, Brusselaars en Walen gaat het museum niet uit de weg. Er is aandacht voor de Vlaamse boerenbevolking die het vanaf 1840 steeds moeilijker krijgt door de mechanisering van de textielindustrie en door de misoogsten van de jaren 1844-1846. De Vlaamse provincies kregen de bijnaam 'Arm Vlaanderen' en de migratie naar de Waalse industriebekkens was een feit. Belangrijke gebeurtenissen zoals de strijd voor het algemeen stemrecht, de taalstrijd van de Vlamingen, wereldoorlogen en de koningskwestie, de golden sixties of de recente staatshervormingen illustreren verder de geschiedenis van ons klein landje.

 

De presentatie biedt direct contact met unieke historische documenten, verbazingwekkende filmarchieven, pakkende foto's en een selectie kijkobjecten. De verschillende tentoonstellingsruimten zijn met elkaar verbonden door een parcours dat het bewind van alle Belgische koningen illustreert aan de hand van een reeks werken en portretten die kenmerkend zijn voor de persoonlijkheid van de vorsten en het beeld dat het volk van de koninklijke familie heeft. De foto's zijn dikwijls in een huiselijke presentatie opgesteld wat het koningshuis menselijker en herkenbaarder maakt. Maar ook hier zijn er geen taboes. De mishandeling en uitbuiting van de Kongolese bevolking door Leopold II of de koningskwestie die België op de rand van een burgeroorlog bracht, komen allebei aan bod.

 

 

Onderaardse site

 

Het nieuwe museum BELvue bevat ook een restaurant met tuinterras, een museumwinkel, een polyvalente vergaderzaal en een ontvangstruimte voor een schoolpubliek die werd uitgevoerd in samenwerking met de drie Gemeenschappen van het land. Verder heeft het museum een nieuwe toegang via het Koningsplein (het voormalige toegangsportaal van het hotel) en een nieuwe trap naar de kelders, de toegang tot de archeologische site van de Coudenberg. Het Bellevue-hotel werd opgetrokken op de ruïnes van het voormalige kasteel van de graven van Leuven, later hertogen van Brabant, heren van Brussel, die zich in de elfde of twaalfde eeuw op de hooggelegen Coudenberg kwamen vestigen. De site werd telkens verfraaid en kreeg onder de hertogen van Bourgondië de allures van een echt paleis. Het is Filips de Goede die de Aula Magna liet bouwen en Keizer Karel gaf opdracht voor de prachtige keizerlijke kapel, waarin hij troonsafstand deed in 1555.

 

De site schitterde nog onder de pracht en praal van het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella, kwam dan in handen van het huis van de Oostenrijkse Habsburgers en werd uiteindelijk in 1731 verwoest door een brand. De overblijfselen van deze indrukwekkende architecturale site - de zogenaamde 'Onderaardse gewelven van het Koningsplein - werden recent blootgelegd en gevaloriseerd. Het is een indrukwekkend netwerk van kelders, gangen en gewelfde zalen dat met een combi-ticket met het BELvue museum is te bezoeken.

 

Jammer dat het restaurant geen klassieke Belgische gerechten serveert. Het zou voor de duizenden toeristen een aangename kennismaking en verpozing zijn na toch wel een ingewikkelde maar zeer knap gebrachte geschiedenis. De bezoeker kan wel naar huis met België, historisch bekeken, een interessant boek boordevol foto's en affiches die de geschiedenis van ons land illustreren.

 

Peter Wouters

 


BELvue MUSEUM

Paleizenplein 7 

1000 Brussel  

Tel. +32(0)2.500.45.54  

info@belvue.be
Open op maandagen voor groepen mits reservatie / op zaterdag en zondag in Juli en Augustus van 10 tot 18u / dinsdag tot en met vrijdag van 09.30u tot 17.00u
Tijdsduur van bezoek: BELvue 1 tot 1 1/2 uur / BELvue en Coudenberg ongeveer 2u tot 2 1/2 u


Illustraties

Een opmerkelijk presentatie: de affiche voor de Inhuldiging van het Volkshuis in Brussel (1899) in een rijkelijk salon

Voorstanders van de terugkeer van Leopold III, 1950
Archief Koninklijk Paleis, Brussel - Uit: België historisch bekeken

Flamingantische affiche die de discriminatie van de Vlamingen vergelijkt met de behandeling van zwarten in het net aan Leopold II toegekende Kongo, 1885
Bibliotheek Universiteit Gent - Uit: België historisch bekeken

Plattelandsleven, ca. 1880 Foto: L. Pion
Musée de la Photographie, Charleroi - Uit: België historisch bekeken

Het nieuwe BELvue museum is helemaal klaar om de bezoekers te ontvangen


 

ZWART OP WIT

 

 

OKV-lezers in Texas

 

"Bij deze hebben we - in het verre Texas - ons abonnement voor 2005 hernieuwd (electronisch overgeschreven op uw rekeningnummer). Hartelijk dank om ons te herinneren aan deze betaling. Het zou jammer zijn een jaargang te missen vermits we abonnee zijn van in het prille OKV-begin. Met vriendelijke Vlaamse groet uit Houston, Jean Hanot, Houston, Texas, USA"

 

 

Diest gesmaakt

 

"Graag wil ik Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen bedanken voor de organisatie van de namiddag in Diest. Het was een interessant programma, gebracht door gidsen die ons wisten warm te maken om zeker nog een keertje terug te keren." Cynthia Yskout, OKV-abonnee uit Wiekevorst.

 

 

Ambiorix: onjuistheden rechtgezet

 

Frits Berckmans uit Bilzen wijst op enkele onjuistheden in het artikel Beelden voor 'Belgische' helden in Tento 2005.2, meer bepaald in het stukje over Ambiorix in Tongeren. Hij schrijft: "De beeldhouwer heet niet Jules Bastin maar Jules Bertin, geboren en gestorven in Saint-Denis, 1826-1892. Het waren niet de Tongerse gemeenteraad en het Tongers Geschied- en Oudheidkundig genootschap die druk uitoefenden om het concept te wijzigen, maar wel de Commissie voor Monumentenzorg te Brussel, waarin Guillaume (Willem) Geefs de toon aangaf. De definitieve, huidige versie van het beeld verraadt trouwens de klassiek geschoolde hand van Geefs.

 

Een dolmen en de Kelten hebben met elkaar niets te maken. Dolmens stammen uit het late neolithicum (derde millenium v.C.), Ambiorix leefde in de eerste eeuw v.C. Men kan dus niet spreken van 'Keltische dolmens'. Een dolmen als voetstuk voor Ambiorix is een zuiver romantische inspiratie, die trouwens reeds in de tijd van Bertin zelf werd aangevochten door historici en kunstkenners.

 

Waar de redacteur bij Ambiorix een slinger heeft gezien, is mij een raadsel. Nergens op of nabij het beeld is daar enig spoor van te bekennen. Deze bemerkingen doen niets af aan de waardering die heb voor uw tijdschrift, maar 'alles kan beter' en in het stukje over Ambiorix is dat overduidelijk het geval."

 

 

De eerste keer

 

OKV-abonnee Jef Vrelust bezorgde ons een bijzondere herinnering aan een schoolreis. Een jaar waarin de schoolreis naar Brugge leidde, was een goed jaar voor onze meester. Dat jaar niet. Antwerpen stond op het programma en vervloekte alvast het vooruitzicht op het Nationaal Scheepvaartmuseum en een Flandriarondvaart. Van mijn eerste Antwerpse museumbezoek herinner ik me wenteltrappen, harnassen, hellebaarden en kruisbogen, maar vooral dat ene schilderij.

 

Jaren later werkte ik mee aan een tentoonstelling in het Vleeshuis en ging meteen op zoek naar het schilderij. Ik herinnerde het me ergens hoog aan de muur, maar het bleek onvindbaar. Het schilderij had opschudding verwekt in de klas, met zoveel brutale pornografische directheid. De ruigste gast had het werk het eerst gezien en maakte zijn ontdekking luidkeels en gedetailleerd kenbaar. Hij hield er strafwerk aan over en de meester dreef ons de zaal uit. De kinderlijke onschuld en het pre-iconografische stadium voorbij, weet ik nu dat het om de marteling van de heilige Agatha gaat. De auteur van de stamsteekkaart in het Vleeshuis legde duidelijk enige pudeur aan de dag bij de beschrijving van het heftige werk van Jan Erasmus Quellin toen hij in 1962 preuts schreef: "terwijl rechts een beul de marteling uitvoert". Louis Réau, auteur van het standaardwerk Iconographie de l'art Chrétien, weet ons meer te vertellen over het wedervaren van deze maagd in de handen van de Romeinse prefect Quintinianus. De perverse prefect liet deze hardleerse christelijke maagd naar een bordeel brengen voor een rituele verkrachting, maar op miraculeuze wijze wist ze haar maagdelijkheid te behouden. Vervolgens vloog ze achter de tralies, waar haar nog een reeks martelingen wachtte. Na de obligate stok- en zweepslagen liet Quintinianus haar borsten afsnijden. St.-Pieter zelf verscheen vervolgens in haar cel en maakte de verminking ongedaan. Uiteindelijk stierf Agatha naakt en mét borsten op een bed van glasscherven en gloeiende kolen."

 

Heeft ook u een mooi verhaal over een schoolreis of museumbezoek. Laat het ons weten. Schrijf naar Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, Hofstraat 15, 2000 Antwerpen of mail info@okv.be.

 


 

MECHELEN: STAD IN VROUWENHANDEN

Mechelen, de voormalige hoofdstad van de Bourgondische Nederlanden, is tot 18 december 2005 helemaal in vrouwenhanden.

 

 

Dames met Klasse

 

Tentoonstellingen, podiumkunsten en feestelijke activiteiten op straten en pleinen kleuren dit najaar Mechelen. Het ankerpunt van het boeiende cultuurproject Stad in vrouwenhanden zijn twee leading ladies die vijf eeuwen geleden in Mechelen aan de macht waren: Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. De manier waarop zij met kunst, politiek, macht, openbaarheid en privé-leven omgingen, vormt een fascinerende spiegel waarin eeuwenoude thema's op een eigentijdse wijze zichtbaar worden. Blikvanger van het gevarieerde programma is de tentoonstelling Dames met Klasse. Margareta van York en Margareta van Oostenrijk.

 

 

Contour

 

Tot 18 november 2005 vindt in Mechelen Contour plaats. Het is de tweede biënnale voor videokunst. Er zijn diverse locaties: van de Sint-Romboutskathedraal tot Manufactuur De Wit, van het Stadhuis tot De Garage, en nog veel meer. Al even talrijk zijn de deelnemende videokunstenaars. Er is een opvallende delegatie vrouwen, waaronder Anouk De Clercq.

 

 

Speelgoed en dieren

 

Mechelen heeft het hele jaar door troeven in huis. Zoals het Speelgoedmuseum en het Dierenpark Planckendael. De splinternieuwe Museumgids, uitgegeven door Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, schrijft over het Speelgoedmuseum: "Een Oud-Griekse pop in terracotta, de electro uit 1950, de Slag van Waterloo met 8.007 miniatuursoldaatjes, een priesterset uit 1920 om 'misje' te spelen... De collecties van het Speelgoedmuseum zijn ongemeen rijk. je vindt er speelgoed van overal en van alle tijden. En via dat speelgoed leer je andere (of je eigen) cultuur kennen. En de bezoekers mogen echt spelen: je drukt op de knop en kermisattracties komen tot leven. Of je waagt je aan oude volksspelen."

 

Het Dierenpark Planckendael is altijd meer dan de moeite waard. Markante thema's zijn: de bonodo of dwergchimpansee en ooievaars, Australië met de koala's en Zuid-Amerika met in de hoofdrol de goudkopleeuwaapjes, waterzuivering en wandelen door bomen.

 


 

KEUZE VAN DE REDACTIE

 

 

ExtravagANT! Antwerpse schilderijen voor de Europese markt (1500-1525)

 

Vlaamse kunst als exportproduct. Wat moet je je daarbij voorstellen? En toch, dit wordt een ontdekking met een prettig gestoord kantje aan. Kunst uit Vlaanderen werd vijfhonderd jaar geleden ook al erg op prijs gesteld. De combinatie van gezonde Antwerpse koopmansgeest en degelijk vakmanschap ligt aan de basis van een succesartikel dat de wereld moest veroveren. Dit type schilderijen tref je inderdaad eerder in het buitenland aan, tot op Madeira toe. De Antwerpse schilders overtroffen zichzelf in virtuositeit bij het kopiëren van degelijke modellen (daar werd zeker niet op neergekeken), waaronder de Aanbidding door de Koningen één van de favorieten was.

 

De kunstenaars lieten wat graag zien wat zij in hun mars hadden. Zij konden zich bovendien uitleven in exotische nevenfiguren, extravagant uitgedost in buitenissige kledij met een overvloed aan plooien (niet erg realistisch, maar knap gedaan). Voor het effect werden de houdingen ietwat geforceerd, de achtergronden met feeërieke architectuur opgesmukt. Het kon er behoorlijk druk zijn op die schilderijen, maar de klanten, hoofdzakelijk kooplui, waren er gek op. Die chic ogende mix van vertouwde onderwerpen (de geruststellende herkenbaarheid) en weergaloze techniek (een kwaliteitsproduct) werd een modeverschijnsel in het eerste kwart van de zestiende eeuw, een vreemde nabloei van de Vlaamse Primitieven.

 

Het mag verbazen dat het fenomeen niet eerder als dusdanig belicht werd. De ontdekking dateert natuurlijk niet van gisteren. In het begin van de vorige eeuw werd de gezaghebbende Duitse kunsthistoricus Max Friedländer met die groep anonieme Antwerpse meesters geconfronteerd. Hij bedacht ze met de misleidende verzamelnaam 'Antwerpse maniëristen van omstreeks 1520'. Bij die naamgeving dacht hij aan de gemaniëreerde houdingen van de uitgebeelde personages, maar ongewild maakte hij een verwarrende verwijzing naar de Italiaanse maniëristen, waarmee deze kunstenaars uiteraard geen uitstaans hebben. Ongunstig voor de populariteit is verder het feit dat omzeggens geen van deze schilders bij naam bekend is. De gekozen noodnamen die naar stijl, onderwerp of verzameling verwijzen, werken niet erg inspirerend. Oordeel zelf: de Meester van Amiens, de Meester van 1518, de Meester van de Von Groote-Aanbidding, de Pseudo-Bles of de Pseudo-Gossaert.

 

Voor de tentoonstelling werden zestig schilderijen en een veertigtal tekeningen uit diverse Europese verzamelingen geselecteerd. De thema's zijn ons zeker vertrouwd, maar van de stijl wordt het toch even opkijken. Voor de tekeningen wordt de tentoonstelling een primeur; de meeste verlieten nooit eerder de laden van de prentenkabinetten van Wenen, Berlijn, Londen en Parijs. Voor de gelegenheid werd ook een aantal werken te Antwerpen gerestaureerd waaronder het triptiekje van de Meester van de Antwerpse Aanbidding uit het KMSKA. Opmerkelijk is verder de aanwezigheid van een metershoog glasraamontwerp voor een Boom van Jesse door Jan de Beer (één van de schaarse échte namen!), een zeldzaam pronkstuk. En pronken, daar kwam het werkelijk op aan!

 

Rik Sauwen

 


ExtravagANT! Antwerpse schilderijen voor de Europese markt 1500-1525 (2005)

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten 

Leopold De Waelplaats 

2000 Antwerpen  

Tel. 03 242 04 16  

http://museum.antwerpen.be/kmska 
Van 12 januari tot april 2006 in het Bonnefantenmuseum te Maastricht


Illustraties

Pseudo Jan Gossaert, Triptiek met de heilige Familie en musicerende engelen
Lissabon, Museu de Arte Antiga

Meester van de Antwerpse Aanbidding, Aanbidding door de koningen
Antwerpen, KMSKA

Meester van Amiens, Au juste pois véritable balance
Amiens, Musée de Picardie


 

UIT DE BOEKEN

 

 

De VIZO verzameling: een decennium grafiek in Vlaanderen

 

Het feit dat het VIZO (Vlaams Instituut van het Zelfstandig Ondernemen) zal ophouden te bestaan in 2006 wordt een geschikte gelegenheid gevonden om de niet onaardige grafiekverzameling van het instituut te boek te stellen. Het is een prestigieuze uitgave geworden van een interessante collectie die het resultaat is van enkele beleidsbeslissingen. De voorganger van het VIZO was het ESIM (Economisch en Sociaal Instituut van de Middenstand) waarvan de afdeling Kunst­ambacht zich ook bezig hield met de selectie van vrije grafiek en fotografie. Toen bij de veranderende beleidsopties deze disciplines uit de boot vielen, werd beslist om jaarlijks een aantal grafiekbladen van jonge grafici aan te kopen om er de kantoren mee te verfraaien. Later werd een veel groter budget hiervoor vrijgemaakt en kon, met het advies van Emiel Hoorne, de werkelijk onvermoeibare promotor van de grafische kunsten in Vlaanderen en ver daarbuiten, een hele reeks gerichte aankopen worden verricht. Op die manier is een echte staalkaart tot stand gekomen van wat er de jongste tien jaar op grafisch gebied door kunstenaars is voortgebracht.

 

Het boek is dan ook vooral een kijkboek met kwaliteitsvolte afbeeldingen van werken van 86 verschillende kunstenaars. Het gaat hier zowel om werken van artiesten die voornamelijk met grafiek bezig zijn als van kunstenaars die grafiek slechts in de marge van hun oeuvre een plaats weten te geven. De uitgave is ondersteund door een beschouwende tekst van Ludo Raskin. Met zijn ruim formaat, linnen band met stofomslag een zeer genietbaar werk voor de salontafel.

 


Uitgave VIZO Design Vlaanderen, Kanselarijstraat 19, 1000 Brussel - ISBN 9077362282


 

Luc Peire helemaal

 

Het is verheugend vast te stellen dat de stichting Jenny & Luc Peire, naar het voorbeeld van haar naamgevers, streeft naar degelijkheid en zingeving. De uitgave van de catalogue raisonné van Luc Peires olieverfwerken is daar de zoveelste illustratie van.

 

Luc Peire (1916-1994) had zelf al de aanzet voor een dergelijke systematische beschrijving van zijn oeuvre gegeven. Maar een levend kunstenaar houdt er vaak eigenzinnige inzichten op na, die niet perse met een strikte wetenschappelijke aanpak stroken. Zo had hij deze inventaris eerder opgevat als een geïllustreerde catalogus waarin de werken vrij summier werden beschreven, met weglating van informatie die hem niet-opportuun leek, zoals bibliografie, briefwisseling, tentoonstellingen en veilingen. Over de illustraties had hij ook eigen opvattingen. Die moesten klein gehouden worden en uitsluitend in zwart-wit, enerzijds omdat hij geen vertrouwen had in de kleurexactheid ervan en anderzijds om het plegen van plagiaat tegen te gaan. Werk dat hij ondermaats vond, werd niet opgenomen. Vooral in zijn vroeg werk ging hij nogal driest te werk.

 

De bedoeling van deze catalogue raisonné is natuurlijk breder en past in een systematische inventarisering en documentatie van het omvangrijke werk van de kunstenaar. Zo slaagden Marc Peire en Els Soetaert erin 1.398 olieverfwerken volgens een consequent gehanteerde en heldere methodologie te beschrijven. Deze werkwijze wordt vooraf uitvoerig beschreven en waar nodig met fotografische voorbeelden gestaafd. Het is boeiend te vernemen welke informatie op de achterkant van Peires werken te vinden is. Het specifieke belang van signatuur en nummering wordt verklaard. Op enkele schaarse uitzonderingen uit de debuutperiode na, zijn alle werken afgebeeld, het overgrote gedeelte ervan in kleur. De technische vooruitgang heeft de bezwaren van de kunstenaar in verband met kleurkwaliteit achterhaald. Er valt niets op aan te merken. Peires specifieke koloriet komt bijzonder goed tot zijn recht, mede door een gelukkige papierkeuze.

 

Vermits de volgorde chronologisch verloopt, is het ook boeiend het parcours van de kunstenaar op de voet te volgen: het zoeken naar een eigen stijl, los van de bewonderde leermeesters, de haast toevallige uitschieters waarin het latere werk voorvoeld wordt en dan (wij zijn al voorbij het catalogusnummer 500!) de bevrijdende zelfontdekking: een ontbolstering die een drietal jaar duurt, tussen 1952 en 1956, het verstevigen van de eigen stijl met de eindeloze mogelijkheden.

 

Het essayistisch gedeelte van het boek bestaat uit twee studies van Jaak Fontier en een uitgebreide biografische schets van de hand van Marc Peire, met tekstuittreksels van Luc of Jenny Peire als verhelderende randbemerkingen. Uit zijn lange vertrouwdheid met het werk situeert Jaak Fontier op gevatte wijze Luc Peire in zijn kunsthistorische context en schetst hij de persoonlijke evolutie van de kunstenaar. Dit laatste doet hij aan de hand van een twintigtal werken, een strenge, maar doorvoelde selectie in dat indrukwekkende oeuvre. Hier komen de illustraties bijzonder goed tot hun recht.

 

Het gebeurt te weinig, maar hier past zeker een woord van waardering voor het werk van de lay-outman. Deze slaagde erin om de saaiheid die in het genre catalogue raisonné ingebakken lijkt te doorbreken. Elk dubbel blad, met de afbeelding van een tiental werken is een lust voor het oog. De werken staan gegroepeerd in telkens wisselende opstellingen, als in een muzikaal ritme waarin Peire zichzelf zeker zou herkennen. Een onmisbaar naslagwerk en bovendien een mooi boek. Wat moet een mens meer hebben? (RS)

 


Marc Peire & Els Soetaert / Jaak Fontier, 'Luc Peire. Catalogue Raisonné of the Oil Paintings'
Uitgeverij Lannoo, 2005 - ISBN 90 209 61063 / NUR 642
Basistaal Engels, Nederlandse en Franse versie van de teksten achteraan
440 blz., 295x 250 mm, 4 kleuren, gebonden met stofomslag - € 74,50


 

Enquête: MEER DAN DUIZEND OKV-ABONNEES GEVEN HUN MENING

 

 

Beter: daar gaan we voor

 

Wil u meer actueel tentoonstellingsnieuws of meer themanummers? Welke onderwerpen spreken u aan? Wat vindt u van een gedrukte tentoonstellingsagenda? Wat is uw oordeel over de geleide bezoeken van de OKV-Club? Deze en andere vragen kwamen aan bod in de enquête die de OKV-abonnees samen met het meinummer van Tento ontvingen. De respons was overweldigend. Meer dan duizend abonnees gaven hun mening. Heel veel dank daarvoor.

 

 

Een schouderklop van trouwe en nieuwe lezers

 

Een opvallend gegeven: meer dan de helft van de respondenten is al langer dan een kwarteeuw abonnee van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, iets minder dan 30 % is geabonneerd sinds de beginjaren. OKV heeft vele trouwe lezers die steeds meer het gezelschap krijgen van kunstliefhebbers die het tijdschrift recent ontdekten: net geen 20 % heeft zich geabonneerd in de periode 2001-2005.

 

Al even bemoedigend zijn de positieve commentaren over de inhoud en de kwaliteit van het OKV-aanbod. Een greep uit de honderden spontane reacties:

  • "OKV en Tento zijn iedere keer een verademing. Als full time werker is het een ideale manier om degelijk en verfrissend geïnformeerd te blijven over het culturele aanbod. Bovendien prikkelt het de nieuwsgierigheid van onze prille tiener."
  • "Het huidige tijdschrift is actueel en gevarieerd. Voor mij mag dit zo blijven."
  • "Ik lees elk nummer (bijna) volledig. Ik wens jullie, na zoveel jaren, de energie en het enthousiasme om door te gaan met de zo interessante informatie."
  • "Sinds het ontstaan is het tijdschrift enorm positief geëvolueerd. Als ik mijn oude fardes vergelijk met wat je nu als abonnee krijgt: geen vergelijking. Proficiat! Houden zo."

 

 

Wat de OKV-abonnee het liefst leest

 

Een abonnement op Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen bevat vier themanummers en vier Tento's, die alternerend verschijnen. 43 % van de respondenten zegt vooral voor de themanummers geabonneerd te zijn, 27 % vooral voor de Tento's.

 

De rubrieken van Tento die de OKV-lezer het meest waardeert, zijn: 'In beeld' over tentoonstellingen (zowel de grote toppers als de kleinere), 'Museum apart' over onbekende en nieuwe musea, 'Talent' over beloftevolle kunstenaars en 'Agenda'. De deelnemers aan de enquête formuleerden vele interessante suggesties voor themanummers. Hedendaagse kunst is een onderwerp dat bijzonder in de smaak valt. Deze abonnees worden in december al op hun wenken bediend met de aflevering Vlaamse schilderkunst na 1980. Andere geliefde onderwerpen zijn: erfgoed (religieus, industrieel, militair...), architectuur, toegepaste kunsten en kunstgeschiedenis. Met dit laatste vragen de abonnees themanummers die op een heldere manier basisinformatie geven over diverse kunststromingen. Nogal wat lezers zijn geïnteresseerd in wat zich achter de schermen van een museum of tentoonstelling afspeelt. De restauratie van kunstwerken en gebouwen is hierbij een populair thema.

 

 

Gedrukte tentoonstellingsagenda

 

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen biedt met www.tento.be niet alleen een compleet overzicht van de musea in Vlaanderen en Brussel, de website geeft ook de meest volledige en actuele ten­toonstelingsinformatie. Toch is de overgrote meerderheid van de OKV-abonnees (88 %) gewonnen voor een uitgebreide gedrukte tentoonstellingsagenda die eveneens aandacht besteedt aan Wallonië en de buurlanden.

 

De vele honderden abonnees die enthousiast meewerkten aan de enquête hebben Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen een grote dienst bewezen.
De OKV-ploeg kan nu aan de slag met al deze gegevens en suggesties.
Vanaf 2006 zal Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen meer dan ooit uw tijdschrift zijn.

 

 

Winnaar art nouveau weekend in Brussel

 

Alle deelnemers aan de OKV-enquête maakten kans het exclusief art nouveau weekend in Brussel te winnen. Uit de berg van meer dan duizend formulieren pikte de onschuldige hand de inzending van Roselien Van Loocke, OKV-abonnee uit Gent. Proficiat


 

Adriaenssens Werner, Agatha, Albrecht & Isabella, Anciaux Bert, Arickx Filip, Aubecq, Baksteen Dirk, Barré Nicolas, Bertin Jules, Beuys Joseph, Bolsjojtheater, Bondarchuk Sergey, Bracque, Bratkov Sergej, British Library London, Broodthaers Marcel, Brumagne Anne, Capenberghs Joris, Cassiers Guy, Catteau Charles, Centre de la Gravure La Louvière, Cézanne Paul, Charliermuseum Sint-Joost-ten-Node, Coburn Frederick, Cool Joris, Daem Hilde, De Baere Bart, de Beer Jan, De Clercq Anouk, De Decker Anny, De Koninck Louis Herman, De Kuyper Eric, De Mey Yves, De Mulder Kristine, De Rynck Patrick, Dedeyn Malvina, Dostojevski, Eichenberger Dagmar, Ensor James, Fabergé, Fernhout John, Filips de Goede, Filips de Schone, Filonov, Fiszman Isi, Fontier Jaak, Friedländer Max, Geefs Willem, Gontsjarova, Goya, Guimard Barnabé, Hadid Zaha, Hankar Paul, Heyerdahl Thor, Hirsch Charles, Hoorne Emiel, Horenbout Gerard, Horta Victor, Huyge Dirk, Huysmans Kamiel, Illy-prijs, Joséphine-Charlotte, Keizer Karel V, Koning Boudewijnstichting Brussel, Kramer Antje, Larionov, Lavachery Henry & Thomas, Le Botanique Brussel, Leen Frederik, Leopold II, Malevitsj, Margareta van Oostenrijk, Margareta van York, Martens Hans, Matisse, Meester van 1518, Meester van Amiens, Meester van de Antwerpse Aanbidding, Meester van de Von Groote-Aanbidding, Metraux Alfred, Minne Georges, Mondriaan Piet, Moscou Theatre School of Dramatic Art, Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam, National Gallery London, Neuhuys Albert, Nicolaas II, Nuyts Marina, Panamarenko, Pater Damiaan, Peire Luc, Peire Marc & Jenny, Pevsner, Picasso, Platel Alain, Poppentheater Potudan, Portaels Jean, Pou Hakanononga, Prinses Clémentine, Pritzker Architecture Prize, Pseudo-Bles, Pseudo-Gossaert, Quellin Jan Erasmus, Quintinianus, Raskin Ludo, Rau Daan, Réau Louis, Rembrandt, Ritsema Jan, Robrecht Paul, Rodtsjenko, Roggeveen Jacob, Sauwen Rik, Schuiten François, Sherwood William, Sjtsjoessev Museum voor Architectuur Moskou, Smekens Paul, Smits Jakob, Soetaert Els, Solvay, Speelgoedmuseum Mechelen, Staatshistorisch Museum Moskou, Stallaert Joseph, Storck Henri, Tassel, Tatlin, Teylers' Museum Haarlem, Thompson Jon, Torfs Ana, Van Cauteren Josine, van de Velde Henry, Van de Walle Adelbrecht, Van den Bergh S.J., Van Ertborn Florent, van Eyck Jan, Vandepitte Francisca, Vandervorst An, Vanvaeck Mark, Verheyen Ivo, Voet Caroline, Wide White Space Antwerpen, Willaert Philip, Wouters Peter, Wuyts Eva, OKV2005, Baugniet Marcel-Louis, Beuckelaer Joachim, OKV2005.3+