U bent hier

Pieter-Paul Rubens - Bekering van de Heilige Bavo

Pieter-Paul Rubens - Bekering van de Heilige Bavo

Bisschop Carolus Maes had opdracht gegeven aan Pieter-Paul Rubens om een ontwerp te maken voor een schilderij, dat het nieuwe hoofdaltaar van de Gentse kathedraal moest versieren. Doch de bisschop overleed in 1612 en zijn opvolger F. van der Burch en nadien ook J. Boonen lieten het plan varen. Daarom richtte Rubens op negentien maart 1614 een brief aan Aartshertog Albrecht. Hij verzocht hem tussenbeide te willen komen opdat hij toch het altaarstuk zou kunnen uitvoeren, dat zijn inziens het grootste en schoonste zou zijn dat ooit in dit land was gemaakt, Volgens Rubens werd de nieuwe bisschop echter beïnvloed door verkeerde raadgevers en weigerde hij ook maar één enkele keer zijn tekeningen te bekijken. Hij had er zich toe laten overhalen een 'hoogst onzinnig hoofdaltaar op te richten, zonder enig schilderij, met enkel het beeld van de H. Bavo in een marmeren nis met enkele zuilen'. Volgens de kunsthistorici wordt het ontwerp van Rubens voor het hoofdaltaar thans bewaard in de National Gallery te Londen. Op zeven maart 1622 werd Antoon Triest geïnstalleerd als nieuwe bisschop. Hij was een groot bewonderaar van Rubens en gaf nu opdracht om het marmeren altaar te wijzigen, onder meer te verbreden en aldus plaats te maken voor het schilderij van de meester. In 1624 kwam het meesterwerk klaar. Op zevenentwintig september van dat jaar, ondertekende Jan Breughel, in naam van zijn goede vriend Rubens, het kwijtschrift waarbij 600 florijnen werden uitgekeerd voor het oeuvre. Uit dankbaarheid schilderde Rubens links onderaan het wapenschild van bisschop Triest. In 1707 werd het marmeren altaar verkocht aan de collegiale kerk van St.-Gommarus te Lier; het werk van Rubens werd verbannen naar de St-Sebastiaanskapel in het hoogkoor van de kathedraal. Op het einde van de achttiende eeuw werd het door de Fransen gestolen en naar Parijs overgebracht. In 1811 schonk Napoleon het schilderij aan het museum te Brussel. Doch op bevel van Willem I werd het in 1817 overgebracht naar het stadsmuseum te Gent en zeven jaar later opnieuw opgesteld in de kathedraal aldaar. Twee grote gebeurtenissen uit het leven van de H. Bavo zijn hier uitgebeeld: de intrede in het klooster en de uitdeling van de goederen; de onderlinge verbinding ervan geschiedt hoofdzakelijk door de opstijgende treden. De kunstenaar wilde duidelijk aantonen, dat er door de bekering van de heilige een afstand was ontstaan tussen hem en de wereld. De trap verzinnebeeldt het uittreden uit de wereld en het opgaan naar God. De heilige vrouwen staan al iets hoger omdat ze uit de wereld zullen treden, maar daarvoor wachten op de dood van Bavo. Het gehele verhaal is op treffende wijze weergegeven. In deze hoofdzakelijk verticale compositie heeft Rubens zich wellicht geïnspireerd op een werk van 1552 van de Venetiaanse schilder Tintoretto voorstellende: 'De opdracht van O.-L.-Vrouw in de tempel'. Terecht schreef de Engelse schilder en historiograaf Reynolds naar aanleiding van de 'Bekering van de H. Bavo': 'De compositie, het koloriet, de rijke effecten en alle andere elementen waarin Rubens bijzonder uitmuntte, plaatsen dit schilderij op de hoogte van zijn grootste en beste werken'.