U bent hier

Sterven in de middeleeuwen in de KMKG - Herinneringssteentjes

Memento mori - Skelet gehuld in een lijkwade zittend op een tombe, West-europa (Frankrijk?), 1541, ivoor, Musée des Arts Décoratifs Parijs, Legaat van mevrouw de Barones Henri de Rothschild, 1927.

 

Voor de tentoonstelling - Tussen Hemel en Hel. Sterven in de middeleeuwen - maakten de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis een selectie uit duizend jaar sterven, begraven en herdenken in West-Europa.

 

 

VULFERUS EN EGMONT 

 

In het jaar 1013 kreeg een zekere Vulferus een wel heel bijzonder oorkussen mee. In zijn graf onder het Gentse Sint-Pietersplein ontdekten archeologen in 2003 een tablet van ongeveer 12 cm2 met, mooi uitgelijnd, zijn naam, zijn sterfdatum en zijn lekenstatus. Een ongewone vondst, inscripties waren weggelegd voor de abten van de abdij van de Blandijnberg, en dan was er nog die laatste wens op de achterzijde: "Als je me ziet, dan smeek ik je me te laten rusten."

 

Het 'herinneringssteentje' zou de spil van de tentoonstelling kunnen zijn, want je wordt aan zijn verzoek herinnerd telkens wanneer je verschillende laatste resten in al hun kwetsbaarheid onder ogen krijgt. Toch slaagden de curatoren Alexandra De Poorter en Sophie Balace erin om er geen danse macabre van te maken. 

 

Zo wordt het stoffelijk overschot van de graaf van Egmont (1522-1568) met veel respect en in de brede context van (kunst)geschiedenis, archeologie en forensisch onderzoek gepresenteerd. 

 

Het schilderij van Louis Gallait, een van de belangrijkste schilders van de Belgische romantiek, brengt een laatste eerbetoon aan de graven Egmont en Van Hoorn, die op de Grote Markt onthoofd werden. 

 

Het 'gerestaureerde' geraamte kan je ook betrekken op het netjes terugplaatsen van het hoofd. Op de zesde, doorgekliefde halswervel na dan, waarvan er een afgietsel van het Museum voor Natuurwetenschappen te zien is. Er wordt ook gewezen op de dij- en scheenbenen die onthullen dat Egmont al op jonge leeftijd erg veel te paard reed.

 

 

SNAVELDOKTERS 

 

Wie zijn kindertijd en als vrouw het kraambed overleefde, liep veel kans om aan een gewelddadige dood te sterven, in een tijd waar heersers meteen ook veldheren waren. Op de achtergrond zijn de strijdkreten van de slag van Hastings, die het geanimeerde filmpje over het Tapijt van Bayeux begeleiden, onafgebroken te horen. Bovendien werden folterpraktijken en de doodstraf nog niet in vraag gesteld. 

 

Typische Merovingische wapens als de scramasax (zwaard) en de francisca (werpbijl), en ook het zogenaamde gerechtszwaard en een riek om de terdoodveroordeelde op de brandstapel te houden zijn al te echt. 

 

Op de mooi vormgegeven speelborden van de didactische dienst is te zien waar de dood zich verder nog zoal schuilhield in een middeleeuwse stadje. Op de zilveren bordjes van edelen lag gekruid vlees, maar in de aarden potten van armen zaten groenten en hun bord was gewoon een dikke snee brood. De rogge bevatte vaak een schimmel die tot vergiftiging (ergotisme) leidde. De hongersnoden in de jaren 1314-1317 als gevolg van mislukte oogsten door aanhoudende regens en koude zijn gekend.

 

Het kromgegroeide bot van iemand die leed aan rachitis of het aangetaste gebit zijn pijnlijke getuigen van jarenlange voedseltekorten. Epidemieën worden aanschouwelijk gemaakt door lepravoeten en een zestiende-eeuwse melaatsenklepper met de iconografie van de Heilige Barbara en haar toren waarin ze, net zoals de melaatsen, een geïsoleerd leven moest leiden.

 

Aan de hand van een dobbelsteenspelletje leren kinderen en hun omstaanders hoe genadeloos de pestbacil zich via de ratten kon verspreiden, en hoe de 'snaveldokters', zo genoemd naar hun snavelvormig masker waarin aromatische doeken zaten, zich enkel bij de Sint-Rochuskapel of de kruidenwinkel veilig waanden. In de jaren 1346-1350 trof de pestepidemie vermoedelijk de halve Europese bevolking.  

 

Het was wachten op ontsmettingsmiddelen tot de negentiende eeuw, maar soelaas bracht alvast het Cmydtboek van de arts Rembert Dodoens, in de zestiende eeuw in de taal van het volk, het Vlaams, verspreid, maar wegens het grote succes ook naar het Latijn vertaald voor de rest van Europa.  

 

 

HET SPREKENDE GRAF 

 

De gewone sterveling mocht dan wel in een simpele lijkwade begraven worden, de graven van Merovingische edelvrouwen en -mannen zwijgen allerminst. U krijgt de inhoud van een van de rijkste graven te zien die ooit in België werden gevonden, afkomstig van het grafveld van Bossut-Gottechain in Waals-Brabant (op een filmpje zie je hoe archeologen er te werk gingen). De vrouw werd er in de zesde eeuw begraven met oorringen in goud, granaat en glas, fibulae (mantelspelden) in de vorm van vogels, een mes met goudblad, zelfs een gouden munt, een obool, om de Styx te mogen oversteken, overblijfsel van een heidense traditie. De graven na Karei de Grote zijn moeilijker te dateren omdat hij het gebruik van grafgiften verbood.  

 

Het skelet met dwerggroei is interessant omwille van de vindplaats, in de abdij Ten Duinen in Koksijde. Het werpt een licht op de 'topografie' van de dood: mindervaliden werden dus wel op een christelijke begraafplaats toegelaten, in tegenstelling tot verschillende verstoten categorieën zoals joden, homofielen, zelfmoordenaars of ongedoopte kinderen. Een pot met het vijftiende-eeuwse babyskeletje, opgegraven in de Hoogstraat in Zottegem,  doet vermoeden dat het om een ongedoopt kindje ging.  

 

Er zijn verder bijzonder expressieve grafstenen en -monumenten uit alle periodes, zoals het immense grafbeeld van L'homme à moulons uit de kapel van de Heren van Boussu in Henegouwen. Het ligbeeld of de gisant in witsteen wordt als een transis voorgesteld, een lichaam in ontbinding, met een zeer realistische weergave van de anatomie. Nu weten we alles over de dood, zegt het gastenboek, behalve het uur.  

 

 

ARS MORIENDI  

 

In de middeleeuwen was sterven een sociale gebeurtenis. Rond het sterfbed van Maria, zo leert ons de retabel uit circa 1500, een van de belangrijkste sculpturen van de KMKG, schaarden zich alle apostelen. Ook doodsportretten wijzen erop dat de dood nog geen taboe was. Volgens de Ars moriendi kon je je zelfs bekwamen in de kunst van het sterven. 

 

De prinsbisschop van Luik stierf in 1538 na het eten van vergiftigde oesters, maar nog aan deze zijde had hij al zijn luxueuze grafmonument en zijn eigen herdenkingsmissen besteld.

 

Ook de twee zussen uit de Brusselse burgerij zorgden voor hun zielenheil toen ze in 1359 een testament lieten opmaken met de wens om jaarlijks een som van honderd pond aan de Brusselse armen te schenken. Om de begeerde plaatsen in het paradijs te vrijwaren, werden alvast de zegels van de zeven armentafels bijgevoegd.

 

Wie de dag plukte, was gebaat met een voorwerp dat aan de dood herinnerde, een memento mori (gedenk te sterven). Robuuste in eik, zoals het exemplaar uit het Erasmushuis met een doodshoofd op een zandloper, of als piepklein hangerI tje in ivoor. Met een klik via een skelethand kan je het doodshoofdje virtueel openen en daarin engelen, een stralenmonstrans en minikistje bespeuren. Kopergravures waar de Dood de dodendans leidt van zowel rijk en arm, heerser of clericus, schilderijen en devotieprentjes zijn de vele verschijningsvormen van de christelijke boodschap waarvan de hele middeleeuwen doordrongen was: Soe doedij wel/Den tijt es cort/ De dood es snel/Wacht hij van sonden.

 

An Devroe  


Info

Tentoonstelling

Tussen Hemel en Hel - Sterven in de middeleeuwen 

Nog tot 24 april 2011

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur

Gesloten: maandag

 

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis

Jubelpark 10

1000 Brussel

Tel. 02 741 72 11

www.kmkg-mrah.be