U bent hier

Van dada tot pamapadada - Alias Wout Hoeboer

Openbaar kunstbezit Vlaanderen Wout Hoeboer
Wout Hoeboer tijdens de Anti-Dada-tentoonstelling in Galerie de la Proue, Brussel, 1957

 

Niet enkel kunstenaars kleuren buiten de lijntjes. Mu.ZEE in Oostende doet dat eens te meer. Haaks op het in-vakjes-denken van de traditionele kunstgeschiedenis pakt het uit met een tentoonstelling rond Wout Hoeboer, een artistieke duizendpoot en zelfverklaard levenslang dadaïst. Geniet mee.

 

De directe aanleiding tot deze tentoonstelling is een recente schenking van een honderdtal werken van Wout Hoeboer (1910-1983) door zijn erfgenamen. Bij leven had de kunstenaar ook al een schenking gedaan. Hij, de non-conformist, de vrijgevochten geest, had het bijzonder op prijs gesteld dat toenmalig conservator Willy Van den Bussche zijn werk aan bod liet komen in een tentoonstelling met als thema Van Dada tot heden. Kunst in/als vraag. Negatie – Integratie. Als vanzelfsprekend vond Hoeboer dat al die predicaten hem op het lijf geschreven waren. Eerlijk gezegd is dit nog een understatement. Met Wout Hoeboer bewandel je alle dwarspaden tussen expressionisme, kubisme, dadaïsme, constructivisme, action painting, surrealisme en Cobra, alle andere dwaalsporen niet meegerekend. Van alle tendensen van zijn tijd heeft hij geproefd, zonder zich tot een enkele groep te bekennen. Van groepen hield hij niet, van doctrines nog minder. Een bohémien maar daarnaast ook een uitmuntend vakman. Hoe rijm je dat aan een?

 

Volgens curator Adriaan Gonnissen slaagde Hoeboer daar wel degelijk in: “Hij was een fantastisch figuur en hij had omgang met iedereen. Dat had te maken met zijn werk als fotograveur. Voor al die bewegingen heeft hij de fotogravureverzorgd. Dat was namelijk zijn hoofdbroodwinning. Want aan zijn kunstenaarschap heeft hij niet veel verdiend.” Komt daar  nog bij dat hij voor bevriende kunstenaars zelfs onbezoldigd werk deed. Dat was zeker het geval voor die armoezaaiers van de Cobrabeweging.

 

Gonnissen: “Een werkleven lang was hij van ‘s morgens vroeg tot in de namiddag actief als grafisch vormgever, reclameontwerper, illustrator, kleurenetser, offsetretoucheur, fotograveur, decorontwerper, enz. Zo heeft hij naar het voorbeeld van Kurt Schwitters tijd ‘gekocht’ voor zijn beeldende kunstenaarschap na de werkuren.”

 

Allemansvriend Hoeboer

Deze tentoonstelling brengt daarom ook werk uit zijn brede kunstenaarskring, en de namen die hier aan bod komen zijn niet van de minsten: Pierre Alechinsky, Karel Appel, Enrico Baj, Jean Brusselmans, Jacques Calonne, Sergio Dangelo, Christian Dotremont, Paul Joostens, Asger Jorn, Marcel Mariën, Joseph Noiret, Victor Servranckx, Kurt Schwitters, Serge Vandercam. Eenzelfde diversiteit komt ook tot uiting in zijn eigen werk. Hoeboer was schilder, tekenaar, etser, collagist, maker van heerlijke abstracte assemblages en dito beelden, fotograaf, scenograaf; de lijst kan ad libitum aangevuld worden. In de meer literairfilosofische sfeer – al voelde hij zelf niet de behoefte om zich via het woord uit te drukken – had hij omgang met de lui van de Brusselse groepen Phantomas (bezield door de altijd enthousiaste Théodore Koenig) en Fantasmagie (rond de schilders Aubin Pasque en Marc. Eemans). Hij schoot goed op met stamineebaas-galeriehouder Geert Van Bruaene, genoot van diens schitterende vlugschriften, schimpscheuten en burleske kunstavonden. Zijn bijdrage tot het Brussels surrealisme leverde hij in 1959 door de vertolking van een blinde bedelaar in de film L’Imitation du Cinéma van Marcel Mariën.

 

Adriaan Gonnissen: “Als kunstenaar kun je echt zeggen dat hij experimenteel geweest is: hij heeft ook aan action painting gedaan en arte nucleare. Het schiet werkelijk alle kanten uit. Hij vindt inspiratie bij Kurt Schwitters en zijn eigenzinnige Merz-sculpturen en brengt dat dan in verbinding met het dada-universum van Paul Joostens, maar hij laat zich ook leiden door de wereld van Kandinsky en Arp. En toen hij in Dilbeek woonde, had hij geregeld omgang met zijn buren Victor Servranckx en Jean Brusselmans. Hij dynamiteert echt alle scheidingslijnen tussen abstractie, dada, surrealisme en Cobra. Fantastisch toch!”

 

Gonnissen steekt het niet onder stoelen of banken dat hij zich bij het voorbereidingswerk op deze expo wel echt geamuseerd heeft.

 

Hoeboer de vakman

Hoeboer is een dankbare spons die gretig opneemt en genereus weergeeft. Merkwaardig genoeg en ondanks al die invloeden draagt zijn werk een eigen karakter, is het volledig herkenbaar. De oorsprong hiervan is wellicht terug te vinden in zijn vormingsjaren. Hij heeft inderdaad een gedegen opleiding genoten in de grafische sector, onder meer aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam. Zijn leermeesters zijn er onder meer Gerrit Kiljan, Paul Schuitema en Piet Zwart, grootheden van de toegepaste kunst in Nederland, die voortbouwen op de theoretische bagage van de Stijlbeweging en van het Bauhaus. Via Zwart leert Hoeboer het werk kennen van Kurt Schwitters en van Hans Arp. Al in 1927 begint hij zelf ‘hout reliëf collages’ te maken die sterk aanleunen bij hun werk. Hans Arp heeft hij in zijn leven eenmaal ontmoet.

 

Met Schwitters is dat niet gelukt. Al had het gekund. In 1930 is hij in Duitsland, meer bepaald in Hannover om er zijn verloving te vieren. Toevallig woont zijn toekomstige schoonbroer in dezelfde wijk als Kurt Schwitters. Had er een ontmoeting plaatsgevonden dan had hij dat zeker in geuren en kleuren verteld. Tijdens een interview uit 1980 met radioman Freddy De Vree spreekt hij zijn bewondering uit over beide kunstenaars en haalt hij even de eenmalige ontmoeting met Arp aan. En dan gaat hij voluit vertellen over zijn ontmoetingen met Paul Joostens in Antwerpen, vlak voor de oorlog. Diens dadaïstisch werk ligt helemaal in de lijn van Schwitters, en hij bewondert de knappe vliegensvlugge tekenaar. Hoboer blijft Joostens trouw en bezoekt hem eind jaren vijftig nog in zijn armtierig krot in de Venusstraat. “Een bijzonder aardige man”, klinkt het uit de mond van Hoeboer. En dat terwijl Joostens een gepatenteerde hypochonder was en net als tal van Sinjoren een irrationele afkeer had van Nederlanders. Zij waren alvast mild voor elkaar: Joostens voor de vakman die perfect de geest van de collage begrepen had, Hoeboer voor een grootmeester van het genre en van de schroeiende dadaïstische humor.

 

Een Hoeboernetwerk?

Bij het zien van zijn ruime kennissenkring kan men zich afvragen of Hoeboer een netwerker avant la lettre was. Ik heb de man slechts een keer ontmoet, en wel ten huize van zijn goede vriend Théodore Koenig. Toen wij aan elkaar werden voorgesteld en hij over mijn belangstelling voor het dadaïsme hoorde, zei hij meteen, mij door zijn donker omrande bril met grote ogen fixerend: “Ik ben de laatste levende dadaïst!”; dit op een toon van ‘Wat denk je daarvan?’, maar zonder snoeverij, eerder als een prettige toevalligheid. Dus, ja, hij legde gemakkelijk contact en bovendien was het in het relatief klein wereldje bekend dat hij degelijk werk leverde als fotograveur en nog betaalbaar was ook. Het is dus niet onbelangrijk dat hij in 1947 Christian Dotremont leert kennen en daarmee geïntroduceerd wordt bij de surrealisten en bij de latere Cobra-kunstenaars. In de officiële historiografie van het surrealisme, zijnde het massieve doctoraat van Xavier Canonne, komt hij niet voor, tenzij met een enkele foto van zijn hand (een surrealistisch portret van ELT Mesens bij het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel). Wel zien wij hem geregeld op foto’s van Georges Thiry, de vaste fotograaf van de Brusselse surrealisten en aanverwanten. Op een groepsfoto van de groep Phantomas is zelfs te zien hoe hij Thiry een handje toesteekt door een handlicht op de groep te richten.

 

Maar al met al blijft zijn kunstenaarschap op de achtergrond. Hij stelt tentoon, maar aanvankelijk is dat nog sporadisch. Het is dankzij zijn Italiaanse vrienden Enrico Baj en Sergio Dangelo dat hij dat met grotere regelmaat gaat doen, heel vaak onder de hoede van de groep Phantomas. Zo organiseert het drietal Baj, Dangelo, Hoeboer in 1957 de tentoonstelling Anti-Dada in Galerie La Proue, een avant-gardeboekhandel die jarenlang in de Brusselse Spoormakersstraat gerund werd door Henri Mercier. Waarom Anti-Dada? Omdat de dadaïst Wout Hoeboer zich verzet tegen de behandeling van het echte dadaïsme als een kunstbeweging als alle andere, met een vaste begin- en einddatum. Daarom mag Dada nog een niet-uitgevonden afwijkende vorm aannemen: Pamapadada, bijvoorbeeld.

 

Omdat hij zich niet opdringt duurt het betrekkelijk lang alvorens zijn vrienden van Phantomas hem een plaats in hun tijdschrift gunnen, terwijl hij er al die jaren de vormgever van is en zelfs enkele technische hoogstandjes aflevert. Wat dacht u van een nummer met ‘geklimatiseerde kaft’, lees met vilten bekleding, of eentje uitgevoerd in watten ‘gebruikt voor het inpakken van bonbons en voor de binnenbekleding van doodskisten’?

 

Uiteindelijk is het Hoeboer die de affiche levert voor de grote overzichtstentoonstelling van de groep Phantomas in het Museum van Elsene in 1975. Twee jaar later verschijnt er eindelijk een monografie over hem, geschreven door Theodore Koenig en gepubliceerd door het Acoustic Phantomas Museum.

 

Hoeboer Dada en meer

Rest een idee te geven van zijn eigen kunstproductie. Zij is gevarieerd en gespreid over meer dan een halve eeuw. De aanzet ertoe is vaak een spontane opwelling, of een uiting van bewondering. Niet te verwonderen dat bepaalde formules van Kandinsky of van Schwitters terug te vinden zijn, of zelfs de omgang met Servranckx of Brusselmans zijn sporen heeft achtergelaten. Maar die zaken zijn incidenteel. Zijn vondsten zijn dromerig, poëtisch, humoristisch of ronduit opstandig, zoals die spookachtige figuren op grote wielen met een rookpluim en die hij machine hurlantes (brullende machines) noemt. Naast Jorn of Appel zouden zij niet misstaan. Titels dragen de werken zelden. Dat vond hij niet nodig. Hij sloot zich aan bij een uitspraak van Picasso aangaande het kunstwerk: “Il faut aimer’, je moet liefhebben, je moet ervan houden. Het is de toeschouwer die beslist. Zo is elk kunstwerk waardevol, mooi of lelijk doen niet ter zake. En laat dit duidelijk zijn: hij hield van zijn vak: dat formuleerde hij zo: “De graveerkunst heb ik bestudeerd: de mezzo, de aquatint, de gravure en général; ik doe dat gaarne. ’t Is prachtig, men kan daar nuances in scheppen, tonen, tinten die van wit naar diepzwart gaan, naar fluweelzwart en dat is prachtig.”

 

Cobra versus Mu.ZEE

De paden van Cobra en van Hoeboer hebben elkaar geregeld gekruist. Toch werd in een niet al te ver verleden door het Cobramuseum van Amstelveen een schenking van een aantal werken van Wout Hoeboer hooghartig afgewezen. “Pamapadada!” zou Hoeboer gezegd hebben.

 

Bij Mu.ZEE zijn ze gelukkig niet zo enggeestig. Daar krijgt Wout Hoeboeer de plaats die hem toekomt: niet in een hokje, maar laverend tussen alle bewegingen door, zoals hij in het echt was. En dat onder de leuze die Servranckx hem ooit aanreikte: “Hoe? Boer! De Boeren zijn de Besten!”

 


Mu.ZEE – Romestraat 11, 8400 Oostende – T 059 50 81 18

www.muzee.be