U bent hier

Onbekend Meester - Gotische Kelk

Onbekend Meester - Gotische Kelk

Vorig jaar kon ter verrijking van ons nationaal patrimonium in de kunsthandel te New York een laatgotische kelk met pateen gekocht worden, die vele jaren geleden eigendom was van een Frans verzamelaar. Naar vorm en versiering is het een pronkstuk, de moeite waard om nader bekeken te worden. Een miskelk is uiteraard een liturgisch gebruiksvoorwerp en wordt in de H. Kerk samen met ciborie en monstrans gerekend tot de H. Vaten. Deze voorwerpen worden gebruikt bij de eucharistische eredienst. Wil men de vorm van een miskelk juist beoordelen dan is het nodig te weten waartoe hij dient en hoe hij gebruikt wordt. Tijdens de H .Mis wordt de kelk midden op het altaar geplaatst, onder de offerande wordt er wijn ingegoten samen met een paar druppels water, door de woorden van de priester geconsacreerd tot het H. Bloed van Christus. Tijdens deze consecratie ook toont de priester de kelk hoog opgeheven aan de gemeente (elevatio). Tenslotte zal de priester het H. Bloed nuttigen bij de Communie. De bij deze sacrale handelingen te gebruiken drinkkelk moet voldoen aan een aantal vereisten : de eigenlijke kelk of kom waarin de wijn, later het H. Bloed komt, zal bij voorkeur uit edel materiaal vervaardigd zijn, zoals trouwens ook de kerkelijke wetten het voorschrijven, en de priester moet de inhoud er van gemakkelijk en volledig kunnen nuttigen ; een breed standvlak zal omstoten moeten voorkomen ; bij de opheffing moet de kelk gemakkelijk en veilig met beide handen kunnen vastgehouden worden. Hieruit volgt dat de miskelk uit drie onderdelen zal bestaan : de eigenlijke bij voorkeur brede kom (cuppa) op een breed standvlak en daartussen een derde element, om het opnemen en tonen met de nodige omzichtigheid en gewenste plechtigheid te verzekeren, de knoop, die gemakkelijk met de linkerhand kan gevat worden. Bij de vroegmiddeleeuwse en de Romaanse kelken hebben die drie samenstellende elementen een eenvoudige vorm : een brede half-bolvormige kom, waaronder een sferische knoop en een ronde nagenoeg kegelvormig oplopende voet. Meestal zijn ze niet hoog en drukken door hun breedte zeer goed hun stabiliteit uit. De gotische kelk behoudt de duidelijke scheiding tussen de drie samenstellende elementen maar wordt iets rijziger : tussen kom en voet is nu een stam ingelast waarop de knoop op halve hoogte geschoven wordt. Maar nog treffender is het verschil in de uitwerking : bij de Romaanse kelk overheersen eenvoudige vloeiend ronde volumes, waarbij de versiering geen afbreuk doet aan de vlakwerking. De gotiek houdt meer van scherpe hoekige volumes, en de bij voorkeur aan de architectuur ontleende versiering zal de vlakken nu gaan uitsnijden. Dit is ook het geval bij deze laatgotische kelk. De brede voet is twaalf lobbig op een opengewerkte staande rand van maaswerk met visblaasornament, dat we ook terug vinden in de laatgotische bouwkunst. Op elke lob werd een rond medaillon aangebracht waarop gegraveerde heiligen staan, die we straks nader zullen bekijken. Het middendeel van de voet loopt schuin omhoog in een zesvlakkig plateau en vertoont uitgedreven stralen, om de beurt een rechte en een golvende, alle met de punt naar beneden. De zesvlak-kige stam komt te voorschijn uit een opengewerkte basis samengesteld uit elementen ontleend aan de gotische architectuur : steunbeertjes, venstermaaswerk, gedrukte spitsbogen, fialen met kruisbloemeinden en hogels. De sferisch samengedrukte knoop met zes ronde uitstekende facetten is eveneens opengewerkt. De kegelvormige kom wordt onderaan gevat in een opengewerkte en met zes spitsen uitgesneden rand van kleine gekrulde koolbladeren. U hebt intussen al kunnen vaststellen dat de ontlening van gotische bouwonderdelen niet doorslaggevend is. Bovendien komen op stam en knoop, die naar bouw en algemene vorm wel gotisch zijn, versieringselementen voor die niets gemeen hebben met de gotiek, maar die thuishoren in de renaissance. Let op de symmetrisch aangebrachte krullen in filigraandraad op de stam, op het candelierimotief en de akanten aan de knoop, op de veelkleurige bloemenplanten in email op de facetten. Er rijst dan ook twijfel of de stam met de renaissance motieven niet van latere datum is. Maar daartegen pleiten de aanwezigheid van identieke omlijstende kabelranden, zowel aan voet en cuppa als aan de stam en de knoop. Meteen is het probleem van de datum gesteld. Het stuk is laatgotisch naar vorm en opbouw en deels wat de versieringselementen betreft, maar renaissance motieven komen er eveneens op voor. Het opduiken van renaissance-ornament is in onze gewesten normaal na 1500 te situeren. Trouwens we kunnen onze kelk vergelijken met andere, gedateerde stukken die nog zuiver gotisch werden uitgewerkt : vooreerst de in opdracht van Gertrudis Beckers in 1493 gemaakte kelk, die nu op het Aartsbisdom te Mechelen bewaard wordt ; de in 1502 door Frans van Busleyden, aartsbisschop van Besançon, aan de kerk van Schijndel (Noord-Brabant) geschonken kelk ; de uit 1507 gedateerde Antwerpse kelk in de kerk van Uden (Noord-Brabant) ; de eenvoudige Brusselse kelk van 1514 in de kerk van Harmignies ; en de bijna onversierde Antwerpse kelk met jaartal 1527 uit de kerk van Zutendaal. Totaal anders is de mooie kelk van prelaat Matheus 's Volders, in 1562/63 aan de abdij van Averbode geleverd door de Antwerpse zilversmid Reinier van Jaersvelt. De algemene lijn, de opbouw en de verhouding van de gotische kelk werden wel behouden, maar zuiver renaissance is echter de versiering, zowel de mooie gedreven medaillons en de vruchtenslingers op de voet, de siermotieven op stam en knoop, als het geciseleerde handwerk op de korf. De kelk van het Sterckshofmuseum staat tussen de reeks genoemde gotische kelken en het renaissance-exemplaar uit Averbode. Te oordelen naar de stijl dateert hij uit de eerste helft van de 16e eeuw, waarschijnlijk tussen 1520 en 1540. Op antiek zilver komen meestal ingestempelde merken voor, die de voorgeschreven legering edelmetaal moeten waarborgen. De zilversmid was immers verplicht zijn werk vóór aflevering te laten keuren door de deken of keurmeester van het stedelijk ambacht der edelsmeden. Hij sloeg vooraf zijn merkteken op het stuk en na goedkeuring werd het waarborgteken aangebracht, meestal het stadswapen of een element hieruit. Op het einde der 15e en in het begin der 16e eeuw wordt bovendien een kenteken van de dienstdoende keurmeester ingeslagen, in onze gewesten de opeenvolgende letters van het alfabet. Theoretisch is het dus mogelijk van elk stuk oud zilverwerk het jaar van ontstaan, het produktiecentrum en de meester terug te vinden. Maar in de praktijk is het niet zo eenvoudig, omdat men niet steeds beschikt over de overeenstemmingstabellen van de zgn. jaarletters, noch over de identificatie van de meestertekens. De hier voorgestelde kelk vertoont twee reeksen identieke merken, eenmaal op de cuppa, de tweede maal op de voet tussen de medaillons. Een uitgesneden schild met klimmende leeuw is het herkomstteken van Brussel ; een gotische hoofdletter K is de jaarletter ; een gotische hoofdletter T met kroon is het meesterteken. Maar juist voor de Brusselse merken bestaan er nog heel wat op te lossen problemen, zodat het nog niet mogelijk is hieruit het juiste jaar van ontstaan af te leiden. De afwezigheid van het tweede Brusselse waarborgteken nl. een St.-Michielskop, die omstreeks 1515 naast de Brabantse leeuw verschijnt, wijst er op dat deze kelk wel uit het begin van de 16e eeuw zal dateren. De stijl van de gegraveerde medaillons, gotisch van factuur maar waarin renaissance-elementen toch ook niet ontbreken, is niet in tegenspraak met deze datering. De voorstellingen houden enerzijds verband met de H. Eucharistie, zoals het eerste met Christus aan het Kruis tussen de H. Maagd en Joannes, en het tweede met de voorstelling van de Mis van Sint-Gregorius. In de andere medaillons staan heiligen, achtereenvolgens de H. Catharina van Alexandrie, de H. Antonius Abt, de H. Hieronymus, de H. Paulus, de H. Joannes de Doper, de H. Gilis, de H. Gertrudis van Nijvel, de H. Ambrosius, de H. Petrus en mogelijk de H. Augustinus. De keuze van deze heiligen geeft weinig aanduidingen over de gemeenschap of parochie waarvoor deze prachtkelk gemaakt werd, tenzij mogelijk de aanwezigheid van de H. Gilis en de H. Gertrudis wijst naar het oude bisdom Luik, waar deze heiligen meer vereerd werden dan in de andere bisdommen. Bij de kelk hoort de pateen, waarop de hostie gelegd wordt voor offerande en consecratie. Zij heeft een verdiept plat, dat past in de kelkopening, en een rechte boord. In het midden van het plat bevindt zich een gegraveerd medaillon met de voorstelling van het Laatste Avondmaal, wat nauw aansluit bij bedoeling en gebruik van de pateen in het H. Misoffer. Het is merkwaardig dat op de pateen behorend bij de hoger vernoemde Antwerpse renaissance-kelk van Averbode, hetzelfde thema werd afgebeeld.