U bent hier

Onbekend Meester - Schrijn van de H. Odilia

Onbekend Meester - Schrijn van de H. Odilia

De verering van relikwieën van heilige personen maakte een belangrijk onderdeel uit van het godsdienstig leven van de Middeleeuwen. Kerken en kloosters wedijverden om in het bezit te komen van gewijde overblijfselen, en voor de bewaring ervan werden kostbare reliekhouders gemaakt. Deze komen voor onder verschillende vormen, waarvan het schrijn of relikwieënkastje er een is. Het reliekschrijn van de Heilige Odilia bestaat uit eikenhouten planken, bijeengevoegd tot een kistje en aan alle zichtbare kanten beschilderd. Oorspronkelijk zag het stuk er anders uit dan nu, want het werd in belangrijke mate verminkt in de 19e eeuw. Men heeft dan aan de onderzijde van elk paneel een boord weggenomen. Het dak bestond vroeger uit twee schuinop-lopende panelen, die op een punt bij elkaar kwamen. Men heeft ze in de lengte doorgezaagd. Een der panelen vormt nu de twee schuin toelopende zijden van het dak ; van het andere werd enkel een smalle band overgehouden, die thans deze twee zijden verbindt. Dit heeft tot gevolg dat de voorstelling van een der schuine panelen van het oorspronkelijke dak nu over twee tegenover elkaar liggende vlakken verdeeld is, en dat van het andere niet meer uit te maken is wat werd voorgesteld. De zijwanden van het schrijn vertonen wel enkele leemten, maar waar de beschildering niet verdwenen is, komt zij in goede staat van bewaring voor. Het schrijn was bestemd voor de relieken van de Heilige Odilia die het eigendom waren van het klooster van Kruisheren of Kruisbroeders te Hoei. Het gebeente van Odilia, een der 11.000 maagden die te Keulen gemarteld werden samen met de Heilige Ursula, werd opgegraven in 1278 en overgebracht naar het moederklooster van de orde der Kruisheren te Hoei. Van dan af ging Odilia door voor de patroonheilige van de orde. Volgens de legende was zij in een visioen verschenen aan een lekebroeder uit het Kruisherenklooster te Parijs, om hem opdracht te geven haar relieken te gaan opgraven te Keulen, in de tuin van een zekere Arnulf, onder een pereboom. De voorstellingen die de wanden van het schrijn van Odilia versieren, zijn gegrepen uit de twee onderdelen van haar legende. Enerzijds wordt de tocht der 11.000 Maagden en hun marteldood uitgebeeld, anderzijds de vinding der relieken en hun overbrenging naar Hoei. Een der panelen van het dak stelt de aankomst der Maagden te Keulen voor. Zij worden ontvangen door prinses Sigillindis en haar hofhouding. De prinses houdt een kruik in de linkerhand en heft de rechterhand ten groet aan de Maagd met kroon en staf uiterst rechts. Links wordt deze gekroonde Maagd gezegend door de paus, die twee bisschoppen naast zich heeft staan. Het is niet duidelijk of dit personage de heilige Odilia voorstelt dan wel de heilige Ursula. Indien het Odilia is, heeft men de gebeurtenissen uit het leven van Ursula op haar toegepast ; in het andere geval zou men Odilia moeten herkennen in een der vrouwen uit het gevolg van Ursula. Het zijpaneel dat de marteling der Maagden voorstelt, toont verschillende episodes uit het gebeuren. Links komen de Maagden in een boot toe te Keulen, geleid door de gekroonde Maagd, die hier een kruisstaf in de hand houdt. Reeds hebben enkele krijgers hun slachtoffers vastgrepen en brengen ze om het leven met dolk en zwaard. Uiterst rechts maakt een beul aanstalten om een maagd het hoofd af te slaan. Zij maakt een afwerend gebaar tegen een koning op zijn troon, die haar wilde sparen, mits zij met hem in het huwelijk wilde treden. Enkele lijken liggen al ten gronde, en een verschrikte maagd tracht zich bij het schip te verbergen. In het midden bovenaan worden de zielen van drie martelaressen door twee engelen ten hemel gedragen. Het tegenoverstaande zijvlak toont links de opgraving der relieken door de Parijse Kruisbroeder en rechts de plechtige overbrenging naar Hoei, onder de leiding van enkele Kruisheren, herkenbaar aan het zwarte kruis op de borst. Ook enkele Minderbroeders in bruine pij volgen het reliekschrijn, evenals twee vrouwen, die aan de wonderbare kracht van het gebeente van Odilia genezing van verlamming en ziekte te danken hadden. Deze wonderen waren al tijdens de reis van Keulen naar Hoei gebeurd. Misschien stond ook de voorstelling op het thans bijna geheel verdwenen dakpaneel in verband met de gebeurtenissen van 1287. In dat geval zou de ene zijde van het schrijn gewijd zijn geweest aan de geschiedenis der 11.000 Maagden, de andere zijde aan de opgraving der relieken van Odilia en hun triomfantelijke tocht naar het klooster te Hoei. De smalle paneeltjes aan de uiteinden hebben nogal wat geleden bij de hoger beschreven verlaging van het schrijn. Het ene stelt een Maagd voor, waarschijnlijk de heilige Odilia, die haar mantel over twee kleinere vrouwenfiguren houdt. Dit symbool van de bescherming door een heilig persoon komt wel meer voor in de kunst van de Middeleeuwen. De beschildering van de tegenoverliggende kant is bijna geheel verdwenen. Men kan de figuur van een paus of bisschop herkennen, die zegenend de rechterhand opsteekt. Hij schijnt in een boot te staan, omgeven door een aantal vrouwen. Misschien is het paus Cyriacus, die volgens de legende Ursula en haar gevolg naar Keulen vergezelde. Bij al deze taferelen worden wij getroffen door de verhalende trant. Hoewel in de voorstelling van de marteling een zeker contrast is nagestreefd tussen de wreedheid van de beulen en de sereniteit van de martelaressen, blijft de expressieve kracht beperkt. Het accent ligt teveel op het anekdotische. Daarenboven getuigt de compositie van een zin voor het decoratieve die het gruwelijke van de afgebeelde gebeurtenissen minder aangrijpend maakt. De figuren zijn in drie groepjes opgesteld, onafhankelijk van elkaar, met ieder een eigen evenwicht. Gebaren en houdingen zijn ritmisch tegenover elkaar afgewogen. Hetzelfde kan gezegd worden van het paneel erboven. Hier zijn twee hoofdgroepen te onderscheiden : de eerste gevormd door de paus en zijn bisschoppen en de gekroonde maagd, de tweede door de twee elkaar begroetende vrouwen rechts. Van de rij vrouwen in het midden is er één naar links gekeerd. Zij strekt de arm in de richting van de paus. De meeste figuren zijn echter naar rechts opgesteld. In een poging om de twee uiteenlopende bewegingen te verbinden heeft de kunstenaar één vrouw de toeschouwer recht in de ogen doen kijken. De achtergrond is effen, fel rood voor de panelen van het dak, donkergroen voor de zijwanden van het schrijn. Het decor is herleid tot het minimum dat noodzakelijk was om de zin der voorgestelde gebeurtenissen te vatten. Het aantal gebruikte kleuren is gering, en zij zijn alle strikt lokaal aangewend. Binnen de zwaar getekende omtreklijnen worden de verschillende vlakken elk in één kleur gezet, zonder schakeringen of overgangen. Er is geen poging aangewend om door aangeven van schaduwen of door modelleren der figuren diepte te suggereren. Alles is vlak gehouden. Figuren en decor werden getekend met een bruine omtreklijn en zo gekleurd, dat de vlakken die naast elkaar liggen onderling contrasteren. Dan werd de binnentekening aangebracht, de trekken van mond, neus en oren, de plooien van de drapering, enz. Tenslotte werden wangen en lippen, het bloed der martelaressen en andere details, zoals bijvoorbeeld de tong 'van een der beulen, in fel rood geaccentueerd. De proporties van de figuren zijn niet in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. De hoofden zijn te groot naar verhouding tot de lichaamslengte en de vingers zijn abnormaal lang. Slechts bij uitzondering zijn de figuren in zuiver profiel gezien, maar wel is iedere beweging in het vlak gesitueerd. De gelaatstrekken zijn steeds op dezelfde stereotiepe wijze aangeduid, zodat van echte psychologische uitdrukking geen sprake kan zijn. Hierop is maar één uitzondering waar te nemen : het van haat verwrongen aangezicht van een der beulen, die de tong uitsteekt terwijl hij een der maagden een pijl in de keel schiet. Het reliekschrijn van de heilige Odilia werd gemaakt voor het klooster der Kruisheren te Hoei, en het bleef er tot in 1797 het klooster werd opgeheven. Allicht werd het in de streek zelf vervaardigd en beschilderd, waarschijnlijk door een Luiks kunstenaar. Het is een der oudste voorbeelden van beschildering van houten panelen, die in ons land bekend is. Het schrijn getuigt van een esthetische opvatting die ver van de onze verwijderd is, en de confrontatie ervan met onze begrippen kan verhelderend werken. Daarenboven staat het stuk aan het begin van een evolutie die tot de hoogtepunten van de schilderkunst der Vlaamse Primitieven van de 15e eeuw voert, en ook daarom verdient het onze aandacht en waardering.