U bent hier

Prosper De Troyer zonder clichés - Schilder in beweging

 

Over Prosper De Troyer doen karrenvrachten clichés de ronde. Tijd om schoon schip te maken, dachten ze in Mechelen en hoogtijd om naar de werken zelf te kijken. Het is deze zomer in Lamot niet minder dan een wedergeboorte van een miskend avant-gardist. (Is dit geen cliché?)

 

 

Nestor onder de modernisten

 

Curator Kurt De Boodt (°1969), die twee jaar geleden op dezelfde locatie al instond voor de tentoonstelling rond Rik Wouters, heeft zijn selectie een intrigerende ondertitel meegegeven: Prosper De Troyer. schilder in beweging. Dit vraagt een woordje uitleg. Kurt De Boodt: “Het is natuurlijk dubbelzinnig bedoeld. Het gaat over een van de meest in het oog springende kenmerken van zijn werk: de beweging, in zijn futuristisch werk, maar ook ervoor en erna. En dan het ander aspect dat mij tijdens de research is opgevallen: hij is een modernist die constant de kunstbewegingen volgde en er ook actief bij betrokken was. We hebben het dan ruwweg over de periode tussen 1914 en 1935.”

 

En daar gaat al het eerste cliché: Prosper De Troyer (1880-1961), als een soort eremijt teruggetrokken in zijn provinciaal nest. De waarheid was helemaal anders. Halfweg tussen Brussel en Antwerpen volgde hij wel degelijk de avant-garde die daar actief was. Er waren zeer intense uitwisselingen met Paul Van Ostaijen (1896-1928) in Antwerpen, met Michel de Ghelderode (1898-1962) en Felix De Boeck (1898-1995) in het Brusselse, om de voornaamste maar te noemen.

 

De Troyer is een kleurrijk kunstenaar. Van bij zijn vroegste werken is dat duidelijk. Het doorsnee impressionisme is hem te braaf en binnen de kortste keren is hij een flamboyant fauvist, met vlammende kleuren en een zwierige penseelvoering. Kurt De Boodt noemt hem zonder meer “de wildste onder de Brabantse fauvisten.” Zo zijn er een Rode Visser die zijn titel niet gestolen heeft, blauwe koeien (ja, blauwe) en bloemstukken waar kleur en beweging van het doek spatten. Aan wie denken wij dan het eerst: aan Vincent van Gogh (1853-1890) of aan Rik Wouters (1882-1916)? Zowel naar de ene als naar de andere werd in die dagen opgekeken, behalve door verstokte traditionalisten. Bovendien was Wouters ook een Mechelaar. Daar komt het volgend cliché al om de hoek kijken: De Troyer als epigoon van Rik Wouters. Dit is uiteraard gebouwd op een oppervlakkige waarneming: levendige kleuren akkoord, maar de Troyer debuteert rond 1914, op een tijdstip dat Wouters al jaren weg is uit Mechelen. En nog een cliché, maar van ondergeschikt belang: Prosper De Troyer is geen geboren Mechelaar. Hij kwam er zijn militaire dienst doen en is er gebleven. Hij was afkomstig van Destelbergen.

 

Wat misschien in zijn nadeel gespeeld heeft is het feit dat zijn carrière traag op gang komt. Hij stelt voor het eerst tentoon op zijn vierendertigste. Als hij in 1918 met de Kunstkring Doe Stil Voort tentoonstelt is hij er achtendertig; zijn mede-exposanten zijn aanzienlijk jonger. Met Felix De Boeck, die erg naar hem opkijkt, bedraagt het leeftijdsverschil achttien jaar. Dat belet niet dat er tussen beiden een vriendschap voor het leven ontstaat.

 

De Troyer heeft een sterke persoonlijkheid, een luide stem die hij wil laten horen. Zijn artistiek credo barst van optimistische energie: “Onze kunst moet jong en fris zijn, gezond zijn. Onze kunst moet nieuwer en zonniger zijn, onze kunst moet bovenal levenslustiger zijn. Meer liefde voor het leven en zijn heerlijkheid. Onze kunst moet onze tijd vereeuwigen. Dus moet ze in zich opnemen en uitgalmen de grootse uitvindingen en diepe wetenschappelijke kennissen.” Het werk is alvast helemaal in de lijn van de geloofsbelijdenis. De stap naar het futurisme ligt erin vervat, maar ook die naar het later expressionisme, de intimistische taferelen zowel als de wildste visioenen.

 

 

Futurisme

 

Dat het futurisme van Prosper De Troyer geen bevlieging is, bewijst zijn briefwisseling met Filippo Tomasso Marinetti (1876-1944). Enthousiasme over en weer, met minder kan een futurist zich niet tevreden stellen. Vanzelfsprekend is hij futurist, stelt hij op snoeverige toon. Voor zijn Italiaanse correspondent bezingt hij de opkomst van: “De krachtige mens van onze tijd. De vliegende mens. De elektrische man en vrouw.”

 

In zijn werk zijn de futuristische ingrediënten meteen overtuigend aanwezig: snelheid, techniek, flitsende beelden, simultaan uitgedrukt, inclusief het geluid. Zo zien we hoe de klaterende klank van de beiaard zich om de Sint-Romboutstoren slingert en dan de gehele stad omsluiert. De trein en zijn schril fluitsignaal worden in een stoomspiraal opgenomen, nog eens beklemtoond in de curven van de glazen stationsoverkapping. Het herinnert even aan het schilderij De Nationalestraat van Jozef Peeters (1895-1960), waar ook met prismatische vervormingen gespeeld wordt en de klank visueel wordt uitgedrukt, maar bij De Troyer is het toch de spontane uitbarsting die domineert. Voorbereidende tekeningen tonen aan dat de orgie er niet in een enkele krachtige geut gekomen is. Het schilderij is wel degelijk het product van een weloverwogen productieproces.

 

Zijn futurisme kent ook meer rustige uitingen, zoals De Naaister met een opvallend ingehouden coloriet dat de simultane weergave van houdingen van de vrouw enigermate verdoezelt, maar het lijnenspel verscherpt. En dan lonken weer nieuwe uitdagingen. Abstractie, non-figuratie, maar los van de dwingelandij van de bonzen van de Stijlbeweging. Het is een korte periode in zijn carrière, die enigszins geforceerd aandoet. Hij experimenteert, maar geloven doet hij niet.

 

 

Expressionisme van alledag

 

Het leven dwingt De Troyer zijn blik op meer vitale gebeurtenissen te richten. Zijn vrouw is zwanger en dan wordt hij vader. Verwonderd en bewonderend ontdekt hij de pracht van een zwanger lichaam en dan dat van de twee-eenheid moeder en kind. Zijn geloof in kunstenaarschap en de nieuwe mens wordt er niet minder door. Die nieuwe mens komt ook tot ontwikkeling in de intimiteit van een huiskamer, van een klein gezin, van het alledaagse. Daar richt hij nu zijn blik op, met enige mateloosheid, maar ook weer niet tot het wansmakelijke. Nog een cliché: De Troyers expressionisme is schonkig en brutaal.

 

Net als zijn tijdgenoten in Latem, Antwerpen of zelfs Luik, geeft hij aan het expressionisme een eigen invulling: tellurisch bij Constant Permeke (1886-1952), surrealistisch bij Frits Van den Berghe (1883-1939), Afrikaans bij Auguste Mambour (1896-1968). Prosper De Troyer voelt zich het best in zijn sas in een volks georiënteerd idioom.

 

De overdrijving wordt gemilderd, of soms juist extra in de verf gezet, door een burleske knipoog. Naar het schilderij Melkgeschiedenis kun je niet kijken zonder mee te monkelen. Het uitgangspunt is zijn geliefd thema van die dagen: de moeder met kind aan de borst. Dat altijd maar lodderend kind aan de gezwollen speen komt overal terug in de natuur. Centraal op het doek staat de melkventer die zelf de melktuit aan de mond zet, terwijl zijn ezelin haar jong zoogt en een zeug iets verder hetzelfde doet. Iedereen zit aan de melk. Enig afwijkend element: de vrouw die de melkemmer onder de pomp houdt, wellicht om de melk aan te lengen.

 

Wijdbeens staat De slachter voor een opgehangen karkas. Bretellen en slippen van zijn schort vormen een wit kruis dat overeenstemt met de diagonalen van het doek. Met de racistische incorrectheid van een vroeg stripverhaal, wordt Sicky de Bokser’ons beeldvullend voorgesteld als een imponerende zwarte vechtmachine, maar aan zijn voeten staat een delicaat geschilderd bloemenmandje. Die delicate toets komt vaak terug: een geblokte duivenmelker met op de achtergrond een aller-charmantst stadsbeeld van Mechelen; de manier waarop een atletisch gebouwde man een zolderraam met beide duimen openhoudt; de manier waarop de krullenkop van zijn zoontje een dramatische scene ontzenuwt.

 

 

Miskenning?

 

Humor en cynisme liggen in elkaars verlengde. De kunstenaar wordt omgeven door Raadgevers en Vitters. Onze sympathie kan enkel naar de gekwelde kunstenaar gaan. Hij haalt zijn gelijk, net als Pieter Bruegel (ca. 1525/30-1569), net als James Ensor (1860-1949). Het is het lot van de kunstenaar om door imbecielen omringd te worden, maar die hebben het wel voor het zeggen, terwijl De Troyer zichzelf ziet als een schepper, de man voor wie geen grenzen bestaan, in geen enkel opzicht. Hij beeldt zichzelf daarom uit als een vliegenier, vrij als een vogel, zwevend boven de aardse kleinzieligheid. Maar die petieterigheid haalt hem wel in.

 

Zijn schilderij De Dood van de Kardinaal zorgt voor controverse. De overleden kardinaal Mercier (1851-1926) wordt diagonaal afgebeeld, in een icoonachtig geforceerd perspectief. Rond hem een biddende non, een paar treurende priesters. Het doek wordt bejubeld, maar hem wordt ook verweten de spot te drijven met een nationale held. De aankoop voor de staat wordt door een kunstcommissie negatief geadviseerd. De ontgoocheling is groot en De Troyer geeft de Walen de schuld. Hij zou genegeerd worden omdat hij een overtuigd Vlaming is. Koppigheid is hem niet vreemd. Elke afwijzing neemt hij op als een persoonlijke aanval. Kunstcriticus Paul Colin (1895-1943) moet het ontgelden: de ronde knikker van de vroegere medestander wordt met veren als ezelsoren getooid. Zijn bewondering voor Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516) komt hem in het sarcastisch register goed van pas: het schilderen van tronies is een gedroomde uitlaatklep voor zijn frustraties.

 

Maar laat dit wel duidelijk zijn: het laatste cliché, dat van de miskenning, is hoofdzakelijk door Prosper De Troyer zelf in stand gehouden.

 

 

Rik Sauwen

 


Info

 

Tentoonstelling

 

Prosper De Troyer, schilder in beweging

Nog tot 22 september 2013

Open: donderdag t.e.m. dinsdag van 10 tot 17 uur

Gesloten: woensdag

 

Lamot

Van Beethovenstraat 8-10

2800 Mechelen

Tel. 070 22 28 00

www.stedelijkemusea.mechelen.be

 

 

OKV-archief

 

Taal in beeld, beeld in taal, OKV, 1987, nr. 2

Van goeden huize, OKV, 1990, nr. 2

www.tento.be