U bent hier

Staande mannelijke en vrouwelijke figuur, Baule-Atieh, West-Afrika

Staande mannelijke en vrouwelijke figuur, Baule-Atieh, West-Afrika
De verzamelaar die ons het afgebeelde paar figuren in bruikleen afstond besloot enkele jaren geleden onmiddellijk tot aankoop toen hij het in 'levende lijve' zag opgesteld bij een kunsthandelaar. Als kenner en liefhebber van Afrikaanse plastiek werd hij direct overtuigd door de hoge artistieke kwaliteit van dit 'kunstwerk'. Zijn verzameling bevatte figuren in deze stijl maar hij begreep meteen dat hij aan deze groep een topstuk zou toevoegen. Ook enkele Engelse kunstenaars die het paar beurtelings enige tijd in bezit hebben gehad voor de Nederlandse handelaar het naar ons land haalde, beschouwden het in de eerste plaats als iets dat op een mooi voetstuk geplaatst moest worden. Zij die zich in een volkenkundig museum met dit soort voorwerpen bezighouden, hebben de neiging deze beelden, hoe mooi ze ook zijn, weer van dit voetstuk af te halen. In dit geval bleek het onmogelijk, zo onverbrekelijk waren de beelden met het fraaie blok hout verbonden. De beelden zijn met veel esthetisch gevoel en zeer gedetailleerd gesneden en met uiterste zorg afgewerkt. Maar we moeten ons wel realiseren dat het niet alleen maar mooi vormgegeven figuren zijn. In de samenleving waar ze zijn gemaakt, hebben ze niet in de eerste plaats een esthetische functie gehad. Uit welke samenleving, of cultuur zoals volkenkundigen liever zeggen, zijn ze eigenlijk afkomstig en welke functie hebben ze daar dan gehad ? Aan de uiterlijke kenmerken is te zien dat de cultuur van herkomst gezocht moet worden in Ivoorkust bij de stammengroepen die op de beboste savannen leven in het midden en zuidoosten van deze Westafrikaanse staat. Bij een stam als die van de Baule of van de daaraan zeer verwante Atieh. Deze stammen zijn pas in het begin van de achttiende eeuw ontstaan toen, na een paleisrevolutie bij de Ashanti, een gedeelte van het hof Ghana in oostelijke richting verliet om zich in het huidige gebied te vestigen. Zij vermengden zich met de plaatselijke stammen die bleven en werden de heersende klasse van de nieuwe samenleving. Andere stammen zoals de Guro vluchtten naar het zuidwestelijk woudgebied en behielden hun duidelijk te onderscheiden cultuur. Een grote bedrevenheid in de houtsnijkunst namen de indringers indertijd niet mee uit hun oorspronkelijke Ashanticultuur die meer de nadruk legde op het verwerken van (edele) metalen. Het vormgeven in hout leerden ze van de Senufo, hun buren op de savannen in het noorden van Ivoorkust en van de Guro. Vooral de stijlovergang naar het werk van de Guro is vloeiend. De beelden hebben dezelfde rustige, waardige houding met de armen langs het slanke lichaam, de ronde vorm van de ledematen en de gedetailleerd uitgewerkte haardracht. De ogen zijn meestal half geloken, de wenkbrauwen hoog, de mond klein en het hele gezicht heeft een ovale vorm. Bij de Baule die een hoofse stijl meebrachten uit hun oorspronkelijke cultuur is de verfijning echter het grootst. Bovendien zijn gezicht en lichaam van sierlidtekens voorzien en is het hoofd groot in verhouding tot het lichaam. Vooral bij de Atieh is de uitwerking zeer gedetailleerd. De meeste beelden stellen mensen voor die een godsdienstige functie hebben bij de voorouderverering. Deze verering speelt de belangrijkste rol in het godsdienstig denken en handelen van deze mensen. De beelden zijn vaak portretten van voorouders. De bedoelde personen zijn vooral aangeduid door hun eigen speciale haartooi en lidtekens, maar zijn tegelijkertijd van een haast onpersoonlijke, verheven waardigheid. De naam van dergelijke beelden is 'waka sona'. De nakomelingen die een dergelijk beeld nodig hebben voor de verering van hun voorouders snijden de beelden niet zelf. Houtsnijder is een apart beroep, een geëerd beroep ook, dat een duidelijke status en welstand met zich meebrengt. Tenslotte, de Baule-houtsnijder maakt zijn werk bewust zo mooi mogelijk; hij snijdt ook beelden om zo maar een mooi mens uit te beelden. Om schoonheid te scheppen als kunstenaar zouden wij zeggen. Hun werk op een apart voetstuk plaatsen deden ze echter niet.