U bent hier

Walter Swennen in WIELS - “Je ne me situe pas du tout”

Walter Swennen in WIELS - “Je ne me situe pas du tout”
Walter Swennen, Super blaue Reiter, 1998, olieverf op doek, MuZEE, Oostende, Foto: AD-Art.

 

Elk jaar wijdt WIELS een grote tentoonstelling aan een toonaangevende Belgische kunstenaar. Nog tot einde januari 2014 loopt er ‘So Far So Goed’, de uitgebreide presentatie van het oeuvre van Walter Swennen.

 

 

HET WOORD VAN EEN DICHTER 

 

Walter Swennen is geboren in 1946 in Vorst. Vijftig jaar later toont het Antwerpse MUHKA van hem een retrospectieve tentoonstelling. Het is sedert 1996 geleden dat nog een groot overzicht van zijn werk te zien was. In het modernistische gebouw waar WIELS Centrum voor Hedendaagse Kunst haar schitterende activiteiten ontplooit, krijgt hij nu twee verdiepingen voor een ongemeen boeiende expositie. Het is een bilan van een kunstenaarsloopbaan die begon in de jaren 1960. De titel So Far So Good laat vermoeden dat de kunstenaar zelf niet ontevreden is over het afgelegde parcours.

 

Swennen begint zijn artistieke carrière als dichter maar gaat na een tijd, net als Marcel Broodthaers (1924-1976), zich vooral als plastisch kunstenaar profileren. Het woord zal evenwel nooit uit zijn oeuvre verdwijnen. We mogen niet uit het oog verliezen dat Walter Swennen nog vóór Broodthaers de happening in ons land introduceerde. In een geschrift van rond 1968 stelt hij: “Een happening is een politieke zaak, geen manipulatie van idee - ën of slogans.”

 

In de tentoonstelling wordt dat happeningelement nauwelijks belicht maar er is wel ruimte gemaakt voor de literaire aspecten van zijn werk. In de uitstekende begeleidende publicatie kan men diverse teksten van zijn hand terugvinden. 

 

 

BUITEN CATEGORIE 

 

Walter Swennen is bij een breder publiek minder bekend, toch vinden we in zowat elke openbare collectie in dit land werk van hem terug. Hij werd in de jaren 1980 naar voor geschoven als een van de exemplarische Belgische schilders en zijn naam komt dan ook voor in tal van grote tentoonstellingen. Nu blijkt dat hij juist niet exemplarisch is, maar veeleer een zeer interessante kunstenaar buiten categorie. In de tentoonstelling zien we naast schilderijen ook heel wat tekeningen, enkele sculpturen samen met poëzie en aforismen.

 

Swennen is echter een kunstenaar die wel bekend is bij heel wat jonge Belgische en buitenlandse kunstenaars omdat hij onbeschroomd en volhardend niet nagelaten heeft de uitgangspunten van de schilderkunst te onderzoeken, steeds weer in vraag te stellen en dat trouwens nog steeds doet. Hij gebruikt daarbij uitgangspunten en principes die we eerder aan andere kunstvormen verbinden. Hij reageert met een open geest op de destijds sterke, conceptuele richtingen in de kunst en op het onderzoek van de fundamentele schilders door juist zeer lyrisch met het medium om te gaan. Hij neemt als een van de eersten in ons land elementen uit de strip op in zijn beeldtaal, maar speelt evenzeer met aspecten uit de publiciteit of met de neo-expressionistische beeldtaal die door zijn tijdgenoten naar voor geschoven wordt.

 

In 1986 werd hij door de Nederlandse Gosse Oosterhof (naast Jean-Hubert Martin en Kasper König) gekozen als één van de Belgische kunstenaars voor Initiatief 86 in de Sint-Pietersabdij te Gent. De tentoonstelling was een realisatie van de Gentse verenigingen en galeries in aansluiting op Chambres d’Amis om een gedegen beeld te geven van wie en wat in de Belgische kunstscène aanwezig was. Daar is zijn werk door heel wat mensen uit de kunstwereld opgemerkt, net zoals dat het geval was met tal van andere kunstenaars die daar toen exposeerden. 

 

 

VERSLINGERD AAN STRIPS 

 

In de tentoonstelling in WIELS is een van zijn eerste schilderijen te zien, het dateert van 1981, hij was toen vijfendertig. Het is als een rebus, zoals hij er wel meer heeft geschilderd. Zonder titel (Olifant, hond, vrachtwagen) is ontstaan vanuit zijn vraag aan zijn dochters naar wat hij moest schilderen. Het werk werd in die jaren meteen opgemerkt, want het was in al zijn eenvoud veelzeggend en vernieuwend. Hij laat het toeval meespelen, gaat beschrijvingen die hij vindt in tweetalige woordenboeken gebruiken om zijn werk uit te voeren en nieuwe beelden te scheppen. Hij schrijft in meerdere talen op zijn werken, schrapt woorden of delen ervan.

 

Zijn werken verwijzen soms naar andere kunstenaars zoals Engelbert Van Anderlecht (1918-1961) of Louis Artan de Saint-Martin (1837-1890). Met taal spelen is een constante in zijn werk, ook wanneer er geen letter te zien is. Het is hierbij goed om weten dat hij stamt uit een Nederlandstalig gezin dat op een nogal plotse wijze naar het Frans is overgeschakeld toen hij vijf jaar was. Vanaf 1984 verdwijnt het schrift tijdelijk uit zijn schilderijen.

 

Directe beelden, tekens en emblemen gaan het schilderij veroveren. Zwitserse zakmessen, bananenschillen, de gedeukte hoge hoed van een stripfiguur, Schanulleke zoals we ze kennen uit de albums van Suske en Wiske, zijn samen met vele andere iconen terugkerende thema’s. Het zijn voorwerpen en figuren uit de leefwereld van zijn kinderen. We mogen echter niet vergeten dat Walter Swennen onder meer is opgeleid als graficus en in zijn jeugd verslingerd was aan strips. Hij zegt zelf dat hij vanuit het lezen van strips is beginnen tekenen. Die achtergrond van tekenaar lees je af in zijn doeken. Hij tekent nog altijd dagelijks.

 

 

BELEDIGEN, NIET BEKOREN 

 

Zoals andere schilders ook wel deden of doen, gaat Swennen experimenteren met de handeling van het schilderen zelf, door bijvoorbeeld in het donker of met twee handen te schilderen. Het is een vorm van mentale oefening die hij zich oplegt.

 

Hij schildert in die periode ook het werk Kayak. Het is een vorm van zelfportret omdat hij zich identificeert met het figuurtje in de kajak, het figuurtje dat de woelige wateren moet trotseren enerzijds, maar rustig voort peddelt anderzijds.

 

In 1988 komt hij tot de bevinding dat het ‘probleem’ van figuratie en abstractie in feite een vals probleem is. “Een schilderij is altijd een beeld van een schilderij.” Delen van figuratieve voorstellingen overschildert hij gewoon met rechthoekige vlakken of hij voorziet zijn doeken van een geschilderde omlijsting die op die manier een schilderij in het schilderij suggereren. Hij knipoogt zonder gene naar Kasimir Malevich (1879-1935) of Alexander Rodchenko (1891-1956). Hij bevraagt de monochrome schilders door zelf een monochroom te schilderen en dat dan om te vormen tot een soort bakstenen muurtje.

 

Wat er vooral opvalt bij deze kunstenaar is dat hij telkens weer niet voldoet aan de verwachtingen van zijn publiek, in die zin dat wie een stuk vertrouwd geworden is met zijn beeldtaal steeds opnieuw voor verrassingen komt te staan. Het interesseert hem geenszins om zijn publiek te bekoren of te verleiden. Steeds opnieuw gaat hij verder in zoektocht en experiment. Hij bestudeert verschillende dragers, wisselende structuren en blijft in dit alles op een speelse manier met die zaken omgaan. En dat is een niet onbelangrijk element om zijn werk te kunnen naar waarde schatten. De relatie met zijn kinderen heeft hier trouwens een rol in gespeeld, er is de voortdurende verwondering die nodig is om verder te gaan.

 

Hij zet op een bepaald moment beledigende termen op het doek, een soort Publikumbeschimpfung. Zelf zegt hij daarover: “De belediging is de meest directe vorm om uw publiek aan te spreken. ”

 

Daar waar de eerste verdieping in de tentoonstelling vooral het retrospectieve karakter van de expositie benadrukt en een historisch overzicht biedt, brengt de tweede etage eerder een dialogerende keuze uit het werk van de kunstenaar. Er is geen echt chronologisch overzicht maar een verfrissende confrontatie tussen werken. Deze keuze voor de accrochage geeft een zeer goed beeld van de onvoorstelbare diversiteit in zijn werk. Het is voor kunsthistorici ongetwijfeld een moeilijk ‘geval’. Op de persconferentie die rond de tentoonstelling werd gehouden vroeg iemand hoe hij stond tegenover het post-postmodernisme waarin men hem situeerde. Zijn antwoord was tekenend: “Je ne me situe pas du tout.” Nog even later voegt hij eraan toe: “Kunstgeschiedenis is geschiedenis, geen kunst.”

 

Hij bepleit vooral dat de kijker de tijd zou nemen om te kijken. We moeten vooral verder kijken dan hetgene ons op het eerste gezicht opvalt, verder dan de bovenste laag, verder dan het soms naïeve beeld op het voorplan. Het werk van Swennen oogt soms zeer eenvoudig maar is verre van simpel.

 

Daan Rau

 


Info

 

Tentoonstelling

 

Walter Swennen ‘So Far So Good’

Nog tot 26 januari 2014

Open: woensdag t.e.m. zondag van 11 tot 18 uur

Gesloten: maandag en dinsdag

 

Wiels Centrum voor Hedendaagse Kunst

Van Volxemlaan 354

1190 Brussel

Tel. 02 340 00 53

www.wiels.org

 

Een omvangrijke en zeer gedocumenteerde catalogus begeleidt deze tentoonstelling